LII.

Ik woon eene uitbarsting bij.

Toen wij nog vierentwintig uur verwijderd waren van het tijdstip, door

mijnheer Micawber op zulk eene geheimzinnige wijze aangeduid, bespraken

tante en ik hetgeen ons te doen stond, want tante wilde Dora liever

niet alleen laten. O, wat droeg ik haar in deze dagen gemakkelijk de

trap op!

Hoewel mijnheer Micawber gezegd had prijs te stellen op de

tegenwoordigheid van tante, kwamen wij nu toch maar overeen, dat

zij thuis zou blijven en door mijnheer Dick en mij vertegenwoordigd

worden. Zoo hadden wij reeds besloten, toen Dora ons besluit aan het

wankelen bracht, door te verklaren, dat zij het zich zelve, noch haar

ondeugenden man ooit vergeven zou, indien tante onder welk voorwendsel

ook thuis bleef.

„Ik spreek geen woord met u,” zeide zij, hare krullen schuddende. „Ik

zal zoo onaangenaam zijn als ik maar kan. Ik zal Jip den geheelen dag

tegen u ophitsen. Ik zal zeggen, dat gij werkelijk een lastig oud

mensch zijt, als gij niet meegaat!”

„Tut, tut, Bloesempje!” zei tante lachend. „Gij weet wel, dat gij 't

niet zonder mij stellen kunt.”

„Ja, dat kan ik heel goed,” antwoordde Dora. „Gij zijt tot niets nut

hier. Gij loopt den geheelen dag de trap niet voor mij op of af. Gij

zit nooit bij mij en vertelt mij nooit van Doady, toen zijne schoenen

heelemaal kapot waren en hij zelf zoo vuil en zoo stoffig was—dat

arme, kleine ventje! Gij doet nooit iets om mij te believen, is 't

wel?” Dora haastte zich tante te kussen en zei: „Ik zeg het maar uit de

grap, hoor! Gij zijt een best, lief mensch!”—alsof tante een oogenblik

dacht, dat zij het werkelijk meende!

„Maar, tante,” vervolgde zij nu ernstig, „luister nu eens. Gij moet

gaan. Ik zal u zoo lang plagen, tot gij toch eindelijk mijn zin doet.

Ik zal het mijn ondeugenden jongen zoo lastig maken, dat hij u wel mee

moet nemen. Ik zal zoo onaangenaam zijn als ik maar kan—en Jip ook!

Gij zult het wezenlijk betreuren als gij niet gegaan zijt! Maar,” ging

zij voort, terwijl zij hare krullen naar achteren wierp en tante en mij

nieuwsgierig aankeek, „waarom zoudt gij niet allebei gaan? Ik ben toch

niet zoo erg ziek, ben ik wel?”

„Wat een vraag!” riep tante.

„Wat een verbeelding!” riep ik.

„Ja, ik weet wel dat ik een klein, dom ding ben,” zei Dora, terwijl zij

ons om beurten aankeek en haar lippen tot een kus vooruitstak. „Welnu,

dan moet gij ook beiden gaan, anders geloof ik u niet en dan begin ik

te schreien.”

Ik zag op tante's gezicht dat zij op het punt was om te zwichten en

Dora's oogen begonnen te glinsteren, toen zij het ook opmerkte.

„Wat zult gij mij veel te vertellen hebben als gij terugkomt, zóóveel

dat ik wel een week zal noodig hebben om alles te begrijpen. Ik weet

wel dat als er geldzaken in het spel zijn, ik het nooit zal begrijpen.

En er zullen zeker geldzaken in het spel zijn! Al heb ik maar iets op

te tellen, dan weet ik niet hoe ik er mij uit zal redden, en dan kijkt

die ondeugende man van mij altijd zoo vreeselijk boos! Ziezoo, gij gaat

nietwaar? Gij blijft immers maar één nacht uit en Jip zal wel op mij

passen. Doady zal mij voor gij heengaat naar boven dragen en gij neemt

voor Agnes een vreeselijk boozen brief mede, omdat zij nooit bij ons is

gekomen.”

Zonder verdere beraadslagingen besloten wij te gaan en kwamen wij tot

het besluit dat Dora een kleine bedriegster was, die veinsde ziek

te zijn om door ons vertroeteld te worden. Zij verheugde zich over

haar succes en was heel vroolijk; en met ons vieren, d. w. z. tante,

mijnheer Dick, Traddles en ik, vertrokken wij dienzelfden avond met de

diligence naar Canterbury.

In het hôtel, waar mijnheer Micawber ons ontboden had, vonden wij niet

zonder eenige moeite midden in den nacht logies en reeds lag daar een

brief van mijnheer Micawber aan mijn adres, mij meldende dat hij den

volgenden morgen prompt te half tien ons zijne opwachting zou komen

maken. Daarna begaven wij ons door allerlei donkere gangen, die roken

alsof ze eeuwen lang in soep- en stalgeuren waren geweekt, naar onze

kamers.

Al vroeg in den morgen slenterde ik in de schaduw van de ouderwetsche

poorten en kerken door de oude welbekende straten. De kraaien zweefden

boven de kerktorens en deze zelve, hoog boven de vruchtbare streek en

de tallooze rivieren, staken hare spitsen in de heldere morgenlucht,

alsof alles op de aarde onveranderlijk was. Toch herinnerden mij de

klokken, toen ze begonnen te luiden, op droevige wijze aan de waarheid,

dat er niets bestendig is hier beneden; ze vertelden mij van hun eigen

ouderdom, van Dora's jeugd, van de velen, die nooit oud waren geworden,

die geleefd en geliefd hadden en gestorven waren, van den Zwarten

Prins, wiens wapenrusting sinds eeuwen daar in dat kerkgebouw was

opgehangen en aan zooveel meer....

Ik sloeg een blik op het oude huis op den hoek van de straat, maar kwam

er niet te dicht bij, opdat ik niet onwetend de zaak, waarvoor wij

gekomen waren, zou schaden. De morgenzon bescheen met hare schuinsche

stralen de gevels en dakvensters als met een gouden gloed; en deze

stralen schenen iets van den ouden vrede in mijn hart wakker te roepen.

