Het begin van een langere reis.
Toen ik den volgenden morgen al heel vroeg in den tuin wandelde met
tante—het goede mensch had weinig lichaamsbeweging in den laatsten
tijd, omdat zij Dora oppaste—werd mij bericht dat baas Peggotty mij
wenschte te spreken. Hij kwam mij halverwege den tuin reeds tegemoet,
en nam zijn muts af voor tante, voor wie hij groote achting koesterde.
Ik had haar alles verteld wat er den vorigen avond was voorgevallen.
Zonder een woord te spreken ging zij naar hem toe, schudde hem zoo
hartelijk mogelijk de hand en gaf hem een goedkeurend tikje op den arm.
Zij deed dit zoo veelzeggend dat zij er volstrekt niet bij behoefde te
spreken. Baas Peggotty verstond haar even goed.
„Ik zal nu naar binnen gaan, Trot, naar klein Bloesempje,” zei tante,
„zij zal nu wel op zijn.”
„Toch niet omdat ik hier ben, mevrouw, hoop ik?” zei baas Peggotty.
„Als ik mijn zinnen van morgen bij elkaar heb, meen ik te moeten
begrijpen dat gij om mij wilt heengaan.”
„Gij hebt met Trot wat te bespreken, goede vriend,” antwoordde tante,
„en zult dat beter kunnen doen zonder mij.”
„Met uw verlof, mevrouw,” antwoordde baas Peggotty, „maar als mijn
gebabbel u niet hindert, zou ik liever hebben dat gij hier bleeft.”
„Zoudt gij werkelijk? Dan zal ik blijven.”
Zij stak haar arm door dien van baas Peggotty en geleidde hem, naar
een priëeltje aan het einde van den tuin, waar zij op een bank
plaats nam en ik naast haar ging zitten. Er was wel een stoel voor
baas Peggotty, maar hij bleef liever staan met de hand op het kleine
rustieke tafeltje. Terwijl hij daar, eer hij begon te spreken, eenige
oogenblikken naar zijne muts stond te kijken, kon ik niet nalaten de
opmerking te maken welk een vast karakter zijne gespierde hand deed
vermoeden en hoe goed die paste bij zijn oprecht, gebruind gelaat en
zijne grijze haren.
„Ik nam mijn geliefd kind gisteren avond mede naar mijne kamer,” begon
hij te vertellen, terwijl hij ons met zijne eerlijke oogen aankeek,
„naar mijne kamer, waar ik zoo lang op haar heb gewacht en alles voor
haar ontvangst gereed was. Het duurde uren eer zij mij goed herkende en
toen zij dit deed, knielde zij aan mijne voeten neer en vertelde mij
alles.... alles. Het was alsof zij haar hart in een gebed uitstortte.
O, toen ik hare stem hoorde, die mij vroeger zoo vroolijk in de ooren
had geklonken, toen ik haar zoo vernederd zag, als kroop zij in het
stof waarin onze Heiland eenmaal met Zijne heilige hand schreef—toen
voelde ik toch te midden van mijne dankbaarheid een steek in mijn hart.”
Hij streek met de mouw langs zijn oogen, zonder eenige moeite te doen
om zijne aandoening te verbergen; daarna ging hij met helderder stem
voort:
„Dit gevoel duurde niet lang, want ik had haar terug. Ik behoefde er
slechts aan te denken, dat ik haar terug had, toen was het al weer
voorbij. Ik begrijp eigenlijk zelf niet waarom ik er nu nog over
spreek. Een minuut geleden zou het niet in mij opgekomen zijn een woord
over mij zelven te spreken, maar het ging zoo van zelf, dat ik het deed
eer ik het wist.”
„Gij hebt genoeg bewezen dat gij u zelven weet te verloochenen,” zei
tante; „gij zult daarvoor ook zeker beloond worden.”
Terwijl de schaduwen van de klimopbladeren op zijn gezicht speelden,
boog baas Peggotty een weinig verbaasd het hoofd naar mijne tante alsof
hij haar voor hare woorden wilde bedanken, en nam toen den draad van
zijn verhaal weder op.
„Toen mijne Em'ly de vlucht nam uit het huis, waar die ellendeling
haar gevangen hield—God straffe hem, want al hetgeen mijnheer Davy
heeft vernomen is waar—was het nacht, een donkere nacht met een
schitterenden sterrenhemel. Zij was half krankzinnig, liep langs het
strand, meenende dat daar de oude boot lag en riep ons toe, dat wij
het gezicht zouden afwenden, want dat zij er aankwam. Zij hoorde zich
zelve roepen, alsof zij een ander was, en kwetste zich de voeten aan
de scherpe steenen en rotsen, maar zij voelde er even weinig van,
alsof zij zelve eene rots geweest was. Zoo liep zij voort en voor haar
oogen scheen een groot licht en in haar ooren klonk voortdurend een
dof gebrom. Opeens—zoo meende zij, begrijpt gij—opeens was het dag
geworden, een koude, winderige dag en vond zij zich liggen op een hoop
steenen aan het strand en bij haar stond eene vrouw, die haar in de
taal van dat land aansprak en vroeg wat haar was overkomen.”
Hij zag alles wat hij vertelde. Terwijl hij sprak, stond het hem alles
zoo levendig voor den geest, dat hij in zijn ernst en zijn ijver alles
nog veel duidelijker beschreef dan ik het op dit oogenblik doen kan.
Nu ik het na zulk een lang tijdsverloop neerschrijf, kan ik moeilijk
gelooven, dat ik er niet zelf bij tegenwoordig ben geweest, zulk een
diepen indruk heeft de beschrijving van Emily's lotgevallen in mijn
geest achtergelaten.
„Toen Emily deze vrouw beter kon onderscheiden—hare oogen waren in het
eerst nog verduisterd”—ging baas Peggotty voort, „herkende zij eene
van de vrouwen, waarmede zij dikwijls aan het strand had staan praten.
Zij kende den geheelen omtrek, want zij hadden alleen of te zamen verre
tochten gemaakt per rijtuig of te voet of per boot langs het strand.
Deze vrouw had geen kinderen, want zij was nog niet lang getrouwd, maar
zij hoopte er spoedig een te krijgen. De Hemel geve dat het haar moge
gelukkig maken en tot troost en eer zij haar leven lang. Moge het haar
liefhebben en eeren in haar ouderdom, haar tot hulp en steun zijn tot
haar laatsten snik, een engel voor haar zijn, hier en hiernamaals!”
