Een laatste blik terug.
En nu ben ik aan het einde van mijne geschreven geschiedenis.
Nogmaals—voor het laatst—kijk ik achter me, eer ik mijn boek sluit.
Ik zie mij zelven met Agnes aan mijne zijde verder den levensweg
bewandelen. Ik zie ons omringd door onze kinderen en onze vrienden en
ik hoor vele stemmen, die mij ver van onverschillig zijn op mijne reis.
Welke gelaatstrekken vertoonen zich het duidelijkst aan mijn
geestesoog? Zie, hoe velen zich naar mij omwenden als ik deze vraag in
stilte doe!
Ziedaar mijne tante met sterker brilleglazen, eene oude vrouw van ruim
tachtig jaren, maar nog altijd rechtop, die nog niet opziet tegen een
wandeling van zes mijlen.
Peggotty, mijne oude kindermeid, draagt ook een bril, gewoon als
zij is haar naaiwerk des avonds dicht bij de lamp te houden; het
stukje waskaars, het elletje en de naaidoos met den St. Paul zijn
even onafscheidelijk van haar als zij is van tante. Peggotty's
wangen en armen, in mijne kinderjaren zoo rood en hard, dat ik mij
verbaasde waarom de vogels daarin niet liever pikten dan in de onrijpe
appelen, zijn nu een weinig verschrompeld; hare oogen, die alles
in hare buurt plachten te verduisteren, zijn flauwer geworden doch
schitteren nog steeds; maar haar ruwe wijsvinger, die ik eens met een
zak-notemuscaatraspje vergeleek, is nog juist als toen en wanneer ik
mijn jongste dien zie pakken, als het van tante naar Peggotty waggelt,
denk ik aan onze oude huiskamer in Blunderstone toen ik zelf nog een
kind was. Tante's teleurstelling is thans vergoed. Zij is peet van eene
levende Betsey Trotwood en Dora, die op haar volgt, zegt dat tante haar
voortrekt.
Peggotty heeft altijd een prop in den zak, die door niets anders
veroorzaakt wordt dan door het krokodillenboek, dat er wel wat gehavend
uitziet en waarvan een aantal bladzijden gescheurd en genaaid zijn,
maar dat Peggotty aan de kinderen laat zien als een kostbaar kleinood.
Ik krijg telkens eene vreemde gewaarwording, wanneer mijn eigen
kindergezichtje mij uit die krokodillen-geschiedenis aankijkt en mij
herinnert aan mijn ouden kennis Brooks van Sheffield.
Dezen zomer in de vacantie zag ik mijn jongens met een ouden man
reusachtige vliegers oplaten en hij zoowel als zij keken er naar
met innig genoegen, wanneer ze hoog in de lucht stonden. Toen ik
kwam heette hij mij hartelijk welkom en wenkte en knikte mij toe en
vertelde mij zachtjes dat ik zeker blijde zijn zou te vernemen, dat
hij de memorie zou afmaken, zoodra hij niets anders te doen had, en
dat mijne tante de uitstekendste vrouw van de wereld is. „Ik kan het u
verzekeren, mijnheer.”
Wie is die gebogen vrouw, leunende op een stokje, met een gelaat, dat
nog sporen vertoont van vroegeren hoogmoed en schoonheid? Blijkbaar
voert haar geest strijd tegen volkomen verbijstering! Ik zie haar in
een tuin en bij haar staat eene oude vrouw met scherpe gelaatstrekken
en een litteeken over de lip. Laat mij luisteren naar hetgeen zij
zeggen.
„Rosa, ik heb den naam van dien heer vergeten.”
Rosa buigt zich voorover en roept haar toe: „Mijnheer Copperfield.”
„Het verheugt mij u te zien, mijnheer, maar tot mijn spijt ontwaar ik,
dat gij in den rouw zijt. Ik hoop dat de tijd u troost zal brengen.”
Haar ongeduldige geleidster zegt op kijvenden toon dat ik niet in den
rouw ben, verzoekt haar nog eens goed te kijken en tracht haar geest te
doen ontwaken.
„Gij hebt mijn zoon gezien, nietwaar, mijnheer?” vraagt de oudste van
de twee. „Zijt gij verzoend met elkander?”
Eensklaps brengt zij met een zucht de hand naar het voorhoofd en roept
met een akelig klinkende stem: „Kom hier, Rosa! Hij is dood!” Rosa
knielt bij haar neer, liefkoost haar het eene oogenblik om in het
volgende met haar te kijven en haar op driftigen toon toe te voegen:
„Ik hield toch veel meer van hem dan gij!” Dan weder doet zij eene
poging om haar als een ziek kind aan hare borst in slaap te sussen. Zoo
verlaat ik haar en zoo zie ik haar altijd terug, zoo brengen zij hun
tijd door, jaar in jaar uit.
Welk schip komt daar uit Indië terug en wie is dat Engelsche meisje
daar, gehuwd met een rijken Schot? Kan dat Julia Mills zijn? Ja,
waarlijk, zij is het, mooier en spijtiger dan ooit, met een zwarten
knecht achter zich, om haar de brieven en kaartjes op een gouden
presenteerblad aan te bieden en een koperkleurige vrouw in het wit, met
een bonten doek om het hoofd, om _haar_ het ontbijt te brengen in haar
boudoir. Zij houdt echter geen dagboek meer aan en zingt geen lijkzang
meer op de liefde; zij heeft voortdurend woordenwisselingen met den
ouden Schot, die op een beer gelijkt met een gelooide huid. Julia zwemt
letterlijk in het geld en spreekt over niets anders. Ik zou haar liever
in de Sahara zien.
