De landverhuizers.
Alvorens ik mij geheel kon overgeven aan den schok, dien al deze
aandoeningen hadden teweeggebracht, bleef mij nog meer te doen over. Ik
moest zorg dragen, dat het gebeurde geheim bleef voor hen, die op het
punt waren om te vertrekken en hen gedurende de reis in eene gelukkige
onwetendheid laten. Er was geen tijd te verliezen. Ik zocht daarom
dienzelfden avond nog mijnheer Micawber op, deelde hem den stand van
zaken mede en droeg hem op zich tusschen baas Peggotty en het bericht
van het noodlottige ongeluk te plaatsen. Vol ijver nam hij deze taak op
zich en beloofde mij alle nieuwsbladen te zullen onderscheppen.
„Mocht het tot hem doordringen,” zei hij met een slag op zijn borst,
„dan moet het eerst door dit lichaam!”
Ik moet hier vermelden, dat mijnheer Micawber, ten einde zich vast
aan zijn nieuwen maatschappelijken werkkring te gewennen, een soort
zeerooversgezicht had leeren zetten, niet bepaald barbaarsch, maar
vastberaden en vermetel, alsof hij voortdurend op tegenweer bedacht
was. Men zou hem hebben aangezien voor een kind der wildernis, gewoon
om buiten alle beschaving te leven en op het punt om naar zijne
geboorteland terug te keeren.
Onder meer had hij zich een volledig pak van geolied doek aangeschaft
met een stroohoed met lagen bol, die van binnen met pik of teer was
bestreken. In deze grove kleeding en met een gewonen scheepskijker
onder den arm terwijl hij zich reeds had aangewend om met één oog
naar de lucht te kijken alsof hij ruw weer verwachtte, maakte hij op
zijn manier veel meer den indruk van een zeeman dan baas Peggotty.
Zijne geheele familie was om zoo te zeggen gereed om onmiddellijk
aan den slag te gaan. Zoo vond ik mevrouw Micawber, voorzien van een
nauwsluitenden, ijzersterken hoed, die onder de kin was vastgemaakt,
en gewikkeld in een doek, waarin zij als een baal goed kon worden
opgetild,—evenals tante mij had opgetild toen ik voor het eerst bij
haar kwam—en die op den rug met een grooten knoop was vastgemaakt.
Mejuffrouw Micawber was op gelijke wijze tegen het ruwe weder
beveiligd, zonder iets aan zich te hebben, dat overtollig genoemd
kon worden. Jongeheer Micawber was nauwelijks terug te vinden in het
ruigste zeemanspak, dat ik ooit gezien heb, en de kinderen waren zoo
ingepakt, dat ze zeer veel overeenkomst hadden met in luchtdichte
bussen bewaarde eetwaren. Zoowel mijnheer Micawber als zijn oudste zoon
hadden de mouwen met een zekeren zwier opgeslagen, alsof zij gereed
waren om overal waar het te pas kwam een handje te helpen of met een
„Haal op die hei!” mede te doen.
Zoo vonden Traddles en ik de familie tegen het vallen van den avond
verzameld op de houten trap, toenmaals bekend onder den naam Hungerford
Stairs, wachtende op het vertrek van eene boot, waarop een gedeelte
hunner goederen geladen was. Ik had Traddles verteld wat ik in de
laatste vier-en-twintig uren had beleefd en hij was er diep door
getroffen; wij waren het echter eens dat geheimhouding geboden was
en hij beloofde mij daarbij te zullen helpen. Hier ontving ik ook de
belofte van mijnheer Micawber te dien opzichte.
De familie was gelogeerd in een klein, onaanzienlijk herbergje, dat
toenmaals bij die trap stond en waarvan de bovenkamers als het ware
over de rivier hingen. Aangezien zij landverhuizers waren, ondervonden
zij in den omtrek van Hungerford Stairs niet weinig belangstelling en
trokken ook wij zoo de aandacht, dat wij blijde waren in hunne kamer de
wijk te kunnen nemen. Zij hadden een dier overhangende kamers boven de
rivier betrokken en tante was daar met Agnes bezig eenige kleederen te
herstellen voor de kinderen. Peggotty was daarbij tegenwoordig met het
oude, onvergetelijke naaikistje, het ellemaatje en het stukje waskaars
bij zich.
