LIX.

Terugkomst.

Ik kwam op een kouden herfstavond in Londen aan. Het was duister en

regenachtig, zoodat ik in eene minuut meer mist en modder zag dan ik

daar ginds in een geheel jaar gezien had. Ik wandelde een eind op eer

ik een „cab” vond en hoewel de gevels der huizen met de overloopende

dakgoten oude bekenden van mij waren, kon ik toch niet ontkennen dat ze

bijzonder vuile bekenden waren.

Ik had meermalen opgemerkt—ik onderstel dat menigeen dezelfde

opmerking gemaakt heeft—dat het somtijds schijnt, alsof iemands

vertrek uit eene hem welbekende plaats het sein moest wezen voor

allerlei veranderingen. Toen ik nu uit het portierraampje keek en

opmerkte dat een oud huis in Fish-street Hill, waaraan in de laatste

eeuw timmerman noch schilder eene hand hadden uitgestoken, gedurende

mijne afwezigheid omvergehaald en dat eene naburige straat, waarin

onreinheid en ongezondheid haar tempel hadden opgeslagen, verbreed en

van een riooleering voorzien was, verwachtte ik zelfs de St. Pauluskerk

verouderd te vinden.

Op enkele veranderingen in de omstandigheden van mijn vrienden was ik

voorbereid. Tante woonde reeds langen tijd weder te Dover en Traddles

had kort na mijn vertrek wat praktijk gekregen als advocaat. Hij

woonde nu op kamers in Gray's Inn en had mij in zijn laatsten brief

meegedeeld, dat hij nu begon te hopen binnen een niet al te langen tijd

vereenigd te worden met het liefste meisje van de wereld.

Zij verwachtten mij vóór Kerstmis terug, maar zoo spoedig als ik thans

onder hunne oogen kwam niet. Ik had hen opzettelijk misleid ten einde

het genoegen van eene verrassing te smaken. En thans was ik onredelijk

genoeg om eenige teleurstelling te voelen toen ik niet verwelkomd werd

en daar eenzaam en zwijgend door de mistige straten reed.

De welbekende winkels met hunne vroolijke lichtjes maakten echter veel

goed en toen ik bij het Gray's Inn koffiehuis uitstapte verkeerde ik

in eene opgeruimde stemming. Ik werd op dit oogenblik herinnerd aan

den tijd, toen ik zoo menigmaal aan het logement Het Gouden Kruis was

afgestapt en aan de veranderingen, welke sinds dien tijd hadden plaats

gegrepen, maar dat was natuurlijk.

„Weet gij ook waar Mr. Traddles woont in de Inn?” vroeg ik aan den

kellner, terwijl ik mij bij den haard in de koffiekamer stond te warmen.

„Holborn Court, mijnheer, No. 2.”

„Bedrieg ik mij niet dan begint Mr. Traddles naam te maken aan de

rechtbank?” vroeg ik weder.

„Waarschijnlijk wel, mijnheer,” antwoordde de kellner, „maar ik kan het

u niet zeggen.”

Deze kellner was een magere man van middelbaren, leeftijd en riep de

hulp in van een deftiger collega, een zwaarlijvige bejaarde man met

een onderkin, zwarte, korte broek en kousen, die uit een hokje te

voorschijn kwam, dat op een kostersbankje leek, aan het eind van de

koffiekamer, waar hij het beheer voerde over de kas, het adresboek,

een lijst van de leden van het Parlement en eenige andere boeken en

papieren.

„Mr. Traddles,” herhaalde de magere, „is immers Holborn Court, No. 2?”

De zwaarlijvige gaf hem een wenk om heen te gaan en wendde zich met

eenige deftigheid tot mij.

„Ik vroeg,” herhaalde ik, „of Mr. Traddles niet reeds een goeden naam

heeft onder de advocaten in Holborn Court?”

„Ik heb zijn naam nooit gehoord,” antwoordde de man met zijne heesche

stem.

Ik werd een weinig verlegen ter wille van Traddles.

„Hij is zeker nog jong?” vroeg de zwaarlijvige, terwijl hij mij met een

strengen blik opnam. „Hoe lang woont hij reeds in de Inn?”

„Nog geen drie jaar,” antwoordde ik.

De man, die zonder twijfel langer dan veertig jaren in zijn

kostersbankje had gezeten, kon zulk een weinig beteekenend onderwerp

niet voortzetten. Hij vroeg mij daarom wat ik zou gebruiken.

Ik voelde dat ik weder in Engeland was en maakte mij een weinig bezorgd

over Traddles. Het scheen wel dat niets hem kon gelukken. Ik bestelde

een moot visch en eene portie biefstuk en bleef bij het vuur zitten

peinzen over mijn vriend.

Toen ik den eersten bediende eenigen tijd had gadegeslagen kon ik niet

nalaten te denken dat de tuin, waarin hij langzamerhand was gerijpt

tot hetgeen hij nu was, geen gelegenheid bood om welig te tieren. Over

alles lag zulk een deftig waas; alles was er even stijf en ouderwetsch.

