LIV.

Gewaarwordingen van verschillenden aard.

Het is nu geen geschikt tijdstip om uit te weiden over mijn

gemoedstoestand onder den druk van mijn leed. Ik begon te meenen, dat

de toekomst mij niets meer kon aanbieden, dat alle lust, belangstelling

en ijver voor mijn werk waren uitgebluscht, dat alleen een vroegtijdige

dood uitkomst zou kunnen geven. Ik zeg, deze gedachten hielden mij

bezig, evenwel niet onder den eersten schok van mijn bitter verdriet.

Langzamerhand welden ze op. Hadden de gebeurtenissen, die ik thans

ga verhalen, mij niet afgeleid, in den aanvang mijne smart eenigszins

naar den achtergrond gedrongen en later vermeerderd, dan ware het

mogelijk, hoewel niet waarschijnlijk geweest, dat ik terstond in dien

toestand was geraakt. Thans moest er eenige tijd voorbijgaan eer ik

tot het besef kon komen van de grootte van mijn leed; een tijd, waarin

ik meende dat het zwaarste leed reeds geleden was, waarin mijn hart

troost kon vinden in de herinnering van al wat daar rein en schoon was

in mijne geschiedenis van de laatste jaren, die thans voor eeuwig was

afgesloten.

Wanneer mij voor de eerste maal de raad werd gegeven buitenslands te

gaan, of hoe wij het onder elkander eens werden dat ik door reizen en

verstrooiing herstel zou zoeken voor mijne verstoorde gemoedsrust,

kan ik zelfs nu niet met zekerheid meedeelen. De geest van Agnes

beheerschte in deze dagen dermate alles wat wij dachten, zeiden

of deden, dat ik zeker niet ver mistast, indien ik dit plan aan

haar invloed toeschrijf. Haar invloed liet zich echter altijd zoo

onmerkbaar gevoelen, dat ik het niet meer weet. Ik begon nu werkelijk

te denken dat het visioen, waarin zij mij eens had doen denken aan

het geschilderde venster in de kerk, eene profetie was geweest van

hetgeen zij in den tijd, als mij de grootste ramp zou treffen, voor

mij worden zou. In die droeve dagen, van het oogenblik af, dat zij met

opgeheven hand voor mij stond, was zij de troosteres, de weldoenster

in mijne eenzame woning. Toen de Engel des Doods Dora's kamer

binnenzweefde—zoo vertelde men mij later—was mijn kind-vrouwtje met

een glimlach om de lippen aan Agnes' borst in slaap gevallen. Toen ik

uit mijne bezwijming ontwaakte, brachten hare tranen mij het eerst

tot de bewustheid van hetgeen was gebeurd, verzachtte hare weldadige

nabijheid, haar lief gelaat, dat zich, als uit reiner en hooger

gewesten neergedaald, over mij heenboog het eerst mijne bittere smart.

Laat mij voortgaan.

Ik zou reizen. Dat schijnt het eerst onder ons besloten te zijn

geweest. Nu het stoffelijk overschot van mijn kind-vrouwtje aan den

schoot der aarde was toevertrouwd, wachtte ik slechts op de „totale

vernietiging van Uriah Heep”, zooals mijnheer Micawber mij schreef, en

op het vertrek van de landverhuizers.

Op verzoek van Traddles, den hartelijksten en meest belangeloozen

vriend in mijn leed, brachten wij nogmaals een bezoek aan Canterbury;

ik bedoel Agnes tante en ik. Volgens afspraak stapten wij aan de woning

van mijnheer Micawber af. Daar en bij mijnheer Wickfield was Traddles

sinds onze onstuimige bijeenkomst onafgebroken werkzaam geweest. Toen

mevrouw Micawber mij in zwaren rouw zag binnentreden, was zij hevig

aangedaan. Mevrouw Micawber had een goed hart en had dit ook in al die

jaren van tegenspoed behouden.

„Wel, mijnheer en mevrouw Micawber,” was tante's eerste vraag nadat wij

allen een stoel hadden gekregen, „hebt gij eens nagedacht over mijn

voorstel om de zee over te steken?”

„Beste mevrouw,” antwoordde mijnheer Micawber, „wellicht kan ik het

besluit, waartoe mevrouw Micawber en uw gehoorzame dienaar, ook mag ik

onze kinderen niet vergeten, gekomen zijn, zoowel ieder voor zich als

gezamenlijk niet beter in woorden brengen dan door een regel aan te

halen van een onzer beroemdste dichters! „_Our boat is on the shore,

and our bark is on the sea._””

„Dat doet mij genoegen,” zei tante. „Ik durf u alles goeds voorspellen

van uw verstandig besluit.”

„Mevrouw,” hernam mijnheer Micawber, „gij bewijst ons eene groote eer.”

Daarna raadpleegde hij eenige aanteekeningen, die hij gemaakt had. „Wat

betreft de finantiëele hulp, zonder welke wij niet in staat zouden zijn

onze broze kano op den oceaan der onderneming te laten uitloopen, meen

ik u niet beter te kunnen voorstellen dan wisseltjes van mij aan te

nemen—het is onnoodig hierbij te voegen: geschreven op zegel, zooals

bij de verschillende Parlementsbesluiten is bepaald—op achttien,

vierentwintig en dertig maanden. In den aanvang meen ik u voorgesteld

te hebben twaalf, achttien en vierentwintig, maar bij nader inzien

komt het mij voor dat eene dergelijke regeling mij onvoldoende ruimte

van tijd toelaat om te wachten tot zich iets opdoet! Wij zouden,”

vervolgde hij, rondkijkende alsof zijn oog gleed over honderden bunders

uitstekend bouwland, „wij zouden ongelukkig kunnen zijn met onzen

eersten oogst, of onzen oogst nog niet hebben binnengehaald op het

oogenblik dat de eerste termijn verviel. Naar ik meen, is het moeilijk

arbeid te vinden in dat gedeelte van onze overzeesche bezittingen, waar

het ons lot zal zijn met den grond den strijd om het bestaan aan te

binden.”

