Geheimenissen.
Op zekeren morgen ontving ik over de post den volgenden brief uit
Canterbury aan mijn adres in Doctors' Commons en ik las dien met
verbazing. Hij luidde:
„Waarde Heer!
Omstandigheden buiten mijn wil hebben gedurende langen tijd
aanleiding gegeven tot een intermezzo in onzen vriendschappelijken
omgang, waarvan de herinnering, telkens wanneer mijne
beroepsbezigheden mij den tijd gunden, om het verleden in mijn
geheugen terug te roepen, de aangenaamste gewaarwordingen bij
mij opwekte en steeds bij mij opwekken zal. Deze omstandigheid,
geachte heer, gevoegd bij de onderscheiding, welke aan uwe niet
genoeg te prijzen talenten is ten deel gevallen, belet mij zoo
vermetel te zijn.... kortom, de vrijheid te nemen den metgezel
uit vroeger dagen met den gemeenzamen naam van Copperfield toe te
spreken! Het is voldoende te weten dat de naam van den persoon,
tot wien ik de eer heb mij thans te richten, in de oorkonden van
ons huis is bewaard—ik bedoel hiermede in de archieven van onze
vroegere huurders, welke mevrouw Micawber onder hare hoede heeft
genomen—dat wij ons dien naam niet alleen met gevoelens van ware
achting maar ook met warme genegenheid herinneren.
Het past niet aan iemand, die ten gevolge van vroegere misslagen
en van een toevalligen samenloop van omstandigheden het best te
vergelijken is met eene gestrande bark—ik weet niet of het hem
zelfs wel past zulk een zeeterm op zich zelven toe te passen—aan
iemand, die thans de pen opneemt om aan u te schrijven.... ik
weet niet of het zoo iemand wel past, herhaal ik, een gemeenzamen
toon aan te nemen. Indien echter uwe meer belangrijke bezigheden
u toestaan deze onvolmaakte letteren te ontcijferen—hetgeen de
omstandigheden zullen moeten beslissen—zult gij natuurlijk vragen
wat de aanleiding zijn kan tot dit schrijven. Vergun mij u te
zeggen, dat ik het redelijke van deze vraag volkomen begrijp en
voortga met eene uitvoerige beantwoording, echter voorop stellende,
dat er geen onderwerp van finantiëelen aard aan ten grondslag ligt.
Zonder mij zelven een zeker verborgen talent toe te
schrijven—hoewel het mogelijk is, dat ik het bezit—om den
bliksemschicht te zwaaien of een verterend vuur op iemands hoofd te
doen neerdalen, mag ik mij wel veroorloven in het voorbijgaan te
doen opmerken, dat mijne schoonste droomen voor altijd vervlogen
zijn.... dat mijne vrede is verstoord en mijne vatbaarheid voor
genot is uitgebluscht.... dat mijn hart niet langer op de rechte
plaats is.... dat ik niet meer met opgerichten hoofde voor mijne
medemenschen kan verschijnen. De bloem is geknakt. De beker is tot
den rand gevuld met bitterheid, de worm knaagt en zal spoedig zijn
slachtoffer verteerd hebben. Hoe eer, hoe beter. Maar ik wil niet
uitweiden.
Onder den druk van smartelijke ervaringen, waarop zelfs de
verzachtende invloed van mevrouw Micawber geen uitwerking heeft,
niettegenstaande zij die uitoefent in haar drieledig karakter
van vrouw, echtgenoote en moeder, is het plan in mij opgekomen
gedurende een kort tijdsbestek aan mij zelven te ontvluchten en
gedurende achtenveertig uren een bezoek te brengen aan Engelands
hoofdstad, ten einde mij te verpoozen bij eenige genietingen uit
vroeger dagen. Onder meerdere vredige havens zullen mijne schreden
zich natuurlijk ook wenden naar King's Bench. Vermeldende dat
ik—Deo Voluntas—mij overmorgenavond te 7 uren precies bevinden
zal aan de buitenzijde van den zuidelijken muur van voormeld
gebouw, is het eigenlijk doel van dit schrijven bereikt.
