WILKINS MICAWBER.”

Zeer aangedaan, doch met zichzelven blijkbaar tevreden, vouwde mijnheer

Micawber den brief dicht en gaf dien met eene buiging aan mijne tante

over als iets, dat zij misschien wel wilde bewaren.

Zooals ik vroeger heb meegedeeld bij de beschrijving van mijn eerste

bezoek, was er een ijzeren brandkast in de kamer. De sleutel stak er

in. Bij Uriah scheen plotseling een vermoeden op te komen, want met een

blik op mijnheer Micawber ging hij er heen en wierp de deuren open. De

kast was ledig.

„Waar zijn de boeken?” riep hij met een woedend gezicht. „De boeken

zijn gestolen!”

Mijnheer Micawber sloeg zich met de liniaal op de borst en zei: „Dat

heb ik gedaan, toen ik als gewoonlijk—ofschoon iets vroeger—den

sleutel bij u haalde.”

„Maak u niet ongerust,” zei Traddles. „Ze zijn in mijn bezit en ik zal

ze in bewaring houden volgens de volmacht, waarvan ik reeds melding

maakte.”

„Gij hebt gestolen goed in uw bezit!” riep Uriah.

„Indien gij dat zoo noemen wilt, mij goed,” antwoordde Traddles.

Hoe groot was mijne verbazing toen ik tante, die tot nu toe doodstil

had zitten luisteren, plotseling zag opstaan en Uriah met beide handen

bij den kraag vatten!

„Gij weet wel wat _ik_ nu van u eisch!” riep zij.

„Ja, een kamer in het gekkenhuis.”

„Neen! Mijn eigendom!” antwoordde tante. „Agnes, lieve, zoolang ik in

de meening verkeerd heb dat mijn geld werkelijk door uw vader was zoek

gemaakt, heb ik er over gezwegen.... zelfs tegen Trot, zooals hij wel

weet, heb ik er geen woord van gerept dat ik het aan uw vader gegeven

had om het voor mij te beleggen. Maar nu ik weet dat deze kerel er

verantwoordelijk voor was, wil ik het terug hebben. Kom, Trot, neem het

hem af!”

Of tante onderstelde dat hij haar geld in zijn das verborgen had, durf

ik niet zeggen; maar zij trok er zoo hevig aan alsof het werkelijk

zoo was. Ik haastte mij tusschen beiden te treden en tante te

verzekeren, dat wij allen ons best zouden doen om hem alles, wat hij

zich op onrechtvaardige wijze had toegeëigend, te laten teruggeven.

Deze verklaring stelde haar na eenig nadenken tevreden; maar zij was

volstrekt niet verlegen over hetgeen zij gedaan had en ging doodkalm

weer zitten.

Gedurende de laatste minuten had juffrouw Heep haar zoon op

luidruchtige wijze vermaand om toch nederig te zijn en was voor ons

allen een voor een op de knieën gevallen, terwijl zij de meest dwaze

beloften deed. Haar zoon liet haar op een stoel plaats nemen en hield

haar bij den arm vast, zonder eenig ruwheid of hardheid, terwijl hij

mij met een kwaadaardigen blik toeriep:

„Wat wilt gij dat er gedaan zal worden?”

„Ik zal u vertellen wat er gedaan moet worden!” zei Traddles.

„Heeft die Copperfield geen tong?” mompelde Uriah. „Ik zou veel voor u

willen doen, indien iemand mij met zekerheid vertellen kon dat die was

uitgesneden.”

„Mijn Uriah zal wel nederig zijn!” riep zijne moeder. „Slaat geen acht

op hetgeen hij zegt, beste heeren!”

„Hetgeen gedaan moet worden,” hernam Traddles, „is dit: Allereerst moet

gij mij de bewuste schuldbekentenis overhandigen... nu, dadelijk.”

„En als ik die niet heb!” riep Uriah.

„Gij hebt die in uw bezit,” hernam Traddles. „Wij storen ons volstrekt

niet aan uwe bewering van het tegendeel.”

Ik kan niet nalaten te bekennen, dat dit de eerste maal was, dat ik

het heldere verstand en het kalme, bedaarde optreden van mijn ouden

schoolmakker recht liet wedervaren.

„Daarna,” ging Traddles voort, „moet gij u gereed houden om alles uit

te leveren wat gij u hebt toegeëigend, alles—tot den laatsten penning.

Alle boeken en papieren van de firma moeten in ons bezit overgaan,

evenzoo al _uwe_ boeken en papieren, al het geld, alle rekeningen en

quitantiën, zoo van de firma als van u. Kortom—alles.”

„Moeten? Dat weet ik volstrekt niet,” zei Uriah. „Gij moet mij den tijd

laten om er over na te denken.”