„Regel dat geheel zooals gij verkiest, mijnheer,” zei tante.

„Mevrouw,” hernam hij, „mevrouw Micawber en ik zijn zeer gevoelig

voor de welwillende en vriendelijke medewerking van onze vrienden en

beschermers. Ik wensch niets liever dan stipt mijn woord te houden. Nu

wij op het punt zijn eene bladzijde in ons levensboek om te slaan en

als het ware terugtreden om een sprong te nemen van ongewone grootte,

is het voor mijn gevoel van eigenwaarde van het grootste belang en

wellicht ook een navolgenswaardig voorbeeld voor mijn zoon, indien

deze beschikkingen met de meeste nauwkeurigheid worden getroffen, als

tusschen man en man.”

Ik weet niet of mijnheer Micawber met deze laatste uitdrukking eene

bepaalde bedoeling had, noch of iemand dat heeft of had; maar het

scheen dat hij daarmede erg ingenomen was, want bij herhaalde haar met

een veelbeteekenend kuchje: „als tusschen man en man.”

„Ik heb,” ging hij voort, „van wissels gesproken—wissels, die den

handel vergemakkelijken en aan de Joden hun ontstaan te danken hebben,

die er, zooals ik heb ondervonden, een duivelsch gebruik van kunnen

maken—omdat, ze gedisconteerd kunnen worden. Indien echter eene

schuldbekentenis of eenig ander bewijsstuk doelmatiger geacht wordt,

ben ik onmiddellijk bereid om zulk een document op te maken. Als

tusschen man en man.”

Tante meende, dat waar beide partijen genegen zijn met alles genoegen

te nemen, het niet moeilijk wezen zou deze zaak tot eene oplossing te

brengen en mijnheer Micawber kon zich ook met deze uitspraak zeer wel

vereenigen.

„Verder verzoek ik u verslag te mogen doen van de huishoudelijke

toebereidselen, mevrouw,” hernam hij met niet weinig trots, „die noodig

waren alvorens wij onze nieuwe bestemming tegemoet treden. Mijne oudste

dochter gaat elken morgen om vijf uur uit om de kunst—indien ik het

eene kunst noemen mag—aan te leeren van het melken. Mijne jongere

kinderen hebben de opdracht zich, voor zooveel de omstandigheden

daartoe de gelegenheid bieden, op de hoogte te stellen van de gewoonten

van varkens en pluimgedierte, die in de armere gedeelten van de stad in

menigte gehouden worden, eene taak, waarbij zij eenige malen in gevaar

verkeerd hebben van overreden te worden. Ik zelf heb mij in de laatste

weken toegelegd op de bakkunst en mijn zoon Wilkins gaat elken dag uit,

gewapend met een wandelstok, ten einde zich te oefenen in het drijven

van vee, indien namelijk de ruwe huurlingen, die met deze taak zijn

belast, genoegen willen nemen met zijne vrijwillig aangeboden diensten;

het grieft mij voor de eer van het menschdom te moeten zeggen dat hem

dit nog niet dikwijls is mogen gelukken, dat hem, integendeel, onder

het uiten van de gemeenste verwenschingen, herhaaldelijk de toestemming

is geweigerd.”

„Dat is alles uitstekend!” zei tante op aanmoedigenden toon. „Ik

twijfel niet of mevrouw Micawber zal ook haar tijd hebben weten te

benutten.”

„Lieve mevrouw,” antwoordde mevrouw Micawber met den grootsten ernst,

„ik wil gaarne bekennen dat ik mij niet onledig heb gehouden met

zaken, die den landbouw of de veeteelt onmiddellijk betreffen, hoewel

ik zeer goed besef dat beide aan dat overzeesche strand ten volle

mijne aandacht zullen verdienen. Ik heb den tijd, dien ik niet aan

mijne huishoudelijke plichten behoefde te wijden, gebruikt voor eene

eenigszins uitvoerige briefwisseling met mijne familie. Het komt mij

namelijk voor, mijn waarde heer Copperfield,” vervolgde zij, als

gewoonlijk het woord tot mij richtende met wie of wien zij ook in

gesprek was, „dat nu de tijd is aangebroken, waarin het verleden met

den mantel der vergetelheid kan worden bedekt, mijne familie mijnheer

Micawber en mijnheer Micawber mijne familie de hand kan reiken; dat de

leeuw zich rustig kan nederleggen bij het lam en mijne familie op een

goeden voet kan komen met mijnheer Micawber.”

Ik zei dat ik het daarmede geheel eens was.

„Dit is ten minste het licht, waarin ik deze zaak beschouw, mijnheer

Copperfield,” ging mevrouw Micawber voort. „Toen ik nog bij papa en

mama thuis was, en wij in onzen intiemen kring de eene of andere zaak

behandelden, was papa gewoon te vragen: „In welk licht beschouwt mijne

Emma deze zaak?” Ik weet dat papa bevooroordeeld was ten opzichte van

zijne Emma; maar omtrent zulk eene gewichtige zaak als de koelheid,

die daar altijd geheerscht heeft tusschen mijnheer Micawber en mijne

familie, heb ik toch eene meening gevormd, al is die wellicht onjuist.”

