L.

Baas Peggotty's droom wordt bewaarheid.

Na het tooneel aan den oever van de rivier waren nu ongeveer drie

maanden voorbijgegaan. Ik had Martha niet meer gezien, maar baas

Peggotty had haar meermalen gesproken. Hare ijverige nasporingen hadden

nog tot niets geleid en ook uit hetgeen baas Peggotty mij vertelde kon

ik niet opmaken, dat men eenig spoor van Emily had ontdekt. Ik beken

dat ik begon te wanhopen aan hare terugkomst en al meer en meer tot het

denkbeeld begon over te hellen, dat zij dood was.

Baas Peggotty's overtuiging bleef echter ongeschokt. Voor zoover ik

weet—en zijn eerlijk hart lag geheel voor mij open—bleef hij vast

overtuigd, dat hij haar eindelijk zou vinden. Zijn geduld geraakte

nooit uitgeput, en hoewel ik voor hem opzag tegen het oogenblik,

waarop het hem duidelijk zou worden dat zijne hoop op een zandgrond

gebouwd was, lag aan die vastgewortelde overtuiging toch zulk een

edele, godsdienstige gedachte ten grondslag dat ik hoe langer hoe meer

achting voor hem begon te koesteren.

Hij bepaalde zich niet tot hopen en vertrouwen en.... nietsdoen. Hij

was altijd een ijverig en werkzaam man geweest en wist dat hij in alle

dingen, waarin hij hulp noodig had, dat gedeelte van de taak, dat aan

hem zelven was toegewezen, getrouw en met ijver moest vervullen. Ik

heb hem in den avond naar Yarmouth zien wandelen, omdat de vrees hem

bekroop, dat door de eene of andere toevallige omstandigheid het licht

niet voor het welbekende venster van de oude boot zou staan. Ik weet,

dat hij in een der nieuwsbladen iets lezende, dat op haar betrekking

kon hebben, zijn stok opnam en een tocht van twee of drie dagen ging

ondernemen. Nadat ik hem verteld had wat ik bij juffrouw Dartle had

vernomen, maakte hij over zee een reis naar Napels en terug. Al deze

reizen deed hij zonder eenige vermoeienis te ontzien, want, zei hij,

hij moest sparen tegen den tijd, dat Emily weder bij hem zou zijn.

Nooit hoorde ik hem klagen over de vele teleurstellingen, die hij

ondervond; nooit hoorde ik hem zeggen dat hij vermoeid was, nooit zag

ik hem wankelmoedig.

Dora had hem nadat wij getrouwd waren meermalen ontmoet en hield veel

van hem. Ik zie hem in mijne verbeelding nog bij hare sofa staan

met zijn ruige muts in de hand, terwijl de blauwe kijkers van mijn

kind-vrouwtje hem vol bewondering aanstaarden. Nu en dan kwam hij

in het schemeruur een praatje maken en dan wandelden wij, een pijp

rookende, in den tuin; in zulke oogenblikken kwam mij duidelijker dan

ooit het beeld van zijn verlaten woning voor oogen en het waas van

gezelligheid, dat er in vroeger dagen over was uitgespreid, wanneer het

vuur brandde in den haard en de wind door de reten blies.

Op zekeren avond vertelde hij mij dat hij den vorigen dag Martha

gesproken had; zij had hem bij zijne woning opgewacht en hem verzocht

Londen niet te verlaten eer hij haar nogmaals zou hebben gesproken.

„Zeide zij niet waarom?” vroeg ik.

„Ik heb het haar wel gevraagd, mijnheer Davy,” antwoordde hij, „maar

zij sprak zooals gewoonlijk slechts weinig en toen zij mijn woord had,

ging zij onmiddellijk weer heen.”

„Heeft zij ook gezegd wanneer gij verwachten kondt haar terug te zien?”

vroeg ik weder.

„Neen, mijnheer Davy,” zei hij, als in gepeins verzonken met de hand

over zijn gelaat strijkend. „Ik heb haar dat ook gevraagd, maar dat was

meer—zeide zij—dan zij kon beloven.”

