LVI.

De nieuwe en de oude wonde.

O, Steerforth, het was niet noodig de laatste maal, dat wij elkander

spraken, in dat uur, waarvan ik niet vermoedde dat het ons afscheidsuur

zijn zou..... het was niet noodig te zeggen: „Blijf mij in vriendschap

gedenken!” Ik heb dat altijd gedaan en zou ik nu anders hebben kunnen

doen met dit schouwspel voor oogen!

Zij haalden een draagbaar, legden hem er op, bedekten hem met een vlag

en droegen hem naar de stad. Al de dragers hadden hem gekend en met hem

gevaren en hem vroolijk en opgewekt gezien. Zoo brachten zij hem naar

de woning, waar de dood reeds zijn intrek had genomen; maar toen zij de

baar op den drempel neerzetten, keken zij elkander en mij fluisterend

aan. Ik begreep hen maar al te goed. De vraag kwam in hunne eerlijke

harten op of zij hem daar wel mochten neerleggen in diezelfde kamer.

Wij gingen de stad in en brachten onzen droeven last naar de herberg.

Zoodra ik eenigszins mijne gedachten verzameld had, zond ik een

boodschap naar Joram met het verzoek mij een rijtuig te verschaffen,

ten einde het lijk gedurende den nacht naar Londen te vervoeren. Ik

begreep dat de zorg voor den verongelukte en de moeilijke taak om zijne

moeder voor te bereiden, geheel op mij drukten en dien plicht nam ik

mij voor zoo getrouw mogelijk te volbrengen.

Ik gaf aan den nacht de voorkeur, ten einde den toeloop van

nieuwsgierigen te vermijden; maar ofschoon het reeds middernacht was

eer ik de poort uitreed, stonden toch nog een aantal menschen te

wachten. Hier en daar in de stad en op den weg zag ik er nog meer

staan; maar eindelijk was ik alleen in den donkeren nacht, alleen met

het stoffelijk omhulsel van den besten vriend uit mijne jeugd.

Op een heerlijken najaarsdag, terwijl de grond bedekt was met

afgevallen bladeren, waarvan de geuren het luchtruim vervulden, en er

nog veel meer in allerhande kleuren aan de boomen hingen, kwam ik tegen

den middag te Highgate aan. Ik had de laatste mijl te voet afgelegd,

peinzend over de wijze, waarop ik mij van mijne zware taak zou

kwijten; het rijtuig wachtte op eenigen afstand tot ik den koetsier zou

wenken op te rijden.

Toen ik de woning naderde, zag die er nog eveneens uit als voorheen.

Alle luiken waren gesloten; geen teeken van leven op het pleintje met

het poortje, dat naar de ongebruikte deur leidde. De wind was gaan

liggen; het was bladstil.

In het eerste oogenblik ontbrak mij de moed om aan te schellen; en toen

ik het eindelijk deed, scheen de klank van de schel reeds door het huis

te verkondigen wat ik kwam doen. Het kamermeisje kwam naar buiten met

den sleutel in de hand en toen zij de poort opende, vroeg zij met eene

ernstige stem:

„Neem mij niet kwalijk, mijnheer. Zijt gij ziek?”

„Ik ben vermoeid en heb buitengewone ontroering gehad.”

„Is er een ongeluk gebeurd?..... Mijnheer James....?”

„St!” sprak ik. „Ja er is iets gebeurd, dat ik aan mevrouw Steerforth

kom vertellen. Is mevrouw thuis?”

Het meisje antwoordde dat hare meesteres in den laatsten tijd zelden

uitging, zelfs niet per rijtuig; dat zij hare kamer hield; dat zij

nooit bezoek kreeg, doch mij wel zou ontvangen. „Mevrouw is op,”

vertelde zij, „en juffrouw Dartle is bij haar. Welke boodschap moet ik

overbrengen?” Ik droeg haar op niets van ons gesprek te laten blijken

en alleen mijn kaartje boven te brengen en te zeggen dat ik in de

huiskamer zou wachten. O, hoe anders zag deze er uit! De gordijnen

waren half neergelaten en de harp had blijkbaar vele en nogmaals vele

dagen onaangeroerd in dienzelfden hoek gestaan. Daar hing nog zijn

portret als jongen; daar stond ook nog de cassette, waarin zijne moeder

al zijne brieven bewaarde. Ik vroeg mij af, of zij ze nog wel eens zou

lezen, of zij ze nog ooit zou lezen!