De vloer was zonder twijfel op dezelfde wijze met zand bestrooid

geweest toen de eerste bediende nog een jongen was—indien hij namelijk

ooit een jongen geweest was, hetgeen mij niet waarschijnlijk voorkwam;

de spiegelgladde mahonyhouten tafels weerkaatsten mijn gelaat zooals

ze het vermoedelijk vijftig jaar geleden dat van andere bezoekers

gedaan hadden; de olielampen brandden en glommen onberispelijk; de

warme, groene gordijnen met de blinkende koperen roeden beletten den

doortocht aan het minste tochtje; de twee groote houtvuren brandden

met onverflauwde helderheid; de lange rijen karaffen staarden mij aan,

alsof ze zich bewust waren van de groote hoeveelheid oude Port à Port,

die in den kelder lag opgeslagen; alles was deftig en bracht mij tot

het besef, dat eene goede plaats aan de rechtbank in Engeland evenmin

stormenderhand te veroveren was als Engeland zelf. Ik ging naar mijne

kamer om mijne vochtige kleederen met andere te verwisselen en ik zie

dat reusachtige vertrek met de eikenhouten betimmering—het lag boven

de hoofdpoort van Gray's Inn—nog voor mij, evenals het deftige, breede

ledikant met de vier gebeeldhouwde stijlen en de zware eikenhouten

kabinetten.... alles scheen samen te werken om jonge menschen te

wijzen op den ernst des levens. Ik kwam beneden om het middagmaal te

gebruiken en ook hier weder spraken mij de langzame, plechtige wijze,

waarop ik bediend werd, en de doodsche stilte in de zaal—het was nog

vacantie zoodat er bijna geen bezoekers waren—van de roekeloosheid van

Traddles, om in de eerste twintig jaren hoop te durven voeden op een

bestaan.

Zoo lang ik afwezig geweest was had ik zoo iets niet gezien, zoodat

alle hoop voor mijn vriend verdween. De eerste bediende scheen genoeg

van mij te hebben: hij kwam niet meer in mijne buurt, maar wijdde zijne

diensten aan een ouden heer met hooge slobkousen, voor wien zelf een

flesch wijn van een bijzonder merk uit den kelder werd gehaald zonder

dat hij iets besteld had. De tweede bediende fluisterde mij in dat die

heer een schatrijke notaris in ruste was, die, naar men vertelde, al

zijn geld aan de dochter van zijne waschvrouw zou nalaten; ook wist men

bij gerucht, dat hij een geheel zilveren tafelservies bezat, waarvan

niemand echter ooit meer dan een lepel en een vork onder de oogen had

gehad. Op dit oogenblik achtte ik Traddles verloren en begreep ik dat

er volstrekt geen hoop meer voor hem was.

Aangezien ik niettemin zeer verlangend was naar mijn ouden vriend,

bespoedigde ik mijn middagmaal zooveel mogelijk, waardoor ik in geenen

deele, in aanzien steeg bij den ouden bediende, zoodat ik mij maar

haastte om door eene achterdeur weg te komen. Holborn Court No. 2

was spoedig gevonden en een bordje op den deurpost bracht mij tot de

wetenschap, dat Mr. Traddles op de bovenste verdieping woonde. Ik

klom de oude, half vermolmde trap op en vond elk portaal verlicht

door een morsig olielampje, waarvan de walm mij telkens tegenkwam.

Al voortstrompelend meende ik op de bovenverdieping heel smakelijk

te hooren lachen, niet door een advocaat of procureur, noch door

een advocaats- of procureursklerk, maar door een paar vroolijke

jonge meisjes. Aangezien ik echter, stilstaande om te luisteren,

met mijn voet in een gat terecht kwam, hetgeen mij weder aan den

eerbiedwaardigen ouderdom van Gray's Inn herinnerde, viel ik met

zooveel geraas tegen de trap aan, dat het gelach plotseling verstomde.

Wat voorzichtiger dan tot nu toe zette ik den tocht voort en mijn hart

begon sneller te kloppen, toen ik de deur, waarop met groote letters

„Mr. Traddles” geschilderd was, open vond. Ik klopte aan, doch vernam

niets dan een verdacht geschuivel, waarop ik nogmaals klopte.

Een kleine jongen met een slim gezicht, die blijkbaar als klerk en als

loopjongen dienst deed, kwam bijna ademloos naar buiten en keek mij

aan, alsof hij mij uitdaagde om op wettige wijze aan te toonen dat ik

iets verdachts had gehoord.

„Is Mr. Traddles thuis?” vroeg ik.

„Ja, mijnheer, maar Mr. Traddles is zeer bezet.”

„Ik moet hem spreken.”

Na mij nog eenige oogenblikken te hebben gadegeslagen besloot de

jongen mij binnen te laten en terwijl hij tot dat doel de deur wat

verder opende, liet hij mij eerst een klein portaal en daarna een

miniatuur-kantoortje binnengaan. Hier vond ik mijn ouden vriend—ook

buiten adem—aan een tafel zittende, gebogen over groote stapels

papieren.

„Goede Hemel!” riep Traddles, toen hij opkeek. „Het is Copperfield!”

Hij vloog mij letterlijk in de armen en ik hield hem stijf vast.

„Alles wel, beste Traddles?”

„Alles wel, beste, beste Copperfield; niets dan goeds kan ik u

meedeelen.”

Wij waren beiden aangedaan door de blijdschap van het wederzien.

„Beste kerel,” zei Traddles, in zijne opgewondenheid zijn haar

opstrijkende, hetgeen volkomen overbodig was, want het stond zoo

rechtop als ooit, „beste Copperfield, wat zijt gij lang weggebleven en

wat ben ik blij u terug te zien! En wat zijt gij verbrand! Waarlijk, ik

ben zelden zoo blij geweest als op dit oogenblik!”

Ik kon al evenmin woorden vinden om mijne blijdschap uit te drukken.

„En zoo beroemd geworden!” riep Traddles. „Zeg mij nu eens, brave

jongen, wanneer zijt gij aangekomen? Waar komt gij vandaan? Wat hebt

gij het laatst gedaan?”

Zonder op eene van al zijne vragen een antwoord af te wachten, bleef

Traddles, na mij in een leunstoel bij de kachel te hebben geduwd, met

eene hand in het vuur porren, terwijl hij met de andere voortdurend aan

mijn das trok in de meening dat ik een overjas droeg. Met den pook in

de hand omhelsde hij mij nu nogmaals en ik omhelsde hem; wij lachten en

schreiden beiden van blijdschap en aandoening en veegden onze oogen af

en zaten naast elkander en schudden elkander hartelijk de hand.