„Amen!” zei tante.
„Zij was eerst wat bedeesd geweest,” hernam baas Peggotty, „toen
Em'ly met de kinderen sprak, en aan haar werk gebleven—zij zat te
spinnen, meen ik. Maar Em'ly had haar opgemerkt en haar aangesproken
en aangezien het jonge vrouwtje ook zooveel van kinderen hield, hadden
zij spoedig vriendschap gesloten, zoo zelfs dat als Em'ly later
voorbijkwam, zij altijd bloemen van haar kreeg. Deze zelfde vrouw stond
nu bij haar en vroeg wat haar overkomen was. Em'ly vertelde haar alles
en de goede vrouw nam haar mede naar haar huis. Ja, waarlijk, dat deed
zij.... Zij nam haar mede naar huis,” herhaalde hij met de handen voor
de oogen.
De herinnering aan deze menschlievende daad ontroerde hem, meer dan
iets hem sinds den avond van Emily's vlucht had gedaan. Tante en ik
waagden het niet hem te storen.
„Het was een klein huisje, dat begrijpt gij,” ging hij voort, „maar
er was ruimte in voor Emily, want haar man was op zee, en zij
hield Emily's verblijf geheim en verzocht de buren—er waren er
niet veel—het ook geheim te houden. Emily werd zwaar ziek en het
zonderlingste is—voor geleerden is het dat misschien niet—zij vergat
de taal van het land geheel en al en kon alleen spreken in haar eigen
taal, die niemand kende. Zij herinnert zich, alsof zij gedroomd heeft,
dat zij daar lag met hevige koorts, altijd sprekende in haar eigen
taal, altijd meenende dat de oude boot daar op het strand lag; altijd
smeekende dat men toch zou gaan vertellen, hoe zij daar lag te sterven,
dat men een enkel woord van vergiffenis zou meebrengen. Bijna al dien
tijd dacht zij nu eens, dat hij, van wien ik zooeven sprak onder het
venster naar haar zat te loeren, dan weder dat hij, die haar zoover had
gebracht, in de kamer was—en dan bad en smeekte zij de goede vrouw
haar toch niet te verlaten, en op hetzelfde oogenblik wist zij dat men
haar niet begreep, en vreesde zij dat men haar zou weghalen. Ook was
telkens weder datzelfde licht voor hare oogen en datzelfde doffe gebrom
in hare ooren; en er bestond geen gisteren, geen heden, geen morgen
voor haar, en alles wat in haar leven was gebeurd en kon gebeurd zijn,
en alles wat niet gebeurd was en niet kon gebeurd zijn, verdrong zich
in hare koortsachtige droomen, en niets was haar duidelijk of welkom
en toch zong en lachte zij. Hoe lang dit zoo voortduurde weet ik niet;
maar daarna viel zij in slaap en in dien slaap werd zij, die altijd zoo
sterk geweest was, zwakker dan het kleinste kind.”
Hij zweeg, alsof hij eerst de akeligheid van zijn eigen beschrijving
moest te boven komen, maar na eenige seconden ging hij voort met zijn
verhaal.
„Op een mooien achtermiddag werd zij wakker; het was zoo stil om haar
heen, dat zij niets hoorde dan het kabbelen van het blauwe water tegen
het strand. In het eerste oogenblik meende zij thuis te zijn en dat het
Zondagmorgen was; maar de druivenbladeren, die zij voor het venster
zag, en de bergen in het verschiet behoorden niet tot haar huis en
waren met hare gewaarwordingen in tegenspraak. Toen kwam hare vriendin
binnen om naar haar te kijken, en toen wist zij dat de oude boot niet
daar op het strand lag, maar ver weg was; toen wist zij waar zij was en
hoe zij daar was gekomen, en barstte zij in snikken uit aan de borst
van die goede vrouw, die zich nu, naar ik hoop, verlustigen mag in de
lieve oogjes van haar kindje!”
Hij kon niet over dat goede mensch spreken, zonder dat de tranen in
zijne oogen kwamen. Het was te vergeefs of hij al trachtte ze binnen te
houden. Hij begon opnieuw te snikken en poogde den zegen over haar uit
te spreken.
„Dat deed mijne Em'ly goed,” vervolgde hij zoo aangedaan, dat ik
hem niet kon aanzien zonder in zijne ontroering te deelen, terwijl
tante van ganscher harte meeschreide, „dat deed Em'ly goed en zij
werd langzaam beter. De kennis van de taal van het land was echter
verdwenen zoodat zij zich slechts door teekens verstaanbaar maken kon.
Zoo leefde zij eenigen tijd voort, langzaam in krachten toenemende,
terwijl zij haar best deed de namen te leeren van de haar omringende
voorwerpen—het scheen haar toe alsof zij ze nooit gehoord had—totdat
zij op zekeren avond voor het venster naar een klein meisje zat te
kijken, dat op het strand aan het spelen was. Plotseling stak dat kind
de hand uit en zei: „Visschersdochter, kijk eens wat een mooie schelp!”
Gij moet weten dat zij haar eerst „Mooie dame!” noemden, maar dat zij
den kinderen geleerd had haar „Visschersdochter” te noemen. Em'ly
begreep wat het kind zei en barstte in tranen uit. Van dat oogenblik af
stond het gansche verleden haar weder helder voor den geest.”
„Toen zij sterk genoeg was,” ging baas Peggotty, na eenige
oogenblikken gezwegen te hebben, voort, „besloot zij die goede, jonge
vrouw te verlaten en naar haar eigen land terug te keeren. De man
was teruggekomen en te zamen brachten zij haar aan boord van een
koopvaardijscheepje, dat haar over Livorno naar Frankrijk zou brengen.
Zij had nog een weinig geld, maar het was minder dan weinig dat zij
wilden aannemen voor alles wat zij gedaan hadden. Ik ben daar bijna
blijde om, hoewel zij zoo arm waren. Hetgeen zij aan onze ongelukkige
Em'ly hebben gedaan is opgelegd daar, waar roest noch mot, dieven
noch inbrekers het kunnen bereiken en het zal langer duren dan al de
schatten der wereld, mijnheer Davy!”
