Storm.
Ik ben nu aan eene gebeurtenis genaderd, die zoo onuitwischbaar in mijn
geheugen is gegrift, eene gebeurtenis, zoo vreeselijk en zoo innig
verbonden met al hetgeen in de vorige bladzijden is beschreven, dat
ik van het begin van mijn verhaal af haar grooter en grooter heb zien
worden, evenals een toren aan het einde van eene uitgestrekte vlakte.
Zelfs op de voorvallen uit mijn jeugd werpt zij eene ondoordringbare
schaduw.
Jaren nadat zij plaats had, droomde ik er nog van. Menigmaal ben
ik in den nacht ontsteld opgesprongen, meenende dat zij in al hare
gruwzaamheid op mijn eenzame kamer plaats vond. Zelfs nu nog droom
ik er van bij lange tusschenpoozen. Telkens wanneer het stormt of ik
hoor spreken van het strand, moet ik er aan denken. Even duidelijk
als ik thans nog voor mij zie wat er gebeurde, zal ik trachten het te
beschrijven. Ik behoef mijn geheugen niet te hulp te roepen, want ik
zie het voor mij, alsof het op dit oogenblik gebeurt.
Het tijdstip, waarop de landverhuizers zouden uitzeilen, naderde met
rassche schreden en bracht ook mijne goede, oude kindermeid—toen zij
mij voor de eerste maal ontmoette, was zij bijna niet tot bedaren te
brengen—naar Londen. Ik was bijna voortdurend bij haar en haar broeder
en de Micawbers—deze waren onafscheidelijk—maar Emily zag ik nooit.
Op zekeren avond, toen de dag van het vertrek ophanden was, zat ik
alleen met Peggotty en haar broeder. Ons gesprek viel op Ham. Zij
vertelde ons hoe hartelijk hij afscheid van haar had genomen en hoe
flink en mannelijk hij zich altijd gedroeg, vooral in den laatsten
tijd, terwijl zij meende, dat hij op zulk een zware proef was gesteld.
Dit was een onderwerp, waarover het hartelijke schepsel nooit was
uitgepraat en onze belangstelling bij het aanhooren van al de
voorbeelden, die zij opsomde, zij, die altijd met en bij hem was, was
even groot als haar lust om er van te vertellen.
Tante en ik hadden intusschen de twee huisjes in Highgate verlaten;
ik zou op reis gaan en tante gaf er de voorkeur aan weder haar eigen
huisje te Dover te betrekken. Zoo hadden wij tijdelijk kamers in Covent
Garden. Toen ik dezen avond daarheen wandelde na het gesprek over Ham,
peinzend ook over hetgeen tusschen hem en mij was voorgevallen te
Yarmouth, werd mijn voornemen om voor Emily een brief achter te laten,
op het oogenblik dat ik aan boord afscheid nam van haar oom, aan het
wankelen gebracht. Het denkbeeld kwam in mij op of het niet beter zou
zijn haar nu te schrijven. Het was mogelijk dat zij na de ontvangst van
mijn brief eenig antwoord zou willen doen toekomen aan Ham. Daarvoor
moest ik haar de gelegenheid geven.
Eer ik naar bed ging, schreef ik dan ook aan haar en vertelde haar dat
ik hem gezien had en dat hij mij verzocht had haar te zeggen wat ik in
vorige bladzijden reeds heb meegedeeld. Zoo getrouw mogelijk gaf ik
zijn eigen woorden weer. Waartoe zou ik zijn eenvoudige taal, waaruit
niets anders sprak dan trouw en goedheid, opgesierd hebben? Ik sloot
dezen brief in bij eenige woorden van baas Peggotty, waarin ik verzocht
mijn schrijven aan Emily te overhandigen, en ging toen naar bed.
Ik was toenmaals minder sterk dan ik meende en aangezien ik niet voor
tegen het aanbreken van den morgen in slaap viel, bleef ik langer dan
gewoonlijk liggen en stond onverkwikt op. Tante zat bij mijn bed; dat
voelde ik in mijn slaap. Ik onderstel dat ieder mensch zoo iets voelen
zou.
„Beste Trot,” sprak zij toen ik de oogen opende, „ik kon niet besluiten
om u wakker te maken. Baas Peggotty is beneden; zal ik vragen of hij
boven wil komen?”