„En dat gij daar nu zoo uit de lucht komt vallen,” zei Traddles, „zoo

vlak na de plechtigheid!”

„Na welke plechtigheid, beste Traddles?”

„Groote Goedheid!” riep hij met dezelfde groote oogen van vroeger.

„Hebt gij dan mijn laatsten brief niet ontvangen?”

„Zeker niet, als daar ten minste iets over eene plechtigheid in stond!”

„Luister dan, Copperfield!” hernam Traddles, terwijl hij zijne haren

met beide handen in de hoogte streek en deze daarna op zijne knieën

liet rusten: „Ik ben getrouwd!”

„Getrouwd?” riep ik verrast uit.

„Goede Hemel, ja!”, zei Traddles; „door dominee Horace.... met

Sophie.... uit Devonshire. Zie hier, brave jongen, zij heeft zich

achter het gordijn verstopt!”

Tot mijne groote verbazing kwam op hetzelfde oogenblik het liefste

meisje van de wereld lachend en blozend uit haar schuilhoek te

voorschijn. Opgewekter, beminlijker, gelukkiger, stralender bruidje heb

ik nooit op de wereld ontmoet; ik kon niet helpen dat ik dit terstond

moest zeggen. Ik kuste haar zooals men een oude kennis doet en wenschte

hun van ganscher harte geluk.

„Goede Hemel!” zei Traddles, „wat zal dat een gezellige avond worden!

Wat zijt gij vreeselijk verbrand, Copperfield! Goede Hemel, wat ben ik

gelukkig!”

„En ik ook!” zei ik.

„En ik ook!” riep de blozende en lachende Sophie.

„Wij zijn allen zoo gelukkig mogelijk!” zei Traddles. „Zelfs de meisjes

zijn gelukkig. Goede Hemel, ik vergat ze geheel en al!”

„Vergeten?” vroeg ik.

„De meisjes,” antwoordde Traddles. „De zusters van Sophie logeeren bij

ons. Zij wilden Londen wel eens zien en nu.... zijt gij zoo gestruikeld

op de trap, Copperfield?”

„Ja, ik zelf,” antwoordde ik lachend.

„Welnu, toen gij struikeldet,” ging Traddles voort, „was ik met de

meisjes aan het stoeien; eigenlijk speelden wij pand verbeuren.

Maar aangezien dit niet in overeenstemming is met de deftigheid van

Westminster-Hall en al heel vreemd zou schijnen indien een cliënt het

zag, zijn zij gevlucht. En nu spelen zij luistervink—daar is geen

twijfel aan;” voegde hij er bij met een blik naar een deur van eene

andere kamer.

„Het spijt mij;” zei ik hartelijk lachend, „zooveel stoornis

veroorzaakt te hebben.”

„Waarlijk,” hernam Traddles op vroolijken toon, „als gij ze had zien

wegvliegen en terugkeeren toen gij aankloptet, om hare kammetjes op te

rapen, die zij hadden laten vallen, zoudt gij dat niet zeggen. O, ze

waren zoo dwaas! Liefste, wilt gij de meisjes halen?”

Sophie trippelde de kamer uit en wij hoorden hoe zij in het andere

vertrek met luid gejuich werd ontvangen.

„Is dat nu geen heerlijke muziek, Copperfield?” vroeg Traddles. „O, het

is zoo aangenaam! Het schijnt of deze ouderwetsche kamers veel lichter

zijn. Voor zoo'n ongelukkigen vrijgezel, die zijn geheele leven alleen

gewoond heeft, is het bepaald een genot. Het is verrukkelijk. De arme

kinderen hebben zooveel verloren aan Sophie, die, dat verzeker ik u,

Copperfield, is en altijd was het liefste meisje.... Gij begrijpt hoe

ik mij gestreeld voel nu zij zoo vroolijk zijn. Het gezelschap van

jonge meisjes is verrukkelijk, Copperfield! Het is eigenlijk wel niet

zooals het behoort, maar het is verrukkelijk!”

Ik merkte, dat hij dit laatste eenigszins aarzelend had uitgesproken,

en begrijpende, dat hij in den eenvoud zijns harten vreesde een

pijnlijke snaar te hebben aangeroerd, gaf ik op zulk een hartelijken

toon mijn instemming te kennen, dat hij zich volkomen gerustgesteld

voelde.

„En,” vervolgde Traddles, „ons huishouden is geheel in de war, om u de

waarheid te zeggen, beste Copperfield. Dat Sophie hier is, is ook niet

zooals het behoort; maar wij zijn nu eenmaal in het schuitje en zullen

het er wel in uithouden. Voorloopig hebben wij geen andere woning. En

o, Sophie is zulk een knappe huishoudster en heeft zooveel overleg.

Gij zoudt u verbazen als gij zaagt, hoe zij al die meisjes bergt. Ik

verzeker u dat ik niet begrijp hoe zij 't gedaan krijgt.”

„Hoeveel jonge dames hebt gij dan wel bij u?” vroeg ik.

„De oudste, de Beauty is hier,” antwoordde hij zachtjes en op

vertrouwelijken toon, „Caroline. En Sarah is hier.... degene, die,

zooals ik u meedeelde, iets aan de ruggegraat mankeerde. Zij is veel,

veel beter! En de twee jongsten, die Sophie heeft opgevoed, zijn hier.

En Louise is hier.”

„Goede Hemel!” riep ik uit.

„Ja,” zei Traddles. „Alles bij elkaar hebben wij maar drie kamers, maar

Sophie heeft het wonderlijk goed geschikt voor de meisjes; zij slapen

zoo lekker mogelijk. Drie in gindsche kamer en twee in die!”

Ik kon niet nalaten eens rond te kijken naar het plekje dat voor

mijnheer en mevrouw Traddles overbleef en Traddles begreep mijn blik.

