Een bordje vol katjang bras, een geraspte klapper; de kruiden zijn:
3 lepels fijngesneden uien, 4 sioongs fijngesneden bawang-poetih,
1 lepel fijngesneden laos, 2 lepels ketoembar, 1 lepel djienten, 2
theelepels zout, 2 theelepels rauwe trassie, 1 theelepel goela-djawa,
3 lepels asem-water, 2 djeroek-poeroet-bladeren, 1 daon salam, boter
of klapperolie.
Bereiding:
De katjang bras wordt goed gewasschen en op een zeef gedaan, om
het water goed te laten uitlekken; vervolgens braadt men het met
eenige lepels klapperolie geel, doet het dan op een zeef, tot de olie
uitgelekt is. Daarna stampt men de kruiden samen fijn, braadt ze even
droog, met weinig olie, op, vermengt er den geraspten klapper door,
braadt dit samen geelbruin, doet er het asem-water door heen en daarna
de katjang bras. Eindelijk braadt men dit alles bij elkaar nog eens
even op, doch zorge dat het niet te bruin wordt. De klapper kan ook,
in plaats van geraspt, aan dunne reepjes zijn gesneden.