„Em'ly ging naar Frankrijk en nam dienst in een logement in een der
havensteden, ten einde reizende dames te bedienen. Op zekeren dag komt
daar die schurk—Laat hij mij nooit onder de oogen komen. Ik zou niet
weten wat ik hem zou kunnen doen!—Zoodra zij hem zag, zonder dat hij
haar nog had gezien, ontvluchtte zij de lucht, die hij had ingeademd.
Zij kwam naar Engeland en stapte te Dover aan wal. Ik weet niet waar de
moed haar begon te ontzinken, maar gedurende de geheele reis had zij
het voornemen naar haar huis.... haar dierbaar huis terug te keeren.
Zoodra zij Engeland's grond onder de voeten had, richtte zij zich
daarheen. Maar de vrees dat zij geen vergiffenis zou vinden, de vrees,
dat men haar zou herkennen en nawijzen, de vrees dat wellicht een of
meer van ons in dien tijd zouden gestorven zijn, deed haar bijna met
geweld omkeeren. „Oom, oom!” zeide zij tegen mij, „de vrees dat ik niet
meer waardig was te doen wat mijn verscheurd en bloedend hart zoo vurig
verlangde te doen, was de ergste, die ik gekend heb. Ik keerde terug
en bad God, dat ik naar den ouden drempel zou mogen kruipen om dien te
kussen en er met het gezicht op te blijven liggen, den ganschen nacht
dat men mij daar den volgenden morgen dood zou vinden!””
„Zij kwam,” vervolgde baas Peggotty met eene stem, die hoe langer hoe
zachter werd alsof deze gedachte hem nog met ontzetting vervulde,
„naar Londen. Zij, die Londen nooit had gezien..... zij kwam daar...
alleen... zonder geld... jong... en mooi.... Nauwelijks had zij een
voet in Londen gezet of zij vond zooals zij meende—eene vriendin; eene
fatsoenlijk uitziende vrouw sprak haar aan en beloofde haar naaiwerk
te zullen verschaffen, dat zij in voldoenden voorraad had; ook zou zij
haar voor dien nacht huisvesting verleenen en den volgenden dag in
het geheim onderzoek doen naar mij en naar haar oude tehuis. En toen
mijn kind,” zei hij luid en met een gelaat, waarop niets dan innige
dankbaarheid te lezen stond, „op den drempel stond van..... ik kan het
niet noemen, het is erger dan ik kon zeggen of denken.... toen vervulde
Martha hare belofte en redde haar!”
Ik kon een kreet van vreugde onmogelijk onderdrukken.
„Jongeheer Davy!” zei hij, mijne hand in zijne gespierde vuist nemende,
„gij zijt de eerste geweest, die op het denkbeeld gekomen is om hare
hulp in te roepen. Ik dank u daarvoor, mijnheer! Zij meende wat zij
zeide. Uit haar eigen bittere ervaringen had zij geleerd waar zij de
wacht moest houden. En dat heeft zij gedaan. En God de Heer was met
ons. Bleek en gejaagd kwam zij bij Em'ly, die rustig sliep. „Sta op,”
riep zij, „de dood is te verkiezen boven een leven in _dit_ huis!” De
eigenares van de woning wilde haar tegenhouden, maar zij had even goed
kunnen trachten de zee tegen te houden. „Ga uit den weg”, riep zij, „ik
ben een geest, die haar oproept uit haar geopend graf!” Zij vertelde
Em'ly dat zij mij gesproken had, dat zij wist hoe lief ik haar had en
dat ik niets liever zou doen dan haar vergiffenis schenken. Fluks hielp
zij haar zich aankleeden en nam haar toen mede. Em'ly beefde van angst
en Martha scheen om hetgeen men zeide even weinig te geven alsof zij
geen ooren had. Zij liep met mijn kind tusschen hen door en had voor
niets oogen dan voor haar en bracht haar midden in den nacht veilig en
wel uit dien afgrond des verderfs.”
„Zij bleef voor Em'ly zorgen,” vervolgde baas Peggotty na mijne hand
losgelaten en de zijne op zijne hijgende borst gelegd te hebben, „zij
bleef voor Em'ly zorgen tot den volgenden dag. Em'ly was doodop van
vermoeidheid en angst en lag nu en dan te ijlen. Daarna ging zij mij
zoeken en vervolgens u, mijnheer Davy. Zij vertelde Em'ly niet waarom
zij uitging, uit vrees dat haar het hart in de schoenen zou zinken en
zij weer zou trachten zich te verbergen. Hoe die wreede dame wist dat
zij hier was, weet ik niet. Of de man, over wien ik al meer gesproken
heb, haar dat huis had zien binnengaan of—hetgeen waarschijnlijker
is—dat hij hare verblijfplaats door die vrouw is te weten gekomen,
daar vraag ik niet verder naar. Ik heb mijn nichtje terug. Den
geheelen avond hebben wij bij elkander gezeten, Em'ly en ik. Weinig
heeft zij gesproken in al dien tijd, want de tranen beletten haar het
spreken; minder nog heb ik van haar gezichtje gezien, dat voortdurend
tegen mijne borst rustte, waar het van een kindergezichtje tot een
meisjesgezichtje geworden is. Maar den geheelen avond heb ik haar armen
om mijn hals gevoeld en wij weten nu dat wij elkander weer vertrouwen
kunnen ons leven lang.”
Hij zweeg en zijne hand bleef op de tafel rusten en zoo als die daar
lag drukte ze zooveel vastberadenheid uit, als men er leeuwen mede zou
hebben bedwongen.
„Het was een lichtstraal in mijn leven, Trot,” zei tante, hare oogen
afdrogende, „toen ik het besluit nam peetmoeder te worden van uw zusje
Betsey Trotwood, die mij zoo teleurstelde; maar daarna zou mij niets
grooter genoegen hebben kunnen geven dan peet te worden over het kindje
van die goede jonge vrouw!”
Baas Peggotty knikte alsof hij wilde te kennen geven dat hij zich
in tante's gevoel kon verplaatsen, maar hij scheen zich niet toe
te vertrouwen iets over het voorwerp van haar lof in het midden te
brengen. Wij bewaarden alle drie het stilzwijgen en bleven met onze
eigen gedachten bezig—tante droogde zich herhaaldelijk de oogen af
en zat zenuwachtig te snikken en te lachen en noemde zich zelve een
zottin—tot ik eindelijk weder het woord nam.