Misschien _is_ zij thans in de woestijn, want al heeft Julia ook een
deftig huis, deftig gezelschap en deftige diners, elken dag weer, er
groeit niets bij haar, er is niets wat ooit tot bloem of vrucht kan
rijpen. Ik zie zeer goed wat Julia hare conversatie noemt; Jack Maldon
behoort ook onder de huisvrienden en scheldt op zijn baantje en op
hem, die 't hem bezorgde; hij spreekt van den doctor als „zoo grappig
ouderwetsch.” Maar als Julia zulk gezelschap verkiest en daarmede eene
afschuwelijke onverschilligheid aan den dag legt voor alles wat het
menschdom kan verbeteren en vooruit brengen, dan ben ik liever in de
Sahara en zoek daar mijn weg.
Ginds zie ik den doctor, die altijd een goede vriend voor ons gebleven
is en onafgebroken werkt aan zijn woordenboek—hij is nu ongeveer aan
de D—en gelukkig is met zijn vrouwtje en in zijn huis. En de oude
Generaal heeft tegenwoordig veel minder in te brengen dan vroeger—en
dat is goed ook!
Als ik in later jaren bij Traddles kom vind ik hem nog steeds in de
Inner Temple tusschen stapels papieren en—daar waar het nog aanwezig
is—met steil opstaande haren, de rechtsgeleerde pruik heeft er heel
wat afgewreven. Zijne tafel is met papieren overdekt, en rondkijkende
zeg ik:
„Als Sophie nu uw klerk was, zou zij genoeg te doen hebben.”
„Zeg dat gerust, Copperfield! Maar wat waren dat heerlijke dagen in
Holborn Court? Is 't niet?”
„Toen zij vertelde dat gij rechter zoudt worden? Maar toen was dat
praatje nog niet door de stad verspreid.”
„Hoe 't zij,” antwoordde Traddles, „als ik het ooit word....”
„Wel, gij weet immers dat gij het worden zult.”
„Welnu, beste Copperfield, als ik het ben zal ik die geschiedenis
vertellen, zooals ik altijd gezegd heb.”
Arm in arm wandelen wij voort. Ik ben op een familiedinertje bij
Traddles genoodigd. Het is Sophie's jaardag en onder weg vertelt
Traddles mij van den voorspoed, dien hij geniet.
„Werkelijk, beste Copperfield,” zei hij, „ik heb alles wat mijn hart
begeert. De eerwaarde heer Horace heeft eene plaats gekregen van
vierhonderd en vijftig pond 's jaars; onze beide jongens ontvangen de
beste opvoeding die zij wenschen kunnen, en munten uit door hun flink
karakter en hun ijver; drie van de meisjes zijn goed getrouwd; drie
wonen bij ons in; drie andere doen de huishouding bij mijn schoonouders
na den dood van mevrouw Crewler—en allen voelen zich gelukkig.”
„Behalve....”
„Behalve de Beauty. Ja, het was wel ongelukkig dat zij zulk een schurk
trouwde. Maar hij had iets schitterends en blinkends, dat haar aantrok.
Maar, nu wij haar weer veilig bij ons thuis hebben en van dien kerel af
zijn, zal de vroolijkheid ook wel terugkeeren.”
Het huis van Traddles is een van die—tenminste het had een van die
kunnen zijn, welke Sophie en hij op hunne avondwandelingen plachten
te bekijken en in te deelen. Het is een groot huis, maar Traddles
bewaart zijne papieren in zijne kleedkamer en zijn laarzen bij
zijn papieren en Sophie en hij vernoegen zich met de bovenkamers
om de mooiste aan Beauty en de zuster over te laten. „Er is nooit
een kamer in huis onbezet,” zegt hij, „want door de eene of andere
omstandigheid zijn er altijd meer van de zusters bij mij dan ik weet.”
Zoodra wij binnentreden komt er al een heel troepje ons te gemoet en
wordt Traddles gekust tot hij geheel buiten adem is. Hier heeft de
ongelukkige Beauty, weduwe met een dochtertje, een vaste woonplaats
gevonden; hier zijn ter eere van Sophie de drie getrouwde zusters met
hare echtgenooten bijeen en een van de echtgenooten heeft zijn broeder,
een ander zijn neef, de derde een zuster meegebracht; ik geloof dat
de neef en de zuster verloofd zijn. En Traddles is en blijft dezelfde
eenvoudige, openhartige kerel die hij altijd geweest is; hij zit als
een Patriarch aan het eind van de tafel en Sophie tegenover hem,
stralend van geluk. En wat daar tusschen hen in blinkt en schittert is
geen Christofle.
En nu is mijn taak ten einde en moet ik het verlangen om voort te gaan
bedwingen.
Al de gezichten verdwijnen op een na. En dat eene straalt mij tegen als
een Hemelsch licht, dat eene, waarbij ik alles om mij heen zie, blinkt
boven alles uit. En dat eene blijft.
Ik wend het hoofd om en zie het, zoo helder en schoon, naast mij. Mijne
lamp brandt laag, ik heb tot diep in den nacht zitten schrijven; maar
zij, zonder wie ik niets zou zijn, houdt mij gezelschap.
O, Agnes, mijn lieveling, moge uw lief gelaat bij mij zijn wanneer ik,
evenals thans dit boek, mijn leven afsluit; zoo vinde ik u bij mij,
wanneer evenals thans de schimmen van allen, die ik gekend heb, het
leven zich langzaam van mij afwendt, steeds wijzend naar Excelsior!