Het was geen gemakkelijke taak haar op alle vragen te antwoorden en
baas Peggotty, die door mijnheer Micawber werd binnengebracht, in te
fluisteren dat ik den brief overhandigd had en dat alles in orde was.
Ik deed het echter en verschafte beiden een gelukkig uur. Had ik eenig
blijk gegeven van hetgeen in mij omging, dan zou mijn eigen verdriet
daarvan de verantwoording hebben gedragen.
„En wanneer zeilt het schip uit, mijnheer Micawber?” vroeg tante.
Mijnheer Micawber achtte het noodig tante en zijne vrouw trapsgewijze
voor te bereiden tot de scheiding en antwoordde: „Eerder dan ik
gisteren gedacht had.”
„De boot bracht u zeker tijding?” vroeg tante.
„Juist, mevrouw.”
„En welke? Wanneer zeilt gij uit?”
„Mevrouw,” antwoordde hij, „wij moeten morgen ochtend voor zeven uur
aan boord zijn.”
„Sapperloot, dat is vroeg!” riep tante. „Is dat met het oog op het
weer of de zee noodzakelijk, mijnheer Peggotty?”
„Ja, mevrouw,” antwoordde baas Peggotty, die door tante altijd
„mijnheer” genoemd werd. „Zij zullen de rivier willen afzakken met de
eb. Als jongeheer Davy en mijne zuster morgenavond te Gravesend willen
komen, kunnen zij ons voor het laatst de hand drukken.”
„Dat zullen wij zeker doen,” antwoordde ik.
„Tot op dat oogenblik en tot wij op zee zijn,” merkte mijnheer Micawber
op, terwijl hij mij een blik van verstandhouding toewierp, „zullen
mijnheer Peggotty en ik een wakend oog houden op de bagage. Emma,
liefste,” vervolgde hij op zijn eigenaardig deftige wijze zijn keel
schrapende, „mijn vriend, Mr. Thomas Traddles is wel zoo goed mij in
het oor te fluisteren, dat hij het voorrecht wil hebben de ingrediënten
te verschaffen, benoodigd voor het bereiden van de kostelijke drank,
die zulke aangename herinneringen opwekt aan den goeden ouden tijd.
Kortom, ik bedoel—punch. Onder andere omstandigheden zou ik niet weten
of mevrouw Trotwood en juffrouw Wickfield en....”
„Ik zal gaarne op uw geluk en uw voorspoed drinken, mijnheer Micawber,”
zei tante, „zeer gaarne zelfs.”
„En ik ook!” riep Agnes met een bekoorlijken glimlach.
Mijnheer Micawber daalde terstond de trap af naar de gelagkamer,
waar hij geheel thuis scheen te zijn; in een ommezien was hij met
een dampenden ketel water terug. Ik moest wel opmerken, dat hij de
citroenen schilde met zijn eigen zakmes, ongeveer een voet lang, zooals
bij een rechtgeaard landverhuizer past; niet zonder eenig vertoon
veegde hij het aan de mouw van zijne jas af. Ik zag nu ook, dat mevrouw
Micawber en de beide oudste kinderen eveneens van dergelijke geduchte
wapens voorzien waren, terwijl de andere kinderen elk een houten lepel
met een koord om hun middel hadden gebonden. Zonder twijfel had ook
het vooruitzicht op het ongeregelde leven aan boord en in de wildernis
mijnheer Micawber aanleiding gegeven, om zijn vrouw en zijn beiden
oudsten kinderen de punch niet in wijnglazen—hetgeen hij gemakkelijk
had kunnen doen omdat er eene kast vol in de kamer stond—maar in ruwe
tinnen kroezen toe te dienen en nooit zag ik hem met meer smaak zijn
punch drinken dan ditmaal uit zijn eigen kroes, dien hij na afloop in
zijn zak stak.
„Wij hebben afscheid genomen van alle weelde in het moederland,” zei
mijnheer Micawber met innige zelfvoldoening. „Woudbewoners kunnen geen
aanspraak meer maken op de geriefelijkheden van een beschaafd land.”
Op dit oogenblik kwam een jongen melden, dat mijnheer Micawber verzocht
werd even beneden te komen.
„Ik heb een voorgevoel,” zei mevrouw Micawber, terwijl zij haar kroes
op tafel zette, „dat het een lid van mijne familie is.”