„Hebt gij al over de toekomst gedacht?” vroeg ik aan baas Peggotty. „Ik
behoef dat eigenlijk niet te vragen.”
„Juist, mijnheer Davy,” antwoordde hij „en ik heb die ook al met Em'ly
besproken. Er liggen nog groote landen aan de overzij—dáár ligt onze
toekomst.”
„Wilt gij samen buitenslands gaan?” vroeg ik.
„Ja!” antwoordde baas Peggotty met een hoopvollen glimlach. „Niemand
kan mijn lieveling in Australië iets verwijten. Wij zullen daar een
nieuw leven beginnen.”
Ik vroeg of hij den tijd van vertrek al bepaald had.
„Ik ben van morgen in de vroegte naar de dokken geweest,” antwoordde
hij, „om informaties in te winnen omtrent de vertrekkende schepen.
Over zes weken of twee maanden zeilt er een uit. Ik heb het van morgen
gezien.... ben aan boord geweest.... daarmede zullen wij de reis doen.”
„Alleen?” vroeg ik.
„Ja, mijnheer David!” antwoordde hij. „Mijne zuster, ziet ge, is zoo
gehecht aan u en alles wat u betreft, en zoo gewoon om alleen aan haar
eigen landje te denken, dat het haar moeielijk zou vallen mede te gaan.
Bovendien heeft zij iemand, voor wien zij zorgen moet, dat mogen wij
niet vergeten, mijnheer Davy.”
„Arme Ham!” zei ik.
„Mijne goede zuster heeft de zorg voor zijne huishouding op zich
genomen, mevrouw,” zoo wendde hij zich tot tante, „zij houden veel
van elkander. Met haar zal hij kalm praten als een ander zijne lippen
onmogelijk zou kunnen openen. Arme kerel! Hij heeft niet zooveel
overgehouden om het weinige, dat hij heeft, nog te kunnen missen.”
„En juffrouw Gummidge,” vroeg ik.
„Ja, die heeft mij heel wat hoofdbreken gekost, dat verzeker ik
u,” antwoordde baas Peggotty met een verlegen gezicht, dat echter
langzamerhand ophelderde terwijl hij sprak. „Gij weet, dat als
juffrouw Gummidge aan ‚den oude’ denkt, zij niet is wat men aangenaam
gezelschap noemt. Onder ons gezegd, mijnheer Davy en u, mevrouw, als
juffrouw Gummidge begint te grienen—ik bedoel te schreien—zou zij
door menschen, die den oude niet gekend hebben, voor lastig gehouden
worden. Maar _ik_ heb den oude gekend, en ik heb ook zijne deugden
gekend, dus ik begrijp haar—maar dat kunnen anderen niet zoo,
natuurlijk.”
Tante en ik moesten dit toestemmen.
„Daarom zou mijne zuster,” hernam baas Peggotty, „ik zeg niet dat zij
het heeft, maar zij zou wel eens last met haar kunnen krijgen. Het is
daarom mijn plan, juffrouw Gummidge niet aan die twee vast te meeren,
maar eene gelegenheid voor haar te zoeken, waar zij op zich zelve kan
omtobben. Ik zal daarom, voor ik vertrek, een som voor haar vastzetten,
zoodat zij onbekommerd leven kan. O, zij is zoo'n trouw schepsel, maar
men kan van iemand op haar leeftijd en vooral van iemand, die zich
altijd zoo ongelukkig gevoelt, niet verwachten, dat zij zich aan boord
en in de wildernis erg op haar gemak zal gevoelen. Dat heb ik met
_haar_ voor.”
Hij vergat niemand. Hij dacht aan ieders aanspraken en verdiensten,
behalve aan zijn eigene.
„Em'ly,” ging hij voort, „zal bij mij blijven.... 't arme kind! Zij
heeft wel wat rust noodig eer wij op reis gaan. Zij zal de kleeren
maken, die wij noodig hebben, en ik hoop dat haar het doorgestane leed
nog wat langer geleden zal schijnen nu zij weder bij haar ouden oom is,
die haar zoo innig lief heeft.”
Tante knikte als wilde zij de verwachting, die hij koesterde, in hem
versterken, waarvoor baas Peggotty haar dankbaar was.
„Er is nog iets, mijnheer Davy,” hernam hij, de hand in zijn borstzak
stekende, waarna hij hetzelfde bundeltje papieren, dat ik op dien
avond gezien had, op de tafel uitrolde, „hier zijn die banknoten....
vijftig pond en tien. Ik wenschte daarbij het geld te voegen dat zij
medegenomen heeft toen zij heenging. Ik heb haar dat gevraagd, zonder
te zeggen waarom, en heb het daarbij opgeteld. Maar ik ben geen vlugge
rekenaar; wilt gij het daarom eens nakijken?”
Hij gaf mij met veel verontschuldigingen over het slechte schrift
een stukje papier en sloeg mij gade terwijl ik het nakeek. Het was
volkomen in orde.
„Dank u, mijnheer,” zei hij, toen hij het terugnam. „Als gij er niet
tegen hebt, mijnheer Davy, zal ik een dag voor mijn vertrek dit geld
aan zijn adres en het andere aan dat van zijne moeder opzenden. Ik
zal haar in niet meer woorden dan ik het aan u doe vertellen waarvan
dat geld de prijs is; en dan ben ik weg en kan zij het mij niet
terugzenden.”
Ik zei dat hij daaraan naar mijne meening goed zou doen, dat ik er
volkomen van overtuigd was, indien hij meende dat hij er goed aan deed.
Toen hij het pakje weder in den zak had gestoken hernam hij: „Ik zei
dat er nog één ding te bespreken was, maar daar waren er twee. Ik was
er, toen ik van morgen uitging, niet zeker van of ik zelf wel naar Ham
zou gaan om hem te vertellen hoe gelukkig ik ben. Ik schreef hem daarom
een brief en deed dien zelf op de post, om hem te vertellen hoe de
zaken nu staan en dat ik morgen zou komen om het weinige te doen, dat
daar nog gedaan moet worden en, wellicht voor altijd, afscheid te nemen
van Yarmouth en het strand.”
„En zoudt gij nu gaarne willen dat ik met u medeging?” vroeg ik, omdat
ik zag dat hij iets binnen hield.
