LXII.

Er schijnt een licht op mijn weg.

Kerstmis naderde en ik was reeds bijna twee maanden in het land

terug. Ik had Agnes dikwijls ontmoet en hoe luide het publiek mij

ook toejuichte en hoe ik daardoor ook werd aangespoord, om al mijne

krachten in te spannen, _haar_ lof hoorde ik toch het liefst.

Minstens eenmaal 's weeks, somtijds vaker reed ik naar Canterbury en

bracht den avond bij mijnheer Wickfield en Agnes door. Gewoonlijk reed

ik des avonds laat naar huis, want als ik haar verlaten had bekroop mij

dat oude ongelukkige gevoel weder en ik was dan liever alleen in de

vrije natuur dan half slapende en door de onverkwikkelijkste droomen

geplaagd in mijn bed. Het grootste gedeelte van menigen onstuimigen

nacht bracht ik zoo te paard door en riep mij onder het rijden alle

gedachten weder te binnen, die mij gedurende mijne afwezigheid hadden

bezig gehouden. Wellicht deed ik beter te zeggen dat ik luisterde

naar de echo van die gedachten, want zij spraken tot mij als uit

een ver verleden. Ik had ze nu eenmaal op een afstand geplaatst en

hoorde ze uit de verte aan. Wanneer ik Agnes voorlas wat ik geschreven

had—wanneer ik haar aandachtig luisterend gezichtje zag met een

glimlach om den mond of een traan in het oog, en hare lieve stem zoo

ernstig hoorde spreken over de dingen in de fictieve wereld, waarin

ik mij bewoog... dan dacht ik dikwijls aan het lot dat het mijne had

kunnen zijn, maar alleen zooals ik er over gedacht had toen ik met Dora

getrouwd was: hoe zou ik _mijne_ vrouw wenschen?

Mijn plicht jegens Agnes, die mij liefhad en die ik onrecht zou aandoen

indien ik hare liefde uit zelfzucht verstoorde, zonder ze ooit te

kunnen beantwoorden zooals zij verdiende; mijne gerijpte overtuiging,

dat ik, die mijn eigen lot geregeld en verkregen had wat ik zoo

onstuimig had begeerd, geen recht had tot pruttelen doch geduldig

moest dragen, daarin lag alles opgesloten wat ik voelde en wat de

ondervinding mij had geleerd. Maar ik had haar lief en nu bleef mij tot

eenige troost over, mij, heel vaag, een ver verwijderde toekomst voor

te spiegelen, waarin ik haar dat, zonder eenige schuld op mij te laden,

zou mogen bekennen, waarin alles voorbij zou zijn en ik zou kunnen

zeggen tot Agnes: „Toen ik terugkwam had ik u zielslief en nu ben ik

oud en sedert heb ik niemand lief gehad dan u!”

Geen enkele maal toonde zij mij eenige verandering in zich zelve. Zij

bleef geheel wat zij altijd voor mij geweest was.

Tusschen tante en mij had sedert ons gesprek op den avond van mijne

thuiskomst iets bestaan, dat ik geen terughouding noch gedwongen

stilzwijgen noemen wil; wij waren ons in stilte bewust dat wij beiden

voortdurend aan hetzelfde onderwerp dachten, maar onze gedachten nooit

in woorden uitten. Wanneer wij des avonds ouder gewoonte bij den haard

zaten, kwam de lust daartoe meermalen in ons op, en wij waren dat van

elkander bewust. Toch bewaarden wij het stilzwijgen. Ik geloof dat zij

dien avond in mijn hart gelezen had en volkomen begreep waarom ik niet

uitsprak hetgeen in mij omging.

Toen het eindelijk Kerstmis geworden was en Agnes mij nog niet in

vertrouwen genomen had, begon er eenige twijfel in mijne ziel op te

komen. Zou zij vermoeden wat er in mij omging en zwijgen uit vrees van

mij leed te doen? Indien dat zoo ware, baatte mij mijne opoffering

niets, dan bleef mijn plicht jegens haar onvervuld, dan deed ik

juist hetgeen ik wilde voorkomen. Ik besloot daarom allen twijfel

weg te nemen en indien mijn vermoeden juist was met vaste hand alle

hinderpalen uit den weg te ruimen.

