LXI.

Twee interessante boetelingen.

Gedurende eenigen tijd—in elk geval tot mijn boek gereed zou zijn,

hetgeen nog wel eenige maanden zou duren—nam ik mijn intrek bij mijne

tante te Dover; voor hetzelfde venster zittende, waaruit ik naar de zee

en de maan had getuurd toen ik voor het eerst eene schuilplaats vond

onder dit dak, zette ik rustig den arbeid voort.

Getrouw aan mijn voornemen om alleen dan over mijn eigen boeken te

spreken, wanneer ze toevallig invloed oefenen op den loop van dit

verhaal, wil ik ook thans niet uitweiden over de verwachtingen, de

angsten en zegepralen, die mijn talent mij verschaften. Dat ik er mij

met hart en ziel aan wijdde, heb ik reeds gezegd. Indien de boeken,

welke ik geschreven heb, eenige waarde hebben, zullen ze voor zich

zelven spreken; in het tegengestelde geval heb ik zonder vrucht

gearbeid en kan dus ook niemand er eenig belang in stellen.

Nu en dan ging ik eens naar Londen ten einde eenige afwisseling

te hebben en Traddles te bezoeken of over zaken te spreken. Hij

had al dien tijd mijne zaken beheerd met eene niet te beschrijven

nauwgezetheid, zoodat het mij zeer voorspoedig ging. Aangezien de

vermaardheid, die ik mij allengs verworven had, tengevolge had dat ik

tallooze brieven ontving, zelfs van menschen, wier namen ik nooit had

hooren noemen—hoofdzakelijk over de meest onbeduidende onderwerpen

en hoogst moeilijk om te beantwoorden—kwam ik met Traddles overeen

mijn naamplaatje op zijn deur te doen bevestigen. Hier bezorgde

de trouwe brievenbesteller dagelijks schepels brieven aan mijn

adres en eenmaal 's weeks werkte ik mij er door heen even als een

staatssecretaris—echter zonder diens salaris.

Onder deze correspondentie vond ik telkens aanbiedingen van een der

vele beunhazen, die steeds op de Commons loeren, om onder mijn naam te

praktizeeren, indien ik maar de moeite wilde nemen om mij tot proctor

te laten aanstellen. De winst zou in dat geval gedeeld worden. Ik sloeg

deze aanbiedingen echter van de hand; want ik wist maar al te goed

hoeveel van die vermomde praktizijns de Commons reeds telde en meende

daarom niet mede te mogen doen aan hare verdere verbastering.

De meisjes waren reeds vertrokken toen mijn naam voor het eerst aan

Traddles' deur prijkte, en het wakkere boodschappenjongetje keek

den ganschen dag alsof hij nooit den naam van Sophie gehoord had,

die in een achterkamertje was opgesloten met het uitzicht op een

binnenplaatsje met eene pomp. Ik vond haar daar altijd en telkens

weder moest ik denken: „wat is zij toch een knap en helder vrouwtje.”

Meermalen, wanneer zich geen vreemde voetstappen op de trap lieten

hooren, zat zij daar ballades uit Devonshire te zingen, zoodat de

schrandere jongen op het kantoor er door uit den slaap werd gehouden.

Het verbaasde mij in het begin dat ik Sophie zoo dikwijls schrijvende

vond in een cahier, dat zij, zoodra ik binnenkwam, haastig wegstopte in

een latafel. Het geheim werd mij echter spoedig opgelost. Op zekeren

dag haalde Traddles, die juist in een sneeuwbui was thuis gekomen van

het Gerechtshof, het cahier te voorschijn en vroeg mij wat ik van de

hand, waarmede het bijna was volgeschreven, dacht.

„O, Tom, doe het niet!” riep Sophie, die bezig was zijn pantoffels bij

het vuur te warmen.

„Maar, lieveling,” antwoordde Tom opgeruimd, „waarom niet? Wat zegt gij

van dit schrift, Copperfield?”

„Het is buitengewoon regelmatig,” zei ik. „Mij dunkt, ik heb nooit zulk

eene vaste hand gezien.”

„Vindt gij dat het op een dameshand lijkt?”

„Op een dameshand!” herhaalde ik. „Kalk en steen lijken meer op een

dameshand dan dit schrift.”