„Goed,” antwoordde ik en een oogenblik later stond hij voor mijn bed.
„Mijnheer Davy,” zei hij, „ik heb Em'ly uw brief gegeven en zij heeft
dit geantwoord; zij verzocht mij u te verzoeken het te lezen en zoo
gij er niets stuitends of kwetsends in vindt, u met de bezorging te
belasten.”
„Hebt gij het gelezen?” vroeg ik.
Hij knikte met een bedroefd gelaat. Ik opende den brief en las het
navolgende:
„Ik heb uw boodschap ontvangen. O, wat kan ik schrijven om u te
bedanken voor al uwe goedheid en vriendelijkheid?
Ik heb de woorden in mijn hart opgesloten en zal ze bewaren tot het
einde. Ze zijn als scherpe doornen, maar toch ook een troost voor
mij. O, ik heb zooveel gebeden. Als ik bedenk hoe goed ge zijt en
hoe goed oom is, dan besef ik hoe God wel zijn moet en kan ik tot
hem bidden.
Vaarwel voor eeuwig. Vaarwel, dierbare vriend; vaarwel voor altijd
in deze wereld. Als ik in die andere wereld vergiffenis vindt, zal
ik wellicht als kind ontwaken en tot u komen. Ontvang nogmaals mijn
innigen dank. Vaarwel voor eeuwig!”
Zoo luidde haar brief, waarop de sporen van hare tranen zichtbaar waren.
„Mag ik haar zeggen, dat gij er niets stuitends in vindt; en wilt gij u
dan met de bezorging belasten, mijnheer Davy?” vroeg baas Peggotty toen
ik den brief gelezen had.
„Ongetwijfeld,” antwoordde ik.... „maar ik denk... Zou het niet beter
zijn als ik er persoonlijk mede naar Yarmouth ging? Er is tijd genoeg;
ik kan dus terug zijn eer het schip vertrekt. Ik moet telkens aan hem
denken, zooals hij daar nu eenzaam is achtergebleven; hem dien brief
ter hand te stellen en u te kunnen vertellen op het oogenblik van
vertrek, dat hij dien gelezen heeft, zal beiden goed doen. Hij gaf mij
zijne opdracht op zulk eene plechtige wijze ... de arme kerel ... dat
ik die niet te volledig kan vervullen. De reis beteekent niets voor
mij. Eenige afleiding zal mij goed doen. Ik vertrek dus van avond.”
Hoewel hij zijn best deed om het mij te ontraden, zag ik toch wel dat
hij het met mij eens was; ware het noodig geweest mij aan te moedigen
dan zou de uitdrukking op zijn gezicht dat zeker gedaan hebben. Op
mijn verzoek ging hij langs het diligence-kantoor en nam eene plaats
voor mij op den bok en dienzelfden avond reed ik weder langs den weg,
waaraan zoo tallooze herinneringen voor mij waren verbonden.
„Vindt gij de lucht niet vreemd?” vroeg ik aan den koetsier, nog
eer wij de eerste pleisterplaats bereikt hadden. „Ik kan mij niet
herinneren de lucht ooit zoo vreemd gezien te hebben.”
„Ik ook niet,” antwoordde hij. „Die lucht voorspelt storm, mijnheer!
Het zal in de eerstvolgende dagen niet pluis zijn op zee.”
Het was een sombere chaos van donkere, onstuimig voortdrijvende wolken,
hier en daar gekleurd als met de rook van vochtige brandstof, nu en
dan op de meest zonderlinge wijze opeengehoopt, den toeschouwer in
den waan brengende, dat ze hoogten vormden grooter dan de diepte daar
beneden. En de maan scheen blindelings tusschen het wolkenheir door te
hollen, alsof zij niet meer luisterde naar de wetten der natuur, alsof
zij verdwaald was en angstig wegvluchtte. Het had dien geheelen dag
gewaaid, maar langzamerhand begon de wind hevig op te steken en betrok
de lucht al meer en meer. Toen de nacht inviel sloten zich de wolken
aaneen, zoodat het stikdonker was en te gelijkertijd nam de wind in
hevigheid toe. Onze paarden konden er nauwelijks meer tegen op. Meer
dan eens in het holst van den nacht—het was September; de nachten
waren dus niet kort—keerde het voorspan om of bleef staan en vreesden
wij dat de diligence zou omvallen. De regen werd door den storm
voortgezweept, zoodat de droppels met zooveel kracht neerkwamen, alsof
ze hagelsteenen waren; en telkens wanneer wij onder de beschutting
konden komen van boomen of muren, bleven wij maar staan, omdat wij toch
onmogelijk den strijd konden voortzetten.