„Zeker,” antwoordde Traddles, „intusschen en totdat alles naar ons

genoegen geregeld is, zullen wij al die dingen in bewaring houden en u

verzoeken liever gezegd dwingen—in uw eigen kamer te blijven en met

niemand eenige gemeenschap te houden.”

„Dat doe ik niet,” zei Uriah met een vloek.

„De gevangenis van Maidstone zou zeker veiliger plaats zijn,” gaf

Traddles ten antwoord, „en ofschoon de wet wellicht langen tijd

noodig zal hebben om ons recht te verschaffen, zal zij zonder twijfel

straffen. Goede Hemel, dat weet gij zoo goed als wij! Och, Copperfield,

loop eens naar Guildhall en haal een paar politie-agenten!”

Nu barstte juffrouw Heep opnieuw uit en smeekte Agnes op haar knieën

om voor hem in de bres te springen, terwijl zij uitriep, dat hij zoo

nederig was en dat als hij niet deed wat wij verlangden, zij het zou

doen en nog veel meer van dien aard; de angst voor haar lieveling

bracht haar bijna tot wanhoop. Te vragen wat hij zou gedaan hebben als

hij maar een weinigje moed had gehad, zou gelijk staan met de vraag wat

een straathond zou doen als hij den aard van een tijger had. Hij was

een lafaard van top tot teen en liet zijne lafhartigheid door zijne

boosaardigheid en zijn spijt heen blijken, meer nog dan hij ooit in

zijn verachtelijk leven gedaan had.

„Halt!” riep hij mij toe, terwijl hij zijn verhit gelaat met de

hand afveegde. „Maak toch zoo'n rumoer niet, moeder! Welnu! Ga die

schuldbekentenis dan maar halen en geef ze hun!”

„Wilt gij haar helpen, mijnheer Dick”, zei Traddles.

Trotsch op zijn opdracht, die mijnheer Dick volkomen begreep,

vergezelde hij haar en bleef zoo trouw naast haar als een

schaapherdershond bij zijn schapen. Juffrouw Heep bezorgde hem weinig

last, want zij keerde niet alleen terug met het bewuste papier, maar

zelfs met de cassette, waarin het geborgen was met een kasboek en

eenige papieren, die ons later te pas kwamen.

„Goed!” zei Traddles, toen dit gebracht was. „Nu kunt gij heengaan,

mijnheer Heep, en de zaken overdenken: onthoud echter wel—ik deel

u dit nogmaals in tegenwoordigheid van alle aanwezigen mede—dat er

maar één ding te doen is, namelijk hetgeen ik u gezegd heb, en dat het

zonder uitstel dient te geschieden.”

Zonder de oogen van den grond op te richten, verliet Uriah sloffend het

vertrek, met de hand aan de kin en bij de deur zei hij nogmaals:

„Copperfield, ik heb u altijd gehaat. Gij zijt altijd een gelukskind

geweest en hebt mij altijd in de wielen gereden.”

„Zooals ik u al meer heb gezegd,” antwoordde ik, „hebt gij u door

uwe inhaligheid en bedriegerij de geheele wereld tot vijand gemaakt.

Wellicht kunt gij in de toekomst uw voordeel doen met te bedenken dat

valschheid en bedrog gewoonlijk te veel willen doen in de wereld en in

zelfbedrog eindigen. Dit is zoo zeker als de dood.”

„Of zoo zeker als wij op school leerden—dezelfde school, waar ik

zooveel nederigheid opdeed—van negen tot elf dat de arbeid een vloek

is, van elf tot een dat het een zegen, een genot, een eer is en ik

weet niet wat nog al meer, nietwaar?” sprak hij op smalenden toon.

„Gij spreekt bijna even overtuigend als zij. Kan nederigheid ons niet

ver brengen? Hoe zou ik mijn vroegeren patroon zoover gekregen hebben

zonder nederigheid? Maar jou, Micawber, gemeene hond, zal ik het

betaald zetten!”

Mijnheer Micawber beantwoordde deze bedreiging en de uitgestoken hand

met een minachtenden blik en bleef hem in eene uitdagende houding

aankijken tot hij de kamer verlaten had; daarna noodigde hij mij met

een ontroerde stem uit, om getuige te zijn bij het herstel van het

wederzijdsch vertrouwen tusschen mevrouw Micawber en hem en deed daarop

dezelfde uitnoodiging aan de andere leden van het gezelschap.

„De sluier, die zoo langen tijd mevrouw Micawber en mij heeft

gescheiden, is thans verdwenen”, zei mijnheer Micawber; „mijne kinderen

en de oorzaak van hun bestaan kunnen thans weder op den ouden voet met

elkander omgaan.”