Ongeveer een uur lang wandelde ik door de velden en keerde toen door de

hoofdstraat terug, die gedurende dezen tijd alle sporen van den nacht

scheen afgeschud te hebben. Onder degenen, die in hunne winkels bezig

waren, ontdekte ik ook mijn ouden vijand, den slager, thans opgeklommen

tot kaplaarzen en een kindje, dat hij zoo zachtzinnig mogelijk in slaap

suste. Hij scheen een eigen zaak te hebben en een waardig lid der

maatschappij te zijn.

Toen wij aan het ontbijt zaten, verkeerden wij allen in eene

nieuwsgierige, ongeduldige stemming en toen wij al dichter en dichter

half tien naderden, keken wij met ingespannen verwachting naar mijnheer

Micawber uit. Eindelijk veinsden wij niet langer dat het ontbijt ons

nog bezig hield, waaraan, behalve mijnheer Dick, niemand veel eer

bewezen had. Tante wandelde de kamer op en neer, Traddles zat op de

sofa en deed alsof hij in een courant las, terwijl hij zijne oogen op

den zolder gericht hield; en ik keek uit het venster ten einde van de

nadering van mijnheer Micawber kennis te geven. Ik behoefde niet lang

te wachten, want met den eersten slag van half tien sloeg hij den hoek

van de straat om.

„Daar is hij!” riep ik, „en niet in zijn gewone kleeding.”

Tante maakte den strik van haar hoed vast—zij was met den hoed op

beneden gekomen—en deed haar shawl om op eene wijze alsof zij zich

slagvaardig maakte. Traddles knoopte met een vastberaden gezicht zijn

jas dicht en mijnheer Dick, door al deze weinig goeds voorspellende

verschijnselen in de war gebracht, vond het noodzakelijk ze na te

volgen en trok zijn hoed met beide handen zoo ver over zijn ooren als

hij kon, maar oogenblikkelijk daarna nam hij zijn hoofddeksel weer af,

teneinde mijnheer Micawber te begroeten.

„Goeden morgen, heeren, goeden morgen, mevrouw,” zei mijnheer Micawber,

terwijl mijnheer Dick zich van een zijner handen had meester gemaakt en

die geweldig schudde.

„Hebt gij al ontbeten?” vroeg hij.

„Neem een karbonade.”

„Voor al het geld ter wereld niet, beste heer!” riep mijnheer Micawber,

terwijl hij mijnheer Dick, die op weg was naar de schel, tegenhield;

„eetlust en ik zijn elkander vreemd in den laatsten tijd, mijnheer

Dixon.”

Mijnheer Dixon voelde zich zoo gestreeld door dezen nieuwen naam en

scheen het zoo beleefd te vinden van mijnheer Micawber om hem dien te

geven, dat hij opnieuw zijne hand begon te schudden en bijna kinderlijk

lachte.

„Dick!” zei tante, „opgelet!”

Mijnheer Dick ging met een kleur naar zijne plaats.

„Nu, mijnheer,” zei tante, terwijl zij hare handschoenen aantrok, „wij

zijn gereed om naar den Vesuvius te gaan of waarheen elders gij ons

brengen wilt; liefst zoo spoedig mogelijk.”

„Mevrouw,” antwoordde mijnheer Micawber, „ik onderstel, dat gij zoo

straks getuige zijn zult van eene uitbarsting. Ik meen de toestemming

te hebben verkregen, mijnheer Traddles, te vermelden, dat wij met

elkander in briefwisseling geweest zijn.”

„Het is inderdaad zoo, Copperfield,” zei Traddles, dien ik met

verbazing aankeek. „Mijnheer Micawber heeft mij geraadpleegd

betreffende hetgeen hij thans voornemens is te doen; en ik heb hem den

besten raad gegeven, dien ik geven kon.”

„Bedrieg ik mij niet, mijnheer Traddles,” hernam mijnheer Micawber,

„dan is hetgeen ik voornemens ben van het hoogste gewicht.”

„Zeer zeker,” antwoordde Traddles.

„Wellicht zult gij mij, mevrouw en mijne heeren, onder zulke

omstandigheden de gunst willen bewijzen,” hervatte mijnheer Micawber,

„u gedurende eenige oogenblikken over te geven aan de leiding van

iemand, die, hoewel onwaardig om anders beschouwd te worden dan als

een wrak op den oceaan des levens, toch uw medemensch is; die, ten

gevolge van eigen misgrepen en van de opeenstapeling van noodlottige

omstandigheden zijn natuurlijken vorm verloren heeft.”

„Wij stellen volkomen vertrouwen in u, mijnheer Micawber,” zei ik, „en

zullen gaarne alles doen wat u aangenaam zijn kan.”

„Mijnheer Copperfield,” hernam hij, „uw vertrouwen is in het bestaande

tijdsgewricht niet misplaatst. Ik verzoek u mij toe te staan op de klok

af vijf minuten vooruit te mogen gaan, en u dan aan het kantoor van

Wickfield en Heep—alwaar gij moet vragen naar mejuffrouw Wickfield—te

mogen ontvangen.”

Tante en ik keken Traddles aan, die goedkeurend knikte.

„Op dit oogenblik heb ik niets hierbij te voegen,” zei mijnheer

Micawber, waarna hij tot mijne groote verbazing, voor ons allen te

gelijk eene buiging maakte en verdween; zijne houding was gedwongen en

zijn gelaat zeer bleek.

Traddles glimlachte en schudde het hoofd—zijn haar stond kaarsrecht

op zijn hoofd—toen ik hem aankeek met een vragenden blik; ik haalde

daarom mijn horloge te voorschijn en begon de vijf minuten te tellen.

Tante deed op haar horloge hetzelfde. Toen ze voorbij waren, bood

Traddles haar zijn arm aan en gezamenlijk gingen wij naar het oude huis

zonder een woord te wisselen.

Wij vonden daar mijnheer Micawber aan zijne schrijftafel in het

uitgebouwde kantoortje; hij zat te schrijven of deed alsof hij

schreef. Hij had de groote kantoorliniaal in zijn vest gestoken, maar

er kwam nog wel een voet van dit instrument boven uit.

