LXIII.

Een bezoeker.

Hetgeen ik mij voorgesteld had te verhalen is bijna ten einde; toch

leeft er nog eene gebeurtenis in mijne herinnering, waaraan ik

menigmaal met genoegen terugdenk en zonder welke één draad, dien ik

heb gesponnen, geen behoorlijk einde zou hebben.

Mijn roem en mijn fortuin waren voortdurend toegenomen, mijn huiselijk

geluk was volmaakt; ik was tien jaren gelukkig getrouwd. Op zekeren

lenteavond zaten Agnes en ik bij elkander in onze woning in Londen,

terwijl drie van onze kinderen bij ons speelden, toen mij gemeld werd

dat een vreemdeling mij wenschte te spreken. Op de vraag of hij voor

zaken kwam had hij geantwoord: ‚Neen’; hij was alleen gekomen om het

genoegen te smaken mij te zien en had eene lange reis achter den rug.

Het was een oude man, zei de knecht; hij leek wel wat op een planter.

Dit klonk den kinderen zoo geheimzinnig in de ooren, dat het eenige

verwarring veroorzaakte. Een van de jongens verborg het hoofdje in

moeders schoot, ten einde buiten gevaar te zijn en de kleine Agnes,

onze oudste, liet haar pop in de steek en bleef met den blonden

krullebol tusschen de meubelgordijnen staan om te zien wat er nu

gebeuren zou.

„Laat dien man binnenkomen,” zei ik.

Al spoedig verscheen daar een kalme oude man met grijs haar en bleef op

den drempel van de kamer staan. De kleine Agnes, door zijn uiterlijk

aangetrokken, snelde op hem toe en trok hem de kamer binnen, terwijl

mijne vrouw plotseling opsprong en op blijden toon uitriep: „Het is

baas Peggotty!”

En het was baas Peggotty! Hij was nu een oud man, maar een stevig,

gezond en krachtig oud man. Toen onze eerste ontroering voorbij was en

hij tegenover ons zat met een van onze kinderen op elke knie, scheen

hij mij zulk een forsch en stevig en bovendien zulk een knap oud man

toe als ik ooit ontmoet had.

„Jongeheer Davy,” zei hij. O, wat klonk die oude naam uit een lang

vervlogen tijd en op dien ouden toon mij natuurlijk in de ooren!

„Jongeheer Davy, welk een genot voor mij u weer te zien en dat naast

zulk een lief en mooi vrouwtje!”

„Ja welk een genot, oude vriend!” riep ik uit.

„En dan deze heerlijke kinderen,” hernam hij. „Zulke schoone bloemen in

uw hof! Wel, jongeheer Davy, gij waart zoo groot als de kleinste van

dezen, toen ik u voor het eerst zag. Toen Em'ly ook nog niet grooter

was en onze arme Ham nog maar een jongen!”

„De tijd heeft mij meer veranderd dan u,” zei ik. „Maar laat deze lieve

schalkjes nu naar bed gaan en zegt mij waar uwe bagage is, want geen

ander huis dan dit mag u onder zijn dak hebben. Is die oude zwarte zak

er ook bij, die zulke verre reizen heeft meegemaakt? En dan moet gij

ons onder een glas Yarmouther grog alles vertellen wat u in die tien

jaar is overkomen?”

„Zijt gij alleen?” vroeg Agnes.

„Ja, mevrouw,” antwoordde hij, hare hand kussend, „geheel alleen.”

Hij zat tusschen ons in en wij wisten niet hoe wij hem hartelijk

genoeg zouden ontvangen en toen ik begon te luisteren naar die oude,

welbekende stem verbeeldde ik mij, dat hij van zijne reizen vertelde om

zijn nichtje te zoeken.

„Het is een heele plas water,” zei hij, „om over te steken en dan nog

maar voor eenige weken, maar water—vooral zout water—is mij niet

vreemd, en vrienden zijn mij dier en ik ben hier—dat rijmt.”

„En gaat gij zoo spoedig weder terug?” vroeg Agnes.

„Ja, mevrouw,” antwoordde hij. „Ik beloofde het Em'ly eer ik heenging.