„Natuurlijk hebt gij die, mevrouw,” zei tante.

„Juist,” hernam mevrouw Micawber. „Nu is het mogelijk dat ik tot

verkeerde gevolgtrekkingen kom, het is zelfs heel waarschijnlijk;

maar mijne persoonlijke meening is dat de klove tusschen mijnheer

Micawber en mijne familie zoo groot is gebleven, omdat mijne familie

voortdurend vreesde in mijnheer Micawber's geldelijke ongelegenheden

te worden betrokken. Ik kan het niet helpen,” vervolgde zij met een,

zoo mogelijk, nog ernstiger gezicht, „maar ik moet telkens denken, dat

enkele leden mijner familie vreesden door mijnheer Micawber om hun naam

gevraagd te worden. Ik bedoel daarmede niet om als peet op te treden

bij den doop van onze kinderen, maar om op wissels geplaatst en op de

Beurs verhandeld te worden.”

De scherpzinnigheid, die mevrouw Micawber bij deze ontdekking aan den

dag meende te leggen, alsof niemand over dit punt ooit te voren had

gedacht, scheen tante te verbazen, zoodat zij uitriep: „Wel, mevrouw,

eerlijk gesproken, zou het mij niets verwonderen, indien gij gelijk

hadt.”

„Aangezien mijnheer Micawber nu aan den vooravond staat van den dag,

waarop hij de finantiëele kluisters, die hem knelden, zal afwerpen,”

ging mevrouw Micawber voort, „en een nieuwe loopbaan zal beginnen

in een land, waar voor zijne bekwaamheden de zoo noodige ruimte

bestaat—naar mijne meening is dit van het grootste gewicht, want voor

mijnheer Micawber's bekwaamheden is allereerst ruimte noodig—komt het

mij voor, dat mijne familie den eersten stap tot toenadering moest

doen. Ik zou niets liever zien dan eene ontmoeting tusschen mijnheer

Micawber en mijne familie op eene feestelijk bijeenkomst, waarvan de

kosten door mijne familie moesten gedragen worden; werd dan door een

mijner familieleden op den voorspoed en de gezondheid van mijnheer

Micawber gedronken, dan kon deze daarin eene aanleiding vinden om zijne

inzichten bloot te leggen.”

„Lieve,” zei mijnheer Micawber, die een weinig warm was geworden,

„het is wellicht beter terstond heel duidelijk te doen uitkomen, dat,

indien ik voor dien troep mijne inzichten zou blootleggen, ze mogelijk

niet bijzonder in den smaak zouden vallen; want het is mijne innige

overtuiging dat uwe familie, in massa genomen, onbeschaamde opsnijders

en ieder lid afzonderlijk onverantwoordelijke schobbejakken zijn.”

„Micawber!” riep zijne vrouw hoofdschuddend uit, „dat meent gij niet!

Gij hebt elkander nooit begrepen!”

Mijnheer Micawber hoestte eens.

„Zij hebben u nooit begrepen, Micawber! Wellicht zijn zij daartoe ook

niet in staat. Indien dit zoo is, dan zijn zij te beklagen.”

„Het spijt mij meer dan ik u zeggen kan, lieve Emma,” hernam mijnheer

Micawber, „mij tot uitdrukkingen te hebben laten verleiden, die zelfs

ook maar schijnbaar u zouden kunnen grieven. Al hetgeen ik wilde

zeggen is, dat ik zeer goed op reis kan gaan zonder door uwe familie

begunstigd te worden.... kortom, met een duw tot afscheid, dat ik....

kortom, liever Engeland verlaat zonder door hen gehaast te worden.

Mochten zij zich verwaardigen op uwe mededeelingen te antwoorden,

hetgeen ik na de door ons opgedane ondervinding heel onwaarschijnlijk

acht, dan zal ik echter de laatste zijn om uwe wenschen te verijdelen.”

Nadat de zaak deze vriendschappelijke wending genomen had, bood

mijnheer Micawber zijne vrouw een arm en zei met een blik op al de

boeken en papieren, die voor Traddles op de tafel lagen, dat zij ons nu

alleen zouden laten, waarop zij met eene zekere plechtigheid heengingen.

„Beste Copperfield,” zei Traddles, achterover in zijn stoel leunende en

met een medelijdenden blik op mij, „ik maak geen verontschuldigingen nu

ik u met zaken lastig val, want ik weet hoeveel belang gij er in stelt

en wellicht kunnen ze een andere wending geven aan uwe gedachten. Ik

hoop toch, dat gij wat zijt uitgerust?”

„O, zeker, ik voel mij heel wel,” antwoordde ik, „wij hebben meer reden

om ons ongerust te maken over tante. Gij weet hoe zij zich afgetobt

heeft in den laatsten tijd!”

„Zeker, zeker,” antwoordde Traddles. „Wie zou dat kunnen vergeten?”

„Maar dat is niet alles,” hernam ik. „Gedurende de laatste veertien

dagen wordt zij door een nieuw verdriet gekweld; zij gaat elken dag

heen en weer naar Londen. Menigmaal gaat zij des morgens zeer vroeg uit

en komt dan niet thuis voor tegen middernacht. Zelfs gisteren avond,

Traddles, met zulk een vermoeienden dag voor oogen. Gij weet hoeveel

zij voor anderen over heeft en nu wil zij mij zelfs niet vertellen wat

haar opnieuw zoo drukt.”