Traddles barstte in een onstuimig gelach uit en vertelde mij dat het

schrift was van Sophie; zij had beweerd dat er wel spoedig een klerk

zou noodig zijn en nu wilde zij daarvoor optreden; zij had daarom hare

hand gevormd naar een voorbeeld en kon nu ik weet niet hoeveel pagina's

leveren in een uur. Sophie was erg verlegen toen mij dit alles zoo

haarfijn verteld werd en zei dat als „Tom” eenmaal rechter was, hij het

niet meer zoo zou uitbazuinen, hetgeen „Tom” ontkende, zeggende dat hij

er altijd trotsch op zou zijn onder welke omstandigheden ook.

„Wat is zij toch een door en door goed en verrukkelijk vrouwtje, beste

Traddles!” zei ik, toen zij heenging, lachend.

„Beste Copperfield!” antwoordde Traddles, „zij is zonder eenige

uitzondering het verrukkelijkste vrouwtje van de wereld! De wijze

waarop zij het huishouden voert, hare nauwgezetheid, ordelijkheid,

spaarzaamheid, opgewektheid, Copperfield...”

„Ja, gij hebt redenen genoeg tot dankbaarheid,” antwoordde ik. „Gij

zijt een gelukkige kerel. Ik geloof dat gij u zelven en elkander tot de

gelukkigste stervelingen, van de wereld maakt.”

„O, ik ben overtuigd dat wij tot de gelukkigste menschen behooren,”

antwoordde Traddles. „Ik erken dat gaarne. Goede Hemel, als ik haar 's

morgens zie opstaan bij het licht van een kaars en hare dagelijksche

bezigheden zie beginnen, naar de markt zie gaan vóór de klerken in

Gray's Inn komen; als ik bedenk hoe zij van de eenvoudigste materialen

de heerlijkste kleine dinertjes weet te bereiden, poddingen en pasteien

gereed maakt, alles zoo ordelijk en netjes bijeen houdt, hoe keurig

zij zelve er altijd uitziet, mij des avonds altijd gezelschap houdt,

hoe laat het ook worden mag, altijd even vroolijk en opgewekt.... zie

Copperfield, dan kan ik somtijds niet gelooven dat zij _mijn_ vrouwtje

is.”

Hij trok de pantoffels, die zij gewarmd had, met eene zekere eerbiedige

voorzichtigheid aan en strekte toen behagelijk zijn voeten op den

haardrand uit.

„Waarlijk, ik kan het somtijds niet gelooven,” herhaalde hij. „En

dan onze uitspanningen! Goede Hemel! ze kosten niets en zijn toch

zoo heerlijk! Wanneer wij des avonds hier zitten, de buitendeur

gesloten en de gordijnen neergelaten hebben—die zij zelve heeft

gemaakt—wat kunnen wij dan nog meer verlangen? Is het mooi weer

dan maken wij des avonds nog een wandeling en bieden de drukke

straten ons het grootste genot aan, wij kijken naar de schitterende

juwelierswinkels en ik laat Sophie de slangen met de oogen van

diamanten op wit satijn zien, waarvan ik er haar zeker een ten

geschenke zou geven als ik het betalen kon; en Sophie wijst mij het

gouden horlogie met al de nieuwste uitvindingen, dat zij mij zou geven

indien zij er geld voor had; en wij zoeken de lepels en vorken en

vischlepels en botermesjes en suikertangen die wij zouden uitzoeken,

indien wij het geld daarvoor hadden, en dan wandelen wij weer verder

alsof wij werkelijk de gelukkige eigenaars waren. En wanneer wij op een

van de pleinen of in een van de hoofdstraten een huis te huur vinden

staan, kijken wij er even binnen en zeggen of het ons zou bevallen,

als ik eens rechter werd! En wij maken de verdeeling: deze kamer voor

mij, die voor de meisjes, enz.; tot wij het eens zijn of het geschikt

of niet geschikt zou wezen, als het ooit eens zoover komen mocht. Soms

gaan wij voor half geld naar de komedie en zitten dan heel boven, waar

de lucht alleen reeds het geld waard is, en daar genieten wij van het

spel, waarvan Sophie elk woord gelooft evenals ik. Op onze wandeling

naar huis koopen wij nu en dan eens een lekker hapje in een gaarkeuken

of een kreeft of iets dergelijks in een vischwinkel en nemen het mede

naar huis, waar wij dan al pratende over „het stuk”, een heerlijk

souper hebben. Nu weet gij heel goed, Copperfield, dat wij onmogelijk

zoo gelukkig konden zijn als ik Lord Kanselier was!”