Ik wil niet zoo vermetel zijn mijn voormaligen vriend, den heer
Copperfield, of mijn voormaligen vriend, den heer Thomas Traddles
van de Inner Temple—indien deze nog in leven is—te verzoeken
mij aldaar te komen begroeten en—voor zoover dat mogelijk is—de
betrekkingen uit vroeger dagen weder aan te knoopen. Ik bepaal mij
tot de kennisgeving, dat op het aangegeven uur op genoemde plaats
zullen te vinden zijn de overblijfselen van
_Een gevallen toren._
WILKINS MICAWBER.
P.S. Het is wellicht raadzaam hieraan toe te voegen, dat mevrouw
Micawber omtrent bovengenoemd voornemen _niet_ in vertrouwen is
genomen.”
Ik las den brief eenige malen over. Hoewel ik mijnheer Micawber's
gezwollen stijl zoowel als zijne gewoonte om over de eenvoudigste
onderwerpen in zijne brieven breedvoerig uit te weiden, kende,
vermoedde ik toch op den bodem van dit omslachtig epistel meer dan eene
gewone „ongelegenheid.” Ik peinsde er over na, las den brief nog eens
en nog eens over, en maakte allerlei onderstellingen, toen plotseling
Traddles voor mij stond.
„Beste kerel,” zei ik, „gij komt juist van pas, om mij met uw helder
oordeel bij te staan. Ik heb een hoogst zonderlingen brief ontvangen
van mijnheer Micawber, Traddles.”
„Wat zegt gij!” riep Traddles. „Dat meent gij immers niet! Ik heb er
een van mevrouw Micawber ontvangen!”
Dit zeggende haalde Traddles, die een kleur had van de wandeling en
wiens haren van verbazing overeind stonden, alsof hij zooeven een
levend spook had gezien, den bewusten brief te voorschijn en ruilde
dien met den mijnen. Ik bespiedde zijn gelaat tot hij in het midden
van mijnheer Micawber's brief was gekomen, en beantwoordde toen zijn
verbaasden blik, waarmee hij uitriep: „‚den bliksemschicht te zwaaien
of een verterend vuur op iemands hoofd te doen neerdalen’. Goede Hemel,
Copperfield! Wat moet dat beduiden!” Daarna ging ik over tot de lezing
van mevrouw Micawber's schrijven. Dit luidde aldus:
„Mijne hartelijke groeten aan mijnheer Thomas Traddles, en indien
hij zich nog iemand wil herinneren, die zich in vroeger dagen tot
zijne goede kennissen mocht rekenen, verzoek ik gedurende eenige
oogenblikken zijne aandacht.
Ik verzeker mijnheer Th. T. dat ik van zijne goedheid geen misbruik
zou durven maken, indien ik niet der wanhoop bijna ten prooi ware.
Hoe hartverscheurend het ook voor mij is, ik ben verplicht mede
te deelen dat de aanleiding tot dit schrijven gelegen is in
de vervreemding, welke mijnheer Micawber in den laatsten tijd
aan den dag legt ten opzichte van zijne vrouw en kinderen.
Mijnheer Traddles kan zich geen voorstelling maken van de
verandering, welke in den vroeger zoo huislijken mijnheer
Micawber heeft plaats gegrepen, noch van zijne opvliegendheid
en zijne woestheid. Zoozeer zijn die toegenomen dat ik niet kan
nalaten aan verstandsverbijstering te gelooven. Ik kan mijnheer
Traddles verzekeren dat er geen dag voorbijgaat zonder eene of
meer uitbarstingen. Mijnheer T. zal niet verlangen dat ik mijne
gewaarwordingen schets wanneer ik hem meedeel, dat ik er aan gewoon
ben geworden mijnheer Micawber te hooren verzekeren dat hij zich
aan den D.... verkocht heeft. Geheimzinnigheid en achterhoudendheid
zijn de meest in het oog loopende trekken van zijn karakter, van
hem, die vroeger zoo mededeelzaam was en een onbeperkt vertrouwen
stelde in mij, zijne echtgenoote. De geringste aanleiding, zelfs
de vraag wat hij verlangt te eten, noopt hem over echtscheiding
te spreken. Gisterenavond nog deed de onschuldige vraag om twee
stuivers voor citroenballetjes—eene snoeperij, die hier te bekomen
is—hem een oestermes opnemen tegen de tweelingen!