Tante was bleek en zat met diepe rimpels op haar gelaat, zwijgend in

haar stoel, tot ik uitgesproken had; toen vonden eenige weerspannige

tranen hun weg langs hare wangen en legde zij hare hand op de mijne.

„Het is niets, Trot; het is niets. Het zal spoedig gedaan zijn en dan

zult gij alles weten. Nu, lieve Agnes, laat ons nu overgaan tot de

zaken.”

„Ik moet mijnheer Micawber tot zijne eer nageven,” begon Traddles,

„dat al schijnt hij met weinig succes voor zich zelven te werken, hij,

onvermoeid is wanneer hij voor anderen werkt. Nooit heb ik zijn weerga

gezien. Indien hij altijd op dezelfde wijze doet, moet hij op het

oogenblik twee honderd jaar oud zijn. De spanning, waarin hij al dezen

tijd heeft doorgebracht; de bijna krankzinnige ijver, waarmede hij dag

aan dag heeft zitten zoeken en woelen tusschen boeken en papieren, om

niets te zeggen van het ontzaglijk aantal brieven, dat hij geschreven

heeft van deze woning naar die van mijnheer Wickfield, ja zelfs aan

mij, terwijl hij tegenover mij aan tafel zat en veel gemakkelijker had

kunnen uitspreken hetgeen hij te zeggen had... het is ongekend.”

„Brieven!” riep tante. „Ik geloof dat hij in brieven droomt!”

„En mijnheer Dick”, vervolgde Traddles, „heeft ook wonderen verricht!

Zoodra hij ontslagen was van de bewaking van Uriah Heep, die hij

met de grootste nauwgezetheid heeft verricht, begon hij zich aan

mijnheer Wickfield te wijden. Zijn ijver om zich nuttig te maken bij

de nasporingen, die wij in het werk hebben gesteld; de diensten, die

hij bewees door copies en uittreksels te maken, brieven te halen en te

brengen en zoo meer, wakkerden ook ons aan.”

„Dick is een merkwaardig man,” riep tante uit, „dat heb ik altijd

gezegd. Is het niet zoo, Trot?”

„Het verheugt mij te kunnen zeggen, juffrouw Wickfield,” vervolgde

Traddles, op kiesche wijze en plotseling ernstig wordende, „dat

mijnheer Wickfield in uwe afwezigheid aanmerkelijk in beterschap is

toegenomen. Ontslagen van de nachtmerrie, die hem zoo langen tijd

heeft gekweld, en van den angst, waarin hij leefde, is hij bijna een

ander mensch geworden. Nu en dan slaagt hij er zelfs in zijn geheugen

en zijne aandacht op bepaalde punten te vestigen en is hij in staat

geweest ons vele zaken duidelijk te maken, die zonder zijne hulp tot

hopelooze moeielijkheden zouden aanleiding hebben gegeven. Maar ik

moet nu onze resultaten meedeelen. Welnu, ik kan kort zijn, want ik

wil niet uitweiden over al de gunstige omstandigheden, die ik heb

waargenomen—dan zou ik nooit gereed komen.” Zijn eenvoud en zijn

aangename toon waren voor ons het duidelijkste bewijs dat hij ons moed

wilde inspreken en Agnes in staat stellen met meer vertrouwen over haar

vader te kunnen oordeelen; het was ons daarom niet minder aangenaam.

„Laat ons nu eens zien,” ging hij voort, terwijl hij eenige papieren

inkeek, die op de tafel lagen. „Nu wij onze balans opgemaakt en

rekening gehouden hebben met opzettelijke en toevallige verwarring, met

vervalschingen en bedriegerij en, is het ons duidelijk geworden dat

indien mijnheer Wickfield zijne zaak op dit oogenblik liquideert en

verantwoording doet van zijn beheer, niemand eenige schade zou lijden.”

„Den Hemel zij dank!” riep Agnes met hartstochtelijke blijdschap uit.

„Maar,” vervolgde Traddles, „hetgeen dan overblijft—en ik ben van

de onderstelling uitgegaan dat het huis verkocht zal worden—is zoo

weinig, alles en alles ongeveer een paar honderd pond, dat de vraag bij

mij gerezen is, juffrouw Wickfield, waarom uw vader niet het beheer

zou houden van het landgoed, dat hem is toevertrouwd. Zijne vrienden

kunnen hem nu met raad bijstaan; hij is nu vrij. Gij zelve, juffrouw

Wickfield—Copperfield.... ik...”

„Ik heb ook daarover nagedacht, Trotwood,” zei Agnes, mij aankijkende,

„maar ik ben van meening dat het niet moet gebeuren, zelfs niet op

aanraden van een vriend, dien ik zoo dankbaar en aan wien ik zooveel

verschuldigd ben.”

„Ik zeg niet dat ik het aanraad,” hernam Traddles. „Ik bedoel alleen

dat wij er over moeten denken.”

„Het doet mij genoegen u dit te hooren zeggen,” antwoordde Agnes kalm,

„want nu durf ik hopen dat wij van dezelfde meening zijn. Waarde

mijnheer Traddles, waarde Trotwood, wat kan ik nog meer wenschen dan

dat papa het hoofd weder vrij en vrank kan oprichten? Ik heb altijd

gehoopt hem, wanneer hij uit het net, waarin hij verstrikt was, bevrijd

zou zijn, een klein gedeelte van de liefde en zorg te kunnen vergoeden,

die ik hem verschuldigd ben, hem mijn leven te mogen wijden. Dit is

jaren lang mijn vurigst verlangen geweest. Mijn grootste geluk zal zijn

voortaan voor hem te kunnen zorgen en hem van alle verantwoordelijkheid

ontslagen te weten.”