„Zoo gij mij dezen vriendschapsdienst zoudt willen bewijzen, mijnheer
Davy,” antwoordde hij, „ik weet dat uwe komst hem een weinig zou
opvroolijken.”
Mijn kind-vrouwtje was in die dagen nog al wel en zij drong er op aan
dat ik gaan zou, toen ik er met haar over sprak, zoodat ik gereedelijk
er in toestemde hem te vergezellen. Den volgenden morgen zaten wij in
de diligence en reden opnieuw langs den bekenden weg naar Yarmouth.
Toen wij des avonds door de van ouds bekende straat
wandelden—niettegenstaande mijn tegenstribbelen droeg baas Peggotty
mijn valies—kon ik niet nalaten even bij Omer en Joram binnen te
kijken, en daar zat mijn oude vriend Omer zijn pijpje te rooken.
Aangezien ik liever niet tegenwoordig was bij de eerste ontmoeting
van baas Peggotty met zijne zuster en Ham, nam ik mijnheer Omer tot
voorwendsel om achter te blijven.
„Hoe maakt mijnheer Omer het?” vroeg ik, den winkel binnengaande.
Hij blies den rook van zijn pijp weg, opdat hij mij beter zou kunnen
zien, en herkende mij weldra tot zijne groote vreugde.
„Ik zou gaarne opstaan, mijnheer, ten einde mijne erkentelijkheid te
toonen voor de eer van dit bezoek, maar mijn beenen zijn onbruikbaar,
zoodat ik mij moet laten rijden. Behalve mijn adem en mijn beenen ben
ik zoo gezond als iemand maar zijn kan. Ik ben dankbaar dit te kunnen
zeggen.”
Ik wenschte hem geluk met zijne tevredene, vroolijke stemming en merkte
tegelijkertijd op dat zijn leunstoel op wieltjes stond.
„Is dat niet schrander uitgevonden?” vroeg hij, de richting van mijne
oogen volgende, terwijl hij met zijn mouw de zijleuning wat opwreef.
„Dat rijdt zoo licht als een veer en blijft zoo goed in het spoor als
een postwagen. Goede Hemel, de kleine Minnie—mijne kleindochter,
begrijpt gij, Minnie's kind—zet hare kleine handjes maar tegen den
rug, geeft den stoel een duw en dan gaan we, zoo handig en prettig als
gij ooit iets gezien hebt. En bovendien is het de gemakkelijkste stoel
van de wereld om eene pijp in te rooken.”
Nooit zag ik iemand van zijn leeftijd, die zich zoo goed in alle
omstandigheden wist te schikken en van alles den beste kant wist
te vinden als mijnheer Omer. Hij was zoo opgewekt alsof de stoel,
zijn asthma en zijne lamme beenen alleen uitgevonden waren om hem
gemakkelijk een pijp te laten rooken!
„Ik kan u verzekeren,” hernam hij, „dat ik in dezen stoel meer van de
wereld zie dan ik ooit buiten dezen stoel gezien heb. Gij zoudt u
verbazen over het groot aantal menschen, die dagelijks een praatje met
mij komen maken. Dat zoudt gij zeker! Er staat tweemaal zooveel in de
courant als vroeger, nu ik in dezen stoel moet zitten. Het is verbazend
zooveel boeken als ik lees! En daarvoor ben ik zoo dankbaar! Wat had
ik moeten beginnen, als mijn oogen ziek waren geworden? Nu zijn mijne
beenen ziek, maar wat beteekent dat? Als ik mijne beenen gebruikte, was
mijn adem altijd veel korter. En nu? Als ik de straat of het strand
eens op wil, dan heb ik niets anders te doen dan Dick te roepen,
Joram's jongste leerling, en voort gaat het in mijn eigen rijtuig,
evenals de Lord Mayor van Londen!”
Hij lachte zoo hartelijk dat hij een oogenblik het gevaar liep van te
stikken.
„Goede Hemel!” hernam hij, toen hij zijne pijp weder in den mond had,
„men heeft vette en magere jaren; men moet zich daarnaar weten te
schikken. Joram maakt beste zaken, uitmuntende zaken.”
„Het verheugt mij dat te hooren,” zei ik.
„Dat wist ik,” antwoordde mijnheer Omer.
„En Joram en Minnie doen nog altijd alsof zij gisteren getrouwd waren.
Wat kan een mensch meer verlangen! Wat beteekenen die beenen in
vergelijking daarmede?”
De trotsche minachting, waarmede hij over zijn beenen sprak, terwijl
hij daar in zijn stoel zat te rooken, was een van de zonderlingste
ondervindingen, die ik ooit heb opgedaan.
„En sinds ik begonnen ben boeken te lezen, zijt gij begonnen boeken
te schrijven, nietwaar, mijnheer?” vroeg hij en keek mij daarbij met
eenige bewondering aan. „Wat was dat laatste boek mooi! Wat zit daar
veel in! Ik heb het heelemaal gelezen—van woord tot woord! En ik heb
geen oogenblik slaap gevoeld.... geen oogenblik!”
Ik betuigde lachend mijne voldoening over deze goede beoordeeling van
mijn boek, maar ik moest in stilte bekennen dat zulk een lof niet veel
beteekende.
„Ik geef u mijn woord, mijnheer,” vervolgde mijnheer Omer, „dat toen ik
het boek op de tafel legde en den omslag bekeek—drie deelen compres
gedrukt—ik mij zoo trotsch voelde als Punch bij de gedachte, dat ik
eenmaal de eer had gehad uwe familie zoo goed te kennen. Goede Hemel,
wat is dat al lang geleden! Te Blunderstone nietwaar? Gij waart toen
nog zoo klein!”
Ik bracht hem van dit onderwerp af door over Emily te beginnen. Na
hem de verzekering te hebben gegeven dat ik niet vergeten had hoeveel
belang hij altijd in haar gesteld en hoe vriendelijk hij haar behandeld
had, deed ik hem het geheele verhaal van hare redding met Martha's
hulp; ik wist dat hem dit genoegen zou doen. Hij luisterde met de
grootste aandacht en toen ik geëindigd had, zei hij met ontroerde stem:
„Dat verheugt mij meer dan ik u zeggen kan, mijnheer. Het is het beste
bericht dat ik in langen tijd heb gehoord. Goede Hemel! En wat zal er
nu van die ongelukkige Martha worden?”