Het was zoo stil in huis, dat ik den lichten tred van het meisje op de

trap hoorde. Zij bracht mij de boodschap terug, dat mevrouw Steerforth

niet wel was en dus niet beneden kon komen, maar dat, indien ik

haar wilde verontschuldigen, zij mij gaarne op haar eigen kamer zou

ontvangen. Eenige oogenblikken later stond ik voor haar.

Zij zat in zijn kamer, niet in de hare. Natuurlijk begreep ik, dat zij

die bewoonde ter herinnering aan hem en dat al de kleinigheden, die

haar zijne liefhebberijen en zijne talenten in het geheugen riepen,

daar om dezelfde reden waren gebleven, zooals hij ze had achtergelaten.

Te gelijk met hare begroeting mompelde zij echter zoo iets als: „dat

deze kamer zooveel gunstiger gelegen was nu zij zich altijd zoo onwel

voelde,” haar strenge blik verbood zelfs een oogenblik twijfel te

koesteren omtrent de waarheid van hare woorden.

Als gewoonlijk stond juffrouw Dartle bij haar stoel. Van het eerste

oogenblik af, dat hare donkere oogen op de mijne rustten, begreep ik,

dat zij mij aanzag als een ongeluksbode. Het litteeken was op dit

oogenblik duidelijk zichtbaar. Zij deed een stap achteruit, opdat

mevrouw Steerforth haar gezicht niet zou kunnen zien en scheen met haar

schermen blik mijne gedachten te willen doorgronden.

„Het spijt mij u in den rouw te zien, mijnheer,” sprak mevrouw

Steerforth.

„Ik heb helaas mijne vrouw verloren,” antwoordde ik.

„Gij zijt wel jong, om nu reeds zulk een groot verdriet te kennen,”

antwoordde zij. „Het doet mij leed dat te vernemen. Het doet mij zeer

leed. Moge de Tijd u troost brengen.”

„Ik hoop, dat de Tijd ons allen troost zal brengen,” antwoordde ik,

terwijl ik haar aankeek. „Och, lieve mevrouw Steerforth, wij moeten

allen daarbij troost vinden, wanneer ons een slag treft.”

Mijn ernstige toon en de tranen, die mij in de oogen waren gesprongen,

schudden haar wakker. Haar geheele gedachtengang scheen plotseling een

schok gekregen te hebben.

Ik deed mijn best om mijne stem in mijne macht te houden, maar zij

beefde toen ik zacht zijn naam uitsprak. Zij herhaalde dien eenige

malen in zichzelve en wendde zich toen met gemaakte kalmte tot mij met

de vraag:

„Is mijn zoon ziek?”

„Heel ziek.”

„Hebt gij hem gezien?”

„Ja, ik heb hem gezien.”

„Zijt gij met elkander verzoend?”

Wat moest ik op deze vraag antwoorden? Ik kon ja noch neen zeggen. Zij

keerde zich even om naar de plek waar Rosa stond, en deze gelegenheid

nam ik waar, om met mijne lippen de beweging te maken alsof ik het

woord: ‚Dood’ uitsprak.

Opdat mevrouw Steerforth niet geheel achterom zou kijken en daar

duidelijk datgene lezen zou, waartoe zij nog niet genoegzaam was

voorbereid, ving ik snel haar blik op; maar ik had gezien hoe Rosa

Dartle met wanhoop en ontzetting op het gelaat de handen opgestoken en

toen voor haar gelaat geslagen had.

De mooie vrouw.... o, wat leek zij op hem!.... keek mij met een

doordringenden blik aan en bracht de hand naar haar voorhoofd. Ik

smeekte haar kalm te blijven en zich voor te bereiden op hetgeen

ik haar zeggen moest; maar ik had haar eerder moeten bidden om te

schreien, want zij zat daar aan een steenen beeld gelijk.

„Toen ik laatst hier was,” stotterde ik, „vertelde juffrouw Dartle

mij dat hij op zee was. De beide laatste nachten zijn verschrikkelijk

geweest op zee. Als hij eergisteren nacht op zee was en zich dicht bij

eene gevaarlijke kust bevond—zooals men mij vertelde was dit werkelijk

het geval—en indien het schip, dat men heeft zien vergaan, werkelijk

dat was, waarmede hij de reis deed....”

„Rosa!” zei mevrouw Steerforth, „kom bij mij!” Zij kwam doch zonder

eenig medelijden of de minste zachtheid te toonen. Hare oogen

schitterden als kolen vuur toen zij voor mevrouw Steerforth kwam staan

en zij barstte in een afschuwelijken lach uit.

„Ziezoo,” sprak zij, „is uw trots nu voldaan! krankzinnig schepsel? Nu

heeft hij voor u geboet... met zijn leven! Hoort gij 't wel?.... Met

zijn leven!”