Gij ziet, ik word er met de jaren niet jonger op en als ik het nu niet

ondernomen had, zou er misschien niets meer van gekomen zijn. En het

is altijd mijn plan geweest! Ik moest jongeheer Davy en uw eigen lieve

gezicht nog eens zien, terwijl gij zoo gelukkig getrouwd zijt en dan

mag ik oud worden.”

Hij keek ons aan met een blik alsof hij zijne oogen niet genoeg aan

ons kon verzadigen. Agnes wierp lachend eenige grijze lokken van hem

naar achteren, opdat hij ons beter zou kunnen zien.

„En vertel ons nu eens,” zei ik, „hoe het u gegaan is.”

„Och, dat is spoedig genoeg verteld, jongeheer Davy,” antwoordde

hij. „Wij zijn nergens gekomen of het is ons goed gegaan. Wij hebben

voorspoed gehad. Wij hebben gewerkt zooals onze plicht was; ja, in het

begin viel het ons wel eens wat zwaar, maar wij hebben altijd voorspoed

gehad. Met de schapenfokkerij, met het planten, met alles is het ons

zoo goed gegaan als het kon. Er heeft zegen op ons gerust,” zei hij,

eerbiedig het hoofd buigend, „wij hebben niets dan voorspoed gehad.

Dat wil zeggen op den duur; was het vandaag niet—dan morgen; was het

gisteren niet—dan vandaag.”

„En Em'ly?” vroegen Agnes en ik tegelijk.

„Em'ly?” zei hij, „nadat gij haar verlaten had, mevrouw,—ik heb haar

nooit haar gebed hooren doen achter het scherm, dat ons in de wildernis

scheidde, of ik hoorde uw naam—en nadat zij en ik jongeheer Davy uit

het gezicht hadden verloren, toen de zon zoo helder scheen—was zij zoo

neerslachtig, dat als zij geweten had wat jongeheer Davy zoo verstandig

voor ons verborgen heeft gehouden, ja, dan geloof ik, dat zij niet

levend aan de overzijde was gekomen. Maar er waren arme landverhuizers

aan boord met zieke kinderen en deze namen al haar tijd in beslag. En

zoo kon zij zich nuttig maken en dat heeft haar geholpen.”

„Wanneer heeft zij het vernomen?” vroeg ik.

„Nadat ik het gehoord had, hield ik het nog ongeveer een jaar voor haar

verborgen. Wij woonden toen op een eenzame plek, maar te midden van

de prachtigste boomen en de rozen groeiden tot op ons dak. Op zekeren

dag, terwijl ik op het land werkte, kwam daar een vreemdeling aan uit

Norfolk of Suffolk—dat weet ik niet meer.—Natuurlijk ontvingen wij

hem zoo goed als wij konden en gaven hem te eten en te drinken. Dat

is zoo het gebruik in de kolonie. Hij had een oude krant bij zich en

nog een ander gedrukt bericht van den storm. Zoo is zij het te weten

gekomen. Toen ik 's avonds thuis kwam wist zij het.”

Zijne stem daalde toen hij dit vertelde en ik herinner mij nog goed

welk eene plechtige uitdrukking er lag op zijn mooi, frisch gezicht.

„Bracht het veel verandering in hare stemming?” vroeg ik.

„Ja, gedurende eenigen tijd,” antwoordde hij, hoofdschuddend, „zoo niet

tot op dit oogenblik. Maar ik vermoed dat de eenzaamheid haar goed zal

doen. En zij heeft veel te zorgen voor al het gevogelte en zoo al meer,

dat heeft haar geholpen. Het zou mij verwonderen, jongeheer Davy, of

gij Em'ly nog zoudt herkennen.”

„Is zij zoo veranderd?” vroeg ik.

„Dat weet ik niet. Ik zie haar elken dag maar nu en dan meende ik het.

Een tenger vrouwtje met zachte, droefgeestige, blauwe oogen, een fijn

gezichtje, een mooi kopje, dat een weinig voorover helt, eene zachte

stem en een weinig... bedeesd in hare manieren, zou ik bijna zeggen.