Aangezien het mij voorkwam als verwachtte hij dat ik zou beginnen te

spreken, vroeg ik op luiden toon:

„Hé, mijnheer Micawber, hoe maakt gij 't?”

„Ah, mijnheer Copperfield,” antwoordde hij met iets gemaakts in zijne

stem, „het doet mij genoegen u wel te zien.”

„Is juffrouw Wickfield thuis?” vroeg ik.

„Mijnheer Wickfield ligt ziek te bed, mijnheer; hij heeft rheumatische

koortsen,” antwoordde hij, „maar juffrouw Wickfield zal blijde zijn

eenige oude vrienden te zien. Komt gij niet binnen?”

Hij ging ons voor naar de eetkamer—het eerste vertrek dat ik in het

huis had betreden—en de deur van het voormalige kantoor van mijnheer

Wickfield openende, riep hij met luid klinkende stem:

„Mejuffrouw Trotwood, mijnheer David Copperfield, mijnheer Thomas

Traddles en mijnheer Dixon!”

Ik had Uriah Heep niet gezien nadat ik hem die muilpeer had toegediend.

Blijkbaar verbaasde hem ons bezoek; naar ik vermoed niet het minst

omdat wij zelven er verbaasd over waren. Hij trok de wenkbrauwen niet

te zamen, want hij had geen wenkbrauwen, ten minste niet noemenswaard;

maar hij fronste het voorhoofd zoo sterk dat zijn kleine oogen zich

bijna sloten, terwijl de haastige beweging van zijne uitgedroogde hand

naar zijne kin verlegenheid en verrassing beide verried; alleen echter

op het oogenblik dat wij binnentraden en ik hem over tante's schouders

gadesloeg. Een oogenblik later was hij kruipender en nederiger dan ooit.

„Wel, sapperloot!” zei hij. „Dat is een onverwacht genoegen! Zoo opeens

al mijne vrienden uit Londen—als ik dat maar zoo eens zeggen mag—voor

mij te zien, mag ik wel eene verrassing noemen! Hoe maakt gij het,

mijnheer Copperfield en.... als ik zoo vrij mag zijn.... hoe maakt het

mevrouw Copperfield? Is zij vooruitgaande? Wij hebben ons zeer ongerust

gemaakt bij de slechte berichten, die wij laatst ontvingen; wees

daarvan verzekerd.”

Ik schaamde mij toen ik hem toestond mijne hand te nemen, maar ik wist

niet wat ik doen moest.

„De toestanden zijn wel veranderd op het kantoor, sinds ik een eenvoudig

klerkje was en uw pony vasthield, nietwaar juffrouw Trotwood?” zei

hij met zijn walgelijksten glimlach. „Maar _ik_ ben niet veranderd,

juffrouw Trotwood.”

„Wel, mijnheer,” antwoordde tante, „om u de waarheid te zeggen, ik

vermeen dat gij u trouw hebt gehouden aan hetgeen gij in uwe jeugd

beloofdet; indien u dit eenig genoegen kan doen.....”

„Dank u, juffrouw Trotwood,” zei Uriah, terwijl hij zich kronkelde

als een slang, „ik dank u voor de goede opinie, die gij van mij hebt.

Micawber laat juffrouw Agnes eens waarschuwen en.... moeder. Moeder zal

verrukt zijn als zij verneemt welk gezelschap er is!” voegde hij er

bij, terwijl hij stoelen gereed zette.

„Hebt gij het niet te druk, mijnheer Heep?” vroeg Traddles, die

opmerkte met welk een loerenden valschen blik hij ons te gelijk

bespiedde en ontweek.

„Neen, mijnheer Traddles,” antwoordde Heep, terwijl hij op zijn

kantoorstoel plaats nam en zijne beenige handen, met de palmen tegen

elkander gedrukt, tusschen zijne magere knieën plaatste, „niet zoo,

als ik wel wenschen kon; maar notarissen, haaien en bloedzuigers zijn

niet spoedig tevreden, begrijpt ge! Mijnheer Micawber en ik hebben

over het algemeen de handen vol, omdat mijnheer Wickfield geheel

ongeschikt is tot eenig werk. Het is echter een genoegen zoowel als een

plicht om voor _hem_ werkzaam te zijn. Gij kent mijnheer Wickfield niet

van nabij, nietwaar, mijnheer Traddles? Ik zelf meen slechts éénmaal

de eer gehad te hebben u te ontmoeten?”

„Neen, mijnheer Heep, ik heb mijnheer Wickfield niet van nabij gekend;

anders had ik u ongetwijfeld reeds vroeger een bezoek gebracht.”

Er lag iets in den toon, waarop dit antwoord gegeven werd, dat Uriah

den spreker opnieuw deed aankijken met een donkeren, achterdochtigen

blik. Het goedhartige, eenvoudige gezicht van Traddles en de steile

haren stelden hem echter blijkbaar gerust; want terwijl hij zijn

lichaam, maar vooral zijn hals akelig wrong, antwoordde hij:

„Dat spijt mij, mijnheer Traddles. Gij zoudt hem, evenals ik een

bewonderenswaardig man gevonden hebben. Zijne kleine gebreken ziet

men als van zelf over het hoofd ter wille van zijn goede hart. Maar

als gij den lof van mijn compagnon op welsprekender wijze wilt hooren

verkondigen, dan moet gij mijnheer Copperfield eens naar hem vragen.

Hij koestert warme genegenheid voor de geheele familie.”

Ik werd door de komst van Agnes, die door mijnheer Micawber werd

binnengeleid, verhinderd op dit compliment te antwoorden. Zij was niet

zoo kalm als gewoonlijk, naar het mij toescheen; zij maakte den indruk

van angstige gejaagdheid. Hare hartelijkheid, hare schoonheid, haar

ernst kwamen echter des te meer uit.

Terwijl zij ons welkom heette zag ik dat Uriah elke harer bewegingen,

elk harer woorden aandachtig bespiedde; hij deed mij daarbij aan den

duivel denken. Intusschen hadden mijnheer Micawber en Traddles een

teeken gewisseld en onopgemerkt, behalve door mij, ging Traddles de

kamer uit.