„Ik weet dat gij altijd gelukkig zoudt zijn op welke wijze ook, wat gij

ook waart, beste Traddles,” zei ik. „A propos, teekent gij tegenwoordig

nog wel eens geraamten?”

„Waarlijk,” antwoordde Traddles lachend en met een kleur, „ik kan niet

loochenen dat ik het nog wel eens doe. Laatst nog, toen ik op een van

de achterste banken in King's Bench zat, met een pen in de hand, kwam

de verzoeking in mij op om eens te probeeren of ik daarmede den tijd

nog zou kunnen verdrijven. En, bedrieg ik mij niet, dan vindt gij er op

den rand van den lessenaar, ginds, nog een—met een pruik op.”

Nadat wij beiden hartelijk om deze herinnering aan den ouden tijd

gelachen hadden, bleef Traddles glimlachend in het vuur kijken en zei

op vergevensgezinden toon: „Die oude Creakle!”

„Ik heb hier een brief van dien ouden .... schavuit,” zei ik. Ik was

nooit minder genegen om hem te vergeven dan wanneer ik Traddles zoo

vergevensgezind zag.... Traddles, dien hij zoo erbarmelijk geranseld

had!

„Van Creakle?” riep Traddles. „Neen toch!”

„Onder de personen, die zich, nu ik wat naam begin te maken, tot mij

aangetrokken gevoelen,” zei ik, in mijne brieven snuffelend, „en die

nu tot de ontdekking komen dat zij altijd zoo aan mij zijn gehecht

geweest, behoort ook mijnheer Creakle, onze oude schoolmeester. Hij

is dat niet meer, Traddles. Hij leeft nu van zijn geld en is bij de

magistratuur in Middlesex.”

Ik dacht dat Traddles verrast zou zijn als hij dit vernam, maar hij

was het volstrekt niet.

„Hoe denkt gij dat hij bij de magistratuur zal gekomen zijn?” vroeg ik.

„Groote Goedheid!” riep Traddles, „die vraag zal zeer moeilijk te

beantwoorden zijn. Misschien heeft hij voor iemand gestemd of aan

iemand geld geleend, of van iemand iets gekocht, of iemand op de een

of andere wijze aan zich verplicht of met iemand geknoeid en heeft die

iemand den gouverneur van het graafschap bewogen hem te benoemen.”

„Hoe het zij, hij is benoemd,” antwoordde ik. „En nu schrijft hij mij,

dat hij blijde zijn zal mij de eenige ware manier te laten zien, waarop

gevangenissen moeten zijn ingericht om de gevangenen tot berouw en

inkeer te brengen.... zooals gij weet tracht men dat tegenwoordig te

doen door eenzame opsluiting. Wat zegt gij daarvan?”

„Van het stelsel?” vroeg Traddles, en keek mij daarbij ernstig aan.

„Neen, van het aanbod. En ik voeg er eindelijk bij, dat gij met mij

mede moet gaan.”

„Daarop heb ik niets tegen,” antwoordde hij.

„Dan zal ik hem dat schrijven. Gij herinnert u, om te zwijgen van de

wijze waarop wij behandeld zijn, dat deze zelfde Creakle zijn zoon de

deur gewezen heeft, en hoe hij zijn eigen, vrouw en dochter behandelde?”

„Ja, zeer goed.”

„Lees dezen brief nu eens, dan zult gij ontwaren hoe teerhartig

hij omgaat met gevangenen, die eene geheele lijst misdaden op

hunne rekening hebben,” hernam ik, „hoewel ik niet geloof, dat hij

deze teerhartigheid ook tot andere klassen van menschelijke wezens

uitstrekt.”

Traddles haalde de schouders op en was niet het minst verbaasd. Ik had

ook niet verwacht dat hij anders zijn zou en was dus evenmin verbaasd;

daarvoor had ik reeds te veel menschenkennis opgedaan. Wij bepaalden

dus den dag en ik schreef dienzelfden avond nog aan mijnheer Creakle.

Op den afgesproken dag—ik geloof dat het de volgende was, maar dat

doet niets ter zake—meldden Traddles en ik ons aan de gevangenis, waar

mijnheer Creakle den schepter zwaaide. Het was een reusachtig, stevig

gebouw, dat ten koste van verbazende sommen was gesticht. Ik kon het

niet helpen, maar toen wij de poort naderden kwam de gedachte in mij

op welk een opschudding er in het land zou zijn ontstaan, indien de

een of ander dwaas geopperd had de helft van die sommen te besteden

aan de oprichting van een industrieschool voor jongelieden, of van een

toevluchtsoord voor ouden van dagen, die zulks verdienden.

