LVIII.

Mijn verblijf buitenslands.

Een lange sombere nacht was voor mij neergedaald, waarin de herinnering

aan menige hoopvolle verwachting, aan menig dierbaar gelaat, menige

dwaling, menig nutteloos verdriet mij wakker hield.

Ik verliet Engeland, niet wetende—zelfs toen nog niet—hoe groot de

schok was, dien ik moest doorstaan. Ik verliet allen, die mij dierbaar

waren, en ging heen in de meening dat het zwaarste reeds gedragen was.

Evenals een krijgsman in den slag door een kogel getroffen wordt

zonder het in het eerste oogenblik te bemerken, zoo had ik, toen ik met

mijn ongelouterd hart alleen was, geen besef van de wonde, waarmede ik

rondliep.

Dat besef kwam tot mij, niet op eens maar langzamerhand; met ieder uur

groeide het verlaten gevoel, dat ik bij mijn vertrek had bespeurd,

aan. In het eerst was het niets dan een niet te omschrijven gevoel

van verlatenheid en verdriet, waarin ik weinig anders ontdekte. Bijna

onmerkbaar breidde dat gevoel zich uit tot een hopeloos besef van al

hetgeen ik verloren had: liefde, vriendschap, belangstelling; van al

hetgeen voor eeuwig voorbij was: mijn eerste genegenheid, het geheele

groote luchtkasteel van mijn leven; van al wat mij was overgebleven:

eene eenzame woestijn, die zich rondom mij uitstrekte tot aan den

duisteren horizon.

Mijne smart is wellicht zelfzuchtig geweest, maar ik zag dat toen niet

in. Ik treurde over mijn kind-vrouwtje, dat nog in den bloeitijd van

haar jonge leven van mij was weggenomen. Ik treurde over het verlies

van hem, die de liefde en bewondering van duizenden zou hebben kunnen

winnen evenals hij de mijne gewonnen had. Ik treurde om het gebroken

hart, dat rust had gevonden in de kokende zee, en over de arme

ballingen uit de eenvoudige woning waar ik den nachtwind had hooren

loeien, toen ik nog een kind was.

De hoop, dat ik ooit weder deze opeenstapeling van treurigheid zou te

boven komen, verdween eindelijk geheel. Ik zwierf van de eene plaats

naar de andere, steeds mijn zwaren last met mij meedragende. Ik voelde

nu de geheele zwaarte op mij drukken, ik ging daaronder gebukt en eene

stem in mijn hart zeide mij dat er geen verlichting meer mogelijk was.

Toen mijne neerslachtigheid het toppunt bereikt had, meende ik te

zullen sterven. Somtijds kwam de wensch in mij op, dat ik in mijn

eigen huis mocht sterven en werkelijk keerde ik dan om op mijn weg,

ten einde spoediger daar te zijn. Op andere tijden reisde ik door van

stad tot stad, niet wetende wat ik daar zocht en onder den indruk of ik

trachtte aan iets te ontkomen; terwijl ik zelf niet wist waaraan.

Het is mij niet mogelijk al de phasen, waarin de droefheid mij bracht,

te beschrijven. Sommige droomen kan men niet anders dan onvolledig en

onduidelijk beschrijven en wanneer ik mij zelven dwing op dit tijdperk

van mijn leven terug te zien, dan komt het mij voor alsof ik toen

in zulk een droom heb geleefd. Ik zie mij dan droomend rondzwerven

tusschen de merkwaardigheden van allerlei steden, tusschen paleizen,

kerken, tempels, schilderijen, kasteelen, graftomben en schilderachtige

straten—alle overblijfselen uit lang vervlogen eeuwen; overal met mijn

zwaren last bevracht en nauwelijks bewust van hetgeen ik gezien had,

wanneer ze weder verdwenen waren. Ik was ongevoelig voor alles behalve

voor mijn verdriet. Donkere nacht heerschte in en om mij. Den hemel zij

dank ontwaakte daaruit een nieuwe dageraad voor mij!

Maanden lang bleef ik op reis met deze steeds donkerder wordende wolk

in mijne ziel. Te vergeefs trachtte ik de redenen te vinden, die mij

mijn pelgrimstocht deden voortzetten in plaats van naar huis terug

te keeren. Nu eens zwierf ik van plaats tot plaats zonder mij ergens

langer dan noodig was op te houden; dan weder bleef ik langen tijd op

ééne plaats dralen. Ik reisde zonder eenig doel; nergens vond ik iets

dat mij opbeurde.

