Nog een terugblik.
Ik moet thans weder eens stilstaan. O, mijn kind-vrouwtje! Te midden
van al het gewoel om mij heen staat daar eene gedaante, stil en bleek,
die mij in hare onschuldige liefde en kinderlijke schoonheid toeroept:
„Blijf een oogenblik staan, keer u eens om en staar eens op het kleine
bloesempje, dat daar zweeft over den grond!” En wanneer ik dat doe,
verflauwt, verdwijnt al het andere uit mijn geheugen en ben ik weder
in ons huisje met.... Dora alleen. Ik weet niet hoe lang zij ziek is
geweest. In mijn gevoel was ik er zoo aan gewoon geraakt dat ik den
duur van hare ziekte niet meer kan berekenen. In weken en maanden
was het niet zoo heel lang, maar voor mijn gevoel was het zulk een
droeve lange tijd! Men zegt niet meer tot mij: „heb nog eenige dagen
geduld,” neen, ik ben begonnen te vreezen dat ik nimmer, nimmer meer
mijn kind-vrouwtje met Jip in den tuin zal zien wandelen. Jip is, als
't ware plotseling, heel oud geworden. Mogelijk mist hij iets in zijne
meesteres, dat hem levendiger en jonger maakte; hij zit voortdurend te
droomen en is half blind en stijf; het spijt tante dat hij haar niet
meer aanblaft, maar dicht bij haar kruipt op Dora's bed—terwijl zij er
naast zit—en hare handen likt.
Dora kijkt ons om beurten glimlachend aan en is nog altijd mooi; geen
ongeduldig woord, geen klacht komt over hare lippen. Zij zegt dat wij
allen zoo goed voor haar zijn; dat zij weet hoe haar beste, oude,
zorgzame jongen zich voor haar aftobt; dat tante nooit slaap schijnt te
hebben, maar altijd bij haar zit en zoo vriendelijk en gedienstig is.
Nu en dan komen de kleine vogeltjes, hare tantes, haar bezoeken en dan
praten wij over onze bruiloft en over dien geheelen gelukkigen tijd.
Wat schijnt er een vreemdsoortige rust en stilstand in mijn leven te
zijn gekomen—in alles, zoowel binnens- als buitenshuis—wanneer ik
daar in de stille ziekenkamer zit, met de neergelaten gordijnen, met
de blauwe oogen van mijn kind-vrouwtje op mij gericht en hare kleine
vingertjes om mijne hand! Menig, menig uur heb ik zoo doorgebracht,
maar van al die keeren staan mij een drietal het levendigst voor den
geest.
* * * * *
Het is ochtend; Dora, door tante netjes gekapt, toont mij hoe hare
fraaie lokken zich willen krullen om het kussen en hoe lang en blond ze
zijn en zegt dat zij het veel liever los opgestoken in een netje draagt.
„Niet omdat ik er nu nog trotsch op ben, spotter, die gij zijt,” zegt
zij glimlachend; „maar omdat gij gewoon waart te zeggen, dat gij het
zoo mooi vondt en omdat ik, toen ik voor het eerst aan u begon te
denken, dikwijls, voor den spiegel staande, er over peinsde of gij
gaarne een lok er van zoudt willen hebben. O, wat waart gij een dwaze
jongen, Doady, toen ik er u een gaf!”
„Dat was dienzelfden morgen, toen gij de bloemen teekendet, die ik u
gegeven had, Dora, en toen ik u vertelde, hoe lief ik u had.”
„O, maar ik wilde u toen niet zeggen,” hernam Dora, „hoeveel tranen ik
gestort had, juist omdat ik meende, dat gij zooveel van mij hieldt!
Wanneer ik weer uit mag gaan, Doady, moeten wij al de plekjes weder
eens opzoeken, waar wij zulk een dwaas verliefd paartje geweest zijn?
En dan zullen wij al onze oude wandelingen nog eens doen? Maar wij
mogen ook dien armen papa niet vergeten!”
„Ja, dat is goed, dat zal heerlijk zijn. Gij moet dus maar uw best doen
om spoedig weer beter te zijn!”
„O, dat zal ik zeker! Ik ben nu al zooveel beter!”
* * * * *
Het is avond. Ik zit op denzelfden stoel, bij hetzelfde bed, met
hetzelfde gezichtje op het mijne gericht. Wij hebben beiden eenigen
tijd het stilzwijgen bewaard en op Dora's gelaat ligt een glimlach. Ik
breng nu mijn lichten last niet meer van boven naar beneden. Zij blijft
den ganschen dag liggen.
„Doady!”
„Liefste Dora!”
„Ik hoop, dat gij hetgeen ik zeggen zal niet onredelijk zult vinden,
maar na alles wat gij mij van mijnheer Wickfield verteld hebt, zou ik
Agnes zoo gaarne eens zien. O, ik zou haar zoo gaarne eens zien.”