„Gij behoeft niet te wachten Micawber,” zei Uriah.

Mijnheer Micawber stond met de hand aan de liniaal in zijn borstzak

rechtop voor de deur en keek zijn patroon onafgebroken in het gelaat.

„Waar wacht gij op?” vroeg Uriah. „Hebt gij niet gehoord, Micawber,

dat gij niet behoeft te wachten?”

„Jawel,” antwoordde mijnheer Micawber en bleef onbewegelijk staan.

„Maar waarom wacht gij dan?” herhaalde Uriah.

„Omdat.... kortom, omdat ik het verkies,” antwoordde mijnheer Micawber

op heftigen toon.

Uriah's wangen hadden plotseling alle kleur verloren; hij sloeg

mijnheer Micawber nauwlettend gade, terwijl zijne ademhaling hoe langer

hoe korter werd en geen spier in zijn gelaat rustig bleef.

„Je bent een verloopen kerel, dat weet iedereen,” zei hij met een

poging om te glimlachen, „ik vrees zelfs verplicht te zullen zijn je

weg te zenden. Ga heen! Ik zal straks wel met je spreken.”

„Indien er één schurk op de wereld is,” antwoordde mijnheer Micawber,

plotseling toornig uitbarstende, „met wien ik veel te veel gesproken

heb in mijn leven, dan is het—Heep!”

Uriah viel bijna achterover van zijn kantoorstoel alsof hij een slag of

een steek had gekregen. Daarna keek hij ons een voor een aan met eene

dreigende, kwaadaardige uitdrukking op zijn gelaat en zei toen:

„Zoo! Is dit een komplot? Zijt gij hier volgens afspraak bijeengekomen?

Is dat een onderstoken kaart met mijn klerk, mijnheer Copperfield?

Pas maar op! Het zal u niet lukken! Wij kennen elkaar, gij en ik! Wij

kunnen elkaar niet uitstaan! Gij waart altijd een trotsch manneke, van

den eersten stap, dien gij in dit huis deedt! Gij zijt jaloersch op mij

omdat ik er bovenop ben gekomen, nietwaar? Maak maar geen komplot tegen

mij; ik ben gewapend! Ga heen, Micawber! Ik zal straks met jou wel

afhandelen!”

„Mijnheer Micawber,” zei ik, „het schijnt dat er plotseling eene

verandering met dezen kerel heeft plaats gehad, want hij vertoont zich

nu in zijne ware gedaante. Maak het kort met hem!”

„Het staat u mooi,” zei Uriah steeds met dezelfde afschuwelijke stem,

terwijl hij zich met zijne lange, magere hand de zweetdruppels van het

voorhoofd wischte, „gemeene zaak te maken met mijn klerk, die tot het

schuim der maatschappij behoort—evenals gij, Copperfield, voor zich

eene liefdadige hand over u ontfermde—om mij te bekladden! Juffrouw

Trotwood, gij hadt beter gedaan u tegen dit plan te verzetten, want ik

zou de gangen van uw man wel eens scherper kunnen nagaan dan u lief is.

Ik ben niet voor niets uwe geschiedenis te weten gekomen!—Juffrouw

Wickfield, indien gij uw vader werkelijk liefhebt, zult gij het

best doen om u niet met dien troep in te laten. Ik zal hem tot den

bedelstaf brengen! Komt maar op! Ik heb sommigen van u toch in mijn

macht! Bedenkt u tweemalen eer gij met mij begint! Bedenk je tweemalen,

Micawber, als gij niet verpletterd wilt worden. Ik raad u terug te

treden nu het nog tijd is, dwaas die gij zijt! Straks zal ik met je

afhandelen! Waar is moeder?” vroeg hij, plotseling de afwezigheid van

Traddles opmerkende. „'t Is mooi in iemand's eigen huis!”

„Juffrouw Heep is hier, mijnheer,” zei Traddles terugkeerende met de

waardige moeder van een waardigen zoon. „Ik ben zoo vrij geweest mij

aan haar voor te stellen.”

„Waartoe was dat noodig?” hernam Uriah. „Wat doet gij eigenlijk hier?”

„Ik ben de gevolmachtigde en de vriend van mijnheer Wickfield,

mijnheer,” zei Traddles, zoo kortaf als een man van zaken maar zijn

kan. „Ik heb een volmacht van hem in mijn zak om voor hem op te treden

als procureur.”

„De oude ezel heeft zijn geheele verstand verdronken”, zei Uriah, met

een gezicht, zoo afstootelijk als ik nog ooit van hem gezien had, „die

volmacht is hem onder bedriegelijke voorwendsels afgeperst.”

„Ik weet dat hem sommige dingen onder bedriegelijke voorwendsels

zijn afgeperst,” antwoordde Traddles bedaard; „en dat weet gij ook,

mijnheer Heep. Indien gij het goed vindt, zullen wij mijnheer Micawber

daarover eens raadplegen.”

„Ury...!” riep juffrouw Heep met zichtbaren angst.

„Houd uw mond, moeder,” antwoordde hij, „hoe minder men zegt, hoe

minder men heeft te verantwoorden.”

„Maar, Ury....”

„Wilt ge uw mond houden, moeder, en alles aan mij overlaten?”

Ofschoon ik altijd wel geweten had dat zijne slaafsche onderwerping

valsch, dat zijne vriendelijkheid gehuicheld was, had ik mij toch niet

kunnen voorstellen welk een schurk er achter het masker, dat hij nu

afwierp, verborgen was. De vlugheid, waarmede hij dit deed, toen hij

tot het besef kwam dat alle verzet nutteloos was; de boosaardigheid,

de haat, die hij ten toon spreidde, het gezicht, waarmede hij zich

zelfs op dit oogenblik verheugde in het kwaad, dat hij had gesticht—in

weerwil hij zich verloren voelde en niet meer wist om zelfs te trachten

ons te overbluffen—dat alles verbaasde mij niettegenstaande de

ondervinding, die ik van hem had opgedaan, niettegenstaande ik hem

reeds zoo lang kende en zulk een innigen afschuw van hem had.