„Indien dat zoo is, lieve,” antwoordde mijnheer Micawber op den
driftigen toon, dien hij gewoonlijk aannam, wanneer de familie zijner
vrouw ter sprake kwam, „indien eenig lid van uwe familie—wie het
ook zij—beneden is, kan hij of zij even goed wachten tot het mij
gelegen komt, als zij _ons_ altijd hebben laten wachten op hunne
belangstelling.”
„Micawber,” sprak zijne vrouw op fluisterenden toon, „op een tijdstip
als dit...”
„Moet men kleine beleedigingen vergeten,” voegde mijnheer Micawber er
opstaande bij, „Emma, gij hebt gelijk.”
„Het verlies, Micawber,” hernam zijne vrouw, „is aan de zijde van mijne
familie geweest, niet aan de onze. Indien mijne familie eindelijk
begint te gevoelen tot welk gemis haar eigen gedrag heeft geleid, en nu
ons de broederhand wil reiken, mogen wij die niet terugwijzen!”
„Zoo zij het, lieve,” antwoordde hij.
„Al is het niet om hunnentwil, Micawber, dan om den mijne,” sprak zijne
vrouw.
„Emma,” hernam hij, „uit dat oogpunt beschouwd moet ik zwichten. Ik
kan zelfs op dit oogenblik uwe familie niet om den hals vallen, maar
het lid, dat nu staat te wachten, zal de warme vriendschap, die hem
hierheen heeft gedreven, door mijne schuld niet voelen bevriezen.”
Mijnheer Micawber vertrok en bleef zoo lang weg, dat mevrouw Micawber
niet geheel de vrees kon onderdrukken, dat hij met het gewaande
familielid in eene scherpe woordenwisseling getreden was. Eindelijk
verscheen dezelfde jongen nogmaals en bood mij een met potlood
geschreven briefje aan, dat tot hoofd voerde: „Heep contra Micawber.”
Uit dit schrijven vernam ik dat mijnheer Micawber opnieuw gegijseld
en volslagen wanhopend was; hij verzocht mij hem door middel van den
brenger van het briefje zijn mes en zijn kroes te zenden, omdat deze
voorwerpen hem gedurende den korten tijd van zijn bestaan wellicht in
de gevangenis nog nuttig zouden kunnen zijn.
Hij verzocht verder hem den laatsten vriendschapsdienst te bewijzen
door zijne familie eene plaats in het werkhuis te bezorgen en dan te
vergeten dat er ooit iemand bestaan had, die Micawber heette.
Natuurlijk beantwoordde ik dit schrijven door met den jongen naar
beneden te gaan, waar ik mijnheer Micawber in een hoek vond zitten,
terwijl hij den deurwaarder met woedende blikken aanstaarde. Toen ik
voor hem betaald had en hij weder vrij was, omhelsde hij mij met vuur
en teekende daarop deze nieuwe schuld in zijn zakboekje aan, waarbij
hij—ik herinner mij dat zeer goed—aanmerking maakte op een halven
stuiver, dien ik verwaarloosd had bij de optelling van het totaal.
Dit gewichtige opschrijfboekje herinnerde hem nog te juister tijd aan
eene andere zaak. Terwijl wij naar de bovenkamer terugkeerden,—waar
hij zijne afwezigheid verontschuldigde door te zeggen dat hij
opgehouden was door omstandigheden buiten zijn wil—haalde hij er een
groot vel papier uit te voorschijn, dat in de lengte opgevouwen en
geheel bedekt was met zorgvuldig uitgewerkte berekeningen. Ik keek er
even in en moet zeggen dat ik berekeningen met zulke groote getallen
nooit gezien heb dan in schoolschriften. Het waren berekeningen van
interest op interest van de geheele verschuldigde som gedurende twee
jaar en vijftien maanden; terwijl de aflossingen zuiver in rekening
waren gebracht. Hij had hiervan een keurig notatje opgemaakt, dat hij
Traddles met een buiging overhandigde tot volledige kwijting van de
geheele schuld—als tusschen man en man.
„Ik heb een voorgevoel,” zei mevrouw Micawber, „dat mijne familie aan
boord zal komen, eer wij voor goed Engeland verlaten.”
Waarschijnlijk had mijnheer Micawber dit voorgevoel ook, maar hij deed
het in zijn tinnen kroes en verzwolg het met de punch.