Ik verzoek mijnheer Traddles mij te verontschuldigen omdat ik in
zulke bijzonderheden afdaal. Zonder deze zou mijnheer Traddles zich
moeielijk eene voorstelling kunnen maken van den hartverscheurenden
toestand, waarin ik mij bevind.
Mag ik het nu wagen mijnheer T. de aanleiding tot dit schrijven
toe te vertrouwen? Wil hij mij nu vergunnen zijne vriendelijke
belangstelling in te roepen? O, ja, daarvoor ken ik hem te goed!
Eene liefhebbende vrouw ziet scherp, mijnheer T. Mijnheer Micawber
gaat naar Londen. Hoewel hij met opzet zijne hand verborgen hield,
toen hij heden morgen voor het ontbijt het adres schreef voor
het bruine valiesje, dat mij aan gelukkiger dagen herinnerde,
ontwaarde de arendsblik der beangstigde vrouw en moeder duidelijk
het schrijven van de letters D, O, N. De diligence van hier op
Londen houdt stil aan de herberg Het Gouden Kruis in West-End. Mag
ik mijnheer Traddles smeeken mijn verdoolden echtgenoot daar op
te zoeken en te trachten hem tot rede te brengen? Mag ik mijnheer
T. verzoeken te trachten mijnheer Micawber met zijn diepbedroefde
familie te hereenigen? O, het is te veel! Ik vraag u te veel, dat
weet ik!
Mocht mijnheer Copperfield zich iemand herinneren, wier naam nog
niet met roem is beladen, wil mijnheer T. dan op zich nemen hem
mijne onveranderlijke achting te betuigen en hem hetzelfde verzoek
overbrengen? In elk geval zal mijnheer T. zoo welwillend zijn deze
mededeelingen stipt geheim te houden en er onder geen voorwendsel
iets van aan mijnheer Micawber te laten blijken. Mocht mijnheer T.
dit schrijven willen beantwoorden,—hetgeen ik echter niet anders
dan hoogst onwaarschijnlijk kan achten—dan is het adres: aan M.
E. _poste restante_ Canterbury. Aldus zou zijne goedheid minder
pijnlijke gevolgen na zich slepen dan een brief aan het adres van
Mijnheer Traddles' diepbedroefde vriendin
EMMA MICAWBER.”
„Wat is uw oordeel over dezen brief?” vroeg Traddles, nadat ik dien
twee malen gelezen had.
„Wat is uw oordeel over den anderen?” vroeg ik. Hij zat nog met
gefronste wenkbrauwen te lezen.
„Ik ben van meening, Copperfield,” antwoordde Traddles, „dat deze twee
brieven meer te kennen geven dan mijnheer en mevrouw Micawber gewoon
zijn in hunne brieven te kennen te geven—maar ik weet niet wat.
Ze zijn beiden te goeder trouw geschreven, daaraan twijfel ik geen
oogenblik. Het is geen doorgestoken kaart. Arme vrouw!” Hij had nu
het oog op mevrouw Micawber's brief en wij stonden naast elkander en
vergeleken ze met elkaar. „In elk geval eischt de menschlievendheid
dat wij haar antwoorden, om haar te vertellen dat wij zonder twijfel
mijnheer Micawber zullen opzoeken.”
Ik stemde hierin te gereedelijker toe omdat ik eenige wroeging begon te
gevoelen. Ik had haar vorigen brief wel wat al te luchtig behandeld.
Zooals ik ook heb meegedeeld, had ik lang over dien brief nagedacht,
maar mijn eigen zorgen, mijn drukke bezigheden, de ondervinding, die ik
omtrent de familie had opgedaan, hadden mij, toen ik verder niets meer
hoorde, de geheele zaak doen vergeten. Ik had dikwijls aan de familie
Micawber gedacht, voornamelijk om mij te verbazen over de „finantiëele
verplichtingen,” die zij nu weder te Canterbury konden hebben
aangegaan, en om mij te herinneren hoe omzichtig mijnheer Micawber
in zijne woorden geworden was nadat hij klerk was van Uriah Heep.
