Een pond lappen van rund- of karbouwenvleesch, 1 eetlepel ketoembar,
1 theelepel djienten, 10 kemiries, 1 theelepel trassie, 3 à 4
schijfjes laos, 1 theelepel witte suiker of een stukje goela-djawa,
12 roode uitjes, 2 sioongs bawang-poetih, 1 à 2 theelepels zout, 1/2
theelepel peper, 1 eetlepel asem, zonder pitten, 3 salam-bladeren,
boter, olie of vet.
Bereiding:
De lappen vleesch worden goed ingewreven met deze bij elkander
gestampte kruiden, daarna op een tampah in de zon gedroogd, nu en
dan moeten de lappen worden omgekeerd. Deze bewerking in de zon houdt
men zoolang (ook den volgenden dag of dagen) vol, tot de dèndèng goed
droog is.
Wil men nu de dèndèng gebruiken, dan klopt men ze wat aan en braadt
ze in kokend heete boter, olie of vet op.