In een spreekkamer, die zoo massief gebouwd was, dat de muren hadden

kunnen dienen tot onderbouw van den toren van Babel, werden wij

door onzen ouden meester ontvangen en voorgesteld aan eenige andere

magistraatspersonen, die ook bezoekers hadden meegebracht. Hij ontving

mij als iemand, die in vroeger dagen een grooten invloed had geoefend

op de vorming van mijn karakter en mijn verstand en mij steeds met

liefde had behandeld. Toen ik Traddles voorstelde, drukte mijnheer

Creakle zich ongeveer op gelijke wijze uit, en gaf te kennen dat hij

altijd Traddles' leidsman, leermeester en vriend geweest was. Onze

eerwaarde onderwijzer was zichtbaar ouder en zijn voorkomen geenszins

gunstiger geworden; er lag nog dezelfde brutale uitdrukking op zijn

gezicht; zijne oogen waren nog even klein, doch lagen nog wat dieper in

hunne kassen. De weinige grijzende haren, die ik mij herinnerde, waren

verdwenen; en de dikke aderen op het voorhoofd maakten evenmin een

aangenamen indruk als vroeger.

Na een onderhoud met deze heeren, waaruit de gevolgtrekking zou

kunnen zijn gemaakt, dat men eigenlijk aan niets op de wereld zooveel

aandacht schenken mocht als aan het gemak en het goede leven van de

gevangenen hoeveel het ook moge kosten, en niets op de wereld zoo

belangrijk was als gevangenisdeuren, begonnen wij onze wandeling door

het gebouw. Aangezien het juist etenstijd was gingen wij eerst naar de

keuken, waar het middagmaal voor elken gevangene afzonderlijk gereed

stond, om hem in zijne cel te worden gebracht, hetgeen elken dag met

de grootste regelmatigheid, prompt op hetzelfde uur geschiedde. Ik

fluisterde Traddles in of het ook hem niet bevreemdde, dat niemand

scheen in te zien welk een stuitend contrast er bestond tusschen dit

overvloedige maal van uitnemende spijzen en dat van—om niet van

behoeftigen te spreken—soldaten, matrozen, werklieden en de massa der

bevolking, die met werken hun brood verdienden; geen twintigste procent

van dezen werd half zoo goed gevoed. Ik vernam echter dat het „systeem”

een voedzamen maaltijd noodzakelijk maakte; kortom ik zag in dat om het

stelsel toe te passen, in dit, zoowel als in alle andere opzichten, het

„systeem” een eind maakte aan allen twijfel en alle bezwaren uit den

weg ruimde. Niemand scheen te beseffen dat er nog wel een ander systeem

zijn kon dan „het” systeem.

Terwijl wij door eenige hooge, breede gangen wandelden vroeg ik aan

mijnheer Creakle en zijn vrienden welke voordeelen men verwachtte van

dit alles beheerschende en overheerschende systeem? Het bestond in

volkomen afzondering van de gevangenen, zoodat geen van hen iets wist

of te weten kwam van zijn buurman en daarvan verwachtte men als gevolg,

dat de gevangenen in eene gemoedsstemming zouden komen, die tot oprecht

berouw en beterschap leidde.

Toen wij nu de gevangenen in hunne cellen bezochten en men ons

eene verklaring gaf van de wijze, waarop zij zich naar de kapel,

de wandelplaatsen en elders begaven, kwam het mij voor dat zij

wel degelijk in de gelegenheid waren om veel van elkander te weten

en dat er zonder twijfel een volledig stelsel van verkeer tusschen

hen bestond. Nu ik dit schrijf is het, als ik het wel heb, bewezen

dat ik daarin niet mistastte; maar aangezien het als vuige laster

zou beschouwd zijn op „het” systeem, hield ik mijne zienswijze voor

mij en deed in stilte boete voor deze zondige gedachte. Ik begon te

zoeken naar de beweerde boetvaardigheid, maar ook daarin werd ik

teleurgesteld. Daar heerschte een zekere mode in het betoonen van

boetvaardigheid, evenals buiten de gevangenis in den snit van pantalons

en vesten voor de vensters der kleedermakers-winkels. De wijze, waarop

de boetvaardigheid betoond werd, verschilde weinig; vooral in den vorm,

hetgeen mij verdacht voorkwam. Ik vond een groot aantal vossen, die de

onbereikbare druiven verachtten, maar zeer weinige, die ik binnen het

bereik van een tros vertrouwd zou hebben. Bovenal scheen het mij toe,

dat zij, die de meeste vertooning maakten, ook de meeste belangstelling

opwekten en dat hunne inbeelding, hunne ijdelheid, hun gebrek aan

bezigheid, hunne zucht om te bedriegen, waaraan vooral veel leden en

die sommigen, zooals uit hunne geschiedenis bleek, tot eene ongekende

hoogte botvierden, in één woord, dat alles gedaan werd om hen aan te

sporen tot het maken van vertooning, waardoor iedereen bevredigd scheen.

