Een kopje rijst, 2 kopjes water, 3/4 theelepel zout, 1 ons gehakt
van kip of van kalfsvleesch, of een kippenkluif, dan wel een stukje
malsch rauw vleesch.
Bereiding:
Het gehakt maakt men aan met een ei, een sneedje geweekt brood en zout.
Nu neemt men een zoogenaamden timpot, [een petiman], doet daarin de
rijst met het water en stoomt den pot, die goed wordt dichtgemaakt,
in een grooteren pot met water, gedurende een half uur. Ook de grootere
pot moet dichtgedekt zijn.
Is de rijst in den timpot bijna gaar, dan neemt men er de helft uit en
doet er den bal gehakt (de kippenkluif of het vleesch) in en dekt dit
weêr met de uitgehaalde rijst. Als de rijst te droog is gestoomd, voegt
men er een scheutje water bij, wanneer het gehakt er in wordt gedaan.
Men laat de rijst verder twee uren doorstoomen, terwijl men telkens
in den grooteren pot warm water bijvoegt, als dit te veel verdampt
is. Dit water moet beneden [onder] het deksel van den timpot blijven.