Toen de dag aanbrak nam de storm nog in hevigheid toe. Ik was wel te
Yarmouth geweest als de zeelieden zeiden dat het ruw weer was, maar
iets dergelijks had ik nog nooit bijgewoond, zelfs in de verste verte
niet. Na elken voet grond als het ware betwist te hebben, kwamen wij
laat te Ipswich aan en vonden daar op de markt het grootste gedeelte
van de inwoners bijeen, die des nachts waren opgestaan omdat zij zich
in hunne huizen niet veilig waanden. Sommigen kwamen bij ons in de
herberg, terwijl wij van paarden verwisselden, en vertelden ons van
groote bladen zink, die van den kerktoren waren afgewaaid en in eene
achterstraat terechtgekomen zoodat deze thans geheel versperd was.
Anderen vertelden van landlieden, die van buiten naar de stad waren
gekomen en groote boomen hadden gezien, die uit den grond waren gerukt,
en geheele hooibergen over velden en wegen verspreid. En nog steeds nam
de storm in hevigheid toe.
Terwijl wij voortworstelden in de richting van de zee, proefden wij
reeds op grooten afstand het schuim en werden ons de zoute droppelen in
het gezicht gejaagd. In den omtrek van Yarmouth stond het vlakke land
mijlen in het rond onder water en toen wij de zee in het oog kregen,
teekenden de golven zich tegen den horizon af als een verafgelegen kust
met torens en gebouwen. De menschen in Yarmouth kwamen naar buiten,
voorovergebogen en met verwilderde haren en betuigden hunne verbazing
dat de postwagen in zulk noodweer nog was aangekomen.
Ik stapte in de oude herberg af en ging naar het strand om de zee
te zien; voortwaggelend door de straten, die met zand en zeewier
waren bedekt, terwijl ik telkens gevaar liep door vallende pannen
of leien getroffen te worden en mij op de hoeken der straten aan de
menschen, die ik tegenkwam, moest vasthouden evenals zij aan mij. Toen
ik op het strand kwam zag ik niet alleen de schippers maar de halve
bevolking op den uitkijk staan, verscholen achter alles wat eenigszins
eene schuilplaats kon aanbieden; sommigen trotseerden nu en dan den
woedenden storm om naar de zee te zien en werden, wanneer zij wilden
terugkeeren, geheel uit den koers gewaaid.
Toen ik mij bij een dier groepjes voegde, vond ik jammerende vrouwen,
wier echtgenooten op de haring- of oestervangst waren, en die
terecht vreesden, dat er geen gelegenheid geweest was om de booten
in veiligheid te brengen; oude, grijze zeelieden, die bedenkelijk
het hoofd schudden, terwijl zij van de zee naar de lucht keken en
onverstaanbare woorden onder elkander mompelden; reeders in angstige
spanning; kinderen, die samenschoolden en de ouderen naar de oogen
keken; stoute zeelieden, die met angst en onrust op het gelaat hunne
kijkers op de zee richtten alsof zij een vijand bespiedden.