Eindelijk was ik in Zwitserland, dat ik uit Italië door een der

groote Alpenpassen bereikt had, en dwaalde met een gids dagen lang

door het gebergte. Of de plechtige stilte om mij heen daar tot mijn

hart gesproken heeft, kan ik niet zeggen. Ik had vol bewondering

voor de grootschheid van de woeste natuur, van de hemelhooge toppen

en onpeilbare afgronden, van de bruisende bergstroompjes en de

onafzienbare ijsvlakten rondgedwaald, maar tot nog toe hadden ze mij

niets geleerd.

Op zekeren avond kwam ik even voor zonsondergang in eene vallei, waar

ik den nacht zou doorbrengen. Terwijl ik afdaalde langs het pad, dat

zich langs den berg slingerde en het dal in al zijne bekoorlijkheid

aan mijne voeten lag, zal waarschijnlijk de vredige aanblik, dien ik

op dit oogenblik genoot, het sluimerende gevoel voor schoonheid en

vrede in mijne borst hebben doen ontwaken. Ik herinner mij ten minste

dat ik plotseling bleef stilstaan met eene gewaarwording, die mijne

smart minder drukkend, minder wanhopend maakte. Ik herinner mij zelfs

te hebben gevoeld hoe de hoop in mij ontwaakte, dat er nog eens eene

verandering ten goede in mij zou plaats vinden.

Toen ik het dal had bereikt, bescheen de zon de toppen der omringende

sneeuwbergen, die het insloten als eeuwigdurende wolken. Het kleine

dorpje, dat voor dien dag het einddoel was van mijn tocht, lag aan den

groenen voet van deze bergen en hoog boven den weligen plantengroei

strekten zich reusachtige pijnwouden uit, die als ondoordringbare

harnassen het dal tegen de afrollende sneeuwmassa's beschutten.

Daarboven ontwaarde ik lange rijen steile gletschers, grauwe rotsen,

breede ijsvlakten en groene weilanden, alles bekroond door de eeuwige

sneeuw. Tegen de berghellingen aan lagen hier en daar menschelijke

woningen, houten hutjes, doch alle bewoond en schijnbaar zoo klein

alsof daar een doos met kinderspeelgoed was opgezet. Deze indruk maakte

ook het dorpje met het houten bruggetje over de smalle rivier, die haar

weg zocht over de rotsblokken heen en onder de wortels der boomen door.

De stilte werd verbroken door het zingen der herders in de verte, maar

toen daar eene rozeroode wolk langs het midden van den berg dreef was

het mij een oogenblik of het gezang daaruit tot mij doordrong, of het

geen aardsche muziek was, die ik hoorde. De plechtige stilte om mij

heen, de grootschheid der natuur, de vredige kalmte aan mijne voeten,

alles te zamen deed zijn vertroostenden invloed op mij gelden, zoodat

ik plotseling mijn afgemat hoofd op het koele gras liet rusten en begon

te schreien, zoo hevig te schreien als ik na Dora's dood nog niet had

gedaan!

Eenige minuten te voren had ik een pakje brieven gevonden en was

daarmede naar buiten geloopen om ze in God's heerlijke natuur te

lezen terwijl mijn avondeten werd gereed gezet. In langen tijd had ik

niets ontvangen, want eenige brieven hadden mij niet meer bereikt.

Behalve eenige regels om te zeggen dat ik wèl was, en hier of daar

was aangekomen, had ik zelf niet geschreven; de moed had mij daartoe

ontbroken.

Het pakje was nu in mijn bezit; ik opende het en las het eerst den

brief van Agnes.

Zij voelde zich gelukkig en tevreden en was nuttig werkzaam; het ging

haar zoo voorspoedig als zij gehoopt had. Dat was alles wat zij van

zich zelve vertelde. Het overige betrof mij. Zij gaf mij geen raad en

hield mij geen plichten voor, alleen vertelde zij op hare eigenaardige,

hartelijke wijze hoe zij op mij vertrouwde. Zij wist—schreef zij,

dat een karakter als het mijne het goede zou zoeken in de smart. Zij

wist hoe de beproevingen en gemoedsaandoeningen het zouden louteren en

sterken. Zij was overtuigd dat het ondervonden leed mij in eene betere,

hoogere richting zou leiden. Zij, die zich zoo verheugd had in de door

mij behaalde lauweren, die zoo gehoopt had dat ze steeds grooter en

grooter zouden worden, zij wist wel dat ik mijne voornaamste troost

zou zoeken in den arbeid. De beproevingen, welke ik in mijne jeugd

had moeten doorstaan, hadden zonder twijfel medegewerkt om van mij te

maken wat ik geworden was; het veel grooter leed, dat mij thans had

getroffen, zou mij ongetwijfeld nog beter maken, evenals ik daardoor

geleerd had, zou ik weder anderen leeren. Zij beval mij aan in de hoede

van God, die mijn lieveling tot zich genomen had; zij zou steeds met

zusterlijke genegenheid naast mij staan en mij vergezellen waarheen ik

wilde, trotsch als zij was op hetgeen ik geworden was, nog trotscher op

hetgeen ik nog beloofde te worden.