„Gij roert daar een onderwerp aan, mijnheer Omer, dat mij sinds
gisteren voortdurend bezig houdt,” antwoordde ik, „doch waarover ik u
thans geen nadere inlichtingen kan geven. Peggotty heeft het met geen
woord aangeroerd en ik acht het onderwerp wel wat kiesch om er over te
beginnen. Ik ben er echter zeker van dat hij Martha niet zal vergeten;
hij is altijd zoo belangeloos en zoo goed.”
„Want, weet ge,” zei mijnheer Omer, „ik wil gaarne meedoen als er iets
voor haar gedaan moet worden. Reken maar op mij en laat mij maar weten
voor hoeveel. Ik heb nooit gedacht dat zij voor goed verloren zou
zijn en het verheugt mij nu te vernemen dat zij het niet is. En mijne
dochter Minnie zal er ook blij om zijn. Jonge vrouwtjes zijn in sommige
dingen zonderlinge schepsels—hare moeder was precies als zij maar
zij heeft hetzelfde goede, zachtmoedige hart als hare moeder. Zooals
Minnie over Martha spreekt, meent zij niet wat zij zegt. Waarom zij het
noodig vindt comedie te spelen is mij onbegrijpelijk, maar comedie—is
't. Zij zou haar in het geheim helpen als zij er toe in de gelegenheid
was. Reken dus op mij en laat mij maar weten voor hoeveel. Zult gij 't
niet vergeten? En laat mij ook met een enkel woord weten, waarheen ik
het zenden kan. Och Hemel, als iemand den tijd nadert, waarin het begin
en het einde tot elkander komen, wanneer men voor de tweede maal in een
rolwagentje wordt rondgereden, dan mag men blij zijn als men nog iets
goeds kan doen. Men heeft dan zelf zooveel goedheid van anderen noodig.
En ik spreek niet in het bijzonder over mij zelven, mijnheer, want mijn
levensbeschouwing is, dat wij, hoe oud of jong wij ook zijn, allen
voortdurend op weg zijn naar het graf, omdat de tijd nooit stilstaat.
Als wij dus iets goeds kunnen doen, dan moeten wij het niet nalaten.
Zoo denk ik er over.”
Hij klopte de asch uit zijne pijp en legde deze op een plank, die
daartoe opzettelijk aan den rug van zijn stoel was aangebracht.
„Daar hebt gij Emily's neef, met wien zij getrouwd zou zijn,” hernam
mijnheer Omer zijne handen wrijvende, „dat is de beste kerel uit geheel
Yarmouth. Hij komt mij hier telkens opzoeken en leest mij 's avonds
somtijds een uur lang voor. Dat is zoo'n beste man, als er maar een
is—de goedheid zelve.”
„Ik ga hem nu een bezoek brengen,” zei ik.
„Zoo? Zeg hem dan, dat ik het heel goed maak en breng hem mijne
groeten. Minnie en Joram zijn naar eene danspartij. Zij zouden ook
trotsch zijn op uw bezoek, al was het alleen maar om hun vader. Minnie
had van avond niet uit willen gaan, maar, zei ik, dan ga ik om zes uur
naar bed. En nu,” zei hij, zoo hartelijk lachend, dat de stoel begon
te kraken, „en nu zijn Minnie en Joram aan het dansen!”
Ik schudde hem de hand en wenschte hem goeden nacht.
„Wacht nog een minuut, mijnheer,” zei mijnheer Omer, „als gij heengingt
zonder mijn kleine oliphant gezien te hebben, hadt gij het mooiste
gemist. Gij hebt nooit zoo iets gezien! Minnie!”
Bovenaan de trap antwoordde een welluidend stemmetje: „Ik kom,
grootvader!” waarop een klein, mooi meisje met golvende krullen naar
beneden kwam en den winkel binnentrippelde.
„Dit is mijn klein oliphantje, mijnheer,” zei mijnheer Omer, terwijl
hij het kind liefkoosde. „Een echte Siamees, mijnheer! Nietwaar, klein
oliphantje?”
Het kleine oliphantje opende de deur van de kamer achter den winkel,
zoodat ik kon opmerken, dat deze kamer was ingericht tot slaapkamer
voor mijnheer Omer, die moeilijk naar boven kon gebracht worden; daarna
verborg zij haar lieve kopje en hare lange krullen achter den stoel van
mijnheer Omer.
„De oliphant stoot wel eens met den kop, mijnheer,” zei mijnheer Omer.
„Wel, oliphantje, één, twee, drie!”
Op dit signaal draaide het oliphantje met eene handigheid, die ik bij
zulk een klein kind niet verwacht zou hebben, den stoel van mijnheer
Omer om en rolde dien in een oogwenk naar de slaapkamer, zonder den
deurpost ook maar even te raken; mijnheer Omer genoot van dit kunststuk
zijner kleindochter en keek zegevierend naar mij om, alsof hiermede op
den arbeid van zijn geheele leven de kroon was gezet.
Na eene wandeling door de stad kwam ik bij de woning van Ham. Peggotty
had nu voor goed bij hem haar intrek genomen en haar huisje met kar
en paard vrij goed aan den nieuwen voerman op Blunderstone verkocht.
Bedrieg ik mij niet dan was hetzelfde oude, luie paard nog altijd in
dienst.
Ik vond de geheele familie in den zindelijken keuken bijeen; ook
juffrouw Gummidge was door baas Peggotty zelven gehaald uit de oude
schuit. Ik twijfel er aan of iemand anders haar zou hebben kunnen
overhalen om haar post te verlaten. Blijkbaar had hij hun alles
verteld. Zoowel Peggotty als juffrouw Gummidge zat met den boezelaar
voor de oogen en Ham was juist uitgegaan om wat frissche lucht te
zoeken aan het strand. Toen hij een oogenblik later terugkwam, was
hij blijde mij te zien en ik meen wel te mogen aannemen dat mijne
tegenwoordigheid hun allen goed deed. Er werden zelfs grappen ten beste
gegeven over baas Peggotty's reis naar het vreemde land, waar hij,
zooals wij zeiden, goud wilde zoeken; en reeds verheugden wij ons op
de wonderen, die hij ons uit dat land in zijne brieven zou meedeelen.
Wij noemden geen van allen Emily's naam, maar toch bleef zij niet
onbesproken. Ham was de kalmste van allen.
