LXIV.

Een laatste blik terug.

En nu ben ik aan het einde van mijne geschreven geschiedenis.

Nogmaals—voor het laatst—kijk ik achter me, eer ik mijn boek sluit.

Ik zie mij zelven met Agnes aan mijne zijde verder den levensweg

bewandelen. Ik zie ons omringd door onze kinderen en onze vrienden en

ik hoor vele stemmen, die mij ver van onverschillig zijn op mijne reis.

Welke gelaatstrekken vertoonen zich het duidelijkst aan mijn

geestesoog? Zie, hoe velen zich naar mij omwenden als ik deze vraag in

stilte doe!

Ziedaar mijne tante met sterker brilleglazen, eene oude vrouw van ruim

tachtig jaren, maar nog altijd rechtop, die nog niet opziet tegen een

wandeling van zes mijlen.

Peggotty, mijne oude kindermeid, draagt ook een bril, gewoon als

zij is haar naaiwerk des avonds dicht bij de lamp te houden; het

stukje waskaars, het elletje en de naaidoos met den St. Paul zijn

even onafscheidelijk van haar als zij is van tante. Peggotty's

wangen en armen, in mijne kinderjaren zoo rood en hard, dat ik mij

verbaasde waarom de vogels daarin niet liever pikten dan in de onrijpe

appelen, zijn nu een weinig verschrompeld; hare oogen, die alles

in hare buurt plachten te verduisteren, zijn flauwer geworden doch

schitteren nog steeds; maar haar ruwe wijsvinger, die ik eens met een

zak-notemuscaatraspje vergeleek, is nog juist als toen en wanneer ik

mijn jongste dien zie pakken, als het van tante naar Peggotty waggelt,

denk ik aan onze oude huiskamer in Blunderstone toen ik zelf nog een

kind was. Tante's teleurstelling is thans vergoed. Zij is peet van eene

levende Betsey Trotwood en Dora, die op haar volgt, zegt dat tante haar

voortrekt.

Peggotty heeft altijd een prop in den zak, die door niets anders

veroorzaakt wordt dan door het krokodillenboek, dat er wel wat gehavend

uitziet en waarvan een aantal bladzijden gescheurd en genaaid zijn,

maar dat Peggotty aan de kinderen laat zien als een kostbaar kleinood.

Ik krijg telkens eene vreemde gewaarwording, wanneer mijn eigen

kindergezichtje mij uit die krokodillen-geschiedenis aankijkt en mij

herinnert aan mijn ouden kennis Brooks van Sheffield.

Dezen zomer in de vacantie zag ik mijn jongens met een ouden man

reusachtige vliegers oplaten en hij zoowel als zij keken er naar

met innig genoegen, wanneer ze hoog in de lucht stonden. Toen ik

kwam heette hij mij hartelijk welkom en wenkte en knikte mij toe en

vertelde mij zachtjes dat ik zeker blijde zijn zou te vernemen, dat

hij de memorie zou afmaken, zoodra hij niets anders te doen had, en

dat mijne tante de uitstekendste vrouw van de wereld is. „Ik kan het u

verzekeren, mijnheer.”

Wie is die gebogen vrouw, leunende op een stokje, met een gelaat, dat

nog sporen vertoont van vroegeren hoogmoed en schoonheid? Blijkbaar

voert haar geest strijd tegen volkomen verbijstering! Ik zie haar in

een tuin en bij haar staat eene oude vrouw met scherpe gelaatstrekken

en een litteeken over de lip. Laat mij luisteren naar hetgeen zij

zeggen.

„Rosa, ik heb den naam van dien heer vergeten.”

Rosa buigt zich voorover en roept haar toe: „Mijnheer Copperfield.”

„Het verheugt mij u te zien, mijnheer, maar tot mijn spijt ontwaar ik,

dat gij in den rouw zijt. Ik hoop dat de tijd u troost zal brengen.”

Haar ongeduldige geleidster zegt op kijvenden toon dat ik niet in den

rouw ben, verzoekt haar nog eens goed te kijken en tracht haar geest te

doen ontwaken.

„Gij hebt mijn zoon gezien, nietwaar, mijnheer?” vraagt de oudste van

de twee. „Zijt gij verzoend met elkander?”

Eensklaps brengt zij met een zucht de hand naar het voorhoofd en roept

met een akelig klinkende stem: „Kom hier, Rosa! Hij is dood!” Rosa

knielt bij haar neer, liefkoost haar het eene oogenblik om in het

volgende met haar te kijven en haar op driftigen toon toe te voegen:

„Ik hield toch veel meer van hem dan gij!” Dan weder doet zij eene

poging om haar als een ziek kind aan hare borst in slaap te sussen. Zoo

verlaat ik haar en zoo zie ik haar altijd terug, zoo brengen zij hun

tijd door, jaar in jaar uit.

Welk schip komt daar uit Indië terug en wie is dat Engelsche meisje

daar, gehuwd met een rijken Schot? Kan dat Julia Mills zijn? Ja,

waarlijk, zij is het, mooier en spijtiger dan ooit, met een zwarten

knecht achter zich, om haar de brieven en kaartjes op een gouden

presenteerblad aan te bieden en een koperkleurige vrouw in het wit, met

een bonten doek om het hoofd, om _haar_ het ontbijt te brengen in haar

boudoir. Zij houdt echter geen dagboek meer aan en zingt geen lijkzang

meer op de liefde; zij heeft voortdurend woordenwisselingen met den

ouden Schot, die op een beer gelijkt met een gelooide huid. Julia zwemt

letterlijk in het geld en spreekt over niets anders. Ik zou haar liever

in de Sahara zien.