Wanneer ik tusschen de stormvlagen en de rondvliegende steenen en
zandwolken door een oogenblik de oogen kon open houden, ontstelde
ik telkens weder van de ontzagwekkende zee. Het scheen wel of de
aanrukkende golven, die, wanneer ze haar toppunt bereikt hadden,
schuimend neerploften, de geheele stad zouden bedelven; zij beukten het
strand en groeven met één slag reusachtige holen in het zand, alsof zij
de aarde wilden ondermijnen. Wanneer de wit gekuifde baren donderend
kwamen aanrollen en eer zij het land bereikten, vaneen sloegen, scheen
elk gedeelte nog de woedende kracht te behouden van het geheel en
snelde het voort, om met andere golfgevaarten tot één afschrikwekkend
monster saam te smelten. Golvende heuvelen werden plotseling in diepe
ravijnen, ravijnen, waarboven nu en dan een stormvogel heengierde, in
heuvelen herschapen; ontzaglijke massa's water vielen dreunend neder op
het strand; in de grilligste vormen rolden de golven voort, alles op
haar weg vernielend en medesleurend, om eindelijk, na tallooze malen
van vorm te hebben verwisseld, op het strand te pletter te slaan; de
kust, welke in mijne verbeelding aan den horizon verrezen was, verdween
met zijn torens en gebouwen om in het volgende oogenblik weder te
verrijzen; woest joegen de wolken op en over elkander voort; de gansche
natuur scheen in een onstuimigen kampstrijd gewikkeld.
Aangezien ik Ham niet vond onder hen, die deze gedenkwaardige
storm—volgens menschenheugenis de zwaarste die ooit op deze kust
heeft gewoed—had bijeengebracht, begaf ik mij naar zijne woning. Deze
was gesloten en toen niemand op mijn kloppen antwoordde, ging ik door
achterstraatjes en stegen naar de werf waar hij werkte. Ik vernam daar
dat hij naar Lowestoft was vertrokken ten einde iets aan een schip te
kalefateren, dat aan zijne bekwame hand bijzonder was toevertrouwd; hij
kon den volgenden morgen vroegtijdig terug zijn.
Ik keerde terug naar de herberg en na vergeefs getracht te hebben wat
te slapen, maakte ik mijn toilet in orde. Het was toen reeds vijf uur
in den namiddag. Ik had nog geen vijf minuten bij den haard in de
gelagkamer gezeten, toen de bediende, die het vuur wat kwam opstoken,
mij met eenige verontschuldigingen, omdat hij mij aansprak zonder
daartoe uitgenoodigd te zijn, vertelde dat op eenige mijlen van de
kust twee kolenschepen met man en muis waren vergaan en dat men nog
meer schepen op de reede had gezien, die wanhopende pogingen deden om
van de kust af te blijven. „De Hemel zij hen en alle arme schepelingen
genadig, indien wij nog een dergelijken nacht moesten beleven!”
Ik was zeer terneergeslagen en voelde mij erg eenzaam, terwijl ik
mij geheel noodeloos ongerust maakte over de afwezigheid van Ham. De
jongste gebeurtenissen hadden mij meer aangegrepen dan ik zelf wist en
het langdurige staan in dien hevigen wind had mij geheel van streek
gebracht. Mijne gedachten en mijn geheugen waren zoo verward dat ik het
juiste begrip van tijd en afstand scheen verloren te hebben. Ware ik de
stad ingegaan, dan zou het mij b.v. niets verbaasd hebben, indien ik
iemand ware tegengekomen, die op dat oogenblik in Londen zijn moest. Ik
kan daarvoor geen betere uitdrukking vinden dan dat mijn geest aan eene
zonderlinge onoplettendheid lijdende was; toch was ik vervuld met al
de herinneringen, die het plaatsje natuurlijk bij mij opwekte en deze
waren zelfs bijzonder duidelijk en levendig. In dezen toestand bracht
ik het treurig bericht, dat de bediende mij meedeelde, onmiddellijk en
zonder dat mijn wil daarop eenigen invloed had, in verband met mijne
ongerustheid over Ham. De vrees kwam bij mij op dat hij over zee van
Lowestoft zou zijn teruggekeerd en nu verloren was en deze vrees nam
zulke groote afmetingen aan, dat ik besloot nog voor het middagmaal
naar de werf te gaan en den scheepsbouwmeester te vragen of hij mijne
onderstelling waarschijnlijk achtte. Indien dat zoo was, wilde ik zelf
naar Lowestoft gaan en hem van dat roekelooze plan terughouden door hem
mede te brengen.
Haastig bestelde ik het middagmaal en ging naar de werf, waar ik
nog juist bijtijds aankwam, want de meesterknecht was bezig met een
lantaarn in de hand de poort te sluiten. Hij lachte mij hartelijk uit
toen ik hem de vraag deed en zei dat daarvoor niet de minste vrees
bestond; niemand, hetzij hij zijn verstand gebruikte of niet gebruikte,
zou in zulk een noodweer zich op zee wagen. Ham Peggotty zeer zeker
niet, want die was een geboren zeeman. Ik had dit vooraf zoo goed
geweten dat ik mij schaamde de vraag gedaan te hebben. Toch had ik het
niet kunnen laten. Ik keerde dus naar de herberg terug.