Peggotty vertelde mij, toen zij mij naar een kamertje had gebracht,
waar het krokodillenboek voor mij gereed lag, dat Ham altijd dezelfde
was. Zij geloofde—zij vertelde mij dat met tranen in de oogen—dat hij
nog altijd gebukt ging onder den slag, die hem getroffen had, hoewel
hij vol moed en altijd even zachtzinnig was en harder werkte dan eenige
scheepstimmerman op welke werf ook. Het gebeurde wel eens, vertelde
zij, dat Ham des avonds over Emily sprak; maar dan was het altijd over
hare kinderjaren. Over den tijd, toen zij volwassen was, bewaarde hij
het stilzwijgen.
Ik meende op zijn gezicht gelezen te hebben dat hij mij alleen wenschte
te spreken, waarom ik besloot hem den volgenden avond, wanneer hij
van zijn werk kwam, te gemoet te gaan. Na dit plan gemaakt te hebben
viel ik in slaap. Dien nacht, voor het eerst na zulk een langen tijd,
brandde de kaars niet in het venster van de oude boot, waar baas
Peggotty in zijn hangmat sliep en de wind als van ouds om zijn hoofd
suisde.
Den geheelen volgenden dag besteedde hij aan den verkoop van de boot
en van zijn vischtuig, pakte alles wat hem van dienst kon zijn bijeen,
om het met den vrachtwagen naar Londen te zenden en deed het overige
van de hand of schonk het aan juffrouw Gummidge. Deze was den geheelen
dag om en bij hem. Aangezien ik een weemoedig verlangen had om de oude
boot nog eens te zien, eer ze gesloten werd, sprak ik met baas Peggotty
af, dat ik dien avond bij hem zou komen; maar ik regelde het zoo, dat
ik eerst Ham ontmoette. Dit was gemakkelijk genoeg, want ik wist waar
zijne werkplaats lag. Ik kwam hem tegen op een afgelegen hoekje van het
strand, dat hij moest oversteken en keerde met hem terug, zoodat hij
de gelegenheid had om met mij te spreken, indien hij dat verkoos. Ik
had mij niet vergist, want wij hadden nog slechts een korten afstand
afgelegd, toen hij zonder mij aan te kijken zeide:
„Mijnheer Davy, hebt gij haar gezien?”
„Eén oogenblik slechts, toen zij in zwijm lag,” antwoordde ik zachtjes.
Wij wandelden voort. „Mijnheer Davy,” begon hij weder, „denkt gij haar
te zullen zien?”
„Zou dat niet te pijnlijk voor haar zijn?” vroeg ik.
„Dat heb ik ook gedacht, mijnheer,” antwoordde hij, „dat zou het zeker,
dat zou het zeker.”
„Maar, Ham,” hernam ik, „indien ik haar wellicht iets zou kunnen
schrijven... indien er iets is, dat ik haar uit uw naam zou kunnen
schrijven, dan zou ik het eene heilige taak achten dat te doen, ja, dan
zou ik zoo noodig met haar gaan spreken.”
„O, ja, daarvan ben ik overtuigd. Ik dank u, mijnheer, ik dank u
hartelijk voor uwe vriendelijkheid. Ik geloof wel dat er iets is, dat
ik haar gaarne zou zeggen of schrijven.”
„Zoo, wat dan?”
Wij wandelden weder eenigen tijd zwijgend voort en toen zei hij:
„Het is niet dat ik haar vergiffenis wil schenken, maar ik wilde
haar verzoeken mij te vergeven dat ik haar ooit met mijne genegenheid
ben lastig gevallen. Menigmaal denk ik dat als zij niet de belofte
had afgelegd om met mij te trouwen, zij mij wellicht als vriend haar
vertrouwen geschonken en mij verteld zou hebben wat er in hare ziel
omging; dat zij mij misschien raad gevraagd en dat ik haar gered zou
hebben.”
Ik drukte hem de hand. „Is dat alles?” vroeg ik.
„Er is nog iets,” antwoordde hij, „als ik maar wist hoe ik het zeggen
moest, mijnheer Davy.”
Wij wandelden nu nog verder door dan wij reeds geweest waren, eer hij
weder begon te spreken. Hij schreide niet in de tusschenpoozen, die ik
door streepjes zal aanduiden; hij deed alleen zijn best om zich zoo
nauwkeurig mogelijk uit te drukken.
„Ik had haar lief—en ik heb hare nagedachtenis nog lief—te lief
om haar te kunnen doen gelooven dat ik gelukkig ben. Ik zou alleen
gelukkig kunnen zijn als ik haar kon vergeten—en toch zou ik er niet
toe kunnen komen haar te laten zeggen dat ik haar vergeten heb.—Maar
indien gij, mijnheer Davy, die zoo geleerd zijt, haar kondt doen
gelooven dat ik het mij niet zoo heel erg heb aangetrokken, dat ik haar
nog wel liefheb en om haar treur; indien gij haar zoudt kunnen doen
gelooven dat ik nog aan het leven hecht en hoop haar nog eens terug te
zien, zonder smet of blaam, daar waar de goddeloozen niet meer woelen
en de vermoeiden rust vinden—indien gij haar iets zoudt kunnen zeggen
of schrijven dat haar gerust zal stellen, zonder dat de gedachte ooit
in haar zou kunnen opkomen, dat ik nog eens zou kunnen trouwen of dat
ooit iemand voor mij zou kunnen zijn, wat zij voor mij was—ik wilde
u vragen of gij haar dat zoudt willen zeggen—met mijn zegen voor
haar—van wie ik zoo innig veel hield.”
Ik drukte zijne ruwe hand nog eens en beloofde hem, dat ik trachten
zou mij zoo goed mogelijk van deze taak te kwijten.
„Dank u,” antwoordde hij. „Het was heel vriendelijk van u mij tegemoet
te komen. En het was ook vriendelijk van u hem te vergezellen. Mijnheer
Davy, ik begrijp heel goed, dat, al zal mijne tante naar Londen gaan
om hem uitgeleide te doen, ik hem niet meer zien zal. Ik ben daar
bijna zeker van. Wij spreken dat wel niet uit, maar het zal toch zoo
zijn en—het is beter zoo. Als gij hem voor de laatste maal de hand
drukt—voor de allerlaatste maal—wilt gij hem dan den dank overbrengen
van den wees, voor wien hij een vader geweest is?”