Ditmaal echter schreef ik uit ons beider naam een geruststellenden
brief aan mevrouw Micawber en wij teekenden dien beiden. Terwijl
wij stadwaarts gingen om dien brief op de post te bezorgen, hadden
Traddles en ik veel met elkander te bespreken en verdiepten wij ons
in bespiegelingen, die ik hier niet behoef te herhalen. 's Namiddags
hielden wij raad, met tante als derde persoon, maar het eenige besluit,
waartoe wij konden komen, was dat wij mijnheer Micawber's uitnoodiging
zouden aannemen en niet zouden verzuimen op het bepaalde uur op de
aangegeven plaats tegenwoordig te zijn.
Een kwartier voor het door mijnheer Micawber genoemde tijdstip waren
wij reeds daar en daar stond hij al, met de armen over elkander, naar
de scheurbroeken op den muur te kijken, alsof hij naar de takken der
boomen keek, waaronder hij in zijne jeugd had gespeeld.
Toen wij hem aanspraken, was hij een weinig verlegen en niet zoo
overdreven in zijne beleefdheidsbetuigingen als vroeger. Hij had het
deftige zwarte pak voor deze gelegenheid afgelegd en droeg de oude
jas en spanbroek, maar niet met den ouden zwier. Terwijl wij met hem
praatten, werd hij echter meer en meer de oude; maar toch scheen
zelfs zijn lorgnet niet zoo ongedwongen te hangen als vroeger en zijn
overhemd, hoewel nog van eene verbazingwekkende afmeting, was min of
meer slap.
„Mijne heeren!” zei hij na de eerste begroeting, „gij zijt vrienden
in den nood en dus ware vrienden. Vergunt mij allereerst naar de
gezondheid te informeeren van mevrouw Copperfield en van de aanstaande
mevrouw Traddles—ik meen ten minste, dat mijnheer Traddles nog niet
voor het leven met het voorwerp van zijne genegenheid verbonden is.”
Wij betuigden onze erkentelijkheid en daarop keek hij weder naar den
muur en begon: „Ik verzeker u, mijne heeren,” waarop ik eenige bezwaren
inbracht tegen den ceremonieelen toon, dien hij aannam, en hem verzocht
onze vroegere gemeenzame wijze van omgang te hervatten.
„Beste Copperfield,” antwoordde hij, mijne hand drukkende, „uwe
hartelijkheid treft mij diep. Zulk een ontvangst van de brokstukken
eens tempels, die eenmaal Man heette—indien het mij vergund is mij zoo
uit te drukken—verraadt een edel hart. Ik was voornemens uwe aandacht
nog eens te vestigen op dat eerwaardig gebouw, waar ik eenige van de
gelukkigste uren mijns levens gesleten heb.”
„Door mevrouw Micawber's bijzijn, zonder twijfel? Hoe maakt mevrouw
Micawber het?” vroeg ik.
„Dank u,” antwoordde hij met een eenigszins betrokken gezicht, „zij
maakt het maar zoo zoo. En dit,” vervolgde hij verdrietig het hoofd
schuddende, „dit is King's Bench! King's Bench, waar mij voor het
eerst na vele jaren de stemmen van de schuldeischers, die mijn gang
vulden, met rust lieten; waar ik niet dagelijks herinnerd werd aan
den overstelpenden vloed van finantiëele verbintenissen, te kwader
ure aangegaan, waar de klopper op de deur niet sleet van de handen
der schuldeischers; waar men geen oproepingen ontving om zelf te
verschijnen en waar de dagvaardingen aan het hek werden opgehangen! O,
zalige tijd! Mijne heeren!” vervolgde hij, „ik heb mijn kinderen kruip
door, sluip door zien spelen in de schaduw van het ijzeren gevaarte,
dat gij daar boven op die steenmassa ziet. Ik kende elken steen van het
reusachtig gebouw. Vergeef het mij daarom als ik mij eens door mijne
herinneringen laat meeslepen.”