Indien zulk een storm nog heviger worden kon dan geloof ik dat het
ditmaal het geval was. Het gehuil en gebulder, het rammelen van de
deuren en vensters, het loeien in de schoorsteenen, het schijnbare
slingeren van het huis, waarin ik eene schuilplaats gevonden had,
het ontzettend, aanhoudend rumoer om mij heen, dat alles was nog
angstverwekkender dan 's morgens. Bovendien heerschte er op dit
oogenblik volslagen duisternis, waardoor de wezenlijke en ingebeelde
gevaren nog grooter werden.
Ik kon niet eten, ik kon niet stil zitten, ik kon mij met niets
bezighouden. Er was iets in mij, dat eenigszins overeenstemde met den
storm, iets dat rondwoelde in mijne herinneringen, maar toch traden
telkens de storm en mijne ongerustheid over Ham weder op den voorgrond.
Mijn middagmaal werd bijna onaangeroerd weggenomen en ik trachtte mij
door het gebruik van een paar glazen wijn een weinig op te frisschen.
Vergeefsche poging! Ik viel voor den haard in een doffe sluimering
doch bleef mij bewust zoowel van het geraas buiten als van de plaats,
waar ik mij bevond. Beide werden echter overschaduwd door een nieuw
en onverklaarbaar gevoel van angst, en toen ik ontwaakte of liever
mij losrukte uit den toestand van bedwelming, die mij aan mijn stoel
had gebonden, beefde ik over mijn gansche lichaam van ongegronde en
onbegrijpelijke vrees. Ik liep eenigen tijd heen en weer, trachtte een
oud nieuwsblad te lezen, luisterde naar de angstverwekkende geluiden
buiten en zag allerlei gezichten en tooneelen in de opflikkerende
vlammen.
Het was eene geruststelling dat eenige bedienden waren overeengekomen
gedurende den nacht om beurten te blijven waken. Ik ging dus naar bed,
doodmoe en slaperig; maar toen ik mij had neergelegd verdween dat
gevoel, alsof ik door een tooverstok was aangeraakt en bleef ik zoo
helder wakker als ik den geheelen dag niet geweest was.
Uren lang lag ik naar den wind en het water te luisteren; mij nu eens
verbeeldende dat ik angstkreten, dan weder dat ik noodschoten hoorde of
dat een of meer huizen in de stad invielen. Verscheidene malen stond
ik op om naar buiten te kijken, maar ik zag niets dan den weerschijn
van de flauw brandende kaars op de vensterruiten en van mijn eigen
bleek gelaat, dat mij uit de zwarte duisternis scheen aan te staren.
Eindelijk nam mijne rusteloosheid zoodanig toe, dat ik mij haastig
aankleedde en naar beneden ging. In de groote keuken, waar ik de
zijden spek en de risten uien, die aan de zoldering hingen, niet dan
flauw kon onderscheiden, zaten de wakende bedienden in verschillende
houdingen om de tafel, die met opzet van den grooten schoorsteen naar
de deur was verschoven. Een aardig meisje, dat de ooren met haar schort
had toegestopt en de oogen voortdurend op de deur scheen gevestigd te
houden, gaf een gil, toen ik binnentrad, meenende een spook te zien;
de anderen hadden hunne zinnen beter bij elkander en waren blijde dat
ik het gezelschap kwam vergrooten. Een van hen, het onderwerp, dat zij
besproken hadden, weder opnemende, vroeg mij of ik ook niet van meening
was dat de geesten van de kolenschippers, die vergaan waren, nu in den
storm rondwaarden.
Ik bleef daar, als ik mij wel herinner, twee uren. Eenmaal opende ik
de buitendeur en sloeg een blik op de straat. Zand, zeewier en vlokken
schuim, anders zag ik niets en ik moest hulp roepen om de deur weder te
sluiten waar de wind vlak op stond.