Aangezien ik reeds sinds langen tijd had nagelaten zijne hoop, die naar

mijne overtuiging aan een zijden draad hing, aan te wakkeren, gaf ik

hierop geen ander bescheid dan dat ik de veronderstelling uitsprak dat

zij wel spoedig zou komen. De verwachtingen, die ik koesterde, hield ik

voor mij zelven, want die waren niet vele.

Ongeveer veertien dagen later wandelde ik op een avond alleen in den

tuin. Ik herinner mij dien avond zeer goed, want het was de tweede

dag in de week, die mijnheer Micawber ons in zulk eene spanning liet

doorbrengen. Het had den geheelen dag geregend, zoodat het zeer

vochtig in de lucht was. Bladeren en takken hingen zwaar neer van het

water; maar het was nu droog, hoewel de lucht nog bewolkt was; de

vogels zongen echter hun hoogste lied. Terwijl ik zoo den tuin op en

neerwandelde begon de schemering in te vallen en staakten de vogels een

voor een hun gezang; de eigenaardige stilte volgde, alleen bekend bij

hen die buiten wonen, wanneer geen blad beweegt en niets gehoord wordt

dan het tikken van de neervallende regendroppels.

Opzij van onze woning stond een klein priëeltje van latwerk in het

groen; uit den tuin kon men door dit traliewerk op den weg zien.

Terwijl ik zoo over allerlei dingen liep te peinzen, viel mijn oog

toevallig daarheen en zag ik eene gedaante naderen in een regenmantel

gehuld. Zij wenkte mij haastig tot zich.

„Martha!” zei ik, aan haar verzoek gevolg gevende.

„Kunt gij met mij meegaan?” vroeg zij op angstig fluisterenden toon.

„Ik ben bij hem geweest maar hij was niet thuis. Ik heb een papier op

zijne tafel achtergelaten, waarop ik geschreven heb waarheen hij zich

moet begeven. Men heeft mij verteld dat hij niet lang zou uitblijven.

Ik heb tijding voor hem. Kunt gij terstond met mij meegaan?”

Mijn antwoord was dat ik onmiddellijk het hek uitging. Zij maakte eene

haastige beweging met de hand, alsof zij mij wilde verzoeken geduld te

hebben en het stilzwijgen te bewaren, en liep terug in de richting van

de stad, vanwaar zij, zooals duidelijk aan hare kleeding te zien was,

te voet naar Highgate was gekomen.

Ik vroeg haar of wij naar de stad moesten en op haar toestemmend

antwoord, hield ik een ledig rijtuig aan, dat juist voorbijreed,

en stapten wij er in. Toen ik haar vroeg waarheen de koetsier ons

brengen moest, antwoordde zij: „In de buurt bij Golden Square! Maar

snel!” Daarna kroop zij in een hoekje weg, met eene bevende hand voor

het gelaat, terwijl zij met de andere telkens eene beweging maakte,

alsof zij het geluid eener stem niet verdragen kon.

Ik werd zeer onrustig en wist niet of ik hopen of vreezen moest; zoodat

ik zeer verlangde naar eenige opheldering. Maar ziende hoe zeer zij

verlangde niet lastig gevallen te worden, terwijl ik zelf daartoe ook

de meeste neiging voelde, deed ik geen moeite om het stilzwijgen te

verbreken. Zonder een woord te spreken reden wij voort.

Nu en dan keek zij uit het portierraam, alsof zij meende dat wij te

langzaam vorderden, hoewel wij inderdaad hard reden; overigens bleef

zij stilzitten.