Ik stak den brief in mijn borstzak en dacht na over hetgeen ik een

uur geleden nog was geweest! Toen het gezang langzaam wegstierf en de

rozeroode avondwolk al dunner en dunner werd, de kleuren in het dat

verflauwden en de gouden sneeuw op de toppen der bergen samensmolt

met de grijze lucht, voelde ik toch dat de nacht, die mijne ziel had

omhuld, langzaam wegtrok, dat de duisternis had opgehouden, dat ik

haar, die mij tot nu toe zoo lief was geweest, voortaan liever zou

hebben dan ooit. Ik las den brief vele, vele malen over en antwoordde

haar eer ik mij te rusten begaf. Ik vertelde haar dat ik hare hulp zoo

noodig had gehad, dat ik zonder haar niets was en nooit iets geweest

was; dat zij mij bezielde bij alles wat ik deed en dat ik al mijne

krachten zou inspannen om hare verwachtingen niet te beschamen. En

ik spande al mijne krachten in. Nog drie maanden en er zou een jaar

verloopen zijn sinds het begin van mijn leed. Voor deze drie maanden

om waren wilde ik geen plannen maken voor de toekomst; ik bleef dien

geheelen tijd wonen in het dal en in de nabijheid er van. Toen de drie

maanden voorbij waren, besloot ik nog eenigen tijd in Zwitserland

te blijven; het bekoorlijke dorpje was mij lief geworden omdat de

herinnering aan den omkeer in mijn gemoed er aan verbonden was. Ik

bleef dus en ging met ijver aan den arbeid.

Gehoorzaam volgde ik Agnes' raad en zocht troost in de Natuur en....

nooit vruchteloos en ik begon weder belangstelling te koesteren voor

de menschen om mij heen. Het duurde dan ook niet lang of ik had daar

evenveel vrienden als te Yarmouth en toen ik, voor de winter inviel,

naar Genève vertrok en tegen de lente terugkwam, klonk mij hunne

hartelijke begroeting in de ooren alsof ik was teruggekeerd in mijn

eigen huis, al werden ze niet in het Engelsch uitgesproken.

Ik arbeidde van den morgen tot den avond aan een roman, waarvan de

inhoud niet vreemd was aan mijn eigen ervaringen, en zond dien aan

Traddles. Hij bezorgde de uitgave op eene wijze, die voor mij zeer

voordeelig was, en de geruchten van mijne toenemende vermaardheid

bereikten mij door reizigers, die ik toevallig ontmoette. Na eenige

rust en ontspanning begon ik met dienzelfden ijver een nieuw denkbeeld

uit te werken en hoe meer ik vorderde hoe aangenamer mij deze taak

werd, zoodat ik al mijne krachten inspande om iets goeds tot stand te

brengen. Het was mijn derde roman, maar ik had dien nog niet half af,

toen de lust in mij wakker werd om naar huis terug te keeren.

Hoewel ik met ijver en geduld had voortgewerkt, had ik in den laatsten

tijd toch ook veel lichaamsbeweging genomen. Mijne gezondheid, die

voor ik Engeland verliet veel geleden had, was nu weder geheel zooals

in vroeger dagen. Ik had veel gezien, vele landen doorreisd en naar ik

hoop mijne kennis in een aantal opzichten vermeerderd.

Op ééne uitzondering na heb ik thans alles in deze bladzijden

opgeteekend wat ik van dit tijdperk noodig acht mede te deelen. Tot

dusver heb ik dat gedaan zonder in een enkel opzicht mijne gedachten

aan banden te leggen, want, zooals ik reeds elders schreef: dit

verhaal is uit mijn geheugen opgeschreven. Ik wil echter thans ook

deze uitzondering meedeelen. Ik kan niet zoo geheel doordringen in de

geheimen van mijn eigen hart om te weten wanneer voor het eerst de

gedachte in mij opkwam dat Agnes eigenlijk mijn eerste en eenige liefde

had behooren te zijn. Ik kan niet zeggen in welk tijdperk van mijn

bitter verdriet het mij voor het eerst duidelijk werd welk een schat

van liefde ik in mijne jongensjaren had weggeworpen. Ja, hare liefde

zou een onwaardeerbare schat voor mij geweest zijn en ik had dien

weggeworpen. Ik onderstel dat reeds eene geheimzinnige stem mij deze

gedachte heeft ingefluisterd, toen mij het ongelukkige gevoel bekroop

dat ik iets miste in mijn leven, dat er iets, waarvan ik gedroomd

had, niet verwezenlijkt was. Deze gedachte keerde later in mijne ziel

terug als een verwijt, later, toen ik zoo treurig en eenzaam was

achtergelaten in de wereld.