„Wij zijn sinds dien tijd allen vooruitgegaan in het leven, mijnheer
Micawber,” zei ik.
„Mijnheer Copperfield,” antwoordde hij op bitteren toon, „toen ik een
bewoner was van dit gebouw kon ik mijn evenmensch in het aangezicht
zien en hem neersmakken als hij mij beleedigde. Mijn evenmensch en ik
leven thans niet meer op dien benijdenswaardigen voet!”
In neerslachtige stemming keerde mijnheer Micawber het gebouw den rug
toe, nam van ons beiden een arm aan en wandelde tusschen ons heen.
„Daar zijn op den weg naar het graf somtijds merkpalen, die men, als
die wensch niet zondig ware, liever niet zou voorbij komen,” zei
mijnheer Micawber achteromkijkende. „Zulk een merkpaal is voor mij deze
gevangenis.”
„Gij zijt in een droefgeestige stemming, mijnheer Micawber,” zei
Traddles.
„Dat ben ik, mijnheer.”
„Ik hoop toch,” hernam Traddles, „dat gij geen tegenzin gekregen hebt
in de rechterlijke loopbaan. Ik ben zelf ook in de rechten, begrijpt
gij.”
Mijnheer Micawber antwoordde niets.
„Hoe maakt het onze vriend Heep, mijnheer Micawber?” vroeg ik na
eenigen tijd gezwegen te hebben.
„Beste Copperfield,” antwoordde mijnheer Micawber—hij was bleek
geworden en blijkbaar hevig ontroerd—„indien gij over mijn patroon
spreekt als _uw_ vriend, zou mij dat spijten; spreekt gij over hem als
_mijn_ vriend, dan kan ik uwe vraag slechts met een sardonisch lachje
beantwoorden. In welken zin gij ook naar mijn patroon vraagt, vergun
mij mijn antwoord tot het navolgende te beperken: wat hij overigens
ook moge zijn, hij is een listige vos, een duivel. Gij zult mij wel
veroorloven als particulier persoon niet verder uit te weiden over
een onderwerp, dat mij in mijne betrekking bijna tot wanhoop heeft
gebracht.”
Ik betuigde hem mijn leedwezen omdat ik zonder het te vermoeden een
onderwerp had aangeroerd, dat hem zoo van streek bracht. „Mag ik u
vragen,” zei ik, hopende niet nogmaals denzelfden misslag te begaan,
„hoe mijne oude vrienden, mijnheer en juffrouw Wickfield het maken?”
„Juffrouw Wickfield,” antwoordde mijnheer Micawber, nu met eene hevige
kleur, „is als altijd een waardig voorbeeld voor iedereen. Zij is het
zonnetje in het sombere huis, mijnheer Copperfield. Mijne achting
voor dat jonge meisje, mijne bewondering van haar karakter, mijne
bewondering van haar liefde en trouw en goedheid.... och, laat ons nog
een straatje omloopen, want waarlijk ik ben in een toestand....”
Wij gingen een nauw straatje met hem in, waar hij zijn zakdoek te
voorschijn haalde en met den rug tegen een muur ging staan. Als ik hem
even ernstig heb aangekeken als Traddles, dan moet hij ons gezelschap
niet opwekkend hebben gevonden.
„Het is nu eenmaal mijn lot,” hernam mijnheer Micawber, zonder eenige
veinzerij luid snikkende, hoewel zijn oude zucht om alles eenigszins
gemaakt te doen ook hierbij uitkwam, „het is nu eenmaal mijn lot, mijne
heeren, dat ik mijne aandoening niet meester kan blijven. Mijn lof op
juffrouw Wickfield is als een bundel pijlen in mijn eigen hart. Gij
hadt beter gedaan mij als een vagebond over het aardrijk te laten
zwerven. De wormen zouden spoedig hunne taak aan mij volbracht hebben.”