Wij stapten uit bij een der ingangen tot het door haar genoemde

pleintje, waar ik den koetsier gelastte te wachten, niet wetende of

wij 't rijtuig nog noodig zouden hebben. Zij legde de hand op mijn arm

en trok mij haastig mede naar een der donkere straatjes, waarvan er een

aantal in deze buurt waren; terwijl de huizen, voorheen door menschen

uit den deftigen stand bewoond, nu tot in den nok aan verschillende

personen verhuurd waren. Zij ging de openstaande deur van een dezer

huizen binnen en liet mijn arm los, terwijl zij mij te kennen gaf,

dat ik haar de algemeene trap op zou volgen, die in onmiddellijke

gemeenschap stond met de straat. Het huis wemelde letterlijk van

bewoners. Toen wij naar boven gingen, werden verscheidene deuren

geopend en hoofden naar buiten gestoken; terwijl wij op de trap

allerlei menschen tegenkwamen, die naar beneden gingen. Vóór wij de

woning binnentraden, had ik verscheidene vrouwen en kinderen over

de bloempotten heen uit de ramen zien kijken; wij schenen hunne

nieuwsgierigheid te hebben opgewekt, want deze zelfde hoofden zag

ik nu buiten de deuren steken. Het was een trap met breede treden

en zware leuning van eene doffe houtsoort; boven de deuren bevonden

zich kroonlijsten met gebeeldhouwde voorstellingen van vruchten en

bloemen, terwijl overal breede vensterbanken waren. Maar al deze

sporen van vroegere grootheid waren op de ellendigste wijze in verval;

ouderdom, vocht en dampen, die uit de benedenkamers opstegen, hadden

den vloer doen verrotten, zoodat die op sommige plaatsen niet dan

met levensgevaar te betreden was. Ik merkte op dat hier en daar

een zwakke poging was gedaan om het geheel te schragen door het

ouderwetsche houtwerk met nieuw hout van de gemeenste soort op te

lappen; maar het deed mij denken aan een huwelijk van een armen edelman

met eene vrouw uit het volk; het scheen echter dat beide partijen

hunne mésalliance hadden ingezien en zoo ver mogelijk van elkander

waren gegaan. Verscheidene vensters, die op de trap uitzagen, waren

achter stof en spinnewebben verscholen of geheel dichtgemetseld.

In de nog bestaande ontbrak het glas bijna geheel en tusschen de

vermolmde kozijnen door, die schijnbaar alle bedorven lucht wel naar

binnen, doch niet naar buiten lieten, zag ik door andere glaslooze

vensters in andere dergelijke verwaarloosde huizen en van een bijna

duizelingwekkende hoogte op eene even verwaarloosde binnenplaats, die

tot vuilnisbergplaats scheen te dienen van de gezamenlijke bewoners.

Wij stegen tot op de bovenste verdieping. Twee of drie malen gedurende

het klimmen meende ik bij het onzekere licht de omtrekken van een

vrouwelijke gestalte te herkennen, die voor ons uitliep. Toen wij de

laatste treden beklommen, die ons nog van den zolder scheidden, kregen

wij die gestalte geheel te zien. Zij stond bij een deur, draaide den

sleutel om en ging een kamertje binnen.

„Wat is dat?” zei Martha zacht. „Zij is mijn kamertje binnengegaan. Ik

ken haar niet.”

Ik kende haar wel. Tot mijne groote verbazing had ik juffrouw Dartle

herkend.

Ik vertelde haar dat het eene dame was, die ik vroeger wel eens ontmoet

had, en was nauwelijks daarmede gereed of wij hoorden hare stem,

ofschoon wij niet konden verstaan wat zij zeide. Martha bleef mij

verbaasd aankijken en bracht mij zachtjes verder naar boven en daarna

door een achterdeurtje dat niet gesloten scheen te kunnen worden,

zoodat zij het met de hand open duwde, naar een soort vliering met een

schuin dak—waarschijnlijk in vroeger dagen tot bergplaats gediend

hebbende. Tusschen deze vliering en het kamertje dat zij het hare

genoemd had, was eene deur, die half open stond. Hier bleven wij staan,

geheel buiten adem van het klimmen, terwijl zij mij de hand op den mond

legde. Ik kon alleen zien, dat de kamer vrij groot was, dat er een

ledikant op stond en er eenige prenten aan den muur hingen, die schepen

moesten voorstellen. Ik kon noch juffrouw Dartle, noch de persoon tot

wie wij haar hadden hooren spreken, zien. Mijne geleidster kon dat

evenmin, want ik stond nog voordeeliger in dat opzicht. Gedurende

eenige oogenblikken heerschte daar binnen doodsche stilte, Martha hield

de eene hand op mijn mond en hield de andere luisterend omhoog.

„Het doet er weinig toe, of zij thuis is of niet,” zei juffrouw Dartle

op hoogen toon, „ik ken haar niet. Ik kwam alleen om u te zien.”

„Mij?” antwoordde eene zachte stem.