Ook dit beloofde ik getrouw te zullen volbrengen.
„Dank u nogmaals,” zei hij en schudde mij hartelijk de hand. „Ik weet
waar gij heengaat. Goeden avond!”
Hij wuifde even met de hand, alsof hij wilde te kennen geven, dat hij
de oude boot niet meer betreden kon en ging heen. Toen ik hem nakeek,
terwijl hij eenzaam in den maneschijn langs het strand liep, zag ik hem
het hoofd wenden naar de lichtende streep op de zee. Al voortloopende
bleef hij er naar kijken, zoolang ik hem zien kon.
De deur van de boot stond open, toen ik naderbij kwam en binnentredende
zag ik, dat alle meubels verdwenen waren behalve een van de oude
bankjes, waarop juffrouw Gummidge plaats had genomen met een mandje aan
den arm. Zij keek naar baas Peggotty's gelaat, die met den elleboog op
den schoorsteenmantel geleund stond en aandachtig de bijna uitgebrande
kolen in den haard gadesloeg. Toen hij mij zag, helderde zijn gelaat op
en zei hij op een toon, die vrij opgeruimd klonk:
„Zoo, mijnheer Davy, komt gij volgens afspraak afscheid nemen van ons
oude huis? Het ziet er hier nu ongezellig uit, hé?”
„Gij hebt dien tijd blijkbaar goed gebruikt,” antwoordde ik.
„Ja, wij hebben niet geluierd, mijnheer. Juffrouw Gummidge heeft
gewerkt als een.... ja, ik weet niet, waarbij ik juffrouw Gummidge moet
vergelijken, zoo ijverig is ze,” zei baas Peggotty, haar aanziende.
Juffrouw Gummidge leunde zwijgend op haar mand.
„Dat is hetzelfde bankje; waarop gij gewoon waart met Em'ly te zitten,”
hernam baas Peggotty fluisterend. „Dat is het laatste wat ik medeneem.
En daar is uw oude slaapkamertje, mijnheer Davy, kijk! Het ziet er van
avond al heel ongezellig uit!”
En waarlijk, de wind, hoewel niet hevig, suisde klagend door de ledige
woning. Alles was weg, zelfs het kleine spiegeltje met de lijst van
oesterschelpen. Ik dacht aan den nacht toen ik daar gelegen had na de
eerste groote verandering in het huis mijner moeder. Ik dacht aan mijne
verrukking van dat blauwoogige kind. Ik dacht aan Steerforth en de
dwaze vrees kwam in mij op, dat hij wellicht in de buurt zou zijn en
mij bij den eersten hoek, dien ik omsloeg, zou tegenkomen.
„Het zal wel lang duren,” merkte baas Peggotty op, „eer de boot weer
nieuwe bewoners zal hebben. Ze heeft nu den naam gekregen dat men er
ongelukkig moet worden.”
„Behoort ze aan iemand in de buurt?” vroeg ik.
„Aan een mastenmaker in de stad,” antwoordde baas Peggotty. „Ik breng
hem van avond den sleutel.”
Wij wierpen nog een blik in het andere kamertje en keerden toen terug
naar juffrouw Gummidge, die nog altijd op het bankje zat. Baas Peggotty
verzocht haar op te staan, ten einde het bankje naar buiten te brengen
eer hij de kaars snoot, die op den schoorsteenmantel stond.
„Daniël,” zei juffrouw Gummidge, haar hand los latende en zijn arm
nemende, „de laatste woorden, die ik in dit huis spreek zijn deze: Gij
moogt mij niet achterlaten. Denkt gij er over, Daniël, mij achter te
laten? Dat moogt gij niet doen.”
Baas Peggotty was ten hoogste verbaasd en keek van juffrouw Gummidge
naar mij en van mij weder naar haar, alsof hij plotseling uit den slaap
ontwaakte.
„Doe het toch niet, Daniël, doe het toch niet!” riep juffrouw Gummidge
zenuwachtig uit.
„Neem mij met u mee, Daniël, neem mij met u mee, met Em'ly! Ik zal u
trouw en ijverig dienen. Indien er slaven zijn in dat land, waarheen
gij gaat, zal ik mij verbinden uwe slavin te zijn, maar laat mij niet
achter, Daniël. Doe dat toch niet! Ik kan niet gelukkig meer zijn als
gij mij achterlaat! Daniël, beste man!”
„Maar, goede ziel,” antwoordde baas Peggotty hoofdschuddend, „gij weet
niet welk eene lange reis het is en welk een moeielijk leven wij zullen
hebben.”
„Ja, dat weet ik, Daniël, dat kan ik wel gissen,” riep juffrouw
Gummidge. „Maar mijn laatste woorden in dit huis zullen zijn, dat ik
gaan zal waarheen gij mij zendt, om te sterven. Ik kan wel spitten,
Daniël. Ik kan wel werken. Ik kan wel ontberingen verdragen. Ik kan
wel zachtzinnig en geduldig zijn, Daniël, beter dan gij denkt, als gij
't maar met mij wildet probeeren. Ik raak de toelage, die gij voor mij
bestemd hebt, Daniël, niet aan, al zou ik ook van honger sterven: maar
ik wil met u en Em'ly meegaan, al was het naar het andere einde van de
wereld! Ik weet wel waarom het is; gij denkt, dat ik nog steeds zoo'n
jammerlijk ongelukkig schepsel ben; maar, beste man, dat ben ik niet
meer. Ik heb hier niet zoo lang over uw verdriet zitten nadenken zonder
dat het mij goed heeft gedaan. Och, jongeheer Davy, doe toch een goed
woord voor mij; ik ken zijne gewoonten en die van Em'ly en ik ken hun
verdriet en kan een troost voor hen zijn en altijd voor hen werken.
Daniël, beste Daniël, laat mij met u meegaan!”
Juffrouw Gummidge nam zijne hand en kuste die met ongekunstelde
aandoening, met ongekunstelden eerbied en dankbaarheid, die hij zoo ten
volle verdiende.
Wij brachten het bankje naar buiten, bliezen de kaars uit, sloten de
deur en gingen heen, de oude boot ledig en eenzaam achterlatende, als
een donkere plek op het door de maan verlichte strand. Den volgenden
dag keerden wij naar Londen terug en op het achterste bankje van de
diligence zat juffrouw Gummidge, stralend van geluk.