Als de rijst schoon gewasschen is, zet men ze op in een koewali
(of geëmailleerden pot), met water en ruim 1/2 lepel fijn zout.
Het water moet ongeveer 3 1/2 cM. (twee vingersbreedte) boven de
rijst staan. Vervolgens dekt men de koewali of den pot dicht en laat
dan de rijst koken, tot het water ingedroogd en de rijst bijna gaar is.
Daarna roert men er even door en strijkt de rijst met den lepel gelijk;
zet ze vervolgens af en dekt den pot weêr dicht.
Plaats dezen op een matig vuur, tot de rijst gaar wordt. Dan laat men
het deksel half open en roert men weêr eens in de rijst, waarna deze
weêr gelijk wordt gestreken.
Verder blijft ze dicht gedekt in de koewalie of den pot, tot ze
wordt opgediend.