„Ik heb u immers gezegd dat wij ons kunnen behelpen,” hernam hij, „en

wij _hebben_ ons beholpen met een kermisbed op de kamer. Maar er is

nog een dakkamertje—een alleraardigst kamertje als men eenmaal boven

is—Sophie heeft het zelve behangen om mij te verrassen; dat is nu ons

kamertje. Het is net een klein kajuitje en men heeft er een prachtig

uitzicht.”

„En dus zijt gij nu gelukkig getrouwd, beste Traddles,” zei ik. „Wat

ben ik daar blij om!”

„Dank u, dank u, beste Copperfield,” antwoordde hij, terwijl wij

elkander nogmaals de hand schudden. „Ja, ik ben zoo gelukkig als ik

maar zijn kan. Herinnert gij u dezen ouden kennis?” vroeg hij met een

zegevierenden blik op den bloemenstandaard, „en daar is het tafeltje

met het marmeren blad! En alle andere meubels zijn eenvoudig, maar

solide, zooals gij ziet! En wat onze zilverkast aangaat, goede Hemel!

wij hebben nog geen theelepeltjes zelfs!”

„Die moeten dus nog verdiend worden!” riep ik vroolijk uit.

„Juist”, antwoordde hij, „die moeten nog verdiend worden. Natuurlijk

bezitten wij wel theelepeltjes, want wij moeten onze thee toch kunnen

omroeren; maar ze zijn van Christofle-zilver.”

„Als het echte zilver komt zal het zooveel te schitterender zijn,”

antwoordde ik.

„Dat zeggen wij ook!” riep Traddles. „Ziet ge, beste Copperfield,”—hij

begon weer op dien zachten vertrouwelijken toon te spreken—„toen

ik die zaak van Jipes contra Wigzell gewonnen had—dat proces heeft

mij naam doen maken—ben ik naar Devonshire gegaan en heb eens

ernstig gepraat met dominee Horace. Ik bracht hem in herinnering dat

Sophie—zij is werkelijk het liefste meisje van de wereld, dat kan ik u

verzekeren, Copperfield....”

„O, ik _ben_ er van overtuigd!” riep ik.

„Zij is het werkelijk!” hernam Traddles, „maar ik vrees van mijn

onderwerp te zijn afgedwaald. Sprak ik niet over dominee Horace?”

„Gij zeidet dat gij hem in herinnering bracht....”

„Juist! Ik bracht hem in herinnering dat Sophie en ik al heel lang

geëngageerd waren en dat zij, indien hare ouders de toestemming

gaven, gaarne mijn vrouwtje zou willen worden,... kortom,” zei hij

met zijn ouden jovialen lach, „zelfs al had ik niets dan Christofle

theelepeltjes. Goed. Ik stelde dominee Horace dan voor—een beste man,

die dominee Horace, een man, die Bisschop moest zijn of ten minste

genoeg moest hebben om te leven zonder zich te bekrimpen—dat als

ik per jaar tweehonderd en vijftig pond kon verdienen en er vast op

kon rekenen het volgend jaar een even groot of een grooter inkomen te

zullen hebben; als ik bovendien een woning als deze behoorlijk kon

meubeleeren, dan zouden Sophie en ik door de banden des huwelijks

vereenigd worden. Ik nam de vrijheid in het midden te brengen, dat wij

vele jaren geduld hadden gehad en dat de omstandigheid, dat Sophie

thuis moeilijk gemist kon worden, hare liefhebbende ouders niet in

verzoeking mocht brengen om zich tegen hare wenschen te verzetten.....

zijt gij dat niet met mij eens?”

„Zeker ben ik dat met u eens,” antwoordde ik.

„Ik ben blijde dat gij eveneens denkt als ik, Copperfield, want zonder

eenige toespeling op dominee Horace, meen ik toch te moeten aannemen

dat ouders, broeders en zoo al meer somtijds bijzonder zelfzuchtig

zijn in soortgelijke gevallen. Welnu, ik gaf eveneens als mijn heilig

voornemen te kennen dat ik mij nuttig wilde maken voor de geheele

familie en als het mij goed gaat in de wereld en hem—ik bedoel dominee

Horace—iets mocht overkomen.....”

„Ik begrijp u al,” zei ik.

„.... of mevrouw Crewler, dat ik het dan een aangename plicht zou

achten een vader te zijn voor de meisjes. Hij antwoordde mij op eene

wijze, die hem eer aandeed en voor mijn gevoel zeer streelend was,

waarna hij op zich nam de toestemming te verwerven van mevrouw Crewler.

Zij hadden een vreeselijken tijd met haar. Het klom haar van de beenen

naar de borst en van daar naar het hoofd.....”

„Wat klom er?” vroeg ik.

„Haar verdriet,” antwoordde Traddles met den grootsten ernst. „Hare

aandoening eigenlijk; want zooals ik vroeger wel eens verteld heb, is

zij eene zeer begaafde vrouw, maar mist zij het gebruik van hare leden.

Is er iets, dat haar hevig aandoet, dan voelt zij dit terstond in

haar beenen, maar bij deze gelegenheid klom het in hare borst en van

daar naar het hoofd; kortom, haar heele gestel leed er onder. Door de

liefderijkste verpleging en de grootste zorg kwam zij het te boven en

gisteren voor zes weken zijn wij getrouwd. Gij kunt u niet voorstellen,

hoe ik mij zelven voor een monster heb uitgemaakt, toen ik de geheele

familie zag schreien en flauw vallen! Mevrouw Crewler wilde mij niet

zien voor wij weg gingen—zij kon het mij niet vergeven, dat ik haar

van haar kind beroofde, maar zij is toch een goed schepsel en heeft het

mij later vergeven. Ik heb van morgen zelfs een opgeruimden brief van

haar gehad.”

„Dus, mijn waarde vriend, gij verkeert in den zevenden hemel, zooals

gij dubbel en dwars verdient?” vroeg ik.