Ik zwijg over den blik, dien hij mij toewierp toen hij ons een voor

een in de oogen trachtte te zien; want ik had altijd geweten dat hij

mij haatte en ik zag op zijne wang nog het merkteeken van de muilpeer,

die ik hem had toegediend. Maar toen ik zijn blik zich naar Agnes

zag richten, toen ik de verbeten woede zag, waarmede hij zijne macht

over haar voelde ontglippen, terwijl in zijne teleurstelling nog zoo

duidelijk de vurige hartstocht te herkennen was, die hem beheerscht had

bij het verlangen naar eene vrouw, wier deugden hij nooit zou hebben

kunnen waardeeren, ontstelde ik louter bij de gedachte dat Agnes zoo

lang binnen het bereik van dien man had geleefd.

Nadat hij eenigen tijd zijn kin gewreven en ons over zijne beenige

vingers heen een voor een aangekeken had, wendde hij zich nog eens op

half huilende, half hoonende toon tot mij:

„Gij acht het dus gerechtvaardigd, Copperfield, gij, die het hoofd

zoo hoog draagt, dat ik in mijn eigen huis word aangevallen en door

mijn klerk gespionneerd? Had ik dat gedaan dan zou ik er mij niet over

verbaasd hebben, want ik geef mij niet uit voor een „gentleman”—hoewel

ik niet van de straat ben opgeraapt, zooals gij, volgens mijnheer

Micawber's verhaal—maar dat gij zooiets doet! En gij zijt niet

bevreesd voor de gevolgen? Denkt gij er in het geheel niet aan wat ik

zou kunnen doen als tegenweer, dat gij in de grootste moeilijkheden

zoudt kunnen komen wegens het maken van komplot? Goed! Wij zullen zien!

Mijnheer... hoe heet gij ook weer?.... gij wildet Micawber eenige

vragen doen. Daar staat hij! Waarom laat gij hem nu niet praten? Hij

kent zijn les.... dat zie ik al.”

Aangezien Uriah wel zag dat hetgeen hij zei noch op mij, noch op een

van de anderen eenige uitwerking had, bleef hij met de handen in den

zak op den hoek van de tafel zitten; hij had zijne magere beenen over

elkander geslagen en wachtte zoo met een norsch gezicht de dingen af,

die komen zouden.

Ik had de grootste moeite gehad om mijnheer Micawber ten minste

eenigszins bedaard te houden; telkens was hij Uriah in de reden

gevallen met de eerste lettergreep van scha-vuit, zonder het tot de

tweede te kunnen brengen; maar nu barstte hij plotseling los trok de

liniaal uit zijn borstzak—waarschijnlijk als een wapen om zich mede te

verdedigen—en haalde een lang opgevouwen papier te voorschijn. Met den

gewonen zwier opende hij het document, keek den inhoud even door met

een gezicht, alsof hij een kunstgenot smaakte bij het doorbladeren en

begon toen als volgt te lezen:

„Waarde juffrouw Trotwood, Waarde Heeren!”

„De Hemel beware den man!” zei tante zachtjes, „hij zou brieven

schrijven, al stond er de doodstraf op!”

Mijnheer Micawber verstond haar niet en ging voort:

„Terwijl ik voor u verschijn als aanklager van den meest doortrapten

booswicht, die wellicht ooit heeft bestaan”—zonder van den brief

op te kijken, wees mijnheer Micawber met zijne liniaal naar Uriah

Heep—„verzoek ik u geen verschooning voor mij zelven. Van mijne wieg

af ben ik het slachtoffer geweest van finantiëele verplichtingen,

waaraan ik niet in staat was te voldoen, en dientengevolge de prooi

van de meest vernederende omstandigheden. Schande, gebrek, wanhoop en

krankzinnigheid zijn te zamen of ieder afzonderlijk mijne metgezellen

geweest op mijn loopbaan.”

De voldoening, waarmede mijnheer Micawber zich zelven beschreef als een

slachtoffer van al deze rampspoeden, werd door niets geëvenaard dan

door de emphase, waarmede hij zijn brief voorlas, en door de wijze,

waarop hij met zijn hoofd hulde bracht aan den schrijver, wanneer hij

meende een bijzonder indrukwekkenden volzin voorgelezen te hebben.

„Schande, gebrek, wanhoop en krankzinnigheid brachten mij op het

kantoor—onze levendiger Gallische naburen zouden zeggen, bureau—van

de firma, in naam gevoerd door Wickfield en Heep, doch in werkelijkheid

beheerd door.... Heep alleen. Heep, Heep alleen is de drijfveer van de

machine. Heep en Heep alleen is de falsaris en de bedrieger.”

Uriah was na deze woorden lijkwit geworden en deed een greep naar de

brief, als wilde hij dien in stukken scheuren; doch met verbazende

behendigheid of bij toeval trof mijnheer Micawber zijne knokkels zoo

hevig met de liniaal, dat Uriah's hand langs zijn lichaam neerviel

alsof ze gebroken was. De slag klonk alsof hij een stuk hout geraakt

had.

„De Duivel hale je!” zei Uriah zich krommende van de pijn. „Ik zal met

je afrekenen, dat beloof ik je.”

„Nader mij nog eens als gij durft, gij... Heep... gij samenraapsel

van ongerechtigheden... gij... Heep! En als ge een hoofd hebt als een

gewoon mensch zal ik het verpletteren. Kom op! Kom op!”

Ik geloof niet ooit iets zoo bespottelijks gezien te hebben—zelfs op

dat oogenblik werkte het op mijn lachspieren—zooals mijnheer Micawber

daar stond te schermen met zijn liniaal, roepende: „Kom op! Kom op!”

terwijl Traddles en ik hem achteruit trokken in een hoek van de kamer,

waaruit hij telkens weder tot den aanval oprukte.

Zijn vijand zat binnensmonds te mompelen en bond, na zijne gekwetste

hand gewreven te hebben, den zakdoek er omheen; daarna hield hij die

met de andere hand vast en bleef zwijgend naar den grond zitten staren.