„Hebt gij er al over gedacht hoe gij daartoe in staat zult kunnen zijn,

Agnes?”

„O, ja, meermalen! Ik zie er niet tegen op, Trotwood, en ik ben zeker

te zullen slagen. Ik heb hier zooveel kennissen en vrienden, dat ik

er zeker van ben. Stel maar vertrouwen in mij. Wij hebben niet veel

behoeften. Als ik het lieve oude huis in huur neem en er een school

opricht, maak ik mij nuttig en zal ik gelukkig zijn.”

Hare kalme, lieve stem bracht mij zoo duidelijk eerst het oude,

gezellige huis en daarna mijn eigen eenzame woning voor oogen, dat mijn

hart te vol was om te spreken. Traddles deed eenigen tijd alsof hij al

zijne aandacht wijdde aan de papieren.

„Dan, juffrouw Trotwood,” zoo nam hij eindelijk weder het woord, „moet

ik u nog inlichten omtrent dat geld van u.”

„Ja, mijnheer,” antwoordde tante met een zucht. „Al wat ik daarop

zeggen kan is, dat, is het weg, dan kan ik het dragen, is het niet weg,

dan zal ik heel blij zijn het terug te krijgen.”

„Bedrieg ik mij niet dan was het oorspronkelijk acht duizend pond

geconsolideerde schuld?” vroeg Traddles.

„Juist.”

„Ik kan er niet meer dan vijf terecht brengen,” zei Traddles met een

verlegen gezicht.

„.... duizend, bedoelt gij?” vroeg tante met bewonderenswaardige

kalmte, „of pond?”

„Vijf duizend pond.”

„Dat is alles,” antwoordde tante. „Ik heb er drie opgenomen. Eén

duizend pond betaalde ik voor u aan de Commons, Trot, en de andere twee

heb ik zelve in bewaring. Toen ik de rest verloor, achtte ik het beter

niets van deze twee duizend pond te zeggen, maar ze te bewaren voor den

kwaden dag. Ik wilde eens zien, Trot, hoe gij u door het leven zoudt

slaan; dat hebt gij met volharding, zelfvertrouwen en zelfverloochening

gedaan en daarbij, evenals Dick, getoond een edel hart te bezitten.

Spreek nu niet tegen mij, want ik heb mijne zenuwen op het oogenblik

niet goed in mijn macht!”

Niemand, die haar daar had zien zitten, kaarsrecht en de armen over

elkander, zou dat gedacht hebben; maar zij kon zich zoo uitstekend

beheerschen.

„Dan kan ik u tot mijn groote vreugde meedeelen,” riep Traddles met een

stralend gezicht, „dat wij al het geld hebben teruggevonden!”

„Feliciteert mij niet, geen van allen!” zei tante. „Waarom niet,

mijnheer?”

„Omdat gij in de meening verkeerdet dat het geld door mijnheer

Wickfield misbruikt was?” vroeg Traddles.

„Natuurlijk meende ik dat,” antwoordde tante, „en ik liet mij daardoor

gemakkelijk tot zwijgen brengen. Geen woord, Agnes!”

„En inderdaad is het geld losgemaakt,” hervatte Traddles, „op een

volmacht door u onderteekend, d. w. z. met uw naam onderteekend,

want gij begrijpt dat de handteekening valsch en wie de dader was.

Naderhand maakte de schurk mijnheer Wickfield wijs—en hij bewees

het uit de cijfers—dat hij het geld op mondelingen last van zijn

patroon gebruikt had om andere tekorten te dekken en moeilijkheden te

voorkomen. Mijnheer Wickfield was in de handen van dien huichelaar zoo

zwak en weerloos als een kind en betaalde u later nog verscheidene

malen interest van een kapitaal, dat niet meer bestond waardoor hij

medeplichtig werd aan het gepleegde bedrog.”

„En eindelijk nam hij de geheele schuld op zich,” voegde tante er

bij „en schreef mij een wanhopenden brief, waarin hij zich zelven

beschuldigde van diefstal en allerlei misdrijven. Op zekeren morgen

bracht ik hem daarop een bezoek, verzocht een kaars en verbrandde den

brief, terwijl ik hem vertelde dat als hij ooit in staat werd zich

zelven en mij recht te verschaffen, hij dat doen moest; maar dat, als

hij daartoe niet in staat was, ik zou zwijgen ter wille van zijne

dochter.—Als iemand nu tot mij spreekt, ga ik heen.”

Wij bewaarden alle drie het stilzwijgen en Agnes bedekte haar gelaat

met de handen.

„Dus, mijn waarde vriend,” hernam tante eindelijk, „gij hebt hem het

geld weder afgeperst?”

„Gij moet weten,” antwoordde Traddles „mijnheer Micawber hield hem zoo

vast en was telkens weder met zooveel nieuwe bewijzen bij de hand, dat

hij ons niet kan ontsnappen. Opmerkelijk is het, dat hij dit geld niet

heeft gestolen om aan zijne onverzadelijke schraapzucht te voldoen,

maar alleen om zijn haat te koelen aan Copperfield. Hij bekende mij

dit volmondig. Hij zou gaarne een even groote som geven, als hij er

Copperfield maar mede kon benadeelen.”

„Aha,” zei tante, peinzend hare wenkbrauwen samentrekkend en met een

blik op Agnes. „En waar is hij nu gebleven?”