Het was—welke reden kan ik toch hebben om mij dit thans nog te

herinneren!—een koude, gure winterdag. Het had eenige uren te

voren gesneeuwd, maar de sneeuw lag niet dik op den hardbevroren

grond. Een snijdende noordenwind blies uit de zee mijn venster binnen.

Ik stelde mij voor hoe hij nu over de thans onbegaanbare sneeuwbergen

in Zwitserland zou blazen en wat eenzamer zijn zou, deze verlaten

bergstreek of een oceaan zonder een enkel zeil.

„Gaat gij in dit weer uit rijden, Trot?” vroeg tante, terwijl zij het

hoofd door de deur stak.

„Ja,” antwoordde ik, „ik ga naar Canterbury. Het is goed weer om te

rijden.”

„Ik hoop dat uw paard er ook zoo over denkt,” hernam tante, „maar op

het oogenblik staat het met hangenden kop voor de deur, alsof het den

stal wel zoo verkieslijk vindt.”

Ik moet hier vermelden dat mijn paard wel op het verboden terrein

mocht komen, al was tante volstrekt niet inschikkelijker voor de ezels

geworden.

„Hij zal zich straks wel warm loopen,” zei ik.

„De rit zal zijn meester in elk geval goed doen,” antwoordde tante met

een blik op de papieren, die op de tafel lagen. „Ik heb nooit geweten

als ik boeken las, dat het schrijven er van zooveel moeite kost, mijn

kind.”

„Het kost somtijds moeite genoeg om ze te lezen,” zei ik schertsend.

„Het schrijven heeft zijne eigenaardige aantrekkelijkheid, tante.”

„Ja, dat begrijp ik: Eerzucht, verlangen naar lof, sympathie en al zoo

meer, nietwaar? Nu, ga je gang maar!”

Zij had mij op den schouder geklopt en toen op een stoel plaats genomen

en terwijl ik zoo kalm als ik mij maar houden kon voor haar stond,

vroeg ik: „Weet gij nog iets meer van die genegenheid van Agnes, tante?”

Zij keek mij eenige oogenblikken aan voor zij antwoordde: „Ik geloof

het wel, Trot.”

„Zijn uwe vermoedens nog toegenomen, tante?”

„Ik geloof het wel, Trot.”

Zij staarde mij onafgebroken aan met eene uitdrukking van twijfel of

medelijden of ongerustheid, zoodat ik nog meer moeite deed om haar een

opgewekt gelaat te toonen.

„En wat meer zegt, Trot.......”

„Wat blieft u, tante?”

„Ik vermoed dat Agnes zal gaan trouwen.”

„God zegene haar!” zei ik zoo opgeruimd mogelijk.

„Ja, God zegene haar!” herhaalde tante, „en haar echtgenoot ook!”

Terwijl ik de trap afging, opsteeg en wegreed herhaalde ik de woorden

van tante. Er was meer dan ooit reden om te doen wat ik besloten had.

O, wat herinner ik mij dien kouden rit nog goed! De kleine

ijskegeltjes, door den wind van de takken afgewaaid, voel ik nog in

mijn gezicht; ik hoor nog den harden hoefslag op den bevroren grond; ik

zie nog de harde voren op het land, de ronddwarrelende sneeuwvlokken,

de dampende paarden voor den hooiwagen, toen zij op den heuvel

bleven staan om adem te scheppen, terwijl hunne belletjes welluidend

rinkelden; de witte omtrekken der duinen, die zoo duidelijk tegen de

donkere lucht afstaken, alsof ze op eene lei waren geteekend.

Ik vond Agnes alleen. De kleine meisjes waren allen naar huis en zij

zat alleen bij den haard te lezen. Toen zij mij zag, legde zij haar

boek haastig neer en nadat zij mij als gewoonlijk had verwelkomd, nam

zij met haar werkmand op een der ouderwetsche vensterbanken plaats.