Toen mijnheer Micawber weder eenigszins tot kalmte was gekomen, ging

hij voort:

„Het salaris, dat mij in dienst deed treden van... Heep”—hij moest

telkens even wachten eer hij dien naam kon uitspreken, maar dan deed

hij het ook met volle kracht—„was voorloopig bepaald op niet meer

dan tweeëntwintig en een halven shilling per week. Mijne verdere

verdiensten zouden afhangen van de waarde mijner dienstbetooning, in

andere, duidelijker woorden: van de laagheid van mijn karakter, van

mijne baatzucht, van mijne armoede, van de algemeene zedelijke—of

liever onzedelijke—overeenkomst tusschen mij en... Heep. Behoef ik

nog te zeggen dat ik spoedig in de noodzakelijkheid werd gebracht een

voorschot op mijn salaris te vragen van... Heep, ten einde mevrouw

Micawber en mijne ongelukkig doch snel aanwassende familie van het

noodige te voorzien? Behoef ik nog te zeggen dat deze noodzakelijkheid

was voorzien door... Heep? Dat deze voorschotten werden gedekt door

schuldbekentenissen _in optima forma_, geheel volgens de wetten en

bepalingen, welke daaromtrent in ons land zijn vastgesteld? Dat ik op

deze wijze geheel en al gewikkeld werd in het net, dat geknoopt voor

mijne ontvangst gereed lag?”

Mijnheer Micawber's vreugde over de welsprekendheid, waarmede hij zijn

eigen ongelukkigen toestand beschreef, scheen werkelijk op te wegen

tegen al de ellende en al den angst, welke hij dientengevolge had

moeten doorstaan.

Hij las voort:

„Toen eerst begon.... Heep.... mij met juist zooveel vertrouwen te

begunstigen als noodig was om hem bij zijne helsche plannen van dienst

te kunnen zijn. Toen begon ik—om eene uitdrukking van Shakespeare te

gebruiken—langzamerhand te kwijnen, te versmelten. Ik besefte dat

mijn diensten voortdurend gevraagd werden om allerlei vervalschingen

te bewerkstelligen ten nadeele van iemand, dien ik voorloopig nog zal

aanduiden als mijnheer W. Hem vooral moest voortdurend zand in de

oogen worden gestrooid. Op alle mogelijke wijzen werd die mijnheer W.

misleid, bedrogen, onkundig gelaten; terwijl intusschen de schurk...

Heep... dankbaarheid en vriendschap huichelde voor dienzelfden zwaar

benadeelden heer W. Dit was zeker heel erg, maar... er is meer. Het is

niet mijn voornemen aan dezen brief zulk eene uitbreiding te geven,

dat ik daarin wensch op te nemen eene gedetailleerde opgave—deze ligt

trouwens elders gereed—van de verschillende kwade praktijken van

geringen omvang, waarvan de persoon, dien ik mijnheer W. genoemd heb,

het slachtoffer is geweest en waarin ik stilzwijgend medeplichtig was.

Mijn oogmerk was, toen mij de keuze werd gelaten tusschen salaris en

geen salaris, tusschen bakker en geen bakker, tusschen leven en van

honger sterven, om mijn voordeel te doen van alle gelegenheden, waarbij

ik tot de ontdekking kon komen van grootere nadeelen, waarvan bedoelde

heer W. het slachtoffer was, van meer schurkenstreken, gepleegd

door.... Heep. Aangespoord door eene waarschuwende stem in mijn

binnenste, en door eene niet minder roerende en dringende vermaanster

van buiten—die ik kortheidshalve zal aanduiden als mejuffrouw W.—nam

ik de niet gemakkelijke taak op mij om in het geheim een onderzoek in

te stellen, dat zich thans naar mijn beste weten uitstrekt over een

tijdvak van twaalf achtereenvolgende maanden.”

Hij las dit alles voor alsof het een parlementsacte was en de klank van

zijn eigen woorden scheen hem te verkwikken en aan te moedigen.

„Mijne beschuldigingen tegen.... Heep,” las hij verder, terwijl

hij zijn vijand bespiedde en de liniaal onder het bereik van zijn

linkerhand hield, „zijn de volgende:”

Ik geloof dat wij allen onzen adem inhielden, maar dat Uriah het deed,

weet ik zeker.

„Primo,” las mijnheer Micawber. „Toen het geheugen en de vermogens van

mijnheer W. tengevolge van oorzaken, waarvan de nasporing door mij

ongewenscht mag geacht worden, verzwakten en verward raakten, heeft....

Heep.... de zaken van het kantoor opzettelijk in verwarring gebracht

en ingewikkeld gemaakt. Wanneer mijnheer W. het minst geschikt was om

zaken te behandelen werd hij door.... Heep juist gedwongen zich er

mede in te laten. Heep verkreeg in zulke omstandigheden mijnheer W.'s

handteekening onder de gewichtigste documenten, terwijl hij het liet

voorkomen alsof ze in het minst niet belangrijk waren. Op deze wijze

haalde hij mijnheer W. over, ja, dwong hem eene som gelds, die hem

was toevertrouwd, van twaalf duizend zeshonderd veertien pond, twee

shillings en negen stuivers te bezigen tot het betalen van schulden en

het dekken van tekorten in de zaak, die nooit bestaan hebben of reeds

lang te voren waren afgedaan. Bovendien gaf hij aan deze handelwijze

den schijn alsof ze geheel en al en met oneerlijke bedoelingen door

mijnheer W. was bedacht en ten uitvoer gebracht; en maakte er telkens

gebruik van om mijnheer W. te kwellen en te dwarsboomen.”

„Dat zult gij bewijzen!” zei Uriah, dreigend het hoofd schuddende.

„Wacht maar!”

„Vraag eens aan.... Heep, wie er na hem in zijn huisje gewoond heeft,

mijnheer Traddles,” riep mijnheer Micawber, zijn lectuur stakende,

„wilt ge?”

„De gek zelf.... en woont er nog,” zei Uriah op minachtenden toon.

„Vraag.... Heep .... of hij in dat huis ook een zakboekje heeft

achtergelaten,” zei mijnheer Micawber, „wilt ge?”

Ik zag hoe Uriah's beenige hand onwillekeurig zijn kin losliet.