„Ik weet het niet. Hij heeft de stad verlaten met zijne moeder, die al

dien tijd heeft gesmeekt en gejammerd enz.... geheimen verklapt. Zij

zijn met de nachtdiligence naar Londen vertrokken; dat is alles wat ik

van hen weet, behalve dat hij bij het afscheid nog zoo vermetel was

om zich kwaadaardig te toonen. Hij scheen in de meening te verkeeren,

dat hij aan mij niet minder dank verschuldigd was dan aan mijnheer

Micawber, hetgeen ik als een compliment aannam—zooals ik hem ook

gezegd heb.”

„Zou hij nog eenig geld hebben, Traddles?” vroeg ik.

„O, zonder twijfel,” antwoordde Traddles. „Hij zal op de eene of

andere wijze wel voor zich zelven gezorgd hebben. Maar indien het u

mogelijk was zijne gangen na te gaan, Copperfield, zoudt gij ontwaren,

dat geld dien man nooit van den slechten weg afhouden, maar dat hij

juist daardoor in zijn ongeluk loopen zal. Hij is zulk een volleerde

huichelaar, dat hij altijd zijn doel langs slinksche wegen zal trachten

te bereiken. Dat is de eenige vergoeding voor het zelfbedwang dat hij

zich oplegt. Hij kruipt altijd langs den grond naar zijn doel, wat

het ook is, zoodat alles wat hij op zijn weg ontmoet, grooter schijnt

en hij iedereen, die hem tegenkomt, verdenkt en haat. De kromme wegen

worden dientengevolge ieder oogenblik krommer, zelfs zonder eenige

reden. Men behoeft slechts even door te dringen in zijn gedrag op het

kantoor van mijnheer Wickfield om dat in te zien.”

„Hij is een monster, een laaghartig monster,” zei tante.

„Dat zou ik nog niet zoo onvoorwaardelijk durven zeggen,” antwoordde

Traddles. „Er zijn vele menschen laaghartig omdat zij er zich op

toeleggen.”

„En nu mijnheer Micawber's zaken,” hernam tante.

„Ja, dat is waar ook,” antwoordde Traddles op vroolijken toon.

„Nogmaals moet ik hier de verklaring afleggen dat mijnheer Micawber

grooten lof toekomt. Ware hij niet met zulk een onuitputtelijk geduld

en zooveel onverflauwden ijver werkzaam geweest, dan zouden wij niets

noemenswaardigs hebben kunnen uitrichten. Bovendien moeten wij niet uit

het oog verliezen dat mijnheer Micawber niet alleen gedaan heeft wat

recht is, maar dat ook gedaan heeft uit een rechtvaardig beginselen

zichzelven daarbij geheel heeft verloochend, had hij gezwegen dan zou

hij voor zichzelven zeer gunstige voorwaarden hebben kunnen stellen.”

„Dat ben ik geheel met u eens,” zei ik.

„Wat zoudt gij hem dan willen geven?” vroeg tante.

„O, eer wij zoover zijn,” antwoordde Traddles een weinig verlegen,

„moet ik, hoewel een weinig aarzelend, opmerken dat ik in de regeling

van deze quaestie—de regeling is van het begin tot het einde

onwettig—vergeten heb twee punten aan te stippen. De quitanties, die

mijnheer Micawber hem gegeven heeft ten bewijze van voorschotten op

zijn salaris....”

„..... moeten betaald worden,” viel tante in.

„Jawel, maar ik weet niet wanneer ze opvorderbaar zijn noch wie ze in

bewaring heeft,” hernam Traddles, „en ik vermoed dat mijnheer Micawber

nog vóór zijn vertrek gearresteerd en dat op zijn inboedel beslag

gelegd zal worden.”

„Dan moet hij afgekocht worden evenals zijn inboedel,” zei tante.

„Hoeveel is de geheele som?”

„Mijnheer Micawber heeft zijne operatiën—hij noemt dat geknoei

zoo—nauwkeurig geboekt,” antwoordde Traddles glimlachend, „de totale

som bedraagt honderd en drie pond en vijf shillings.”

„Welnu, wat zullen wij hem geven, deze som er onder begrepen?” vroeg

tante. „Vijfhonderd pond?”

Deze som deed Traddles en mij opspringen van schrik. Wij gaven beiden

den raad mijnheer Micawber eene kleine som in geld te overhandigen en

Uriah's vorderingen, zonder mijnheer Micawber daarvan te verwittigen,

te voldoen wanneer ze inkwamen. Wij stelden verder voor dat de reis

en de uitrusting van de familie betaald zouden worden, dat men hun

een voorschot zou geven van honderd pond en dat mijnheer Micawber's

schikkingen omtrent de terugbetaling met allen ernst zouden worden

behandeld, opdat hij zijn nieuw leven zou beginnen onder het besef

van de verantwoordelijkheid voor deze som. Hierbij voegde ik nog den

raad om baas Peggotty op de hoogte te stellen van mijnheer Micawber's

karakter en geschiedenis en hem, op wien ik wist dat men zich kon

verlaten, te machtigen den heer Micawber nog honderd pond voor te

schieten indien hij daaraan behoefte had. Verder stelde ik voor

mijnheer Micawber eenig belang in te boezemen voor baas Peggotty,

door hem zooveel van diens geschiedenis mede te deelen als zonder

onbescheiden te zijn kon gedaan worden en dienstig geacht werd; en

te trachten de twee mannen met elkander in aanraking te brengen tot

voordeel van beiden. Allen schonken aan deze voorstellen hunne

goedkeuring en ik mag hierbij voegen dat de hoofdpersonen korten tijd

later reeds vriendschap hadden gesloten.