„O, dat _is_ uwe partijdigheid, die dat zegt?” riep Traddles lachend.

„Maar, waarlijk, ik ben te benijden. Ik werk hard en studeer van den

morgen tot den avond in de wetten. Ik sta elken morgen om vijf uur

op en daar geef ik niets om. Over dag verberg ik de meisjes en 's

avonds heb ik dolle pret met haar. Ik kan u verzekeren, dat het mij

spijten zal als zij Woensdag vertrekken. Maar,” zoo brak hij plotseling

zijne vertrouwelijke mededeeling af, „daar zijn de meisjes! Mijnheer

Copperfield—de dames Crewler.... juffrouw Sarah, juffrouw Louise,

Margaretha en Lucy!”

Wat daar binnenkwam maakte den indruk op mij, die een bouquet frissche

rozen zou gemaakt hebben. Zij waren allen mooi; juffrouw Caroline,

zelfs heel mooi; maar op Sophie's gezichtje lag eene uitdrukking van

liefde en vroolijkheid en huiselijkheid, die mij de verzekering gaf,

dat mijn vriend een goede keus gedaan had. Wij namen allen om de kachel

plaats terwijl het slimme klerkje, dat, zooals ik nu begreep, buiten

adem was geraakt ten gevolge van de haast, waarmede hij een hoop

papieren over de tafel had uitgestrooid, voor de thee zorgde. Daarna

ging hij heen en liet de deur met een slag dicht vallen. En mevrouw

Traddles zat met een gezichtje, dat straalde van geluk, in een hoekje

bij de kachel, waar zij brood roosterde en thee inschonk.

Zij had Agnes gezien, vertelde zij mij onder het roosteren. „Tom” en

zij hadden een huwelijksreisje gemaakt naar Kent en daar had zij ook

mijne tante ontmoet; beiden, tante en Agnes waren heel wel en spraken

over niets dan over mij. „Tom” was steeds met zijne gedachten bij mij

geweest zoolang ik weg was. „Tom” was alles; „Tom” was haar afgod, dat

was duidelijk; niets ter wereld zou hem van het voetstuk kunnen rukken

waarop zij hem geplaatst had; zij zou hem altijd gelooven en vertrouwen

en hem al hare liefde wijden, wat er ook gebeuren mocht. De achting,

die beiden voor de Beauty aan den dag legden, was vermakelijk om bij te

wonen. Ik geloof niet dat ik het erg verstandig vond, maar ik vond het

vermakelijk en geheel in overeenstemming met beider karakter. Ik ben

er zeker van dat Traddles de zilveren theelepeltjes, die nog verdiend

moesten worden, nooit zoo zeer miste als wanneer hij Beauty een kopje

thee overhandigde. Indien zijn zachtzinnig vrouwtje ooit eenige

aanmatiging tegenover iemand aan den dag kon leggen, ben ik overtuigd

dat haar dit alleen mogelijk was omdat zij eene zuster was van de

Beauty. Enkele kleine bewijzen van verwendheid en grilligheid, die ik

bij de Beauty opmerkte, werden blijkbaar door Traddles en zijne jonge

vrouw als een soort geboorterecht of eene gave der natuur beschouwd.

Indien zij als koningin, en Sophie met de andere zusters als werkbijen

geboren waren, zouden zij niet meer van hare minderheid overtuigd

kunnen zijn geweest.

Ik had plezier in hunne onbaatzuchtigheid. Hunne trotschheid op de

meisjes en hunne onderworpenheid aan al hare grillen was in mijn oog

de loffelijkste getuigenis van hun karakter. Minstens twaalf malen

in het uur werd Traddles door eene van zijne schoonzusters „beste

jongen” genoemd, of werd hem verzocht iets aan te geven, of iets weg

te brengen, of iets op te rapen of iets neer te leggen of te halen.

Geen van allen kon iets doen zonder Sophie. Het haar van een van allen

ging los—Sophie moest het opsteken; een ander had de wijs van een

lied vergeten, niemand dan Sophie kon het zingen zooals het behoorde;

een derde wilde den naam weten van een plaatsje in Devonshire—Sophie

hielp haar uit den brand; de vierde meende dat iets naar huis moest

worden geschreven—alleen aan Sophie kon het worden toevertrouwd en zij

deed het den volgenden morgen voor het ontbijt; de vijfde eindelijk

had eenige steken van haar breiwerk laten vallen—niemand anders dan

Sophie mocht ze oprapen. Zij waren in alle opzichten de meesteressen

en Traddles en Sophie bedienden haar. Hoeveel kinderen Sophie in haar

leven reeds moest hebben opgepast, kan ik niet gissen zelfs, want zij

kende alle liedjes, die ooit aan Engelsche kinderen zijn voorgezongen;

zij zong ze met het liefste, helderste stemmetje bij dozijnen, want,

elke zuster verlangde een ander te hooren en de Beauty kwam gewoonlijk

nog achteraan—ik raakte er geheel van onder den indruk. Het beste

van alles was, dat de zusters, hoe veeleischend zij ook waren,

allen evenveel van Sophie en Traddles hielden en hun groote achting

toedroegen. Ik ben overtuigd dat ik nooit een hoofd met zooveel rechtop

staande haren onder zulk een stroom van kussen heb zien ronddraaien als

dat van Traddles, toen ik des avonds afscheid nam en hij mij tot het

naastbijzijnde koffiehuis zou vergezellen.