Ik hoorde gedurende onze wandeling echter zoo dikwijls over een

zeker No. 27 spreken, die de gunsteling van allen en een voorbeeldig

gevangene scheen te zijn, dat ik besloot mijn oordeel op te schorten

tot ik no. 27 gezien had. Ook no. 28 was een lichtende ster, zooals ik

vernam, maar het was ongelukkig dat zijn licht een weinig verduisterd

werd door den glans, die no. 27 verspreidde. Ik hoorde zooveel over

no. 27 spreken, van zijne vroomheid, van zijn vermaningen aan ieder,

die onder zijn bereik kwam, van de „mooie” brieven, die hij aan zijn

moeder schreef—hij verkeerde in de meening dat zijne moeder zich op

den slechten weg bevond—dat ik waarlijk het oogenblik, waarop ik hem

zou zien, met ongeduld verbeidde. En nu werd no. 27 voor het laatst

bewaard om de kroon te zetten op alles. Eindelijk naderden wij de deur

van zijn cel en mijnheer Creakle, die door een gaatje in de deur had

gekeken, deelde ons opgetogen mede dat no. 27 in een gezangboek zat te

lezen. Er volgde op deze mededeeling zulk eene opstopping van hoofden,

dat het gaatje, waardoor no. 27 te zien was, er in letterlijken zin van

verstopt raakte. Ten einde aan aller ongeduld te gemoet te komen gaf

mijnheer Creakle last de deur te openen en no. 27 te verzoeken buiten

te komen. En wien moesten Traddles en ik daar tot onze overgroote

verbazing aanschouwen? Niemand anders dan Uriah Heep!

Hij herkende ons terstond en zich als van ouds wringende, zei hij:

„Hoe vaart gij, mijnheer Copperfield? Hoe vaart gij mijnheer Traddles?”

Deze herkenning veroorzaakte algemeene bewondering bij de voorstanders

van het systeem. Ik meende op te merken dat het iedereen trof, toen hij

niets trotsch bleek te zijn en ons nog wel wilde kennen.

„Wel, 27,” zei mijnheer Creakle en staarde hem daarbij aan met een

droeven, doch tevens bewonderenden blik. „Hoe maakt gij het vandaag?”

„Ik ben zeer nederig, mijnheer!” antwoordde hij.

„Dat zijt gij altijd, 27,” zei mijnheer Creakle. Eene andere stem vroeg

op eenigszins angstigen toon: „Voelt gij u werkelijk heel goed?”

„Ja, dank u, mijnheer!” antwoordde Uriah met een blik in die richting:

„Ik voel mij hier veel meer op mijn gemak dan ooit daarbuiten. Ik zie

mijne fouten nu in, mijnheer. Daardoor voel ik mij zoo op mijn gemak.”

Verscheidene heeren waren blijkbaar diep getroffen door zooveel

deemoed; terwijl een derde stem op aandoenlijken toon vroeg: „Hoe is de

biefstuk?”

„Dank u, mijnheer,” antwoordde Uriah, zich naar dezen nieuwen

spreker wendende, „de biefstuk was gisteren wat taai, maar dat zijn

omstandigheden, die men moet weten te dragen; ik heb dwaasheden begaan,

heeren,” vervolgde hij met een walgelijken glimlach, „dus moet ik de

gevolgen dragen.”

Toen het gemompel, gedeeltelijk van vreugde over den hemelschen

gemoedstoestand van no. 27, maar ook van verontwaardiging, omdat de

leverancier zich vermeten had hem eenige aanleiding tot ontevredenheid

te geven—mijnheer Creakle hield er onmiddellijk aanteekening

van—bedaard was, stond Uriah Heep midden in den kring, alsof hij zich

wilde laten bewonderen als het merkwaardigste stuk in een museum.

En opdat wij de bekeerden, op eenmaal door het volle licht zouden

beschenen worden, werd last gegeven ook no. 28 uit de cel te laten.