Ik ging naast haar zitten en wij spraken over het boek, dat ik onder

handen had, en rekenden uit wanneer het af zou zijn en hoeveel ik

gevorderd was na mijn laatste bezoek. Agnes was heel opgewekt en

beweerde lachend dat ik spoedig veel te beroemd zou zijn om met haar

over zulke onderwerpen te praten.

„Gij merkt dat ik nu den tijd nog maar waarneem om met u te praten,

terwijl ik het nog mag,” antwoordde ik.

Terwijl ik haar lief gezichtje gadesloeg, lichtte zij het plotseling

van haar werk op en keek mij met hare zachte, heldere oogen aan.

„Gij zijt bijzonder nadenkend vandaag, Trotwood.”

„Zal ik u vertellen wat mij zoozeer bezig houdt, Agnes? Ik ben hierheen

gekomen om dat te doen.”

Zij legde haar werk op zijde zooals zij gewoon was, wanneer wij over

ernstige onderwerpen spraken, en schonk mij haar volle aandacht.

„Lieve Agnes, hebt gij er wel eens aan getwijfeld dat ik u trouw zou

blijven?”

„Neen,” antwoordde zij en keek mij een weinig verbaasd aan.

„Twijfelt gij er aan dat ik altijd voor u zal blijven wat ik voor u

geweest ben?”

„Neen.”

„Herinnert gij u dat ik getracht heb u te vertellen toen ik terugkwam,

hoe dankbaar ik u nog altijd ben, liefste Agnes, en hoe innig ik u

liefheb?”

„Dat herinner ik mij zeer goed,” antwoordde zij zacht.

„Gij hebt een geheim, Agnes; laat mij dat met u deelen.”

Zij sloeg haar oogen neer en beefde.

„Al had ik het niet van andere lippen dan de uwe gehoord, Agnes—dat

moge u vreemd schijnen—zou ik toch hebben geraden dat er iemand is,

aan wien gij den schat van uwe liefde hebt toegedacht. Houdt mij niet

buiten iets, dat uw geluk zoo na betreft. Indien gij mij vertrouwen

kunt, zooals gij zegt en zooals ik weet dat gij doen kunt, laat mij dan

uw vriend, uw broeder zijn in deze zaak zooals in alle andere!”

Met een smeekenden, bijna een verwijtenden blik stond zij van de

vensterbank op en liep haastig de kamer door alsof zij niet wist

waarheen zich te wenden, sloeg de handen voor het gelaat en barstte in

zulk een tranenvloed uit dat ik er van ontstelde. En toch ontwaakte

daar iets in mijn hart, dat mij hoop gaf. Zonder te weten waarom

smolten die tranen ineen met den stillen droeven glimlach, die zoo

onuitwischbaar in mijn geheugen was gegrift, en vervulden ze mij meer

met hoop dan met vrees of spijt.

„Agnes! Zuster! Lieveling! Wat heb ik gedaan?”

„Laat mij heengaan, Trotwood; ik ben niet wel. Ik ben mij zelve niet.

Later.... een andermaal zal ik met u spreken. Ik zal u schrijven.

Spreek nu niet meer met mij. O, doe het niet, doe het niet!”

Ik poogde mij te herinneren wat zij dien avond gezegd had over eene

liefde, die niet beantwoord behoefde te worden. Het scheen mij toe

alsof ik een ganschen wereld moest doorzoeken in één oogenblik.

„Agnes, ik kan u zoo niet zien; ik kan de gedachte niet verdragen

dat ik u zoo gemaakt heb. Liefste meisje, mij liever dan wat ook

op de wereld, laat mij deelgenoot zijn van uw verdriet, indien gij

verdriet hebt. Indien gij hulp of raad noodig hebt, laat mij u die

dan verleenen! Indien gij een last te dragen hebt, laat mij u dien

verlichten! Voor wie zou ik nog kunnen leven, Agnes, dan voor u?”