Mevrouw Steerforth was achterover gezonken in haar stoel en gaf geen

geluid dan een dof gekreun, terwijl zij Rosa met wijdgeopende oogen

aanstaarde.

„Haha!” riep Rosa, terwijl zij zich hartstochtelijk op de borst sloeg,

„kijk mij maar aan! Kerm maar, zucht maar en kijk mij aan! Hier!”—zij

wees naar het litteeken—„hier, dit is het werk van uw dooden zoon!”

Het gekerm, dat de arme moeder nu en dan hooren liet, sneed mij door

de ziel. Er was niet de minste verandering in haar te bespeuren.

Onafgebroken dezelfde beweging met het hoofd en niet de geringste

verandering op haar gelaat. Voortdurend die gesloten mond, die vast

opeengeklemde tanden, alsof een pijnlijke kramp hare kaken gesloten

hield.

„Herinnert gij u nog wanneer hij dit deed?” vervolgde juffrouw Dartle.

„Herinnert gij u nog, hoe de erfgenaam van uw karakter, wiens trots en

drift door u zijn gevoed, mij voor mijn leven mismaakte? Kijk mij aan

en zie hoe hij mij in zijne hooghartigheid heeft gemerkt tot mijn dood

toe; en zucht en kerm dan omdat gij van hem gemaakt hebt wat hij was!”

„Juffrouw Dartle,” smeekte ik haar. „In 's Hemels naam.....”

„Ik _wil_ spreken,” zeide zij, terwijl hare oogen in mijne richting

vlammen schoten. „Zwijg! Kijk mij aan, zeg ik, gij, hooghartige moeder

van een hooghartigen, valschen zoon! Zucht over de wijze, waarop gij

hem hebt opgevoed, zucht over de wijze, waarop gij hem bedorven hebt,

zucht over uw verlies, zucht over het mijne!”

Zij klemde hare vuisten dicht en hare vermagerde gestalte beefde alsof

de hartstocht haar langzaam verteerde.

„_Gij_, hem zijne eigenzinnigheid euvel duiden!” riep zij uit. „Gij,

beleedigd door zijne hooghartigheid! Gij, die, toen uw haar grijs werd,

dezelfde hoedanigheden tegenover de zijne hebt gesteld, terwijl gij ze

hem bij zijne geboorte hadt medegegeven! Gij, die hem van zijne wieg af

hebt opgekweekt tot wat hij geworden is, en hem belet hebt te zijn wat

hij worden moest! Hebt gij nu uwe belooning gekregen voor al die jaren

arbeid?”

„Juffrouw Dartle, schaam u! Gij zijt wreed!”

„Ik zeg u,” antwoordde zij, „dat ik tot haar spreken _wil_. Geen macht

op aarde zou mij kunnen weerhouden, terwijl ik hier sta. Heb ik al

die jaren niet gezwegen en zal ik nu niet spreken? Ik heb hem meer

liefgehad dan gij ooit gedaan hebt!” riep zij uit, terwijl zij zich

woest tot haar wendde. „Ik kon hem liefhebben al beantwoordde hij mijne

liefde niet! Ware ik zijn vrouw geweest, ik zou een jaar lang zijne

slavin hebben willen zijn voor één woord van liefde! Wie weet beter dan

ik zelve wat ik voor hem wilde? Gij waart veeleischend, hooghartig,

zelfzuchtig! Mijne liefde zou geduldig geweest zijn, zou uw ellendig

gejammer met voeten hebben getreden!”

Hare oogen schoten vonken en zij stampte op den grond alsof zij

werkelijk iets vertrad.

„Zie hier!” vervolgde zij, terwijl zij zich op de mismaakte wang sloeg.

„Toen hij begon in te zien wat hij gedaan had, berouwde 't hem! Ik kon

voor hem zingen en met hem praten, en mijne belangstelling toonen in

alles wat hij deed, en met moeite en inspanning de kennis verwerven

van zaken, die hem het meest belang inboezemden, ik trok hem aan. Toen

hij nog niet bedorven was, had hij mij lief. Ja, hij had mij lief!

Menigmaal, als gij met een kort woord werd afgescheept, heeft hij mij

aan zijn hart gedrukt!”

Zij sprak deze laatste woorden op honenden toon, maar toch scheen zij

zich in hare razernij—zij was die nabij—met gretigheid te verdiepen

in een tijd, toen zij nog vatbaar was voor zachtere aandoeningen.