Ik was al zoo verbaasd, dat ik niets dan eene kalme verwondering aan

den dag kon leggen, toen mijnheer Littimer uit de cel te voorschijn

kwam met een goed boek in de hand.

„28”, zei een heer met een bril op, die nog niets gezegd had, „gij

hebt verleden week over de chocolade geklaagd. Hoe is ze na dien tijd

geweest?”

„Dank u, mijnheer,” antwoordde 28, „ze is beter klaar gemaakt. Als

ik die vrijheid nemen mag, zou ik zeggen dat de melk, waarmee ze is

toebereid, niet geheel onvervalscht is; maar ik weet, mijnheer, dat

de melk in Londen algemeen vervalscht wordt en het zeer moeielijk is

dat artikel in zuiveren toestand te verkrijgen.”

Het kwam mij zoo voor, dat de heer met den bril zijn no. 28 tegen

mijnheer Creakle's no. 27 wilde monsteren, tenminste beiden namen hun

eigen gunsteling bij de hand.

„Hoe is 't met uw gemoedstoestand, no. 28?” vroeg de heer met den bril.

„Dank u, mijnheer,” antwoordde Littimer. „Ik zie mijne afdwalingen nu

in, mijnheer. De zonden van mijne vroegere metgezellen drukken mij nog

wel, mijnheer, maar ik vertrouw dat zij vergeving zullen vinden.”

„Zijt gij zelf nu gelukkig?” vroeg de heer met den bril verder, terwijl

hij hem aanmoedigend toeknikte.

„Ik ben u zeer verplicht, mijnheer, ik voel mij volmaakt gelukkig.”

„Hebt gij nog iets op het hart? Zoo ja, deel het mij dan mede, 28.”

„Mijnheer,” antwoordde Littimer, zonder op te kijken, „bedrieg ik

mij niet, dan bevindt zich daar een heer in uw gezelschap, die mij

uit vroegere dagen bekend is. Mogelijk stelt die heer er belang in

te weten, dat ik mijne vroegere afdwalingen alleen toeschrijf aan de

omstandigheid, dat ik in dienst was van jonge, onnadenkende menschen

en mij door hen heb laten verleiden tot zwakheden, waaraan ik geen

weerstand kon bieden. Ik hoop dat die heer zich zal laten waarschuwen,

mijnheer, en mij mijne vrijpostigheid niet euvel zal duiden. Het is tot

zijn bestwil. Ik zie mijn eigen afdwalingen nu in en ik hoop dat hij

berouw zal voelen over al de goddeloosheid en de zonde, waaraan hij

heeft deelgenomen.”

Ik merkte op dat verscheidene heeren de hand boven de oogen hielden,

alsof zij juist in eene helder verlichte kerk kwamen.

„Dit strekt u tot eer, 28,” antwoordde dezelfde heer. „Ik had dit van u

verwacht. Hebt gij nog meer te zeggen?”

„Mijnheer,” antwoordde Littimer, zijne wenkbrauwen even oplichtend,

doch met neergeslagen oogen, „er was een jong meisje, dat op den

slechten weg geraakte en dat ik trachtte te redden, mijnheer; ik

slaagde daarin echter niet. Ik verzoek dien heer, indien het in zijne

macht is, dat jonge meisje te doen weten dat ik haar vergiffenis schenk

wegens haar slecht gedrag tegenover mij en dat ik haar aanraad op den

goeden weg terug te keeren—indien hij zoo goed wil zijn.”

„Ik twijfel er geen oogenblik aan, 28”, zei de heer met den bril, „of

de persoon, dien gij bedoelt, zal diep gevoelen hetgeen gij op zulk een

gepaste wijze gezegd hebt. Wij willen u thans niet langer ophouden.”

„Verplicht, mijnheer,” zei Littimer. „Heeren, ik zeg u vaarwel en hoop

dat gij en uwe huisgenooten uw zonden zult inzien en boete doen.”

Na deze woorden verdween no. 28, maar wierp nog even een blik van

verstandhouding toe aan Uriah Heep, die mij in het vermoeden sterkte

dat zij volstrekt niet zonder middelen waren om met elkander in

aanraking te komen. Door het groepje heeren ging een goedkeurend

gemompel, toen de deur achter hem dichtviel; hij was in hunne oogen een

hoogst respectabel man en een bewijs te meer voor de deugdelijkheid van

„het stelsel”. „Een mooi geval,” hoorde ik zeggen.