Hoe het zij, het was een tooneeltje, waaraan ik nog moest denken,

langen tijd nadat Traddles mij verlaten had. Al had ik duizende rozen

zien bloeien op die bovenkamers in Gray's Inn, zou ik er zeker niet

zulk een schitterenden indruk van hebben behouden. Die jonge, frissche

meisjes uit Devonshire tusschen de droge kantoren van advocaten en

procureurs; die thee met geroosterd brood, die kinderliedjes in de

doffe atmospheer van sandrak, perkament, rood band, ouwels, inkt,

papier, aanklachten, dagvaardingen, quitanties en declaraties, dat

alles scheen mij even zonderling alsof ik gedroomd had, dat de Sultan

zich met zijn geheelen harem op de rol der advocaten had laten

inschrijven en den sprekenden vogel, den zingenden boom en het gouden

meer had meegebracht. Een ding was echter zeker, toen wij in het

koffiehuis afscheid hadden genomen dacht ik met veel minder bezorgdheid

aan Traddles dan eenige uren te voren. Ik begon te vermoeden, dat hij

zijn weg zou vinden in weerwil van alle eerste bedienden in Engeland.

Ik nam in een gemakkelijken stoel plaats bij een der haardvuren in de

koffiekamer, ten einde op mijn gemak over Traddles' lotsverwisseling

te peinzen, maar begon mij al heel spoedig te verdiepen in de

verschillende figuren, die door de vlammen gevormd werden, en te denken

aan de wisselingen in mijn eigen leven. Ik had sinds ik Engeland had

verlaten geen kolenvuur gezien, doch op menig houtvuur zitten turen

tot het laatste stukje in de witte asch verdween, die voor mij het

zinnebeeld was van al mijn vervlogen hoop.

Ik kan nu met ernst doch zonder eenige bitterheid aan het verleden

denken en de toekomst onbevreesd in de oogen zien. Een tehuis in den

waren zin des woords bestond voor mij niet meer. Het meisje, dat ik

zielslief had, had ik geleerd eene zuster voor mij te zijn. Zij zou

wellicht trouwen, aan anderen rechten geven op hare liefde zonder

iets te weten van de liefde, die ik voor haar in mijn hart droeg. Het

was billijk, dat ik de straf droeg voor mijn onberaden hartstocht. Ik

oogstte wat ik gezaaid had.

Terwijl ik zoo zat te peinzen en mij afvroeg of ik mijn hart werkelijk

reeds zoo ver bedwongen had, dat ik dit met standvastigheid zou kunnen

dragen en kalm de plaats kon blijven innemen, die ik in haar hart had

ingenomen, doemde er plotseling een gezicht voor mij op, dat als eene

herinnering aan lang vervlogen dagen schijnbaar uit de vlammen te

voorschijn trad. De kleine dokter Chillip, aan wien ik in het eerste

hoofdstuk van deze geschiedenis veel verplichting had, zat in een

tegenovergestelden hoek de krant te lezen. Hij was oud geworden, maar

aangezien hij zulk een kalm, gelijkmatig klein manneke was, kon men hem

dat niet aanzien, zoodat ik mij voorstelde, dat hij er juist zoo moest

hebben uitgezien, toen hij in onze huiskamer op mijne intrede in de

wereld zat te wachten.

Dokter Chillip had Blunderstone zes of zeven jaren geleden verlaten en

in al dien tijd had ik hem niet teruggezien. Hij zat nu vreedzaam de

krant te lezen met een glas warmen wijn voor zich.

Ik ging naar hem toe en vroeg: „Hoe vaart gij, mijnheer Chillip?”

Hij ontstelde blijkbaar bij deze toespraak van een hem geheel vreemd

persoon en antwoordde op zijn eigenaardigen, zachten toon: „Dank u,

mijnheer, gij zijt wel beleefd. Dank u. Ik hoop dat ge ook wel zijt?”

„Herkent ge mij niet?” vroeg ik.

„Nu, mijnheer,” antwoordde mijnheer Chillip, terwijl hij glimlachend

het hoofd schudde en mij aankeek, „er is iets in uw gezicht, dat mij

bekend voorkomt, maar ik kan waarlijk niet op uw naam komen.”

„En toch hebt gij dien gekend lang voor ik dien zelf kende,” antwoordde

ik.

„Is het toch waar, mijnheer? Is het mogelijk dat ik de eer had

behulpzaam te zijn....?”

„Ja.”

„Goede Hemel!” riep mijnheer Chillip. „Maar gij zijt heel wat veranderd

na dien tijd!”

„Waarschijnlijk wel!”

„Nu, mijnheer, gij zult het mij wel niet kwalijk nemen als ik zoo vrij

ben uw naam te vragen.”

Toen ik hem dien noemde was hij zeer ontroerd, hij schudde mij de

hand—dit was voor hem iets zeer buitengewoons, want gewoonlijk stak

hij iets dat op een lauwe moot visch geleek, eenige duimen buiten zijn

heup uit en scheen hij bevreesd te zijn voor eene harde aanraking. Nu

zelfs stak hij zijne hand zoo spoedig mogelijk in zijn jaszak en scheen

hij blijde te zijn toen hij die daar veilig geborgen wist.

„Goede hemel, mijnheer?” vroeg hij mij met het hoofd op zijde

aankijkende. „Heb ik het genoegen met mijnheer Copperfield....? Wel,

mijnheer, ik zou u zeker herkend hebben indien ik de vrijheid genomen

had u wat nauwkeuriger te bekijken. Gij lijkt sprekend op uw armen

vader.”

„Ik heb niet het geluk gehad mijn vader te kennen,” gaf ik ten antwoord.

„Juist, mijnheer,” zei mijnheer Chillip op zachten toon. „Dat was

in alle opzichten zeer betreurenswaardig! Wij zijn daar ginds niet

onbekend gebleven met den goeden naam, dien gij u gemaakt heb. Gij

vergt heel wat van uw hoofd, mijnheer.”

„Waar woont gij nu?” vroeg ik, naast hem plaats nemende.