„Zooals ik wel had kunnen vermoeden, indien hij mij niet verblind had

door zijne hofmakerij, daalde ik langzamerhand af tot een pop, tot een

stuk speelgoed, waarmede hij zich in zijne ledige uren kon bezighouden,

dat hij kon wegwerpen en weder opnemen al naarmate zijne luimen hem

ingaven. Toen hij dit spel moede werd, was ook ik het moe. Toen zijne

genegenheid dood was, had ik evenmin willen beproeven, de macht, die

ik nog bezat, in het strijdperk te brengen, als ik zijne vrouw zou

geworden zijn, indien hij daartoe gedwongen ware geweest. Wij gaven

elkander de vrijheid zonder een woord te spreken. Wellicht hebt gij dat

gezien zonder eenigen spijt te gevoelen. Sedert ben ik voor u beiden

niets geweest dan een beschadigd en ontsierd meubel, zonder oogen,

zonder ooren, zonder gevoel, zonder herinneringen. Zuchten? Zucht over

hetgeen gij van hem gemaakt hebt; niet over uwe liefde voor hem. Ik

zeg het u, er is een tijd geweest, waarin ik hem meer liefhad dan gij

deedt!”

Zij stond daar met hare schitterende, toornige oogen tegenover dien

strakken, starenden blik en toen het gekerm opnieuw begon, deed haar

dat even weinig aan alsof zij tegenover eene schilderij had gestaan.

„Juffrouw Dartle,” zei ik, „indien gij zoo hardvochtig zijn kunt om

niets te voelen voor de wanhoop eener moeder.....”

„Wie voelt iets voor mij?” voegde zij mij op bitsen toon toe. „Zij

heeft dit gezaaid. Laat haar zuchten over hetgeen zij heden oogst!”

„En indien zijne gebreken.....” begon ik.

„Gebreken!” riep zij, in een hartstochtelijken tranenvloed

uitbarstend. „Wie durft kwaad spreken van _hem_? Hij had een hart, dat

duizenden vrienden waard was, zooals die waartoe hij afdaalde!”

„Niemand kan meer van hem gehouden hebben, niemand zal zijne

nagedachtenis meer in eere houden dan ik,” gaf ik ten antwoord. „Ik

bedoelde dat als gij geen medelijden hebt met zijne moeder, of indien

zijne gebreken—gij hebt ze is uwe bitterheid opgesomd...”

„Dat is niet waar!” riep zij, hare zwarte haren uittrekkend, „ik had

hem lief!”

„..... niet uit uwe herinnering kunnen verdwijnen,” ging ik voort, „in

een uur als dit, zie dan naar deze vrouw en al hadt gij haar nooit te

voren gezien, gij zoudt haar bijstaan!”

Gedurende al dezen tijd had mevrouw Steerforth onbewegelijk in haar

stoel gezeten en in de uitdrukking van haar oogen was niet de minste

verandering gekomen. Roerloos, strak, wezenloos voor zich uit starende,

loosde zij van tijd tot tijd een zucht met dezelfde beweging van haar

hoofd; overigens gaf zij geen enkel teeken van leven. Plotseling

knielde Rosa Dartle voor haar neer en begon hare japon los te maken.

„Vloek over u!” sprak zij, terwijl zij mijne oogen opzocht met eene

uitdrukking van spijt en woede in de hare.

„Vervloekt zij het uur waarop gij hier voor het eerst een voet hebt

gezet! Vloek over u! Ga heen!”

Nauwelijks was ik uit de kamer of ik haastte mij terug te keeren en

aan de schel te trekken, ten einde de dienstboden te waarschuwen. Zij

had de onbewegelijke gestalte in haar armen genomen en lag nu op haar

knieën te schreien, riep haar bij haar naam wiegde haar als een kind

aan hare borst en deed alles wat in haar vermogen was om den slapenden

geest op te wekken. Ik was nu niet meer bang om haar alleen te laten en

verliet onhoorbaar de kamer, waarna ik allen in huis bijeenriep om mij

te helpen.

Een weinig later keerde ik terug en legden wij hem op de kamer zijner

moeder neer. Men vertelde mij, dat zij nog in denzelfden toestand

verkeerde en dat juffrouw Dartle haar niet wilde verlaten; er was om

een dokter gezonden, men had alles beproefd, maar zij lag daar als een

steenen beeld, behalve dat zij nu en dan een zucht slaakte.

Ik liep het huis der rouwe door en liet overal de gordijnen neer—in

de kamer, waar hij lag, het laatst. Ik lichtte de loodzware hand op en

drukte die aan mijn hart, in de geheele wereld scheen doodsche stilte

te heerschen, die slechts afgebroken werd door het gekerm zijner moeder.

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 70 / 79 题