97. SAMBEL GòDDòK.

Groenten als: kool, boontjes, peultjes, katjang-pandjang

(fijngesneden), fijngesneden petée, een bord vol gepelde garnalen.

De kruiden zijn: 2 eetlepels fijngesneden gebraden uien, 4 sioongs

fijngesneden bawang-poetih, 5 schijfjes laos, 1 theelepel gebrande

trassie, 4 stuks gepofte kemiries, 2 eetlepels fijngesneden en gebraden

lomboks, 1/2 lepel ketoembar, 1 lepel vol fijngesneden lombok idjoe,

1 theekopje fijngesneden bliembing, santen van één klapper. Boter of

olie, 1 theelepel zout, een stukje djeroek-poeroet-schil.

Bereiding:

De groenten worden, met wat zout, in water afgekookt; giet dan het

water er af en doe er de santen bij met de djeroek-poeroet-schil,

de gebraden lomboks en de gebraden uien. Daarna stampt men de kruiden

fijn, voegt dit bij het vorige en laat dit verder samen gaar koken,

tot het een dikke brij wordt.

Nieuw volledig Oost-Indisch kookboek recepten voor de volledige Indische rijsttafel, zuren, gebakken, vla's, confituren, ijssoorten · 第 115 / 1109 题