„Indien gij in de gelegenheid zijt om iets van u te laten hooren,
mevrouw Micawber,” zei tante, „moet gij die niet laten voorbijgaan,
hoor.”
„Lieve mevrouw Trotwood,” antwoordde zij, „ik zal mij reeds gelukkig
voelen, indien ik weet dat er iemand is, die gaarne iets van ons hooren
wil. Ik zal dus zeker schrijven. Ik vertrouw dat mijnheer Copperfield,
onze oude, vertrouwde vriend, nu en dan wel eens bericht van ons zal
willen ontvangen; wij kennen hem immers al van het oogenblik af, dat
onze tweelingen pas geboren waren!”
Ik antwoordde dat ik dikwijls iets van haar hoopte te hooren en dan
niets dan goeds.
„De Hemel geve dat daartoe meermalen gelegenheid zij!” viel mijnheer
Micawber in. „De oceaan is in den tegenwoordigen tijd te vergelijken
met een haven vol schepen; wij zullen er dus op onzen overtocht menige
passeeren. Het is maar een overstapje,” vervolgde hij, met zijn lorgnet
spelende, „maar een overstapje. Het mag geen afstand heeten.”
Ik denk nu dikwijls hoe dwaas het toch was, dat mijnheer Micawber, als
hij van Londen naar Canterbury moest, deed alsof hij naar het uiterste
einde van de aarde ging, terwijl hij nu over zijne reis naar Australië
sprak als over een tochtje naar Calais.
„Indien de gelegenheid zich voordoet,” hernam mijnheer Micawber,
„zal ik op reis nog wel eens de eene of andere geschiedenis kunnen
vertellen; en de stem van mijn zoon Wilkins zal aan het kombuis-vuur
zeker welkom zijn. Als mevrouw Micawber niet zeeziek is zal zij
ongetwijfeld wel eens Little Tafflin voor hen willen zingen en het sein
geven tot een dansje. Zwaardvisschen en dolfijnen zullen zich, naar
ik onderstel, meermalen voor de boeg laten zien; zoowel aan bakboord
als aan stuurboord zullen zich zonder twijfel zooveel merkwaardigheden
opdoen dat de overtocht mij een droom zal lijken op het oogenblik dat
de matroos in de mastkorf „Land” roept.”
Hij had dit alles met zijn gewonen zwier uitgesproken en dronk nu zijn
kroes ledig alsof hij reeds aan het einde van zijne reis was en een
eerste klasse-examen had afgelegd in de zeevaartkunde voor de hoogste
autoriteiten.
„Wat ik vooral hoop, mijn waarde Copperfield,” zei mevrouw Micawber,
„is dat sommige takken onzer familie in het moederland zullen herleven.
Frons uwe wenkbrauwen niet, Micawber! Ik heb nu niet het oog op mijn
eigen familie, maar op onze kindskinderen. Hoe krachtig de jonge
boom ook is,” vervolgde zij hoofdschuddend, „ik kan den stamboom
niet vergeten; mocht onze stam nog eens tot aanzien en rijkdom komen
dan hoop ik dat die rijkdommen zullen vloeien in de schatkist van
Groot-Brittannië!”
„Lieve,” zei mijnheer Micawber, „Groot-Brittannië moet zelf maar zien
hoe zij er komen zal. Ik voel mij verplicht te zeggen dat het nooit
veel voor mij gedaan heeft en dat ik op dat punt geen bijzondere
wenschen heb.”
„Micawber,” antwoordde zijne vrouw, „nu hebt gij ongelijk. Gij
gaat niet naar dat verre land om de betrekkingen met Oud-Albion te
verzwakken, maar om de banden nauwer aan te halen.”
„Ik kan niet zeggen,” hernam mijnheer Micawber, „dat die betrekkingen
mij dankbaar genoeg gestemd hebben om te wenschen nieuwe aan te
knoopen.”
„Micawber, nu hebt gij nogmaals ongelijk, gij kent uw eigen kracht
niet, Micawber. Juist uwe kracht zal door den stap, dien gij op het
punt zijt te doen, de betrekkingen tusschen u en Albion versterken.”
Mijnheer Micawber bleef met hoog opgetrokken wenkbrauwen in zijn
armstoel zitten, de inzichten van zijne vrouw half deelende, half
terugwijzende, maar toch zeer gevoelig voor hare goede meening omtrent
hem.