Ik meende op te merken dat Traddles tante nogmaals met een angstigen

blik aankeek, zoodat ik het noodig vond hem aan het tweede punt te

herinneren, dat hij had aangekondigd.

„Gij en uwe tante zult mij wel willen verontschuldigen, Copperfield,

wanneer ik thans een pijnlijk onderwerp aanroer; ik vrees ten minste

dat het dit zijn zal,” sprak Traddles op aarzelenden toon; „maar het

is noodzakelijk dat ik het u in herinnering breng. Op den dag waarop

mijnheer Micawber zijne gedenkwaardige memorie voorlas, werd door Uriah

Heep eene dreigende toespeling gemaakt op uw tante's.... echtgenoot.”

Tante bleef in dezelfde stijve houding zitten en bewaarde schijnbaar al

hare kalmte, terwijl zij met een hoofdknik dit punt bevestigde.

„Misschien,” vervolgde Traddles, „was dit slechts eene ongegronde

onbeschaamdheid.”

„Neen,” zei tante.

„Er bestond dus inderdaad zoo iemand en die iemand was in zijne macht?”

fluisterde Traddles in zijne verlegenheid.

„Ja, mijn vriend,” antwoordde tante.

Traddles' gezicht betrok, terwijl hij verklaarde niet in staat geweest

te zijn deze zaak aan te roeren, zoodat Uriah Heep, nu hij niet meer

in onze macht was en zeker elke gelegenheid zou aangrijpen om ons

onaangenaam te zijn, even goed van deze omstandigheid gebruik zou

kunnen maken als van de vorderingen, welke hij op mijnheer Micawber kon

doen gelden.

Tante bewaarde het stilzwijgen totdat nogmaals de tranen over hare

wangen begonnen te stroomen.

„Gij hebt zeer verstandig gehandeld door deze aangelegenheid te berde

te brengen,” sprak zij eindelijk.

„Kan ..... ik of ..... Copperfield iets voor u doen in deze zaak?”

vroeg Traddles vriendelijk.

„Niets,” antwoordde tante. „Dank u nogmaals. Het is eene vruchtelooze

bedreiging, Trot! Laat nu mijnheer en mevrouw Micawber binnenkomen. En

spreekt geen van allen tegen mij!” Zij streek hare japon glad en bleef,

rechtop als een kaars, naar de deur zitten kijken.

„Zoo, mijnheer en mevrouw Micawber,” sprak tante, toen deze

binnentraden. „Wij hebben over uwe aanstaande reis gesproken en

verzoeken u wel verschooning omdat wij u zoo lang buiten de kamer

hebben gelaten; ik zal u nu eens vertellen welke schikkingen wij hebben

getroffen.”

Zij deelde daarna alles mede wat wij besproken hadden, tot groote

vreugde van het gansche gezin—ook de kinderen waren intusschen

binnengekomen—en tot innige tevredenheid van mijnheer Micawber,

die een geheele reeks van wisseloperatiën in het verschiet zag en

zich niet wilde laten weerhouden om terstond weg te snellen en de

zegeltjes te koopen, waarmede zijne schuldbekentenissen zouden worden

gewaarmerkt. Zijne blijdschap was echter van korten duur, want vijf

minuten later keerde hij in gezelschap van een deurwaarder terug en

deelde ons onder een vloed van tranen mede, dat alles verloren was.

Aangezien wij op deze omstandigheid, eene wraakneming van Uriah Heep,

bedacht waren geweest, betaalden wij onmiddellijk de verschuldigde

som en weder vijf minuten later zat mijnheer Micawber aan de tafel

zijne wisseltjes in te vullen met een gezicht, dat straalde van

vergenoegdheid, zooals het alleen deed bij het verrichten van deze

bezigheid en bij het bereiden van punch. Het was waarlijk een

bezienswaardig schouwspel, zooals hij daar met een genot als van een

kunstenaar zijn wisseltjes zat te schrijven of liever te teekenen, ze

telkens opnam om ze te bekijken, van voren, van achteren, ze tegen het

licht hield, de datums en het bedrag in zijn zakboekje aanteekende en

ze, toen ze gereed waren, nogmaals gadesloeg met een diep besef van

hunne kostbaarheid.

„Het beste dat gij nu kunt doen, mijnheer—indien gij een raad van mij

wilt aannemen—dat is,” zei tante, die hem aandachtig had gadegeslagen,

„deze bezigheid voor eeuwig af te zweren.”

„Mevrouw Trotwood,” antwoordde mijnheer Micawber, „het is mijn

voornemen van zulk eene gelofte aanteekening te houden op het

maagdelijk blad der toekomst. Mevrouw Micawber zal mijne getuige zijn.

Ik vertrouw,” voegde hij er op plechtigen toon bij, „dat mijn zoon

Wilkins onthouden zal hoe oneindig beter het is de hand in het vuur

te steken dan er de adders mede te beroeren, die het hartebloed zijns

ongelukkigen vaders vergiftigd hebben.” Mijnheer Micawber was diep

geroerd en in een oogenblik in een beeld der wanhoop herschapen; hij

bekeek de adders met een blik, waarin wel is waar innige afschuw te

lezen was, doch waarin de vereering van zooeven nog niet geheel was

uitgebluscht, vouwde ze op en stak ze in den zak.

