2 1/2 pond rijst, 2 geraspte klappers, een halve vingerlengte gebrande
of gepofte koenjit, 2 theelepeltjes fijn zout.
Daarbij de volgende toespijzen: kleine stukjes gebraden dèndèng,
aan stukjes gesneden gebraden tempé, sambel gorèng petée,
sambel oedang-kring, een theeschoteltje vol sroendèng, kleine
rempah-balletjes, gebraden kroepoek. Verder: aan dunne schijfjes
gesneden komkommers, twee fijngesneden gepofte groene lomboks en een
aan reepjes gesneden dadar van 4 of 5 eieren.
Bereiding:
De rijst kookt men (liwet) in de santen van de twee geraspte klappers,
met de koenjit, gaar.
Bij het voordienen van dit gerecht wordt de rijst, op eene
schaal, tot een bergje netjes opgehoopt; daarna versiert men
haar met de verschillende, te voren bereide toespijzen, hierboven
vermeld. Eindelijk, over alles heen, de dadar, schijfjes komkommers
en de fijngesneden lomboks.
De recepten der toespijzen vindt men alle, onder de verschillende
hoofdstukken, in dit boek vermeld. Zie o.a. rempah, No. 209 en 313.