„Beste Copperfield,” hernam mevrouw Micawber, „ik zou zoo gaarne willen
dat mijnheer Micawber zijne positie beter voelde. Het komt mij voor dat
mijnheer Micawber van den dag der inscheping af zijne positie beter
moet gaan voelen. Gij, die ons al zoo lang kent, beste Copperfield,
zult wel weten dat ik niet zoo optimistisch ben als mijnheer Micawber.
Ik ben meer practisch van aard, als ik dat zoo maar eens zeggen mag. Ik
weet dat wij eene langdurige reis voor ons hebben en dat ons tallooze
ontberingen en ongemakken voor de deur staan. Ik kan mijn oogen niet
sluiten voor de feiten. Maar ik weet ook wie mijnheer Micawber is; ik
weet ook hoeveel wilskracht mijnheer Micawber bezit en ik acht het
daarom van het hoogste belang, dat mijnheer Micawber van het begin af
zijne positie zal voelen.”
„Lieve,” viel hij in, „gij zult mij wellicht willen toestaan de
opmerking te maken dat ik mogelijk mijne positie op dit oogenblik reeds
zeer goed voel.”
„Ik kan het niet gelooven,” hernam zij. „Niet geheel. Beste
Copperfield, mijnheer Micawber verkeert niet in een gewoon geval.
Mijnheer Micawber vertrekt naar een vreemd land om wellicht voor de
eerste maal op zijne volle waarde geschat te worden. Ik wensch dat
mijnheer Micawber zich plaatsen zal op den voorsteven van het schip en
uitroepen: „Dit land kom ik veroveren! Hebt gij roem en eer? Hebt gij
rijkdom? Hebt gij voordeelige betrekkingen? Breng ze dan hier! Ze zijn
mijn!””
Mijnheer Micawber glimlachte tegen ons en scheen te meenen dat dit
denkbeeld nog zoo heel dwaas niet was.
„Ik wensch dat mijnheer Micawber—wellicht drukte ik mij niet duidelijk
genoeg uit—,” vervolgde zij met den grootsten ernst, „de veroveraar
worden zal van zijn eigen fortuin. Dat, beste Copperfield, schijnt
mij de eenige ware opvatting toe van zijne positie. Van het eerste
oogenblik af wensch ik dat mijnheer Micawber op den voorsteven zal
staan en zeggen: „Genoeg gedraald! Genoeg teleurstellingen! Genoeg
armoede! Hier is een nieuw land! Breng mij vergoeding! Leg uwe schatten
aan mijne voeten!””
Mijnheer Micawber sloeg de armen zoo vastberaden over elkander alsof
hij reeds op den voorsteven stond.
„En indien hij dat doet,” hernam mevrouw Micawber, „indien hij zijne
positie begrijpt, zal mijnheer Micawber dan de banden, die hem aan
Brittannië verbinden, niet nauwer toehalen? Indien hij op dat andere
halfrond een voornaam persoon in het openbare leven wordt, zal zijn
invloed dan niet in zijn geboorteland worden gevoeld? Hoe zou ik zoo
dom kunnen zijn om mij te verbeelden dat indien mijnheer Micawber in
Australië tot macht en aanzien komt, men in Engeland daarvan niets zou
ondervinden? Ik ben maar eene vrouw maar ik zou mij zelve en mijn papa
onwaardig zijn, indien ik zoo dom was.”
Mevrouw Micawber's overtuiging dat hetgeen zij beweerde onwederlegbaar
was gaf aan haar toon eene verheffing, die ik daarin nog nooit in zulk
eene mate had bespeurd.
„En daarom wensch ik ook,” ging zij voort, „dat wij onze laatste
levensdagen op Engeland's grond mogen slijten. Mijnheer Micawber
kan—ik kan de waarschijnlijkheid zelfs niet ontveinzen dat mijnheer
Micawber _zal_—een blad geschiedenis worden; hij behoort zich dan te
vertoonen in het land, dat hem het aanzijn gaf, doch zijne talenten
verwaarloosde!”
„Lieve,” merkte mijnheer Micawber hierop aan, „het is niet mogelijk mij
niet getroffen te voelen door uwe liefde. Ik wil mij altijd gaarne
neerleggen bij uwe verstandige inzichten. Wat geschieden moet—zal
geschieden. De Hemel verhoede dat ik mijn geboortegrond iets zou
onthouden van de schatten, die wellicht door onze afstammelingen zullen
worden verzameld!”