„Of vraag hem,” hernam mijnheer Micawber, „of hij er ooit een verbrand

heeft in dat huisje? Indien hij ja zegt en vraagt waar de asch gebleven

is, laat hij zich dan tot Wilkins Micawber wenden, dan zal hij iets

vernemen, dat hem zeker niet aangenaam zijn zal!”

De zegevierende houding waarin mijnheer Micawber deze woorden uitsprak,

maakte zulk een indruk op Uriah's moeder dat zij zenuwachtig uitriep:

„Ury! Ury! Wees nederig en tracht de zaak te schikken, beste!”

„Moeder!” antwoordde hij, „wilt gij wel eens zwijgen! Gij laat u bang

maken en weet niet wat gij zegt! Nederig!” herhaalde hij, met een

kwaadaardigen blik in mijne richting. „Ik heb eenigen van hen wel

nederig weten te maken, zoo nederig als ik zelf was.”

Mijnheer Micawber verborg zijn kin weder in zijn boorden en ging voort

met lezen.

„Secundo. Heep heeft naar mijn beste weten bij verschillende

gelegenheden...”

„Maar ik wil dat niet langer aanhooren!” mompelde Heep. „Moeder, houd

uw mond!”

„Wij zullen u dingen laten hooren, die voor goed uw wil zullen buigen;

mijnheer,” zei mijnheer Micawber.

„Secundo. Heep heeft naar mijn beste weten bij verschillende

gelegenheden opzettelijk en met bedriegelijke oogmerken de

handteekening van mijnheer W. in boeken en onder acten nagemaakt en

meer bepaald bij ééne gelegenheid, waarvan de bewijzen door mij,

Wilkins Micawber, kunnen geleverd worden. Te weten, op de volgende

wijze aldus:”

Nog eens, mijnheer Micawber schepte er bepaald behagen in zooveel

mogelijk woorden te gebruiken, zooals hij altijd gewoon was geweest

en zooals meer menschen gewoon zijn. Ik heb dat meermalen in mijn

leven van verschillende personen opgemerkt. Het schijnt mij zelfs

regel toe. Zoo, bijvoorbeeld, bij het afleggen van eeden, schijnen

zij, die daartoe geroepen worden, bijzonder behagen te scheppen in

eene opeenvolging van krachtige uitdrukkingen, die alle hetzelfde

denkbeeld vertolken—verfoeien, afzweren, verafschuwen, enz.; de oude

anathema's werden op dezelfde wijze smakelijk gemaakt. Wij spreken

van de tyrannie der woorden, maar wij tyranniseeren ze zelve ook; wij

houden er gaarne een overvloed van groote woorden op na bij sommige

plechtige gelegenheden; wij meenen dat het deftig is en fraai klinkt.

Evenmin als wij bij plechtige gelegenheden nauwgezet zijn op de

beteekenis van onze livreien, als wij er maar mede kunnen pronken en

als ze maar talrijk zijn, zoo schijnt ook de beteekenis van de woorden,

die wij gebruiken, van ondergeschikt belang, als ze maar groot zijn en

deftig klinken. En evenals er personen in ongelegenheid zijn gekomen

door te veel met hunne livrei te pronken, zoo ken ik een volk, dat in

groote moeielijkheden geraakt is en nog geraken zal, indien het zulk

een uitgebreid woordenboek blijft gebruiken.

Mijnheer Micawber las voort; hij smakte bijna met de lippen.

„Te weten, op de navolgende wijze, aldus: Aangezien mijnheer W.

ziekelijk was en de waarschijnlijkheid bestond dat zijn overlijden

aanleiding zou kunnen geven tot onthullingen, die mijnheer Heep's

macht over de familie W. zou kunnen schaden... ja, zou kunnen

vernietigen—zooals ik ondergeteekende Wilkins Micawber op mij neem

te bevestigen—tenzij heimelijk gebruik kon worden gemaakt van de

kinderlijke liefde der dochter om een onderzoek naar den stand der

zaken te voorkomen, heeft gezegde... Heep het verstandig geacht

eene schuldbekentenis gereed te hebben, waarin mijnheer W. aan...

Heep verklaart schuldig te zijn de genoemde som van twaalfduizend

zes honderd veertien pond twee shillingen en negen stuivers met de

interest. Deze som zou Heep geleend hebben aan mijnheer W. ten einde

laatstgenoemde van openlijke schande te redden; er is echter geen woord

van waar. De handteekening op dit document, volgens den inhoud van

mijnheer W. en door Wilkins Micawber met de zijne bekrachtigd, zijn

beide valsch en door... Heep vervaardigd. Ik heb in mijn bezit een

zakboekje van... Heep, waarin verscheidene dergelijke nabootsingen

van mijnheer W.'s handteekening, hoewel door het vuur beschadigd, te

vinden en nog goed leesbaar zijn. Ik zelf heb een dergelijk document

nooit onderteekend. En ik heb ook het document in mijn bezit.”

Uriah Heep sprong ontsteld op, haalde een bos sleutels te voorschijn

en opende een zeker laadje; eensklaps bedacht hij zich echter en bleef

ons, zonder in de lade te kijken, aanstaren.

„En ik heb ook het document in mijn bezit,” herlas mijnheer Micawber,

in het rond kijkende alsof hij den tekst van eene preek voorlas, „dat

is te zeggen, ik had het tot heden morgen in mijn bezit, doch heb het

thans aan den Heer Thomas Traddles overhandigd.”

„Dat is waar,” zei Traddles.

„Ury, Ury!” riep de moeder, „wees toch nederig en tracht alles in der

minne te schikken. Ik weet dat mijn zoon nederig zijn zal, heeren,

indien gij hem tijd geeft om te denken. Mijnheer Copperfield, gij weet

best hoe nederig hij altijd geweest is!”

Het was eigenaardig te zien hoe de moeder aan het oude kunstje gehecht

bleef; niettegenstaande de zoon het reeds lang als nutteloos had

opgegeven.

„Moeder,” zei hij, ongeduldig in den zakdoek om zijne gewonde hand

bijtend, „gij deed beter een geladen geweer op mij af te schieten.”