Zonder verder naar zijne ontboezemingen te luisteren, bleven wij bij
hem staan tot hij zijn zakdoek had weggeborgen, zijn overhemd recht
getrokken en, ten einde mogelijke toeschouwers te misleiden, een
deuntje had gefloten met den hoed op één oor. Niet wetende wat van hem
worden zou, indien wij hem thans uit het oog verloren, deelde ik hem
mede, dat het mij een groot genoegen zou zijn hem aan mijne tante voor
te stellen, indien hij wilde meerijden naar Highgate, waar hij tevens
logies zou kunnen vinden.
„Gij moogt ons eigenhandig een glas punch bereiden, mijnheer Micawber,”
zei ik; „vergeet dus alles wat u in een minder aangename stemming zou
kunnen brengen.”
„Tenzij het u eenige verlichting zou kunnen schenken om het een
en ander aan uwe vrienden mede te deelen,” voegde Traddles er
voorzichtigheidshalve bij.
„Mijne heeren,” zei mijnheer Micawber, „doe met mij zooals gij
goedvindt. Ik ben als een strootje op den Oceaan, ten prooi aan de
elementen!”
Nogmaals gingen wij arm in arm op weg, vonden de diligence gereed staan
en kwamen zonder eenige meldenswaardige ontmoeting te Highgate aan.
Ik kon het niet met mij zelven eens worden over hetgeen wij nu zouden
bepraten of doen en Traddles wist dit blijkbaar ook niet. Mijnheer
Micawber had bijna voortdurend zitten peinzen. Nu en dan trok hij zijn
overhemd of zijn boorden eens recht of floot hij het begin van een
of ander wijsje, maar toch scheen zijne neerslachtigheid in dezelfde
mate toe te nemen als zijn hoed meer naar ééne zijde overhelde en zijn
boorden hooger werden getrokken.
Aangezien Dora niet wel was ging ik liever met hem naar tante's huis
dan naar het mijne. Zoodra ik tante geroepen had, kwam zij beneden en
heette mijnheer Micawber hartelijk welkom. Mijnheer Micawber kuste
haar hoffelijk de hand, ging naar het venster, haalde opnieuw zijn
zakdoek te voorschijn en scheen weder een hevigen strijd met zichzelven
te voeren.
Mijnheer Dick was thuis. Hij had altijd zooveel medelijden met iemand,
die zich niet op zijn gemak voelde, en begreep dat altijd zoo vlug,
dat hij ook nu weder mijnheer Micawber minstens tien malen de hand
schudde in vijf minuten. Mijnheer Micawber was zoo getroffen door
deze warme belangstelling van een vreemde, dat hij bij elken nieuwen
aanval van mijnheer Dick niets anders kon uitroepen dan: „'t Is te
veel, mijnheer! 't Is te veel, mijnheer!” Mijnheer Dick werd daardoor
echter nog meer aangemoedigd en ging met verdubbelden ijver met zijne
vriendschapsbetuigingen voort.
„De vriendelijkheid van dezen heer,” zei mijnheer Micawber tegen
tante, „zou mij van de beenen gooien, om een woord te gebruiken uit de
spraakkunst van onze wel wat ruwe nationale lichaamsoefeningen, hetgeen
gij mij wel niet euvel zult duiden. Voor een man, die gebukt gaat onder
een zwaren last van onrust en ongelegenheden is zulk eene ontvangst
zeer treffend, dat verzeker ik u.”
„Mijn vriend, mijnheer Dick,” antwoordde tante, „is geen gewoon mensch.”
„Daarvan ben ik overtuigd,” zei mijnheer Micawber. „Mijn waarde
heer!”—mijnheer Dick had nogmaals zijne hand gevat—„ik ben zeer
gevoelig voor uwe hartelijke ontvangst.”
„Hoe gaat het u?” vroeg mijnheer Dick met een angstig gezicht.
„Zoo tamelijk, waarde heer,” antwoordde mijnheer Micawber met een zucht.
„Gij moet maar moed houden,” zei mijnheer Dick, „en het u zoo
gemakkelijk mogelijk maken.”
Mijnheer Micawber was door deze hartelijke toespraak diep getroffen,
vooral toen hij de hand van mijnheer Dick weder in de zijne voelde. „Ik
heb het geluk gehad in het afwisselende panorama van mijn leven nu en
dan eene oase te vinden, maar nooit eene zoo groen, zoo welig als deze!”