Toen ik eindelijk naar mijne kamer terugkeerde, was het daar geheel
duister; maar nu was ik zoo vermoeid, dat ik nogmaals mijn bed opzocht
en terstond in slaap viel. Ik herinner mij nog zeer goed, dat ofschoon
ik droomde van geheel andere plaatsen en dingen, het toch in mijn droom
voortdurend stormde. Eindelijk verloor ik ook dit flauwe bewustzijn
van de werkelijkheid en bevond ik mij met twee goede vrienden—wie
het waren weet ik niet—in eene belegerde stad. Het gebulder van de
kanonnen ging zoo onafgebroken voort, dat ik iets, wat ik gaarne
hooren wilde, niet kon verstaan, en dit duurde zoo lang tot ik eene
buitengewone inspanning deed en ontwaakte. Het was helder dag...
acht of negen uur; in plaats van het kanongebulder woedde de storm
nog steeds voort en er stond iemand op de gang te roepen en op mijne
kamerdeur te kloppen.
„Wat is er?” riep ik.
„Een schip in nood! Vlak bij de kust!”
Ik sprong uit het bed en vroeg: „Wat voor een schip?”
„Een Spaansche of Portugeesche schoener, beladen met vruchten en wijn.
Haast u mijnheer, indien gij er nog iets van zien wilt! Op het strand
zegt men dat het elk oogenblik uit elkander kan slaan!”
De opgewonden stem ging nog steeds roepende de trap af en ik trok zoo
spoedig mogelijk eenige kleedingstukken aan en snelde de straat op.
Een aantal menschen liepen voor mij uit, allen in dezelfde richting,
naar het strand. Ik liep er meer dan een voorbij en stond weldra
tegenover de onstuimige zee.
De storm mag op dat oogenblik een weinig bedaard zijn geweest, maar
niet meer dan alsof in mijn droom een dozijn kanonnen van al de
honderdtallen was tot zwijgen gebracht. De zee, den ganschen nacht
telkens meer in beroering gebracht, was echter nog onstuimiger en
angstverwekkender dan ik haar ooit gezien had. Alles wat men zag maakte
den indruk van gezwollen te zijn en de hoogte, waarop de schuimende
baren zich verhieven, over elkander heenkeken en elkaar vermorselden,
de kracht, waarmede ze telkens en telkens weder het strand beukten, was
ontzettend.
De inspanning, die het mij kostte in het eerst iets anders te hooren
dan het geloei van den storm en het donderen van de golven, benevens
de moeite die ik had om mij staande te houden, waren oorzaak dat ik,
hoe ik de zee ook langs tuurde om het schip te ontdekken, niets zag
dan de hooge, witgekuifde golven. Een half gekleede schipper, die
naast mij stond, wees mij met den ontblooten arm,—er was een pijl op
getatoueerd, die in dezelfde richting wees—naar links. En toen, ja,
groote God, toen zag ik het vlak bij ons!
De eene mast was vlak boven het dek afgebroken en lag over boord,
verward in zeilen en tuigage en beukte het schip, dat onafgebroken
en met ongeloofelijke kracht slingerde en stampte, alsof het vaneen
gespleten moest worden. Er werden pogingen in het werk gesteld om de
tuigage af te kappen, want toen het wrak zich met de lange zijde naar
ons toekeerde, zag ik duidelijk het scheepsvolk met bijlen aan het
werk; vooral werd mijne aandacht getrokken door eene slanke gestalte
met krullend haar, die boven de anderen uitstak. Op dit oogenblik ging
van het stand een geweldige kreet op, die alles overstemde; de zee
was over het stampende wrak heengeslagen en had alles wat er op was,
menschen, tonnen, planken, de verschansing zelfs in de kokende branding
verzwolgen. De tweede mast stond nog overeind met de overblijfselen van
een gescheurd zeil en een netwerk van gebroken touwwerk, dat in den
wind heen- en weerfladderde. Het schip heeft eens gestooten, schreeuwde
dezelfde schipper mij met heesche stem in het oor, is toen weder
losgeraakt en heeft opnieuw gestooten. Ook begreep ik uit zijne woorden
dat het wrak splijten zou en dit kwam mij zeer waarschijnlijk voor
omdat tegen zulk stampen en stooten geen menschen werk bestand kon
zijn. Terwijl hij sprak ging er weder een kreet van medelijden op uit
de verzamelde toeschouwers; vier man verrezen met het wrak uit de
diepte en klemden zich vast in het nog bestaande want en in den mast;
en weder boven alles uit zag ik die slanke gestalte met het krullende
haar.