„O, spaar mij, Trotwood; ik ben mij zelve niet op dit oogenblik. Een

ander maal!” Dat was alles wat ik kon verstaan.

Was het zelfzucht, die mij verleidde? Of opende zich werkelijk een

hoopvolle toekomst voor mij, waaraan ik zelfs niet had willen denken?

„Ik _moet_ spreken,” zei ik. „Ik kan u niet zoo laten heengaan. In 's

Hemels naam, Agnes, laat ons elkander niet misleiden na zooveel jaren,

na alles wat er met ons is gebeurd! Ik moet duidelijk zeggen wat ik

op het hart heb. Indien gij ook maar het geringste vermoeden hebt dat

ik het geluk, dat gij schenken kunt, zou benijden; dat ik u niet zou

kunnen afstaan aan den man van uw eigen keuze; dat ik niet uit de verte

getuige zou kunnen zijn van uw geluk, zet deze gedachten dan van u af,

want dat verdien ik niet! Ik heb niet te vergeefs geleden. En gij hebt

mij niet te vergeefs doen leeren! En is geen zweem van zelfzucht in

mijn gevoel voor u!”

Zij was nu stil geworden. Na eenige oogenblikken keerde zij haar bleek

gezichtje naar mij toe en zei met eene zachte, nu en dan afgebroken,

doch heldere stem:

„Ik ben aan uwe trouwe vriendschap verplicht, Trotwood, u te zeggen

dat gij in eene dwaling verkeert. Meer kan ik niet doen. Indien ik

in den loop der jaren nu en dan raad of hulp noodig heb gehad, is

die mij geworden. Voelde ik mij ongelukkig, dan is dat gevoel weder

voorbijgegaan. Drukte mij een al te zware last, dan is die van mij

afgenomen. Indien ik een geheim heb.... dan is het geen nieuw geheim;

en is het niet.... hetgeen gij onderstelt. Ik kan het niet meedeelen,

noch geheel noch gedeeltelijk. Het is langen tijd mijn geheim geweest

en moet dat ook blijven.”

„Agnes! blijf nog.... een oogenblik!”

Zij wilde heengaan, maar ik hield haar tegen en sloeg den arm om

haar middel. „Langen tijd! Dus geen nieuw geheim?” Nieuwe gedachten

doorkruisten mijn brein, nieuwe hoop vervulde mijn hart; mijn geheele

toekomst die mij zoo kleurloos had toegeschenen, was eensklaps

veranderd.

„Lieve Agnes, ik acht u zoo hoog en heb u zoo onuitsprekelijk lief!

Toen ik zoo straks hierheen reed meende ik nog, dat niets ter wereld

mij deze bekentenis zou kunnen ontlokken. Ik meende die in mijn hart te

zullen kunnen opsluiten tot wij beiden oud waren. Maar, Agnes, indien

ik werkelijk de hoop mag koesteren u ooit anders dan zuster te mogen

noemen, ooit meer, o oneindig meer dan eene zuster in u te zien....”

Hare tranen vloeiden rijkelijk, maar ze verschilden zoo onuitsprekelijk

van die, welke zij straks had geschreid, dat ik mijne hoop voelde

aanwakkeren.

„Agnes, mijn Gids door het leven, mijn hechtste steun! Indien gij meer

aan u zelve en minder aan mij gedacht hadt toen wij hier te zamen

opgroeiden, zou ik nooit een ander meisje hebben kunnen liefhebben dan

u. Maar gij waart zooveel beter dan ik; ik had u zoo noodig bij al

mijne kinder-idealen en teleurstellingen, dat het eene behoefte, eene

gewoonte voor mij was geworden u alles toe te vertrouwen, mij in alles

op u te verlaten, zoodat de nog veel grootere behoefte om u lief te

hebben daardoor verdrongen werd!”

Zij lag zachtkens schreiend—Goddank, het waren vreugdetranen!—in

mijn arm, zooals ik haar nooit gehad had en nooit gedacht had ooit te

zullen zien.