Ware ik in dien tijd veel met haar geweest, ik zou in mijn wanhoop

zwak genoeg geweest zijn om mij te verraden. De vrees daarvoor was ook

een van de redenen, die mij noopten eenigen tijd buiten Engeland te

vertoeven. Ik zou geen grein van hare zusterlijke genegenheid hebben

willen verliezen en had ik mij verraden, dan zou ik zonder twijfel een

hinderpaal tusschen ons hebben opgeworpen. Ik kon niet vergeten dat de

verhouding, welke thans tusschen ons bestond, het gevolg was van mijn

eigen vrije keuze. Had zij mij ooit op andere wijze liefgehad—somtijds

meende ik dat er een tijd geweest is wanneer dat het geval was—dan

had ik hare liefde weggeworpen. Het baatte nu niet meer, dat ik mij

gewend had aan haar te denken zooals ik deed toen wij beiden nog

kinderen waren, als aan iemand, die ver boven mij verheven was. Ik

had mijne hartstochtelijke liefde aan een ander gegeven en wat Agnes

nu voor mij was, had haar eigen edele hart haar gemaakt. In het begin

van de verandering, die langzamerhand in mij plaats greep, toen ik

mijn best deed om mij zelven beter te leeren begrijpen en een beter

mensch te worden, zag ik door een onbepaalden proeftijd heen naar een

tijdperk, waarin het mij wellicht gegeven zou zijn het verleden uit

te wisschen en het geluk te hebben haar toch nog tot mijne vrouw te

maken. Toen de tijd voorbijging, verdween deze hoop allengs. Indien

zij mij ooit had bemind, moest zij in mijne oogen bijna een heilige

zijn, als ik mij herinnerde hoeveel vertrouwen ik in haar gesteld

had, hoe zij bekend was geweest met de afdwalingen van mijn hart,

hoeveel het haar gekost moest hebben om eene vriendin en zuster voor

mij te blijven, en hoe zij de overwinning behaald had. En indien zij

mij nooit had bemind, zou zij mij dan thans kunnen liefhebben? Ik had

mij altijd zwak gevoeld tegenover hare flinkheid en standvastigheid

en thans voelde ik mij zwakker dan ooit. Wat ik ook voor haar geweest

mocht zijn of zij voor mij, indien ik haar jaren geleden meer waardig

mocht zijn geweest, thans was ik dat niet meer. Ik had den tijd laten

voorbijgaan en verdiende haar voor eeuwig te hebben verloren. Dat ik

in deze omstandigheden leed, dat ze mij vervulden met berouw en spijt

en ik mij toch volkomen bewust was van den eisch, dien eer en plicht

mij stelden, om het denkbeeld te verbannen dat ik mij thans, nu mijne

idealen vervlogen waren, tot het lieve meisje zou wenden, terwijl ik

haar eigenlijk verloochend had toen het leven nog schitterend voor

mij lag—is zoo waar als ik het op dit oogenblik neerschrijf. Deze

beschouwing lag aan elke gedachte, die ik haar wijdde, ten grondslag.

Ik deed geen moeite om voor mij zelven te verbergen dat ik haar

liefhad, dat ik haar aanbad; maar ik dwong mij zelven te gelooven

dat het thans te laat was, dat de verhouding, waarin wij zoo lang

tot elkander hadden gestaan, thans moest blijven zooals ze was. Ik

trachtte in hetgeen had kunnen zijn een middel te vinden om tot wat

meer zelfverloochening en standvastigheid te komen, mij zelven en mijne

dwalingen en gebreken beter te leeren kennen. Door te peinzen, over

hetgeen had kunnen zijn, kwam ik tot de overtuiging dat het nooit meer

zijn kon.

Zoo was in de drie jaren, welke tusschen mijn vertrek en mijne

terugkomst verliepen, mijne ziel vol tegenstrijdigheden; ik raakte in

mijn eigen denkbeelden verward. Drie jaren waren voorbijgegaan sinds

het landverhuizersschip vertrok, toen ik op hetzelfde uur, bij het

ondergaan der zon, op dezelfde plaats, op het dek van de pakketboot

stond, die mij huiswaarts bracht, turende op dezelfde rood gekleurde

golven, waarin ik het beeld van het schip had zien weerkaatsen.

Drie jaren! Een lange tijd, die toch zoo snel was voorbijgegaan! Ik

verlangde naar mijn vaderland en naar Agnes, maar zij was niet de mijne

en zou nimmer de mijne zijn... zij had het kunnen wezen, maar die tijd

was voorbij!

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 72 / 79 题