Aangezien wij hem allen dankbaar waren en hem dit allen wenschten te

toonen, zouden wij zeker allen zijn medegegaan, indien Agnes het niet

noodig had gevonden naar haar vader terug te keeren, die nog niet meer

dan een zweem van hoop durfde voeden; bovendien moest er iemand achter

blijven om op Uriah te passen. Traddles bleef tot dit laatste doel

achter, om weldra door mijnheer Dick te worden afgelost; terwijl ik met

tante en Mijnheer Dick naar de woning van mijnheer Micawber ging.

Toen ik haastig afscheid nam van het lieve meisje, aan wie ik

zooveel was verplicht, en bedacht waarvoor zij—wellicht dienzelfden

morgen—gered was, ook al had zij zelve reeds een besluit in dien zin

genomen, dankte ik den Hemel voor de doorgestane ellende in mijne

jeugd, want dientengevolge was ik met mijnheer Micawber in kennis

gekomen. Zijne woning was niet ver af en toen de straatdeur, die

onmiddellijk tot de zitkamer toegang verleende, geopend was, trad hij

met zijne gewone plichtplegingen binnen en bevonden wij ons op eenmaal

te midden van de geheele familie. Onder den uitroep: „Emma! Mijne

levensgezellin!” stortte hij zich in de armen van mevrouw Micawber. Zij

gaf een gil en sloeg de armen om haar echtgenoot. Mejuffrouw Micawber,

die den van niets bewusten vreemdeling uit mevrouw Micawber's laatsten

brief zat te sussen, was zichtbaar aangedaan. Het vreemdelingetje

sprong op. De tweelingen gaven verscheidene hinderlijke doch

onschuldige bewijzen van hunne blijdschap. Jongeheer Micawber, wiens

gemoed door allerlei teleurstellingen nu reeds verbitterd scheen, bleek

toch tegen deze aandoening niet bestand en schreide.

„Emma,” zei mijnheer Micawber, „de wolk is voorbij gedreven. Het

wederzijdsch vertrouwen, waarop wij zulk een langen tijd hadden

gebouwd, is hersteld om niet weder verbroken te worden. Zijt

welkom, armoede,” riep mijnheer Micawber uit, terwijl hij in tranen

uitbarstte. „Welkom ellende, ontbering, honger, lompen en bedelstaf!

Wederzijdsch vertrouwen zal ons steunen!” Onder deze en dergelijke

hoogdravende uitroepen had mijnheer Micawber zijne vrouw in een stoel

doen plaatsnemen en de geheele familie omhelsd, hoewel, naar het mij

voorkwam, de opsomming van al deze akelige voorstellingen aan de

verschillende familieleden volstrekt niet welkom was; eindelijk gaf

hij hun den raad Canterbury's inwoners te vergasten op hun gezang,

aangezien hij niet wist waarvan zij anders zouden moeten leven.

Aangezien echter mevrouw Micawber, door aandoeningen overstelpt, was

flauw gevallen, kon er voorloopig aan niets gedacht worden dan aan

middelen om haar bij te brengen. Tante en mijnheer Micawber slaagden

hierin vrij spoedig; daarna werd tante voorgesteld en herkende mevrouw

Micawber mij.

„Is dit uw gezin, mevrouw?” vroeg tante.

„Op het oogenblik zijn er niet meer,” antwoordde mevrouw Micawber.

„Goede Hemel, dat bedoel ik niet!” riep tante. „Ik bedoel of al deze

kinderen van u zijn?”

„Mevrouw,” antwoordde mijnheer Micawber: „dit is ons kroost.”

„En waarvoor is die oudste jongen groot gebracht?” vroeg tante. „Wat

heeft hij geleerd?”

„Toen ik hier kwam,” antwoordde mijnheer Micawber, „hoopte ik Wilkins

voor de kerk op te leiden, of laat ik mij zuiverder uitdrukken—voor

het koor. Er was echter geen plaats voor een tenor vacant in het

eerwaardig gebouw, waardoor deze stad zulk een beroemdheid heeft

gekregen, zoodat hij... kortom, meer in herbergen dan op gewijde

plaatsen zijne stem laat hooren.”

„Maar hij doet zijn best,” voegde mevrouw Micawber er met moederlijke

teederheid bij.

„Dat wil ik gaarne gelooven, lieve,” hernam mijnheer Micawber, „maar

tot nog toe heeft hij het nog niet ver kunnen brengen.”

Jongeheer Micawber's gelaat nam dezelfde stuursche uitdrukking van zoo

even weder aan. „Wat moet ik dan doen?” vroeg hij norsch. „Ben ik soms

als timmerman of als rijtuigschilder geboren? Of kan ik hiernaast een

apothekerswinkel opzetten? Of kan ik in de rechtbank zitting nemen en

zeggen dat ik advocaat ben? Of met geweld eene plaats bij de opera

veroveren? Of... in één woord, iets worden zonder er voor opgeleid te

zijn?”