Misschien _is_ zij thans in de woestijn, want al heeft Julia ook een

deftig huis, deftig gezelschap en deftige diners, elken dag weer, er

groeit niets bij haar, er is niets wat ooit tot bloem of vrucht kan

rijpen. Ik zie zeer goed wat Julia hare conversatie noemt; Jack Maldon

behoort ook onder de huisvrienden en scheldt op zijn baantje en op

hem, die 't hem bezorgde; hij spreekt van den doctor als „zoo grappig

ouderwetsch.” Maar als Julia zulk gezelschap verkiest en daarmede eene

afschuwelijke onverschilligheid aan den dag legt voor alles wat het

menschdom kan verbeteren en vooruit brengen, dan ben ik liever in de

Sahara en zoek daar mijn weg.

Ginds zie ik den doctor, die altijd een goede vriend voor ons gebleven

is en onafgebroken werkt aan zijn woordenboek—hij is nu ongeveer aan

de D—en gelukkig is met zijn vrouwtje en in zijn huis. En de oude

Generaal heeft tegenwoordig veel minder in te brengen dan vroeger—en

dat is goed ook!

Als ik in later jaren bij Traddles kom vind ik hem nog steeds in de

Inner Temple tusschen stapels papieren en—daar waar het nog aanwezig

is—met steil opstaande haren, de rechtsgeleerde pruik heeft er heel

wat afgewreven. Zijne tafel is met papieren overdekt, en rondkijkende

zeg ik:

„Als Sophie nu uw klerk was, zou zij genoeg te doen hebben.”

„Zeg dat gerust, Copperfield! Maar wat waren dat heerlijke dagen in

Holborn Court? Is 't niet?”

„Toen zij vertelde dat gij rechter zoudt worden? Maar toen was dat

praatje nog niet door de stad verspreid.”

„Hoe 't zij,” antwoordde Traddles, „als ik het ooit word....”

„Wel, gij weet immers dat gij het worden zult.”

„Welnu, beste Copperfield, als ik het ben zal ik die geschiedenis

vertellen, zooals ik altijd gezegd heb.”

Arm in arm wandelen wij voort. Ik ben op een familiedinertje bij

Traddles genoodigd. Het is Sophie's jaardag en onder weg vertelt

Traddles mij van den voorspoed, dien hij geniet.

„Werkelijk, beste Copperfield,” zei hij, „ik heb alles wat mijn hart

begeert. De eerwaarde heer Horace heeft eene plaats gekregen van

vierhonderd en vijftig pond 's jaars; onze beide jongens ontvangen de

beste opvoeding die zij wenschen kunnen, en munten uit door hun flink

karakter en hun ijver; drie van de meisjes zijn goed getrouwd; drie

wonen bij ons in; drie andere doen de huishouding bij mijn schoonouders

na den dood van mevrouw Crewler—en allen voelen zich gelukkig.”

„Behalve....”

„Behalve de Beauty. Ja, het was wel ongelukkig dat zij zulk een schurk

trouwde. Maar hij had iets schitterends en blinkends, dat haar aantrok.

Maar, nu wij haar weer veilig bij ons thuis hebben en van dien kerel af

zijn, zal de vroolijkheid ook wel terugkeeren.”

Het huis van Traddles is een van die—tenminste het had een van die

kunnen zijn, welke Sophie en hij op hunne avondwandelingen plachten

te bekijken en in te deelen. Het is een groot huis, maar Traddles

bewaart zijne papieren in zijne kleedkamer en zijn laarzen bij

zijn papieren en Sophie en hij vernoegen zich met de bovenkamers

om de mooiste aan Beauty en de zuster over te laten. „Er is nooit

een kamer in huis onbezet,” zegt hij, „want door de eene of andere

omstandigheid zijn er altijd meer van de zusters bij mij dan ik weet.”

Zoodra wij binnentreden komt er al een heel troepje ons te gemoet en

wordt Traddles gekust tot hij geheel buiten adem is. Hier heeft de

ongelukkige Beauty, weduwe met een dochtertje, een vaste woonplaats

gevonden; hier zijn ter eere van Sophie de drie getrouwde zusters met

hare echtgenooten bijeen en een van de echtgenooten heeft zijn broeder,

een ander zijn neef, de derde een zuster meegebracht; ik geloof dat

de neef en de zuster verloofd zijn. En Traddles is en blijft dezelfde

eenvoudige, openhartige kerel die hij altijd geweest is; hij zit als

een Patriarch aan het eind van de tafel en Sophie tegenover hem,

stralend van geluk. En wat daar tusschen hen in blinkt en schittert is

geen Christofle.

En nu is mijn taak ten einde en moet ik het verlangen om voort te gaan

bedwingen.

Al de gezichten verdwijnen op een na. En dat eene straalt mij tegen als

een Hemelsch licht, dat eene, waarbij ik alles om mij heen zie, blinkt

boven alles uit. En dat eene blijft.

Ik wend het hoofd om en zie het, zoo helder en schoon, naast mij. Mijne

lamp brandt laag, ik heb tot diep in den nacht zitten schrijven; maar

zij, zonder wie ik niets zou zijn, houdt mij gezelschap.

O, Agnes, mijn lieveling, moge uw lief gelaat bij mij zijn wanneer ik,

evenals thans dit boek, mijn leven afsluit; zoo vinde ik u bij mij,

wanneer evenals thans de schimmen van allen, die ik gekend heb, het

leven zich langzaam van mij afwendt, steeds wijzend naar Excelsior!

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 78 / 79 题