Toen ik die hoorde, voer mij eene rilling door de leden. Het was de

stem van Emily!

„Ja,” hernam juffrouw Dartle, „ik ben gekomen om u te zien. Gij schaamt

u immers niet over het gezichtje, dat zooveel onheil heeft gesticht?”

Het was alsof ik haar voor mij zag, zoo duidelijk herkende ik hare

schelle stem en den kouden, scherpen, bitteren toon, waarop zij sprak.

Ik zag de schitterende zwarte oogen en de door hartstocht verwrongen

gestalte; ik zag ook het litteeken over hare lippen trillen en kloppen,

terwijl zij sprak.

„Ik ben gekomen,” vervolgde zij, „om het liefje van James Steerforth

te zien, het meisje, dat met hem wegliep en in hare geboorteplaats

op aller tong is; het schaamtelooze, brutale liefje van iemand als

James Steerforth. Ik moest weten hoe zoo'n schepsel er wel uitziet.”

Ik hoorde een geritsel alsof het ongelukkige voorwerp van al deze

smaadredenen naar de deur was gevlucht en dat de spreekster haar in den

weg was gaan staan. Er volgde nu een oogenblik stilte. Toen juffrouw

Dartle weder begon, hoorde men hoe zij tusschen hare opeengeklemde

tanden door sprak en met den voet op den grond stampte.

„Blijf hier!” riep zij, „of ik zal uwe schande door het geheele huis en

over de straat uitroepen. Als gij tracht mij te ontsnappen, haal ik u

terug, al zou het ook bij de haren zijn! Ik zou u kunnen steenigen!”

Een angstig gemompel was alles dat ik kon opvangen. Er volgden weder

eenige oogenblikken stilte. Ik wist niet wat ik doen moest. Hoe ik ook

verlangde een einde te maken aan het onderhoud, begreep ik toch ook

dat ik geen recht had om tusschen beiden te treden: dat baas Peggotty

alleen haar daar kon bezoeken en haar daar vandaan moest halen. Zou hij

dan nooit komen? dacht ik in mijn ongeduld.

„Zoo!” hernam Rosa Dartle met een schamperen lach, „eindelijk zie ik

haar dan toch voor mij! Hij moet wel half krankzinnig zijn geweest om

zich door zoo'n gemaakte zedigheid en zoo'n hangend hoofdje te laten

inpalmen!”

„In 's Hemels naam, heb medelijden met mij!” riep Emily. „Wie gij ook

zijn moogt, gij kent mijne ongelukkige geschiedenis; heb dus in 's

Hemels naam medelijden met mij, indien gij wilt dat men u later ook

medelijden toone!”

„Mij! Welke overeenkomst is er tusschen u en mij!” antwoordde juffrouw

Dartle trotsch.

„Niets dan onze sexe,” zei Emily, in tranen uitbarstende.

„En daarop zou zulk een verachtelijk schepsel nog aanspraken doen

gelden; integendeel, als het mogelijk was dat ik nog iets anders voor u

voelde dan afschuw, zou dat gevoel daardoor uitgebluscht worden. Onze

sexe! Ja, gij zijt wel een eerwaardig lid daarvan!”

„Ik heb deze verwijten verdiend,” riep Emily, „maar het is vreeselijk

ze te moeten aanhooren! Bedenk toch wat ik geleden heb, hoe diep ik

gevallen ben! O, Martha, kom terug! O, kom toch thuis!”

Juffrouw Dartle nam in een stoel plaats met het gezicht naar de deur en

keek naar den vloer, alsof Emily daar voor haar in het stof kroop. Ik

kon nu hare opgekrulde lip zien en de wreede uitdrukking in hare oogen,

die met bitter welgevallen op één plek gevestigd bleven.

„Luister naar hetgeen ik u zeggen zal,” sprak zij, „en bewaar uwe

valsche kunsten voor hen, die er de dupe van willen zijn. Meent gij

mij met uwe tranen te kunnen roeren? Niet meer dan gij mij met uwe

glimlachjes zoudt bekoren, verkochte slavin, die gij zijt!”

„O, heb toch medelijden met mij!” riep Emily. „Toon dat gij nog iets

voor mij voelt of ik zal krankzinnig sterven.”