Tante bleef eenige oogen blikken in gepeins verzonken en zei toen:

„Mijnheer Micawber, het verbaast mij dat gij er nooit over gedacht hebt

als landverhuizer naar de overzijde van den Oceaan te gaan?”

„Mevrouw,” antwoordde mijnheer Micawber; „dat is de droom geweest van

mijne jeugd en op later leeftijd heb ik steeds de hoop gekoesterd,

dat mij zulk een lot nog eens beschoren mocht zijn.”—Ik ben bijna

overtuigd dat het denkbeeld nooit in zijne hersens was opgekomen.

„Zoo?” zei tante met een blik op mij. „Hoe goed zou het voor u en uwe

familie zijn, indien gij thans kondt besluiten tot emigratie.”

„Het geld, mevrouw, het geld ontbreekt mij daarvoor,” antwoordde

mijnheer Micawber op somberen toon.

„Dat is de eenige reden, het eenige bezwaar, mijnheer Copperfield,”

voegde zijne vrouw er bij.

„Geld!” riep tante. „Maar gij doet ons een grooten dienst—hebt ons een

grooten dienst bewezen, kan ik zeggen, want zonder twijfel zal er nu

nog veel terecht komen—wat zouden wij dus beter kunnen doen dan u het

geld te bezorgen?”

„Ik zou het niet als een geschenk kunnen aannemen,” antwoordde

mijnheer Micawber vol vuur, „maar indien mij eene voldoende som

tegen vijf procent 's jaars kon worden voorgeschoten waarvoor ik

persoonlijk instond bijvoorbeeld op wisseltjes van twaalf, achttien en

vierentwintig maanden, achtereenvolgens, ten einde mij tijd te laten om

te zien of zich ook iets ‚opdoet’...”

„Kunnen? Het kan en zal gebeuren op de voorwaarden, die gij stelt,”

antwoordde tante, „als gij maar besluiten kunt. Denkt er eens over

te zamen. David kent eenige menschen, die eerlang naar Australië

vertrekken. Indien gij besluit te gaan, waarom dan niet met hetzelfde

schip? Gij kunt elkander helpen. Denkt er eens over, mijnheer en

mevrouw Micawber. Neemt geen overhaast besluit.... gij hebt tijd in

overvloed.”

„Er is slechts één vraag, die ik gaarne beantwoord zou zien, lieve

mevrouw Trotwood,” zeide mevrouw Micawber. „Is het klimaat gezond?”

„Zoo prachtig als ergens ter wereld,” antwoordde tante.

„Goed,” hernam mevrouw Micawber, „dan rijst de volgende vraag bij mij:

Zijn de omstandigheden en de toestanden in dat land van dien aard,

dat voor een man van mijnheer Micawber's bekwaamheden de kans zou

openstaan in het maatschappelijk leven vooruit te komen? Ik bedoel niet

dat hij terstond zou kunnen verwachten gouverneur of iets dergelijks

te worden, maar staat daar de weg voor hem open om zijne talenten te

ontwikkelen en een werkkring zijner waardig te vinden? Dat zou reeds

voldoende zijn.”

„Geen betere gelegenheid zoudt gij ergens kunnen vinden voor een man,

die zich goed gedraagt en werken wil,” antwoordde tante.

„Voor een man, die zich goed gedraagt en werken wil,” herhaalde mevrouw

Micawber peinzend. „Juist. Dan is het mij duidelijk dat mijnheer

Micawber daar een passenden werkkring zal vinden.”

„Ik koester de overtuiging, geachte Mevrouw,” voegde mijnheer Micawber

er bij, „dat Australië in de gegeven omstandigheden het land, het

eenige land is voor mij en mijn gezin; dat zich daar aan dat strand

zeker iets buitengewoons voor mij zal opdoen. Vergelijkenderwijze

gesproken is het niet zoo heel ver en hoewel de vriendelijkheid van uw

aanbod eenige overweging vereischt, verzeker ik u dat het eigenlijk

geheel overbodig mag genoemd worden.”

Zal ik nog vertellen hoe hij in een oogenblik de gelukkigste aller

stervelingen was geworden, hoe zeker hij zich reeds voelde van zijn

geluk of hoe mevrouw Micawber zat te redeneeren over de gewoonten

van de kangoroes! Zal ik mij die straat van Canterbury ooit kunnen

herinneren op dien marktdag, zonder ook aan hem te denken, zooals hij

met ons terugwandelde? Zal ik ooit vergeten hoe hij door het aannemen

van onzekere manieren zich den schijn wilde geven alsof hij slechts

eenigen tijd in het land vertoefde; hoe hij de stieren, die naar de

markt werden gedreven, reeds aankeek met het oog van een Australischen

grondbezitter?

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 66 / 79 题