Er was een bel aan boord en terwijl het wrak als een razende slingerde
en schudde, ons nu eens het geheele dek dan weder de kiel vertoonende,
vooroverdook om tusschen twee golven te verdwijnen en in het volgend
oogenblik bovenop een andere te staan, luidde de bel aanhoudend door en
dat geluid, de doodsklok dier ongelukkigen, werd door den wind naar
het strand gevoerd.
Weder was het geheele wrak voor een oogenblik verdwenen en toen het
weder zichtbaar werd, waren er nog slechts twee mannen in het want.
De angst nam op het strand met elke seconde toe. De mannen sloegen de
handen wanhopend ineen, de vrouwen jammerden en keerden het gelaat af.
Eenigen liepen half razend het strand op en neer, hulp roepende terwijl
onmogelijk hulp kon worden geboden. Ik zelf behoorde tot deze laatsten
en smeekte een troepje schippers, die ik kende, de ongelukkige menschen
toch niet voor onze oogen te laten verdrinken.
Zij deelden mij met ontroerde stemmen mede—ik weet niet hoe, want
ik was zelf te zenuwachtig om hunne woorden goed te begrijpen—dat
de reddingboot al een uur geleden bemand was met de dappersten uit
de stad, maar dat zij niets konden uitrichten; dat niemand zoo
roekeloos zou zijn om met een lijn door de branding te waden en zoo
de gemeenschap met het strand tot stand te brengen; zoodat er niets
overbleef om te beproeven. Daar bemerkte ik dat er plotseling beweging
kwam onder de toeschouwers op het strand, ik zag hen uitwijken en.....
Ham liep tusschen hen door. Ik snelde naar hem toe—ik herinner het mij
zeer goed—om ook hem tot helpen aan te sporen. Hoe verbijsterd ik ook
was tengevolge van dit voor mij nieuwe en vreeselijke schouwspel, de
vastberaden uitdrukking op zijn gelaat, de blik, dien hij naar de zee
wierp—geheel dezelfde als op den morgen na Emily's verdwijning—deden
mij plotseling het gevaar beseffen, waarin hij zich begaf. Met beide
armen hield ik hem vast en smeekte de mannen, met wie ik had staan
praten, niet naar hem te luisteren, hem niet toe te staan zich op te
offeren, hem geen pas verder te laten doen!
Wederom ging er een kreet op langs het strand; naar het wrak kijkende
zagen wij hoe het wreede zeil zich had losgerukt en telkens en telkens
weder neersloeg op een der mannen, om daarna als zegepralend om de
slanke gestalte rond te fladderen, die nu nog alleen in de mast was
overgebleven.
Ten aanschouwe van zulk een wanhopenden toestand had ik evengoed den
storm kunnen bezweren als den vastberaden kalmen man, die altijd
iedereen voorging in het gevaar, van zijn eenmaal gevat besluit
terugbrengen. „Jongeheer Davy,” zei hij, mijne beide handen in de zijne
nemende, „als mijn tijd daar is, dan is er niets aan te veranderen; zoo
niet, dan zal ik hem afwachten. De Heer daarboven zegene u en allen!
Mannen, houdt u gereed! Ik ga er op los!”
Ik werd, doch niet met ruwheid, achteruitgebracht, tusschen eenige
schippers en schippersvrouwen, die, als ik mij goed herinner,
verklaarden dat er toch niets aan te doen was; had hij eenmaal een
plan opgevat dan volvoerde hij het ook en ik zou door mijn optreden de
mannen, die hem behulpzaam moesten zijn, maar hinderlijk wezen. Ik weet
niet wat ik antwoordde, noch wat zij nog verder spraken; maar ik zag
de mannen aan het strand heen en weerloopen, ik zag hen een lang touw
halen van een kaapstander, die daar stond ik zag hen daarmede een kring
van mannen binnengaan, die Ham aan mijn oog onttrok. Maar nu zag ik hem
heel duidelijk; hij stond geheel alleen, gekleed in een zeemansbuis en
broek, met één touw om den arm gewonden en in de hand en een ander om
het lichaam; eenige van de flinkste mannen, die op een afstand stonden,
hielden het andere uiteinde vast, terwijl Ham het losjes voor zich op
den grond uitlegde.