„Toen ik Dora liefhad, innig liefhad, zooals gij wel weet....”

„Ja,” sprak zij op ernstigen toon, „ik ben blijde dat te weten!”

„Toen ik haar liefhad.... toen zelfs zou mijne liefde onvolmaakt zijn

geweest indien ik uwe sympathie had gemist. Eerst toen ik die had was

mijn geluk volmaakt. En wat zou er, toen ik haar moest afstaan, van mij

geworden zijn zonder u?”

Nog vaster in mijn armen, nog dichter tegen mijn hart, met haar bevende

handje op mijn schouder en hare lieve, met tranen gevulde oogen naar

mij opgeslagen......

„Ik ging heen, Agnes en had u lief. Ik bleef daar ginds en had u lief.

Ik keerde terug en had u lief!”

En nu beproefde ik haar te vertellen hoe ik gestreden had en tot welk

besluit ik gekomen was. Ik beproefde mijn geheele hart voor haar bloot

te leggen. Ik beproefde haar te vertellen hoe ik getracht had tot meer

zelfkennis te komen en haar beter te leeren kennen; hoe ik had willen

berusten bij hetgeen die meerdere kennis mij, naar ik meende, brengen

zou en hoe ik ook thans tot haar gekomen was met dezen goeden wil.

Indien zij mij zoo liefhad—zei ik—dat zij mij tot haar echtgenoot kon

nemen, zou ik dat niet verdiend hebben dan alleen door de oprechtheid

van mijne liefde voor haar en door het leed, waardoor die gerijpt was

tot hetgeen ze nu was; daarom durfde ik haar die ook thans openbaren.

O, Agnes, in uwe trouwe oogen zie ik mijn kind-vrouwtje; zij knikt mij

toe en zegt mij dat het zóó goed is, dat ik door u herinnerd zal worden

aan het lieve, teere Bloesempje, dat reeds bij het ontluiken werd

afgerukt.

„Ik ben zoo gelukkig, Trotwood.... mijn hart is zoo vol..... maar één

ding moet ik u toch zeggen.”

„Wat dan, mijn lieveling?”

Zij legde hare handjes op mijn schouder en keek mij aan met een

rustigen, kalmen blik.

„Weet gij nog niet wat het is?”

„Ik ben bang om te zeggen wat ik denk. Vertel het mij maar.”

„Ik heb u liefgehad zoolang ik u gekend heb.”

* * * * *

O, wij waren zoo gelukkig, zoo innig gelukkig! Onze tranen vloeiden

niet om de vele beproevingen—zij zooveel grootere dan ik—die wij

hadden moeten ondervinden, maar uit blijdschap, omdat wij vereenigd

waren voor geheel ons leven.

Dienzelfden winteravond wandelden wij samen door de besneeuwde velden

en de zalige kalmte, die over ons gekomen was, scheen zich meegedeeld

te hebben aan de koude lucht. De eerste sterren begonnen te schitteren

en terwijl wij daar naar opkeken, dankten wij onzen Vader in de

Hemelen, dat Hij ons geleid had tot deze rust. Later toen de maan was

opgekomen, stonden wij te zamen voor hetzelfde ouderwetsche venster;

Agnes met de oogen ten hemel geslagen en ik haar blik volgend. En

voor mij zag ik een weg van vele, vele mijlen lang en een haveloozen,

verwaarloosden knaap, die daarop voortstrompelde, door iedereen

verstooten, een knaap, die het hart, dat nu tegen het zijne klopte,

voor eeuwig _zijn_ eigendom mocht noemen.

Tegen het etensuur brachten wij den volgenden dag een bezoek aan tante.

Peggotty zei dat zij in mijne studeerkamer was, die zij niet zonder

trotschheid zelve in orde hield. En daar zat zij met den bril op bij

den haard.

„Groote goedheid!” sprak zij, „wie brengt gij daar mede?”—De

schemering was reeds ingevallen, zoodat zij niet goed zien kon.

„Agnes,” zei ik.