„Ik zal het haar schrijven, liefste.”
„Wilt gij dat doen?”
„Terstond.”
„Wat zijt gij toch een beste jongen! Doady, neem mij eens in uw armen.
Waarlijk, beste, het is geen gril van me. Het is geen dwaze inval van
me. Ik verlang werkelijk haar eens te zien!”
„Ik geloof het wel, lieveling. Ik behoef haar dat maar te schrijven,
dan ben ik er zeker van dat zij komen zal.”
„Wat zult gij het eenzaam hebben, als gij tegenwoordig beneden komt,”
fluisterde Dora, met den arm om mijn hals.
„Ja, zeker heb ik het eenzaam, liefste, wanneer ik uw stoel daar zoo
ledig zie.”
„Mijn stoel!” Zij klemde zich eenige oogenblikken aan mij vast.
„En mist gij mij dan werkelijk, Doady?” vroeg zij, terwijl zij mij
glimlachend aankeek. „Mij, dat onnoozele, domme meisje?”
„Maar, lieveling, wie zou ik meer kunnen missen dan u?”
„O, mannetje, ik ben zoo blij en toch zoo bedroefd!” Zij vlijde zich
nog dichter tegen mij aan en hield mij met beide armen omklemd. Zij
lachte en snikte en werd toen weer stil en scheen heel gelukkig.
„Ziezoo,” sprak zij, „nu ben ik tevreden. Maar zend Agnes mijne
hartelijke groeten en schrijf haar dat ik heel, heel erg naar haar
verlang; als ik haar gezien heb, heb ik niets meer te wenschen.”
„Behalve dat gij weer beter moogt worden.”
„Och, Doady, somtijds denk ik wel eens, dat ik nooit meer beter worden
zal.... och, gij weet wel, ik was altijd zoo'n onnoozel, dom ding.”
„Zeg dat niet, Dora! Innige lieveling, zet die gedachte van u af.”
„Ik kan het niet helpen, Doady. Maar ik ben heel gelukkig, terwijl mijn
beste jongen zich zoo eenzaam voelt met den ledigen stoel van zijn
kind-vrouwtje tegenover zich.”
* * * * *
Het is nacht. Wederom zit ik bij haar. Agnes is gekomen en bleef een
geheelen dag bij ons. Zij, tante en ik hebben den geheelen dag bij
Dora gezeten. Wij hebben niet veel gepraat, maar Dora was volkomen
tevreden en vroolijker dan ooit. Nu zijn wij alleen. Weet ik nu dat
mijn kind-vrouwtje mij spoedig zal verlaten? Zij hebben het mij gezegd;
zij hebben mij niets verteld, dat ik niet reeds zelf gedacht had,
maar ik ben er volstrekt niet zeker van dat ik het volkomen besef. Ik
kan het niet in mij opnemen. Ik heb vandaag meermalen met mijn tranen
moeten vechten. Ik heb mij herinnerd, wie eenmaal geschreid heeft over
de scheiding van de levenden en de dooden en dat aandoenlijk schoone
verhaal rijpelijk overdacht. Ik heb mijn best gedaan om te berusten
en mij zelven te troosten en ik hoop dat het mij eenigszins gelukt
is; maar wat mijn geest nog niet kan bevatten, dat is, dat het einde
onvermijdelijk is. Ik houd hare hand in de mijne, ik zie hare liefde
voor mij; ik kan het kleine sprankje hoop, dat zij nog zal blijven
leven, nog niet loslaten.
„Ik wil eens met u praten, Doady. Ik wil u iets zeggen dat ik al
zoo dikwijls overdacht heb. Zult gij niet boos worden?” vroeg zij
vriendelijk.
„Boos worden, lieveling?”
„Omdat ik niet weet wat gij denken zult of wat gij somtijds al gedacht
hebt, Doady. Misschien hebt gij wel hetzelfde gedacht als ik. Beste
Doady, ik geloof zeker dat ik te jong was.”
Ik legde mijn hoofd naast het hare op het kussen en zij keek mij strak
aan en sprak heel zacht. Langzamerhand begon ik tot mijn schrik te
begrijpen, dat zij van zich zelve sprak alsof zij er niet meer was.
„Ik geloof zeker dat ik veel te jong was. Ik bedoel niet alleen in
jaren, maar in ondervinding, in mijne gedachten, eigenlijk in alles. Ik
was nog zoo'n onnoozel jong ding. Ik geloof dat het beter ware geweest,
als wij elkander maar hadden liefgehad als een paar kinderen en elkaar
dan vergeten hadden. Ik heb dikwijls gedacht, dat ik nog niet geschikt
was om te trouwen.”
Ik doe mijn best om mijn tranen te bedwingen en te antwoorden: „O,
lieveling gij waart daartoe even geschikt als ik.”
