Een niet te jonge kip, 4 à 5 uitjes, een handvol fijngesneden
pieterselie, 3 eierdooiers, een dikke snede brood in melk geweekt,
1 à 2 lepels ketjap, 1 theelepel peper, zout naar smaak, bouillon,
boter of klapperolie.
Bereiding:
Als men de kip slacht, zorge men dat het vel ongeschonden blijft
bij het plukken der veeren. Nu snijdt men de kip voorzichtig op den
rug open en trekt het vel er, zachtjes aan, zóó af, dat dit in zijn
geheel blijft.
Vervolgens ontdoet men het vleesch van al de beenderen en maakt er,
met de bovengemelde kruiden, de eierdooiers en het brood, gehakt van;
vul hiermede het vel op, (niet al te stijf opgevuld, opdat het vel
bij het braden niet barste) en naai de kip van boven dicht.
Daarna braadt men de kip, met boter, aan beide kanten bruin en voegt
er de ketjap met eenige lepels bouillon bij.
Wanneer de kip begint te zwellen, prikt men er voorzichtig hier en
daar met een vork of breinaald in, opdat ze niet barst. Laat ze aan
beide kanten goed braden en giet er af en toe jus over.
Dit gerecht wordt bij compôte voorgediend.