„Ik heb mij op eenige mijlen afstands van Bury St. Edmunds gevestigd,

mijnheer,” antwoordde de dokter. „Mevrouw Chillip erfde daar van haar

vader een buitentje, waarna ik daar eene praktijk kocht, waarin het mij

heel goed gaat. Het zal u zeker genoegen doen dit te vernemen. Mijne

dochter wordt al eene groote meid, mijnheer,” vervolgde hij, terwijl

hij een ruk gaf aan zijn hoofd, „hare moeder heeft verleden week nog al

hare jurken moeten uitleggen. Zoo gaat de tijd voorbij, mijnheer!”

Toen de kleine dokter zijn glas, dat nu ledig was, al pratend aan de

lippen bracht, stelde ik hem voor het nog eens te laten vullen, waarna

ik hem met een tweede gezelschap zou houden.

„Wel, mijnheer,” antwoordde hij langzaam, „dat is meer dan ik gewoon

ben te gebruiken, maar ik kan mij het genoegen van uw gezelschap niet

ontzeggen. Het lijkt mij of ik u gisteren eerst in de mazelen heb

bijgestaan. Gij kwaamt er flink doorheen, mijnheer.”

Ik mompelde iets alsof ik het mij ook nog zeer goed herinnerde en

bestelde den warmen wijn, die spoedig gebracht werd. „Ik maak mij aan

onmatigheid schuldig,” zei de dokter, terwijl hij den wijn omroerde,

„maar ik kan zulk eene buitengewone gelegenheid onmogelijk laten

voorbijgaan. Gij zijt geheel alleen op de wereld, nietwaar?”

Ik knikte toestemmend.

„Ik wist,” ging hij voort, „dat gij eenigen tijd geleden uwe vrouw

verloren hebt; ik vernam dat van de zuster van uw stiefvader. Iemand

met een zeer flink karakter, mijnheer!”

„Ja,” antwoordde ik, „flink genoeg. Waar hebt gij haar ontmoet,

mijnheer Chillip?”

„Is het u niet bekend, mijnheer,” antwoordde de kleine dokter met een

vriendelijken glimlach, „dat uw stiefvader weder mijn buurman is?”

„Neen.”

„Ja, ja, mijnheer; hij is met een jong meisje uit die streek hertrouwd;

zij bezat nog al wat fortuin, de arme meid! Maar, om op uw hoofd terug

te komen.... vermoeit dat vele werken u niet?” vroeg hij, terwijl hij

mij aankeek op de wijze van een in bewondering verzonken roodborstje.

Ik liet deze vraag rusten en bracht het gesprek weder op de Murdstones.

„Ik wist dat hij hertrouwd is,” zei ik. „Kent gij de familie van nabij?

Komt gij er aan huis?”

„Niet geregeld, maar ik ben er wel eens geroepen,” antwoordde hij.

„De flinkheid is in mijnheer Murdstone en in zijne zuster sterk

ontwikkeld.... zeer interessant geval voor een professor in de

schedelleer.”

Ik antwoordde met een veelbeteekenenden blik, zoodat mijnheer Chillip

hierdoor en ten gevolge van den warmen wijn zich liet verleiden om

eenige malen het hoofd te schudden en peinzend uit te roepen: „Goede

Hemel! De oude tijd komt ons in het geheugen, mijnheer Copperfield!”

„Gaan de broeder en zuster weder hun ouden gang?” vroeg ik.

„Wat zal ik u zeggen, mijnheer? Een dokter, die bij zooveel families

komt, mag voor niets oogen en ooren hebben dan voor zijn vak. Evenwel,

ik kan niet nalaten te bekennen, dat zij zeer streng zijn in hunne

opvattingen, zoo wel voor dit leven als voor het leven hiernamaals.”

„Het laatste zal wel geregeld worden zonder hunne bemiddeling, naar ik

meen,” antwoordde ik, „maar wat doen zij in dit leven?”

Mijnheer Chillip schudde het hoofd, roerde zijn warmen wijn om en nam

een teugje.

„Zij was een bekoorlijk vrouwtje, mijnheer,” zei hij op een toon, alsof

hij haar beklaagde.

„De tegenwoordige mevrouw Murdstone?”

„Een bekoorlijk vrouwtje, mijnheer, dat verzeker ik u,” herhaalde de

dokter, „zoo beminnelijk als ik er ooit een gekend heb. Mevrouw Chillip

meent dat hare vroolijkheid door haar huwelijk geheel is verdwenen en

zij tegenwoordig lijdende is aan melancholie. En de dames mijnheer,”

ging hij op schroomvalligen toon voort, „zijn goede opmerksters.”

„Ik vermoed, dat zij eerst naar hun zin moest vervormd worden,” merkte

ik aan. „Het is afschuwelijk! De Hemel sta haar bij!.... Gij zegt: „Zij

was?””

„Ja, mijnheer, er hebben in het begin hevige twisten plaats gehad, dat

kan ik u verzekeren,” hernam mijnheer Chillip, „zij is nu een schim van

hetgeen zij vroeger was. In vertrouwen mag ik u wel meedeelen dat zij,

sinds zijne zuster bij hen haar intrek heeft genomen, langzamerhand tot

onnoozelheid is vervallen.”

„Ik kan dat gemakkelijk begrijpen.”

„Ik aarzel niet onder vier oogen te verklaren,” ging dokter Chillip

voort, terwijl hij een teugje wijn nam om zich te sterken, „dat hare

moeder van verdriet gestorven is en dat mevrouw Murdstone langzaam

dood of krankzinnig geplaagd wordt. Zij was een vroolijk, opgewekt

jong meisje, toen zij trouwde, maar hunne strengheid en zoogenaamde

vroomheid hebben haar zoover gebracht. Zij gaan nu meer met haar om

als haar oppassers dan als haar echtgenoot en hare schoonzuster. Zoo

vertelde mevrouw Chillip mij verleden week nog. En ik kan u verzekeren,

mijnheer dat de dames eene goede dosis opmerkingsgave bezitten! En

mevrouw Chillip in de eerste plaats!”