„Nu, no. 27,” zei mijnheer Creakle, die thans de baan vrij had voor

zijn „exemplaar”, „kan iemand van de aanwezigen iets voor u doen? Zoo

ja, spreek dan vrij uit.”

„Ik wilde u nederig de toestemming vragen,” zei Uriah met een ruk van

zijn boosaardigen kop, „om nog eens aan mijne moeder te schrijven.”

„Dat zal u ongetwijfeld worden toegestaan,” antwoordde mijnheer Creakle.

„Dank u, mijnheer! Ik verkeer in angst over moeder. Ik ben bang dat zij

niet gered is.”

„Waarvan?” vroeg een onvoorzichtige bezoeker, maar een algemeen „St!”

bracht hem tot het besef van deze onbetamelijke vraag.

„Ik bedoel ‚hare ziel’, mijnheer,” antwoordde Uriah, zich wringende en

kronkelende in de richting van de stem.

„Ik zou moeder zoo gaarne tot den heilstaat gebracht zien, waarin ik

thans ben. Ik zou nooit daarin gekomen zijn, als men mij niet hier had

opgesloten. Was moeder ook maar hier gekomen! Dat zou voor iedereen

zoo goed zijn!”

Deze woorden schonken zooveel voldoening.... meer zelfs dan al hetgeen

wij tot nu toe hadden aangehoord.

„Voor ik hier kwam,” zei Uriah, met een blik naar ons, alsof hij de

wereld, waarin wij nog ronddoolden, wel had willen verdelgen, „was ik

van het goede pad afgedwaald, maar thans zie ik mijne zonden in. Daar

is veel zonde in de buitenwereld. En ook moeder is niet zonder zonde.

Overal is zonde..... behalve hier.”

„Gij zijt wel veranderd!” zei mijnheer Creakle.

„Goede Hemel, ja, mijnheer!” riep deze hoopvolle boeteling.

„En zoudt gij niet weder afdwalen, indien gij hier uitkwaamt?” vroeg

eene stem, die ik nog niet gehoord had.

„Daarvoor zou de Hemel mij behoeden, mijnheer!”

„Dit is zeker zeer streelend,” zei mijnheer Creakle. „Gij hebt mijnheer

Copperfield toegesproken, no. 27. Verlangt gij nog meer tot hem te

zeggen?”

„Gij hebt mij gekend, mijnheer Copperfield,” hernam Uriah, „langen

tijd voor ik hier en veranderd was.” Hij keek mij aan, maar nooit zag

ik een schurkachtiger uitdrukking, zelfs op zijn gezicht. „Gij hebt

mij gekend, toen ik niettegenstaande mijne afdwalingen nederig was te

midden van hoogmoedigen en zachtmoedig te midden van driftigen—gij

zelf waart driftig, mijnheer Copperfield. Eens hebt gij mij in het

gezicht geslagen.... herinnert gij u dat?”

Algemeen medelijden! Verontwaardigde blikken in mijne richting!

„Maar ik vergeef het u, mijnheer Copperfield,” zei Uriah, en maakte

zijne vergevensgezindheid tot het onderwerp van eene godslasterijke

vergelijking, die ik hier niet wil herhalen. „Ik schenk iedereen

vergiffenis! het zou mij niet passen haatdragend te zijn. Ik schenk u

ook vergiffenis, mijnheer Copperfield, en hoop dat gij in de toekomst

uwe drift zult weten in te toomen. Ik hoop ook dat mijnheer W. berouw

zal hebben en juffrouw W. en dat geheele zondige komplot. Gij zijt

bezocht geworden door een groot leed; ik hoop dat gij daardoor tot

inkeer zult komen, maar gij deedt beter hier eenigen tijd door te

brengen. Mijnheer W. en juffrouw W. deden ook beter indien zij hier

kwamen. Het beste, dat ik u kan toewenschen, mijnheer Copperfield en

u allen, Heeren, dat is hier te worden opgenomen en hier eenigen tijd

door te brengen. Als ik denk aan den tijd, toen ik van den goeden weg

was afgedwaald, en aan den heilstaat, waarin ik hier verkeer, dan kan

ik u niets beters toewenschen. Ik beklaag allen, die niet hier zijn.”

Te midden van een goedkeurend gemompel verdween hij in zijne cel en

zoowel Traddles als ik ademden vrijer toen de deur weder gesloten was.