„Maar ik heb u lief, Ury,” riep juffrouw Heep. Ik twijfel niet of

zij deed dit ook en hij had haar ook lief, hoe vreemd het schijnen

moge..... hoewel, zij pasten volkomen bij elkander.

„Ik kan het niet uitstaan dat gij de heeren zoo tart en u zelven

nog meer in gevaar brengt. Ik heb den heeren, zoodra zij mij boven

vertelden dat alles aan het licht was gekomen, gezegd dat ik voor uwe

nederigheid instond en dat gij zeker boete zoudt doen. O, ziet toch,

hoe nederig ik ben, heeren, en let niet op hem!”

„Nu moeder, daar is Copperfield?” antwoordde hij toornig, terwijl

hij mij, dien hij voor den aanstoker hield, met zijne magere vingers

aanwees,—ik liet hem in dien waan—„daar is Copperfield; hij zou u

zeker wel honderd pond hebben willen geven voor nog minder dan gij

gezegd hebt.”

„Ik kon het niet helpen, Ury,” riep zijne moeder, „maar ik kan u ook

niet zoo het gevaar in den mond zien loopen door het hoofd zoo hoog te

dragen.”

Hij bleef eenigen tijd op zijn zakdoek bijten en zei toen met een

boosaardigen blik naar mij: „Wat hebt gij nog meer tegen mij in te

brengen? Ga voort! waarom kijkt gij mij zoo aan?”

Mijnheer Micawber haastte zich zijn, brief weder op te nemen, blijde

dat hij de voorlezing kon vervolgen.

„Tertio en ten laatste. Ik ben thans bij machte aan te toonen uit....

Heep's.... valsche boeken en.... Heep's.... geheime aanteekeningen,

beginnende met het gedeeltelijk vernietigde zakboekje—op het oogenblik

dat het door mevrouw Micawber gevonden werd ter plaatse, waar de asch

van onzen huiselijken haard verzameld wordt, begreep ik er niets

van—dat de zwakheden, de gebreken, ja zelfs de deugden, de vaderlijke

genegenheid, het eergevoel van den ongelukkigen mijnheer W. jaren lang

gebezigd zijn, misbruikt zijn om.... Heep's lage oogmerken te dienen.

Mijnheer W. is jaren lang bedrogen en geplunderd, op alle denkbare

wijzen, ten einde den schraapzuchtigen en inhaligen.... Heep.... te

verrijken. Het voornaamste doel van.... Heep.... was, behalve dit

verrijken, mijnheer en juffrouw W.—over zijne verdere oogmerken ten

opzichte van deze laatste bewaar ik het stilzwijgen—geheel in zijne

macht te krijgen.

„Voorts kan ik nog aantoonen dat zijn laatste handeling, eenige maanden

geleden voltooid, niet meer of minder was dan mijnheer W. te bewegen

om afstand te doen van zijn aandeel in de zaak, ja zelfs om het

meubilair van dit huis te verkoopen, tegen betaling van eene zekere

som op den eersten dag van elk kwartaal. Ik weet ook dat de strik,

waarin mijnheer W. gevangen was, datzelfde nauwer werd toegehaald; zoo

door onrustbarende, vervalschte rekeningen van het landgoed, waarvan

mijnheer W. de rentmeester is, en wel op een tijdstip, waarin mijnheer

W. zich gewaagd had in onvoorzichtige en slecht berekende speculaties

en niet in het bezit was van het geld, waarvoor hij wettig en zedelijk

verantwoordelijk was; zoo door voorgewende geldleeningen tegen hoogen

interest, afkomstig van.... Heep en op bedriegelijke wijze door....

Heep aan mijnheer W. opgedrongen; voorts nog door tallooze gewetenlooze

schurkenstreken meer.... tot de ongelukkige mijnheer W. ten einde raad

was. Hij meende alles verloren te hebben: zijn geld, zijne hoop, zijne

eer en in deze omstandigheden was zijn eenige toeverlaat: dit monster

in menschengedaante.”—Mijnheer Micawber was blijkbaar zeer ingenomen

met deze laatste uitdrukking—„die, door zich onmisbaar voor hem te

maken, hem in het verderf had gestort. Dit alles heb ik op mij genomen

te bewijzen. Wellicht volgt er nog meer!”

Ik fluisterde Agnes, die naast mij zat te schreien—zoowel van

vreugde als van droefheid—eenige woorden toe, terwijl er eenige

beweging onder ons ontstond alsof mijnheer Micawber geëindigd had. Met

buitengewone deftigheid zei hij echter: „Pardon,” en ging toen op half

neerslachtigen, half blijden toon over tot het lezen van het slot van

zijn brief.

„Ik nader nu het einde. Er blijft mij nu niets meer over dan mijne

beschuldigingen met bewijzen te staven en dan met mijne door het

noodlot vervolgde familie te verdwijnen uit een wereld, waarin wij

blijkbaar overtollig zijn. Dat zal spoedig genoeg plaatshebben. Het is

redelijker wijze te verwachten dat onze jongste, als het zwakste lid

van de familie, het eerst uit gebrek aan voedsel zal sterven en dat

onze tweelingen de een na den ander zullen volgen. Zoo zij het! Wat

mij zelf aangaat, mijn pelgrimstocht naar Canterbury heeft mij veel

kwaad gedaan; eene opsluiting volgens de burgerlijke rechtspraak en

gebrek zullen het overige doen. Ik vertrouw dat de arbeid en het gevaar

verbonden aan een onderzoek, waarvan de geringste gegevens tusschen

drukke werkzaamheden door en gebukt gaande onder finantiëele zorgen,

bij het aanbreken van den morgen, in schemeravond of in het holle van

den nacht, onder het bespiedend oog van dezen Duivel moest worden

bijeengegaard, zullen zijn als eenige welriekende droppelen op mijn

graf. Meer vraag ik niet. Laat men ter wille van de rechtvaardigheid

van mij hetzelfde zeggen als van zekeren beroemden zeeheld, met wien ik

mij niet vermeten zal te wedijveren, dat ik wars van alle baatzuchtige

oogmerken slechts gehandeld heb uit liefde.

For England, Home, and Beauty.

Als altijd, enz. enz.

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 65 / 79 题