Een pond lever, zout en peper naar smaak, 1/2 geraspte notemuskaat,
5 fijngestampte kruidnagels, een bord vol fijngesneden uien, 2
theelepels zout, 4 à 5 heele kruidnagels, 2 lepels boter, 1 lepel
gebruinde boter, 1 eetlepel azijn, 1/2 lepel suiker, 3/4 waterglas
roode wijn (of bessensap en ketjap), 3 salam-bladeren.
Bereiding:
Men reinigt de lever en lardeert haar met dunne reepjes spek, nadat ze
goed is afgewasschen en met peper, zout, kruidnagels en notemuskaat
is ingewreven. Daarna maakt men met de lardeer-naald of priem een
paar gaatjes in de lever en braadt haar in goed boter (of vet)
bruin. De pan wordt nu voor de helft met goed kokend water gevuld,
zoo, dat de lever onder water staat; doe daar dan zout, kruidnagels,
de uien en de laurierbladeren bij, dek ze toe en laat alles een kwart
uur smoren. Wanneer de lever bijna gaar is, doet men er de lepel
gebruinde boter bij met den wijn, de suiker en den azijn. (In plaats
van wijn kan men bessensap en ketjap nemen).
Vervolgens dekt men alles weêr dicht en laat dit braden tot de lever
gaar is.
N.B. De lever wordt niet aangesneden, alvorens ze koud is, anders
valt ze uit elkaar.