Zelfs voor mijn ongeoefend oog was het duidelijk, dat het wrak bezweek.
Ik zag dat het op het punt was van in het midden door te barsten en
dat het leven van den man in den mast aan een zijden draad hing.
Toch bleef hij zich er aan vastklemmen. Hij droeg eene zonderlinge,
roode muts, lichter van kleur dan de matrozen gewoonlijk droegen, en
terwijl de weinige planken, die hem van een wissen dood scheidden,
dreigden vaneen te splijten, zagen wij hem allen met die muts wuiven.
Zonderling! Deze beweging bracht mij een verloren vriend in herinnering!
Ham bespiedde geheel alleen staande de zee; achter hem was het
doodstil, allen hielden den adem in; voor hem woedde de storm met
onverpoosd geweld. Daar rolt een reusachtige golf terug.—Ham kijkt
even om naar de mannen, die het touw houden, loopt de golf achterna
en een oogenblik later zien wij hem kampen tegen de hooge zeeën,
nu eens boven op een golf dan weder in de diepte, onder het schuim
bedolven, in de volgende seconden teruggeworpen naar het strand.....
Vlug halen de mannen het touw in en trekken hem op het strand. Hij was
gewond. Ik zag bloed op zijn gelaat, maar hij scheen zich dat niet aan
te trekken. Haastig beduidde hij hun dat zij hem meer vrij moesten
geven—ik maakte dat tenminste uit de beweging van zijn hand op—en
snelde nogmaals de zee in. Hij hield recht op het wrak aan, nu eens
boven op eene golf, dan weder in de diepte, terug naar het strand en
weder voorwaarts in de richting van het schip met forsche, krachtige
slagen. De afstand beteekende niets, maar de kracht van de zee en van
den storm maakte den strijd tot een doodstrijd. Eindelijk was hij het
wrak zoo nabij, dat één enkele forsche slag hem zijn doel zou hebben
doen bereiken, toen een hooge, groene berg, achter het schip om, op
het strand scheen aan te rollen. Met een geweldigen sprong scheen hij
er zich boven op te willen werpen...... maar het wrak was verdwenen!
Ik zag eenige overblijfselen door het water dwarrelen alsof er niets
meer dan een ton aan splinters was geslagen en liep toen met de
anderen naar de plek, waar zij hem hadden ingepalmd. Op ieders gelaat
was de grootste ontsteltenis te lezen. Zij sleepten hem tot aan mijne
voeten.... maar hij lag onbewegelijk..... hij was dood. Men bracht hem
naar de naastbijzijnde woning en aangezien niemand het mij verhinderde,
bleef ik bij hem, terwijl alles in het werk werd gesteld om hem bij te
brengen; maar de groote golf had hem doodgeslagen en zijn trouwe hart
had voor eeuwig opgehouden te kloppen.
Toen alle hoop vervlogen en alles voorbij was, en ik nog bij zijn bed
zat, werd de deur geopend en trad een oude schipper binnen, die Emily
en mij gekend had toen wij nog kinderen waren. De man had tranen op
zijn verweerd gelaat, dat doodsbleek was, en fluisterde met bevende
lippen:
„Ga eens met mij mee, mijnheer?”
Er lag iets in zijn blik dat mij weder aan vroeger dagen herinnerde.
Ontsteld vroeg ik hem met mijne hand op zijn arm:
„Is er een lijk aangespoeld?”
„Ja,” antwoordde hij.
„Ken ik het?” vroeg ik weder.
Geen antwoord. Hij bracht mij naar het strand en op dat gedeelte, waar
zij en ik als kinderen schelpen hadden gezocht, op dat gedeelte, waar
de oude boot, thans door den storm in splinters geslagen, gestaan had,
tusschen de overblijfselen van de door hem onteerde woning, daar lag
hij met den arm onder het hoofd, zooals ik hem zoo menigmaal had zien
slapen, toen wij nog vrienden waren.