Een jonge kip; 3 lepels fijngesneden uien, 4 sioongs bawang-poetih,
1 of meer lomboks, 1 eetlepel ketoembar, 1 eetlepel djienten, 4
schijfjes laos, 1 theelepel trassie, 2 lepels asem- of djeroek-water,
3 kopjes santen, zout en suiker naar smaak, 3 lepels geraspte klapper
of gestampte beschuit. Boter of klapperolie.
Bereiding:
De kip wordt, na schoongemaakt te zijn, op den rug opengesneden. Men
kan haar ook eerst opkoken en dan geheel in stukken snijden. Blijft
de kip in haar geheel, dan wordt zij geroosterd; is zij aan stukken
gesneden, dan worden de stukken aan beide kanten lichtbruin gebraden.
Vervolgens stampt men de kruiden bij elkander fijn en braadt ze in
boter bruin; voeg daarna de kip, geheel, dan wel aan stukken gesneden,
bij deze kruiden, zoomede de santen met het zout en de suiker, naar
smaak. Roer alles goed door elkander, laat dit dan doorkoken en voeg
er, 't laatst, het asem- of djeroek-water bij. Wil men de saus dik
hebben, dan doet men er de drie lepels geraspte klapper of de beschuit
door, naar verkiezing.
Om de besengèk geel te krijgen, doet men bij de santen twee lepels
geraspte koenjit.
N.B. Deze besengèk heeft een zoeten kerrieachtigen smaak.