Zoo is Em'ly tegenwoordig.”

Wij sloegen hem zwijgend gade, terwijl hij voor zich op den grond

staarde.

„Sommigen meenen,” vervolgde hij, „dat zij eene ongelukkige liefde

gehad heeft; anderen dat haar huwelijk door den dood is afgesprongen.

Niemand weet het ware. Zij zou wel honderd malen hebben kunnen trouwen,

maar dan zeide zij altijd: ‚Dat is voor mij voorbij, oom.’ Vroolijk

wanneer zij met mij alleen is; teruggetrokken wanneer anderen er bij

zijn; gaarne uren wandelen om een kind les te geven of een zieke op te

passen, of een vriendschapsdienst te bewijzen aan een jong meisje dat

gaat trouwen—ofschoon zij het trouwen zelf nooit wil bijwonen—dol op

haar oom; geduldig, bemind bij oud en jong; gezocht door iedereen, die

in zorg is. Zoo is Em'ly tegenwoordig.”

Hij bracht even de hand voor het gezicht en keek met een half

onderdrukten zucht van den grond op.

„En is Martha nog bij u?” vroeg ik.

„Martha is getrouwd, jongeheer Davy, toen wij ruim een jaar aan de

overzij waren. Een jonge man, een boerenjongen bracht op zijn weg naar

de markt—een reis van meer dan vijfhonderd mijlen heen en terug—een

dag bij ons door en vroeg haar tot vrouw—er zijn daar weinig

vrouwen—waarna zij met hun beiden in de wildernis zouden gaan wonen.

Zij verzocht mij hem hare geschiedenis mede te deelen. Ik deed het en

zij zijn getrouwd en wonen eenige honderde mijlen van ons af en hooren

niets dan hun eigen stemmen en die van de vogels.”

„En juffrouw Gummidge?”

Dat scheen een aangenaam onderwerp voor baas Peggotty, want hij barstte

plotseling in een schaterlach uit en wreef handen en beenen, zooals hij

gewoon was te doen, wanneer hij pret had in de oude boot.

„Wilt gij 't wel gelooven!” riep hij.

„Er is, zoo waar als ik hier zit, iemand gekomen om haar ten huwelijk

te vragen! Een scheepskok, die planter geworden was, jongeheer Davy, is

zoo waar als ik leef gekomen, om haar ten huwelijk te vragen! Ik mag

gekielhaald worden als het niet waar is—meer kan ik niet zeggen!”

Ik had Agnes nooit zoo zien lachen. Die plotselinge uitbarsting van

baas Peggotty was zoo vermakelijk, dat zij bijna niet kon uitscheiden

en hoe meer zij lachte, hoe grooter baas Peggotty's lachlust werd en

hoe harder hij over zijn beenen begon te wrijven.

„En wat antwoordde juffrouw Gummidge?” vroeg ik toen hij wat ernstiger

geworden was.

„Gij moogt het gelooven of niet,” antwoordde hij, „maar in plaats van

te zeggen: ‚dank u, op mijn leeftijd trouwt men niet meer,’ nam zij een

emmer op, die in hare nabijheid stond, en sloeg er den armen scheepskok

mede om de ooren totdat hij om hulp begon te roepen en ik binnenkwam om

hem te ontzetten.”

Baas Peggotty barstte weder in een schaterlach uit en Agnes en ik

hielden hem dapper gezelschap.

„Maar _dit_ moet ik tot eer van het goede schepsel zeggen,” hernam hij,

zijn gezicht afvegend, „zij heeft haar woord gehouden en is alles en

meer nog geweest voor ons dan zij beloofd had. Zij is het gewilligste,

trouwste, eerlijkste schepsel dat ik ooit ontmoet heb, jongeheer Davy.

Ik heb haar na ons vertrek geen enkele maal hooren zeggen dat zij een

ongelukkig en rampzalig schepsel was, zelfs niet toen wij nog geheel

alleen in de kolonie waren. Zij heeft zoolang wij uit Engeland zijn

niet meer aan ‚den oude’ gedacht, dat kan ik u verzekeren.”