„Goed gezegd!” riep tante, terwijl zij baas Peggotty een wenk gaf, „ik
drink op ons aller vriendschap en wensch u toe, dat zegen en voorspoed
in uw nieuwe vaderland uw deel mogen zijn.”
Baas Peggotty zette de kinderen, die op zijne knieën zaten, op den
grond, ten einde met mijnheer en mevrouw Micawber en met ons allen
aan te stooten en toen hij en de Micawbers elkander hartelijk de hand
schudden en zijn gelaat door een glimlach werd verhelderd, voelde ik
dat hij zijn weg zou vinden en overal een goeden naam achterlaten en
bemind zou worden.
De kinderen mochten hunne houten lepels in den kroes van mijnheer
Micawber steken en mede drinken op aller welzijn. Toen dit gebeurd was
stonden tante en Agnes op en namen afscheid van de landverhuizers.
Allen waren zeer aangedaan, er werd geschreid en de kinderen hielden
Agnes aan den mantel vast; wij lieten de arme mevrouw Micawber in eene
zeer bedroefde stemming achter; zij snikte en schreide bij een flauw
brandende kaars, die de kamer, van de rivier gezien, een treurigen
indruk deed maken.
Den volgenden morgen ging ik mij overtuigen dat zij weg waren. Zij
waren te vijf uren met een bootje vertrokken. Hoewel ik hen slechts den
vorigen avond in dat bovenkamertje gekend had, wekte dit, nu het zoo
eenzaam en verlaten was, toch een gevoel van ledigheid bij mij op.
Den avond van den volgenden dag begaf ik mij met mijne oude Peggotty
naar Gravesend. Wij vonden het schip op de rivier, omringd door een
onnoemelijk aantal schuitjes; er woei een gunstige wind en het sein
van vertrek wapperde aan den grooten naast. Ik huurde een bootje en
wij voeren er heen tusschen het gewoel door, waarvan het schip het
middelpunt uitmaakte, en gingen aan boord.
Baas Peggotty wachtte ons op het dek en vertelde mij dat
mijnheer Micawber een oogenblik te voren nogmaals—nu voor het
laatst—gearresteerd was op eene vordering van Heep. Ingevolge mijne
opdracht had baas Peggotty de verschuldigde som voor hem betaald en ik
gaf hem dien terug. Hij nam ons toen mede tusschendeks en daar verdween
al mijn opgekomen vrees, dat er iets van hetgeen was voorgevallen op
het strand te Yarmouth tot hem zou zijn doorgedrongen, want mijnheer
Micawber nam mij terstond onder den arm en vertelde mij dat zij sinds
den vorigen avond onafgebroken bij elkander waren geweest. Het was
daar zoo donker en zoo vreemd dat ik in het eerste oogenblik niets kon
onderscheiden; langzamerhand echter, toen mijne oogen aan de duisternis
gewend begonnen te raken, kreeg ik een gevoel alsof ik in het midden
van eene schilderij van Ostade geplaatst was. Tusschen de groote
breede planken, balken en schoren, de vele vaten en kisten, pakken en
valiezen van de landverhuizers zag men de kooien, waarin deze sliepen,
hier en daar door een slingerende lantaarn verlicht, elders door het
gele daglicht, dat door een openstaand luik heimelijk binnen keek;
overal dicht opeen gedrongen groepen menschen, die vriendschap sloten
of afscheid namen van elkander, praatten, schreiden, aten en dronken;
sommigen hadden reeds bezit genomen van hunne weinige voetenruimte
en het zich daar zoo behagelijk gemaakt als het kon met hunne
familie, terwijl de kleinste kinderen op stoeltjes of bankjes waren
vastgebonden; anderen, die wanhoopten of zij wel ooit eene behoorlijke
rustplaats zouden vinden en met een neerslachtig gelaat rondwandelden.
Men zag daar menschelijke wezens van allerlei leeftijd, van wichtjes,
die nog nauwelijks drie weken oud waren, tot oude mannen en vrouwen,
die schijnbaar nog evenveel weken te leven hadden; van landbouwers die
werkelijk een stukje van Engeland's grond aan hunne laarzen meedroegen,
tot smeden, wien het Engelsche roet en de Engelsche smook nog op het
gelaat kleefden, alle leeftijden en beroepen schenen in de nauwe ruimte
tusschendeks te zijn saamgekomen.