„Dat zou eene al te geringe boete zijn voor uwe misdaden,” riep

juffrouw Dartle. „Weet gij wel wat gij hebt gedaan? Hebt gij wel ooit

gedacht aan de familie, die gij ongelukkig gemaakt hebt?”

„O, er gaat geen dag, geen nacht voorbij, dat ik niet daaraan denk!”

riep Emily; ik kon nu zien hoe zij op hare knieën viel met het hoofd

achterover, het bleeke gezichtje omhoog, de handen als in wanhoop

gevouwen en opgestoken en de haren loshangende over de schouders. „Zou

er wel ééne minuut zijn voorbij gegaan, dat ik niet wakend en slapend,

het huis voor mij heb gehad, waarin ik mijne jeugd heb doorgebracht,

zooals het was, toen ik het voor altijd den rug toekeerde? O, heerlijk

tehuis! O, beste, beste oom, zoo gij ooit den zielsangst gekend hadt,

dien uwe liefde mij gekost heeft, toen ik voor altijd van u heenging,

zoudt gij mij nooit zóó hebben liefgehad; gij zoudt tenminste eenmaal

in mijn leven boos op mij zijn geweest, opdat ik toch eenige troost kon

hebben. Ik kan geen troost vinden.... nergens.... want allen hadden mij

even lief!” Zij liet zich voorover vallen voor de trotsche, ongevoelige

vrouw op den stoel en trachtte den zoom van hare japon te grijpen.

Rosa Dartle keek op haar neer met zulk een onbewegelijk gelaat alsof

zij veranderd was in een bronzen beeld. Hare lippen waren stijf

op elkaar geperst alsof zij begreep dat zij zich in bedwang moest

houden—ik schrijf alleen hetgeen ik oprecht meen—om dat mooie,

smeekende meisje niet met den voet van zich af te schoppen. Ik zag haar

duidelijk, en de geheele uitdrukking van haar gelaat, hare geheele

houding scheen dit aan te duiden. Zou hij dan nooit komen?

„Hoe kan zoo'n aardworm nog zoo ijdel zijn!” sprak zij, toen zij haar

toorn zoover had bedwongen, dat zij weer spreken kon. „Uw tehuis! Meent

gij soms, dat ik daaraan denk, dat gij den naam van zulk een gemeen

huis hebt kunnen schaden? Neen, zij hebben eene rijkelijke vergoeding

ontvangen! Uw tehuis! Men heeft handel met u gedreven en u verkocht,

zooals alles, waarin die menschen handelen.”

„O, zeg dat niet!” riep Emily. „Zeg van mij wat gij wilt, maar werp nog

niet meer schande dan ik reeds gedaan heb op het hoofd van menschen,

die even achtenswaardig zijn als gij! Zoo gij werkelijk eene dame zijt,

heb dan achting voor hen, al hebt gij dan geen medelijden met mij.”

„Ik spreek,” hernam juffrouw Dartle zonder zich te verwaardigen

zelfs op haar smeeken te letten en hare japon wegtrekkende, alsof

de aanraking met Emily haar bezoedelen zou, „ik spreek van _zijn_

huis—waar ook ik woon. Gij,” vervolgde zij, terwijl zij met een

smadelijken lach de hand uitstrekte en op het geknield liggende meisje

neerkeek, „gij zijt de oorzaak van de verwijdering tusschen moeder en

zoon, die beiden adellijk bloed in de aderen hebben; gij, die daar

zelfs niet als keukenmeid zoudt zijn aangenomen, zijt de oorzaak van de

smart, de gramschap, het verdriet, die daar zijn binnengeslopen. Zoo'n

stuk vuil, van de waterkant opgenomen, om een uur lang uit het slijk

opgeheven en er dan weder in neergesmakt te worden!”