„En nu eindelijk, mijnheer Micawber,” zei ik. „Hij heeft aan al zijne

geldelijke verplichtingen voldaan, zelfs Traddles afbetaald—gij

herinnert u zeker wel dat Traddles borg gebleven was—ik maak daaruit

op dat het hem goed gaat. Maar wat is het laatste nieuws van hem?”

Met een glimlach om de lippen haalde baas Peggotty een pakje papieren

te voorschijn en nam daar zoo behoedzaam mogelijk een ouderwetsch

krantje uit.

„Gij begrijpt, jongeheer Davy,” zei hij, „dat wij, nu het ons zoo goed

is gegaan, de wildernis verlaten hebben en naar Port Middlebay Harbour

gegaan zijn, dat wij een stad noemen.”

„Woonde mijnheer Micawber in de wildernis dicht in uwe buurt?”

„Nu, dat zou ik meenen,” zei baas Peggotty, „en hij heeft getoond dat

hij werken kan als hij wil, dat verzeker ik u. Ik heb dat kale hoofd

zien glimmen in de zon, jongeheer Davy, dat ik elk oogenblik meende

het te zullen zien smelten. En nu is hij magistraat!”

„Magistraat? Wat zegt gij?”

Baas Peggotty wees naar een artikel in eene krant, dat het navolgende

behelsde uit „Port Middlebay Harbour”:

[Illustratie]

„Het openbare feestmaal ter eere van onzen verdienstelijken

medekolonist en stadgenoot, WILKINS MICAWBER, Magistraat van Port

Middlebay, had gisteren plaats in de groote zaal van het hotel, dat

tot den nok toe bezet was. Niet minder dan zevenenveertig personen

hebben daar aangezeten, behalve nog de velen, die in de gangen

en op de trappen een plaats vonden. De geheele beau-monde, allen

die op den naam „aanzienlijk” kunnen aanspraak maken, waren daar

bijeen om een welverdiende hulde te brengen aan zulk een talentvol

en algemeen bekend man. Doctor Mell, die aan het hoofd staat van

Colonial Salem House, de Latijnsche school te Port Middlebay,

presideerde en had den verdienstelijken gast aan zijne rechterhand.