Toen ik rondkeek meende ik bij een geopend luik eene gestalte te zien
zitten, die mij aan Emily deed denken; een van mijnheer Micawber's
kinderen zat bij haar. Zij trok mijne aandacht het eerst toen ik eene
andere gestalte met een kus afscheid van haar zag nemen, eene gestalte,
die mij aan.... Agnes herinnerde. De snel afwisselende indrukken, de
verwarring, die er heerschte, mijn eigen ongeregelde gedachtengang,
alles te zamen was oorzaak dat ik haar terstond weder uit het oog
verloor; ik wist alleen dat het tijdstip naderde waarop alle bezoekers
gewaarschuwd zouden worden om het schip te verlaten, dat Peggotty
naast mij stond te schreien en dat juffrouw Gummidge, bijgestaan door
eene jongere vrouw in het zwart, bezig was baas Peggotty's bagage te
rangschikken.
„Hebben wij elkaar nog iets te zeggen, mijnheer Davy?” vroeg baas
Peggotty. „Is er ook nog iets vergeten?”
„Nog iets, ja,” antwoordde ik. „Martha.”
Hij klopte de vrouw in het zwart op den schouder en daar stond Martha
voor mij.
„De hemel zegen' u, brave kerel!” riep ik uit. „Neemt gij haar met u
mede?”
Zij antwoordde in zijne plaats met een vloed van tranen. Ik kon op dit
oogenblik niet meer spreken, maar ik drukte hem de hand; indien ik ooit
een man heb liefgehad en geacht, dan was het de brave baas Peggotty op
dit oogenblik!
De bezoekers moesten het schip verlaten; de zwaarste taak wachtte
mij nog. Ik vertelde hem wat de edele ziel, die was heengegaan, mij
opgedragen had bij het afscheid te zeggen. Hij was er diep door
bewogen; maar toen hij mij allerlei voor die doove ooren opdroeg, dat
getuigde van zijne innige genegenheid en liefde, toen werd het mij bang
te moede.
De tijd was daar, ik omhelsde hem, nam mijne schreiende Peggotty onder
den arm en snelde haastig weg. Op het dek nam ik afscheid van de arme
mevrouw Micawber. Zij keek voortdurend uit naar hare familie, doch te
vergeefs; haar laatste woorden tot mij waren dat zij mijnheer Micawber
nimmer ..... nimmer zou verlaten.
Wij stapten in onze boot en bleven op eenigen afstand liggen om het
schip te zien vertrekken. Het was toen kalm weer en de zon scheen
helder en warm. Het schip lag tusschen ons en het roode licht
in, zoodat alle lijnen scherp tegen den gloed op den achtergrond
afstaken. Nooit zag ik een schouwspel, dat tegelijk zoo schoon,
zoo droevig en zoo opwekkend was als dit fraaie schip, daar stil
liggende op de kabbelende golven, terwijl allen, die aan boord waren,
naar de verschansing drongen en daar gedurende eenige oogenblikken
blootshoofds en zwijgend staan bleven.
Zwijgend, doch slechts een oogenblik. Toen de zeilen zich ontplooiden
en er beweging kwam in het schip, brak van alle booten een driewerf
hoera los, dat aan boord werd overgenomen en beantwoord en nogmaals en
nogmaals van weerszijden werd herhaald. Mijn hart was tot berstens toe
vol, toen ik die kreten hoorde en met hoeden en zakdoeken zag zwaaien
en.... toen zag ik _haar_ ook. Ik zag haar naast haar oom met de hand
op zijn schouder. Hij wees _haar_ ons bootje en toen zag zij ons ook en
wuifde mij haar laatst vaarwel toe.
Ja, Emily, mooie kwijnende Emily, schenk hem al het vertrouwen dat uw
gewond hart schenken kan, want hij heeft u al zijne liefde geschonken
en op u vertrouwd met zijn gansche hart.
Statig dreven zij voort, door het rozeroode zonlicht beschenen, van
de anderen een weinig afgezonderd, zij steunend op hem en hij met den
arm om haar heengeslagen. Toen wij aan wal kwamen was de zon achter de
Kentsche heuvelen ondergegaan en zoowel op de aarde als in mijn hart
was het duister.