Hiermede waren de werkzaamheden voor dezen avond afgeloopen. Wij

waren vermoeid en tante zou den volgenden morgen met mij naar Londen

terugkeeren. Volgens afspraak zouden de Micawbers ons volgen, na het

grootste gedeelte van hunne eigendommen aan een uitdrager te hebben

verkocht; de zaken van mijnheer Wickfield zouden door Traddles zoo

spoedig mogelijk geliquideerd worden en Agnes zou gedurende dien tijd

medegaan naar Londen. Wij brachten den nacht door in het oude huis, dat

na het vertrek van de Heeps als 't ware van eene besmettelijke ziekte

gezuiverd was; ik sliep in mijn oude kamertje als een schipbreukeling

in zijn eigen huis.

Den volgenden dag keerden wij terug naar tante's woning—niet naar de

mijne, en toen wij des avonds met ons beiden alleen waren, vroeg zij:

„Verlangt gij waarlijk te weten, Trot, wat mij in de laatste dagen zoo

heeft bezig gehouden?”

„Ja, zeker, tante. Indien er ooit een tijd is geweest, waarin ik gaarne

al uw verdriet, al uw zorgen met u deelde, dan is het zeker op dit

oogenblik.”

„Gij hebt zelf verdriet genoeg, mijn kind,” zei tante op hartelijken

toon; „mijne kleine ellenden behoeven niet daarbij te komen. Een andere

reden om ze voor u geheim te houden kan ik niet hebben, Trot.”

„Dat weet ik wel,” antwoordde ik. „Vertel mij nu maar wat u zoo drukt.”

„Wilt gij morgenochtend een eindje met mij gaan rijden?”

„Natuurlijk.”

„Goed, dan om negen uur. Ik zal u dan alles vertellen, beste jongen.”

Volgens de afspraak reden wij om negen uur in een klein wagentje naar

Londen. Na een langen weg door tallooze straten afgelegd te hebben,

kwamen wij aan de groote hospitalen. Voor het gebouw stond eene

eenvoudige lijkkoets. De koetsier herkende tante en op een wenk van

haar reed hij zachtjes voort; wij volgden.

„Begrijpt gij het nu, Trot?” vroeg tante. „Hij is dood.”

„In het hospitaal gestorven?”

„Ja.”

Zij zat onbewegelijk naast mij, maar ik zag hoe hare tranen wederom te

voorschijn kwamen.

„Hij was daar vroeger nog eens geweest,” vertelde zij. „Langen tijd was

hij ziekelijk—een gebroken, oude man. Toen hij nu laatst zijn toestand

inzag, liet hij mij roepen. Hij had toen berouw, Trot; bitter berouw.”

„Ik weet dat gij er heen zijt geweest, tante.”

„Ja, ik ging er heen. Ik was veel bij hem in de laatste dagen.”

„Hij stierf in den avond voor wij naar Canterbury gingen, nietwaar?”

Tante knikte. „Niemand kan hem meer leed doen. De bedreiging was dus

vruchteloos,” sprak zij.

Wij reden naar het kerkhof te Hornsey, een eind buiten Londen. „Hier

ligt hij beter dan in Londen,” zei tante. „Hij is hier geboren.”

Wij stapten uit en volgden de eenvoudige kist naar een hoekje van het

kerkhof, dat ik nu nog zeer goed zou weten te vinden, en hoorden daar

den lijkdienst aan.

„Vandaag voor zevenendertig jaren was onze huwelijksdag,” zei tante,

toen wij naar ons rijtuig terugwandelden. „God moge ons allen onze

zonden vergeven!”

Zwijgend namen wij weder plaats en langen tijd bleven wij naast

elkander zitten; zij met hare hand op de mijne. Eindelijk barstte zij

in tranen uit en zei:

„Hij was een knappe man toen wij trouwden, Trot—maar o, wat was hij

veranderd!”

Deze stemming duurde niet lang; zij was spoedig hare tranen meester

en kreeg toen ook hare kalmte terug. „Mijn zenuwen spelen mij parten

tegenwoordig,” sprak zij, „anders zou ik mijn tranen wel kunnen

binnenhouden. God vergeve ons onze zonden!” Zoo reden wij terug naar

haar kleine huisje te Highgate, waar wij het navolgende korte briefje

van mijnheer Micawber vonden, dat met de morgenpost was bezorgd.

Canterbury—Vrijdag.

Geachte Mevrouw en Copperfield!

„Het schoone land van belofte, dat aan den horizon opdoemde, is

opnieuw gehuld in mist en nevel en voor altijd onttrokken aan de

blikken van een ongelukkigen sterveling, die door het noodlot wordt

achtervolgd.

Nogmaals is een dwangbevel uitgevaardigd door het Hooge Hof van

King's Bench te Westminster in de zaak Heep contra Micawber en

de verweerder is eene gemakkelijke prooi voor den sheriff, aan

wien in dit baljuwschap de hoogste rechtspraak is toegewezen.

Tot slavenketenen gedoemd, voel ik dat het einde spoedig daar zal

zijn, want een menschenziel kan maar tot een zeker punt worden

gemarteld en dat punt heb ik bereikt. God zegen u, God zegen u!

Wie later met opzet of toevallig een bezoek brengt aan de plaats,

alwaar in deze stad de schuldenaren worden opgesloten, zal, naar

ik hoop met eenig medelijden, de plek aanstaren, waar met een

roestigen spijker in den muur zijn gekrabd

de onleesbare letters:

W. M.

P.S. Ik heropen dit schrijven om u te zeggen, dat onze

gemeenschappelijke vriend, Mr. Thomas Traddles, die ons nog niet

verlaten heeft en heel wel is, de vordering met de kosten betaald

heeft uit naam van Mejuffrouw Trotwood, en dat ik mij met mijn

gezin in den zevenden hemel bevind.”

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 68 / 79 题