Toen het dessert was opgebracht en wij het danklied _Non Nobis_

hadden gezongen, waarbij de glasheldere stem van den begaafden

amateur Wilkins Micawber Esquire, Junior boven alles uitklonk,

werden de gewone vaderlandslievende toasten ingesteld en met

geestdrift ontvangen. Daarna stelde doctor Mell in gevoelvolle

taal een toost in op „onzen verdienstelijken gast,” het sieraad

van de stad onzer inwoning. De geestdrift, waarmede deze woorden

werden begroet, was onbeschrijvelijk. Telkens en telkens weder

klonken luide de hoerah's en rolden weg als een ver verwijderd

onweder. Eindelijk werd tot stilte aangemaand en stond Wilkins

Micawber Esq. op om zijn dank te betuigen. De onvolkomenheid van

onze hulpmiddelen stellen ons, helaas, niet in staat om onzen

verdienstelijken stadgenoot te volgen in zijn bloemrijke taal,

in zijne gekuischte en schitterende toespraak! Genoeg zij het te

vermelden dat hij een meesterstuk van welsprekendheid ten beste

gaf en dat vooral de wijze, waarop hij zijn eigen voorspoedige

loopbaan naging tot aan het allereerste begin en de jongeren onder

de aanzittenden waarschuwde tegen de onaangename gevolgen van

het aangaan van geldelijke verbintenissen, die men niet in staat

is na te komen, menigeen een traan in het oog deed opwellen. De

volgende toosten waren op doctor Mell, op mevrouw Micawber, die

omringd door al wat Middlebay Harbour aan schoone, bevallige, jonge

vrouwen kan aanwijzen, op de galerij zat en met eene sierlijke

buiging bedankte; op mevrouw Ridger Begs geb. Micawber; op mevrouw

Mell; op Wilkins Micawber, Esq. Junior, die het gezelschap in

verrukking bracht door in schertsende woorden mede te deelen,

dat hij niet met een toost doch met een lied zou bedanken; op

de familie van mevrouw Micawber—d. w. z. op de familie in het

moederland—enz. enz. Na afloop werden de tafels als door een

tooverslag opgeruimd en de zaal tot danszaal ingericht. Onder

degenen, die Terpsischore huldigden tot het aanbreken van den dag

tot vertrek maande, behoorden Wilkins Micawber Esq. Junior en de

beminnelijke rijkbegaafde vierde dochter van Dr. Mell, miss Helena.”

Ik staarde nog op dien naam doctor Mell, mij verheugende in de

ontdekking dat de arme, geplaagde ondermeester van Salem House in zulke

gelukkige omstandigheden verkeerde, toen baas Peggotty mijne aandacht

op een ander gedeelte van het blad vestigde en mijn oog bleef rusten

op mijn eigen naam:

„Aan David Copperfield, Esquire,

den vermaarden schrijver!

_Geachte Heer._

Jaren zijn voorbijgegaan sinds ik in de gelegenheid was met eigen

oogen de gelaatstrekken te aanschouwen, die thans bekend zijn bij

het grootste gedeelte van de beschaafde wereld.

Maar, geachte Heer, hoewel beroofd—door de macht van

omstandigheden buiten mijn wil—van de persoonlijke aanraking met

een vriend en lotgenoot uit mijne jeugd, heb ik hem toch gevolgd

in de kolossale vlucht, die hij genomen heeft; ook ben ik—al

scheidden ons zeeën en oceanen—niet verstoken gebleven van de

geestelijke gaven, waarmede hij de wereld heeft verkwikt.

Ik kan daarom een persoon, dien wij beiden achten en waardeeren,

niet van hier laten gaan, zonder, waarde Heer, van deze openbare

gelegenheid gebruik te maken om u, uit mijn naam en uit dien van

alle bewoners van Port Middlebay, dank te zeggen voor het genot

dat gij ons hebt verschaft.

Ga zoo voort, waarde Heer! Gij zijt hier geen onbekende, gij wordt

hier gewaardeerd. Schoon ‚ver verwijderd’ zijn wij niet zonder

vrienden, lijden wij niet aan melancholie, noch—ik mag er dit

bijvoegen—zijn wij traag. Ga voort op de adelaarswieken, die u

thans dragen! De inwoners van Port Middlebay zullen uwe vlucht met

blijdschap, met genot gadeslaan.

Onder de oogen, die van dit gedeelte van den aardbol op u gericht

zijn, zult gij, zoolang er licht en leven in is, dat ontwaren van

Wilkins Micawber,

Magistraat.”

De inhoud van het blaadje bracht mij tot de overtuiging dat mijnheer

Micawber een van de ijverigste en verdienstelijkste correspondenten er

van was. In hetzelfde nommer stond nog een artikel van hem over een

brug; een advertentie vermeldde, dat een verzameling brieven van zijne

hand eerstdaags, van belangrijke aanteekeningen voorzien, het licht zou

zien en, indien ik mij niet zeer vergiste, was ook het hoofdartikel van

hem.

Wij praatten druk over mijnheer Micawber en zijne lotgevallen, dezen

avond en nog vele andere zoolang baas Peggotty bij ons bleef. Gedurende

zijn verblijf, dat ongeveer een maand duurde, kwamen zijne zuster en

mijne tante ons in Londen bezoeken. Agnes en ik namen op het schip

afscheid van hem—thans voor de laatste maal. Maar voor zijn vertrek

gingen wij te zamen naar Yarmouth om den kleinen steen te zien, dien ik

op Ham's laatste rustplaats had laten leggen. Terwijl ik het geheele

opschrift voor hem overschreef, zag ik hem bukken en eenig gras en wat

aarde van het graf bijeengaren.

„Dat is voor Em'ly, jongeheer Davy,” zei hij, terwijl hij het in zijn

borstzak stak. „Ik heb het haar beloofd.”

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 77 / 79 题