De boetvaardigheid van deze beide uitvaagsels van het menschdom was

zoo eigenaardig, dat ik niet kon nalaten naar de feiten te vragen, die

hen in de gevangenis gebracht hadden. Het scheen echter dat zij juist

daarover liever het stilzwijgen bewaarden. Ik wendde mij daarom tot een

van de bewakers, die zooals ik uit zijn gelaat meende te mogen opmaken,

vrij goed begreep dat deze nos. 27 en 28 uitnemende comedianten waren.

„Kunt gij mij ook vertellen,” vroeg ik hem, terwijl wij verder gingen,

„welke boevenstreken no. 27 het laatst heeft uitgevoerd?”

Het antwoord luidde dat hij de Engelsche Bank bestolen had.

„Oplichterij, valsche papieren en wisselruiterij, mijnheer. Hij was

niet alleen, maar wel de hoofddader. Het schijnt om eene groote som te

doen te zijn geweest. Het vonnis luidde: levenslange deportatie. 27 was

de slimste van het komplot, maar heeft zich toch niet geheel kunnen

vrijpleiten. De Bank heeft hem nog juist wat zout op den staart kunnen

leggen.... doch ook maar even.”

„En no. 28?”

„28,” antwoordde mijn berichtgever, die zachtjes sprak en nu en dan

eens achterom keek, ten einde zicht te over tuigen dat mijnheer Creakle

noch een van de andere heeren hem zoo onbetamelijk hoorde spreken

over zulke godvreezende lieden, „28, ook deportatie—was in dienst

bij een jong mensch van goeden huize en stal den avond voor zij eene

buitenlandsche reis zouden ondernemen tweehonderd vijftig pond aan geld

en kostbaarheden. Ik herinner mij dit geval zoo goed, omdat hij door

eene dwerg werd aangehouden.”

„Door wie?”

„Door een heel, klein vrouwtje; ik herinner mij haar naam niet meer.”

„Mowcher misschien?”

„Juist, zoo heette zij. Hij was ontsnapt en op het punt om naar Amerika

te gaan met een pruik op en valsche bakkebaarden, zoo vermomd als gij

ooit in uw leven iemand gezien hebt. Het kleine vrouwtje ontmoette hem

te Southampton, herkende hem met hare scherpe oogjes onmiddellijk, liep

tusschen zijn beenen door, zoodat hij viel en hield hem toen zoo stevig

vast, alsof zij de dood in eigen persoon was.”

„Brave Mowcher!” riep ik.

„Dat zoudt gij zeker gezegd hebben, indien gij haar gedurende

het proces op een stoel in de getuigenbank hadt zien staan,” zei

de bewaker. „Hij had haar gezicht geheel opengekrapt en haar op

beestachtige wijze getrapt en geslagen, toen zij hem vast had; maar

zij liet hem niet los eer hij achter slot en grendel zat. Zoo stijf

hield zij hem vast dat de politie hen te zamen in arrest moest nemen.

Zij legde hare verklaringen zoo helder en duidelijk af, dat de rechter

haar grooten lof toezwaaide en zij met groot gejuich naar huis werd

gebracht. Zij verklaarde voor de rechtbank dat zij hem geheel alleen

zou hebben ingepakt—zooveel slechtheid was haar van hem bekend—al

ware hij een Simsom geweest. En ik geloof zeker dat zij het gedaan zou

hebben!”

Dat geloofde ik ook en juffrouw Mowcher was in dit oogenblik zeer in

mijne achting gerezen. Wij hadden nu alles gezien wat er te zien was.

Het zou vruchtelooze moeite geweest zijn om iemand als mijnheer Creakle

er op te wijzen, dat die nos. 27 en 28 hun oude rol voortspeelden en

niet het minst veranderd waren; dat zij altijd geweest waren zooals

zij zich op het oogenblik voordeden; dat zulke huichelaars in eene

inrichting als deze juist op hunne plaats waren om den menschen zand

in de oogen te strooien; dat zij zeer goed moesten begrijpen hoeveel

voordeel zij nog van dit berouw konden trekken wanneer zij naar de

koloniën werden gezonden; kortom, dat alles wat zij zeiden niets dan

holle klanken waren en het geheele systeem ziekelijk was.

Wij lieten de heeren dwepen met hun systeem en gingen verbaasd en

verontwaardigd heen.

„Het is misschien niet kwaad, Traddles,” zei ik, „dat men dit

stokpaardje wat hard berijdt; des te eerder is het doodgereden.”

„Het is te hopen,” antwoordde Traddles.

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 75 / 79 题