Zij schudde hare krullen als in vroeger dagen. „'t Is mogelijk!” sprak
zij, „maar als ik wat geschikter geweest was, zou ik het u ook gemaakt
hebben. Bovendien waart gij zoo verstandig en dat was ik nooit.”
„Wij zijn heel gelukkig geweest, liefste.”
„Ik was heel, heel gelukkig. Maar langzamerhand zou mijn beste jongen
zijn kind-vrouwtje moe zijn geworden. Zij zou hoe langer hoe minder
eene goede levensgezellin voor hem zijn geworden. Hij zou hoe langer
hoe meer gevoeld hebben, wat hij miste in zijn huis en zij zou geen
beterschap hebben kunnen aanbrengen. Het is beter zooals het nu is.”
„O, liefste, liefste Dora, spreek toch niet zoo. Elk woord van u
schijnt mij een verwijt.”
„Neen, geen lettergreep,” antwoordde zij, terwijl zij mij kuste. „Neen,
lieveling, dat hebt gij nooit verdiend en ik heb u veel te lief gehad
om u ooit iets in ernst te verwijten—dat is mijne eenige verdienste,
Doady, behalve dat ik mooi was, of dat gij mij ten minste daarvoor
hieldt. Is het erg eenzaam beneden, Doady?”
„Ja, heel, heel erg.”
„Schrei nu niet! Staat mijn stoel er nog?”
„Ja, op de oude plaats.”
„O, wat schreit mijn arme jongen nu! Stil, stil! Doe mij nu één
genoegen. Ik wil zoo gaarne nog eens met Agnes praten. Als gij naar
beneden gaat, zend Agnes dan eens bij mij en laat niemand boven komen,
terwijl ik met haar spreek.... ook tante niet. Ik moet Agnes alleen
spreken, heel alleen.”
Ik beloofde haar het onmiddellijk te zullen doen, maar ik kon haar, zoo
bedroefd als ik was, niet verlaten.
„Ik zei dat het beter is, zooals het is!” fluisterde zij, terwijl
zij mij met beide handen omkneld hield. „O, Doady, al waren wij
nog jaren samen gebleven, gij hadt uw kind-vrouwtje niet meer lief
kunnen hebben dan gij gedaan hebt; en na jaren zou zij u zoo vermoeid
en teleurgesteld hebben, dat gij niet in staat zoudt zijn geweest
haar maar half zoo lief te hebben! Ik weet, dat ik te jong en te
kinderachtig was. Het is veel beter zooals het is!”
* * * * *
Toen ik beneden kwam, deelde ik Agnes het verzoek van Dora mede. Zij
ging onmiddellijk naar boven en ik bleef alleen met Jip. Zijn pagode
stond bij den haard en hij lag op zijn bedje van flanel en deed
vergeefsche moeite om te slapen. De maan stond hoog en schitterend aan
den hemel. Toen ik naar buiten keek in den donkeren nacht, begonnen
mijne tranen hoe langer hoe meer te vloeien en werd mijn ongelouterd
hart duchtig gekastijd.
Ik bleef bij den haard zitten peinzen met wroeging in het hart over al
de geheime gedachten, die ik gedurende mijn huwelijk gekoesterd had.
Ik herdacht elke kleine oneenigheid tusschen Dora en mij en voelde de
waarheid dat het leven uit kleinigheden bestaat. Maar telkens rees ook
weder in mijne herinnering op het beeld van het lieve kind, zooals ik
haar de eerste maal leerde kennen, bekoorlijk in hare jonge liefde
voor mij en onder de betoovering van mijne liefde voor haar. Zou het
inderdaad beter zijn geweest, indien onze liefde als die van een paar
kinderen geweest was, indien wij elkander vergeten hadden? O, mijn
ongelouterd hart, geef mij hierop een antwoord!
Ik weet niet meer, hoe lang ik zoo gezeten had, toen de oude
speelmakker van mijn kind-vrouwtje mij uit mijne overpeinzingen wekte.
Hij was onrustig, strompelde uit zijn huisje naar mij toe, keek mij aan
en liep naar de deur, en jankte om naar boven te gaan.
„Van nacht niet, Jip! Van nacht niet!” Hij kwam langzaam naar mij toe,
likte mijne hand en keek mij met zijn half verglaasde oogen aan.
„O, Jip! Wellicht nooit meer!”
En daar legde hij zich neer aan mijne voeten, strekte zich uit, alsof
hij ging slapen, liet een klagend gehuil hooren en was dood.
„O, Agnes! Zie toch eens!”
—Dat lieve gezichtje, zoo vol medelijden en droefheid, die stroom van
tranen, die ernstige, stomme blik, die plechtig opgeheven hand....!
„Agnes?”
Het is voorbij. Er ligt een waas voor mijn oogen. Gedurende eenigen
tijd is alles uit mijn geheugen gewischt....