„Neen, neen!” riep Emily, hare handen ineenslaande. „Toen hij voor de

eerste maal mijn weg kruiste—o had hij mij nooit gezien vóór den dag

dat ik naar het kerkhof zal worden gedragen!—was ik even deugdzaam

opgevoed als gij of welke dame ook maar zijn kunt; toen zou ik de

vrouw geworden zijn van een man, zoo braaf en eerlijk als gij of welke

dame ook maar hebben kunt. Zoo gij met hem in één huis woont en hem

kent, weet gij ook welk een macht hij oefenen kan op zulk een zwak,

ijdel meisje als ik ben. Ik verdedig mij niet, maar ik weet wel en dat

weet hij ook wel, of hij zal het weten wanneer hij op zijn sterfbed

ligt en zijne ziel er mede bezwaard is, dat hij alles heeft in het werk

gesteld om mij te bedriegen, dat ik in hem geloofde, hem vertrouwde

en.... hem liefhad!” Rosa Dartle sprong van haar stoel op, deed een

schrede achteruit en op hetzelfde oogenblik sloeg zij naar haar met

zulk een boosaardig en door hartstocht verwrongen gelaat, dat ik op

het punt stond mij tusschen de twee vrouwen in te werpen. De slag, in

het wilde gegeven, was niet raak. Zooals zij daar nu stond te hijgen,

bevend van het hoofd tot de voeten en met een gelaat, waarop niets dan

hartstocht en verachting te lezen was, had ik nooit een menschelijk

wezen gezien en heb ik ook na dien tijd nooit gezien.

„_Gij_ hem liefhebben? _Gij_?” riep zij, hare gebalde vuist opheffende,

waarin alleen een dolk ontbrak om het voorwerp van haar toorn te

doorsteken. Emily was achteruit geweken, zoodat ik haar niet meer zien

kon. Er volgde ook geen antwoord.

„En dat zegt gij _mij_,” hernam Rosa, „met die schaamtelooze lippen?

Waarom geeselt men zulke schepsels niet? Als ik wat te zeggen had,

zouden ze doodgegeeseld worden.”

En dat zou zij gedaan hebben, als zij de macht er toe gehad had. Zelfs

zou ik haar niet bij eene pijnbank hebben vertrouwd, zoolang die

woedende blik uit hare oogen straalde.

Langzaam, heel langzaam begon zij te lachen en wees met hare hand naar

Emily, alsof zij een schandvlek ware voor God en de menschen. „Zij

liefhebben!” sprak zij. „Dat karonje! En hij heeft haar ook liefgehad,

zegt zij mij. Ha! ha! Wat kan zoo'n gemeen schepsel toch liegen!”

Haar spottende toon was nog vreeselijker dan hare uitbarstingen van

woede. Veel liever zou ik tot doelwit van de laatste gestrekt hebben.

„Ik ben hier gekomen, gij, reine bron van liefde,” vervolgde zij, „om,

zooals ik reeds gezegd heb, te zien waarop zoo'n schepsel als gij wel

lijkt. Ik was nieuwsgierig, maar ben nu voldaan. Ook wilde ik u zeggen,

dat gij niet beter doen kunt dan maar zoo spoedig mogelijk dat huis van

u opzoeken en u te verbergen onder al die brave menschen, die gij met

uw geld wel zult troosten. Als het op is, kunt gij weer gelooven en

vertrouwen en liefhebben! Ik meende dat gij een gebroken stuk speelgoed

zoudt zijn, dat zijn tijd had uitgediend; een waardeloos snuisterijtje,

dat gebroken en weggeworpen was. Maar nu ik zie dat gij van zuiver goud

zijt, eene echte dame, een misleide onschuld met een hart vol liefde

en vertrouwen, zooals gij er ook juist uitziet en zooals ook geheel

overeenkomt met uwe geschiedenis, heb ik nog iets meer te zeggen.

Luister goed, want hetgeen ik zeg, zal ik ook doen. Verstaat gij mij

wel, mijn engel? Wat ik zeg, zal ik doen!”

Gedurende een oogenblik kon zij hare woede niet onderdrukken, maar

onmiddellijk daarop kwam er weder een spottende glimlach op haar gelaat.

„Verberg u,” hernam zij, „zoo niet in uw huis dan elders. Blijf buiten

mijn bereik, ergens in een donker hoekje, beter nog in het graf. Het

zal mij verbazen of uw liefhebbend hart niet breken zal, of gij geen

middel hebt gevonden om het tot kalmte te brengen. Ik heb wel eens

gehoord, dat er middelen voor bestaan. Ik geloof dat ze niet moeielijk

te vinden zijn.”