Aangezien wij afgesproken hadden eerst niets te zeggen geraakte tante

een weinig in de war. Zij wierp mij een hoopvollen blik toe, maar

ziende dat ik keek zooals altijd, nam zij met een teleurgesteld

gezicht haar bril af en wreef er den neus mede. Toch heette zij Agnes

hartelijk welkom en al heel spoedig zaten wij in de benedenkamer

gezellig om den disch. Tante zette twee, drie malen den bril weder op,

om mij nog eens met aandacht te bekijken, maar even dikwijls nam zij

dien weder af en wreef er haar neus mede tot groote ontsteltenis van

mijnheer Dick, die dit een zeer slecht voorteeken achtte.

„Ik heb met Agnes eens gesproken over hetgeen gij mij verteld hebt,

tante,” zei ik na afloop van het middagmaal.

„Daaraan hebt gij verkeerd gedaan, Trot,” antwoordde zij met een kleur

als scharlaken, „dan heb gij uw woord niet gehouden.”

„Ik hoop toch dat gij niet boos op mij zijt, tante,” hernam ik, „ik

ben overtuigd dat gij het niet zijn zult als ik u vertel dat Agnes in

geenen deele ongelukkig is.”

„Nonsens, praatjes voor de vaak,” riep zij.

Tante scheen niet op haar gemak te zijn en daarom was het maar beter

haar gerust te stellen. Ik nam Agnes onder den arm en bracht haar

achter haar stoel, waarna wij haar te zamen over de leuning heen

aankeken. Tante sloeg in de handen van verbazing, keek ons door haar

bril een voor een aan en kreeg het voor de eerste en laatste maal,

zoolang ik haar gekend heb, onmiddellijk op de zenuwen.

Peggotty kwam ontsteld de kamer binnenstuiven en op het oogenblik dat

tante weer bijkwam, vloog zij op Peggotty toe, noemde haar een dwaas,

oud schepsel en sloot haar in de armen. Daarna omhelsde zij mijnheer

Dick, die zeer vereerd was doch nog meer verbaasd, en vertelde hem

waarom zij het deed. Zeker waren er op dit oogenblik geen gelukkiger

menschen in het Vereenigde Koninkrijk te vinden. Ik kon niet ontdekken

of tante in haar laatste gesprek tot een vroom bedrog hare toevlucht

genomen dan wel zich in den toestand van mijn hart vergist had. Het

was immers waar, zooals zij mij verteld had, zeide zij, dat Agnes

binnenkort zou trouwen; ik zou zeker beter dan iemand ter wereld weten

hoe waar dit was.

Wij trouwden binnen veertien dagen. Traddles en Sophie, Doctor en

mevrouw Strong waren de eenige gasten bij onze bruiloft, die stil werd

gevierd. Wij verlieten hen gelukkiger dan ooit en reden samen weg. Toen

ik haar in mijn armen had, hield ik de bron omklemd van elke edele

gedachte, die ooit in mij is opgekomen; het middelpunt van mij zelven,

mijn eigen, lieve vrouwtje. Mijne liefde voor haar was gebouwd op eene

rots.

„Beste man!” zei Agnes. „Nu ik u zoo mag noemen, moet ik u nog een

geheim vertellen.”

„En wat is dat liefste?”

„Het dateert van den nacht waarin Dora stierf. Gij herinnert u dat zij

u zond om mij te roepen?”

„Ja.”

„Toen vertelde zij mij dat zij mij iets naliet. Kunt gij raden wat dit

was?”

Ik meende het wel te kunnen raden en trok de vrouw, die mij zoolang had

liefgehad, dichter naar mij toe.

„Zij vertelde mij dat zij mij voor het laatst een opdracht zou geven,

mij voor het laatst met iets belasten....”

„En dat was?”

„Dat _ik alleen_ hare ledige plaats zou mogen vervullen.”

En Agnes legde haar hoofdje tegen mij aan en schreide; en ik schreide

met haar, hoewel wij beiden zoo gelukkig waren.

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 76 / 79 题