„Geeft hij zich nog altijd uit voor godsdienstig?” vroeg ik en voegde

er bij dat ik mij eigenlijk schaamde dat woord op dien man toe te

passen.

„Gij loopt op mijne woorden vooruit, mijnheer,” antwoordde de dokter,

wiens oogleden een weinig rood begonnen te worden, „deze opmerking is

ook door mijne vrouw gemaakt. Mevrouw Chillip heeft mij doen opspringen

van schrik en verbazing, toen zij mij meedeelde, dat mijnheer Murdstone

den menschen zijn eigen beeld als dat van de Godheid voorhoudt. Ik

verzeker u, mijnheer, dat gij mij wel met een veeren pen hadt kunnen

omwerpen, toen mijne vrouw dat vertelde. Maar de dames zijn scherpe

opmerksters, mijnheer!”

„Zij zijn dat bij instinct,” antwoordde ik tot zijn groot genoegen.

„Het verheugt mij zoo gesteund te worden in mijn oordeel, mijnheer,”

hernam hij. „Het gebeurt niet dikwijls dat ik buiten mijn vak een

oordeel uitspreek, dat kan ik u verzekeren. Mijnheer Murdstone houdt nu

en dan redevoeringen in het openbaar en men heeft gezegd.... kortom,

mevrouw Chillip heeft gezegd, dat naar mate hij grooter tyran wordt,

ook zijne leerstellingen in barbaarschheid toenemen.”

„Mevrouw Chillip oordeelt ongetwijfeld volkomen juist,” zei ik.

„Mevrouw Chillip gaat zelfs zoo ver van te beweren,” ging het kleine

manneke aangemoedigd voort, „dat hetgeen dergelijke menschen ten

onrechte hun godsdienst noemen, niets is dan een middel om lucht te

geven aan hunne kwaadaardigheid en hun hoogmoed. En,” voegde hij er met

het hoofd op zijde gewend bij, „ik moet u zeggen, mijnheer, dat ik in

het Nieuwe Testament geen woord vinden kan van de leer, die mijnheer en

juffrouw Murdstone verkondigen.”

„Ik evenmin.”

„Intusschen,” ging de dokter voort, „worden zij algemeen gehaat, en

aangezien zij iedereen, die hen haten, naar de eeuwige verdoemenis

wenschen, is volgens hen het grootste gedeelte van ons dorpje daartoe

aangewezen. Volgens de verklaring van mijne vrouw ondervinden zij

echter thans reeds hunne straf, aangezien zij teren op hun eigen

hart en dat is spoedig opgeteerd. En nu, mijnheer, moet gij mij eens

vertellen of gij werkelijk uwe hersens niet te veel inspant met al dat

werken? Neem mij niet kwalijk dat ik daar nog eens op terug kom.”

De warme wijn had mijnheer Chillip zoo opgewonden, dat het mij niet

moeilijk viel hem van dit onderwerp op zijn eigen zaken te brengen,

waarover wij nog een half uur zeer aangenaam bleven doorpraten;

hij was uiterst mededeelzaam en vertelde mij dat hij te Londen was

ontboden om getuigenis af te leggen voor de rechtbank betreffende

iemand, die tengevolge van overmatig gebruik van sterken drank aan

verstandsverbijstering lijdende was en nu in een krankzinnigengesticht

moest geplaatst worden. „En ik moet u zeggen, mijnheer,” ging hij

voort, „dat ik bij dergelijke gelegenheden erg zenuwachtig ben en niet

kan verdragen dat men mij afsnauwt, zooals maar al te dikwerf het

geval is. Ik raak dan geheel van streek. Weet gij wel hoe lang het

geduurd heeft eer ik bekomen was van den schrik, dien dat manhaftige

vrouwspersoon mij op het lijf heeft gejaagd bij gelegenheid van uwe

geboorte, mijnheer Copperfield?”

Ik vertelde hem dat ik op weg was naar dat manhaftige vrouwspersoon;

dat ik den volgenden morgen heel vroeg naar Dover zou vertrekken, waar

zij woonde; dat zij een van de goedhartigste en uitnemendste vrouwen

was, die ik ooit had ontmoet en dat hij zeker hetzelfde van haar zou

getuigen, indien hij haar beter kende. Alleen reeds het denkbeeld dat

hij haar ooit zou kunnen wederzien joeg hem een schrik door de leden.

Met een flauwen glimlach zei hij: „Zoo mijnheer, is zij dat inderdaad?

Waarlijk?” Tegelijkertijd riep hij echter om zijn kaars en ging naar

bed alsof hij zich daar alleen veilig achtte. Wel deed de warme wijn

zijn invloed nog niet gevoelen op zijn beenen, maar ik vermoed toch dat

zijn pols wel eenige slagen meer in de minuut sloeg dan ooit het geval

was geweest na dien avond, toen mijn tante in hare teleurstelling met

den hoed naar hem geslagen had.

Doodmoe zocht ik te middernacht ook mijne kamer op, stapte den

volgenden morgen in de diligence op Dover, kwam gezond en wel tegen

den avond tante's huiskamer binnen, juist op het oogenblik dat zij aan

de thee zat—zij droeg in den laatsten tijd een bril—en werd door

haar, mijnheer Dick en de brave Peggotty, die sinds eenigen tijd het

huishouden waarnam, met open armen en tranen van vreugde ontvangen.

Tante lachte hartelijk bij mijn verhaal van de ontmoeting met den

kleinen dokter en over het feit, dat zij in zulk een kwaden reuk bij

hem stond; zij en Peggotty waren niet uitgepraat over den tweeden man

van mijne arme moeder en over die „moordenares,” waarmede zij juffrouw

Murdstone bedoelden en die, daarvan ben ik overtuigd, door tante nooit

anders zou genoemd worden al werd zij ook met de zwaarste straffen

bedreigd.

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 73 / 79 题