Zij hield op om te luisteren naar het schreien van Emily, dat haar als

muziek in de ooren klonk.

„Ik ben misschien een wonderlijk schepsel,” ging Rosa voort, „maar

ik kan niet vrij ademhalen in de zelfde lucht als gij. Die lucht is

bezwangerd. Ik wil daarom die lucht gezuiverd hebben, gezuiverd van u.

Als gij morgen nog hier zijt, zal ik uwe geschiedenis laten uitroepen

boven aan de trap. Men heeft mij verteld, dat er fatsoenlijke vrouwen

wonen in dit huis; het zou dus jammer zijn als zulk een licht onder

de vrouwen als gij, verborgen bleef. Zoo gij ergens in de stad eene

schuilplaats zoekt anders dan in uwe ware gedaante, die gij moogt

aannemen zonder iets van mij te vreezen te hebben, zal ik u denzelfden

dienst bewijzen, zoodra ik uw verblijf ken. Aangezien ik word

bijgestaan door een man, die nog niet lang geleden naar uwe hand heeft

gedongen, zal mij dat ook wel gelukken.”

Zou hij dan nooit, nooit komen? Hoe lang zou ik dat nog kunnen

aanhooren? Hoe lang?

„Wee mij! Wee mij!” riep de ongelukkige Emily uit op een toon, die het

hardvochtigst gemoed had moeten treffen, naar ik meende; maar Rosa's

glimlach verdween niet. „Wat moet ik doen! Waar moet ik heen!”

„Doen?” antwoordde de andere. „Gelukkig zijn met uwe herinneringen! Uw

leven wijden aan de herinnering van James Steerforth's teederheid—hij

wilde u aan zijn knecht uithuwelijken nietwaar? Doen? U dankbaar toonen

aan dien eerlijken, verdienstelijken man, die u wilde aannemen als

een gift uit de handen van zijn meester! Of, indien al deze schoone

herinneringen en het besef van uwe deugdzaamheid en de eervolle plaats,

die gij in de oogen van ieder mensch inneemt, u niet kunnen voldoen,

trouw dan met dien goeden man en wees blijde, dat hij u die gunst

nog bewijzen wil. En wilt gij dat alles niet, welnu, maak u dan van

kant. Er zijn middelen en vuilnishoopen genoeg voor zulke wanhopende

schepsels als gij—tracht die te vinden—en probeer in den hemel te

komen.”

Daar hoorde ik voetstappen op de trap, een voetstap, dien ik kende.

Daar was hij, Goddank!

Terwijl zij deze laatste woorden gesproken had, was zij van de deur

weggegaan, zoodat ik haar niet meer zien kon.

„Onthoud het goed!” voegde zij er langzaam en dreigend bij, terwijl zij

de andere deur opende om heen te gaan, „om allerlei redenen, vooral

omdat ik u innig haat, heb ik besloten u geen oogenblik met rust te

laten, tenzij gij buiten mijn bereik komt of uw schoonschijnend masker

afwerpt. Dit is alles wat ik u te zeggen heb, en wat ik zeg, dat doe

ik!”

De voetstap op de trap kwam nader en nader.... ging langs haar heen op

de gang.... klonk eindelijk in de kamer.

„Oom!”

Een akelige gil volgde op dit ééne woord. Ik wachtte nog een oogenblik

en toen ik naar binnen keek, zag ik dat zij onbewegelijk in zijne armen

lag. Gedurende eenige seconden keek hij haar in het gelaat en toen....

drukte hij er een kus op, zoo teeder, als slechts eene moeder had

kunnen doen, en spreidde er een zakdoek overheen.

„Mijnheer Davy,” zei hij met zachte, trillende stem, „ik dank den

Hemelschen Vader, dat Hij mijn droom heeft doen uitkomen! Ik dank Hem,

dat Hij mij aan Zijne hand geleid heeft op den weg, waarlangs ik mijn

lieveling zou terugvinden.”

Na deze woorden nam hij haar in zijne stevige armen, met het overdekte

gezichtje tegen zijne borst, en bracht haar zacht en omzichtig naar

beneden.

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 63 / 79 题