Op een ander tijdstip zou mij dit tooneeltje vermaakt hebben, maar nu
voelde ik dat wij allen in eene zekere angstige spanning verkeerden;
bovendien moest ik mijnheer Micawber nauwlettend gadeslaan, want hij
wankelde tusschen zijne gewone mededeelzaamheid en eene hem geheel
vreemde neiging om niets aan het licht te brengen. Ik verlangde
echter te weten wat hem zoo van streek had gebracht, zoodat ik in
den letterlijken zin brandde van koortsachtig ongeduld. Traddles
zat op de punt van zijn stoel met wijd geopende oogen en kaarsrecht
opstaande haren nu eens naar den grond, dan weder naar mijnheer
Micawber te staren, zonder zelfs eene poging te doen om een woord te
spreken. En tante,—ik zag dat zij haar uiterste best deed om haar gast
te doorgronden—toonde meer tegenwoordigheid van geest te bezitten
dan een van ons allen, want zij hield hem bezig en noodzaakte hem te
spreken of hij wilde of niet.
„Gij zijt al een heel oud vriend van mijn neef, nietwaar mijnheer
Micawber?” vroeg zij. „Het spijt mij dat ik u vroeger nooit ontmoet
heb.”
„Mevrouw”, antwoordde mijnheer Micawber, „ook ik zou gaarne de eer van
uwe kennismaking eerder genoten hebben. Ik was niet altijd het wrak,
dat gij thans voor uw ziet.”
„Ik hoop dat mevrouw Micawber en uwe familie wel zijn, mijnheer,” zei
tante.
Mijnheer Micawber knikte toestemmend. „Zij zijn zoo wel, mevrouw,” zei
hij na eene kleine pauze op een toon, die bijna wanhopend klonk, „zoo
wel als ballingen en uitgeworpenen maar kunnen zijn of hopen kunnen te
worden.”
„Groote Goedheid!” riep tante op hare gewone heftige wijze uit, „waar
over spreekt gij toch, mijnheer?”
„Het voortbestaan van mijn familie mevrouw,” antwoordde mijnheer
Micawber, „hangt aan een zijden draad. Mijn patroon...”
Mijnheer Micawber brak plotseling af en begon de citroenen te schillen,
die voor hem waren neergezet met al de verdere ingrediënten benoodigd
voor een punch.
„Uw patroon, nietwaar,” zei mijnheer Dick, terwijl hij hem aan den arm
stiet om hem tot voortgaan uit te noodigen.
„Waarde heer,” antwoordde mijnheer Micawber, „ik ben u zeer verplicht,
omdat gij mij eens wakker schudt.” Nogmaals schudden zij nu elkander
de hand. „Mijn patroon, mevrouw—mijnheer Heep—heeft mij op zekeren
dag de lieve opmerking toegevoegd, dat, indien ik het salaris niet meer
ontving, aan mijne betrekking bij hem verbonden, ik als potsenmaker het
land zou moeten doortrekken, als degenslikker of vuurvreter. Ook mag
het waarschijnlijk genoemd worden dat mijn kinderen den kost zouden
moeten helpen verdienen met het verwringen van hunne ledematen, terwijl
mevrouw Micawber zou medewerken op een draaiorgel.”
Door een veelzeggenden zwaai met zijn mes gaf mijnheer Micawber te
kennen dat eene dergelijke verandering in het leven van hem en zijne
familie niet dan na zijn dood zou bewaarheid kunnen worden; daarna ging
hij met een wanhopend gelaat voort de citroenen te schillen.
Tante leunde met haar elleboog op het kleine ronde tafeltje, dat naast
haar stond, en keek mijnheer Micawber aandachtig aan. Niettegenstaande
het mij tegen de borst stuitte om hem door overreding of list tot
onthullingen te noodzaken, die hij misschien liever niet doen wilde,
zou ik daartoe toch zijn overgegaan, indien ik hem niet zulke vreemde
dingen had zien doen. Zoo merkte ik op dat hij de citroenen in den
waterketel wierp, de suiker in het snuiterbakje, de rhum in eene ledige
kan en dat hij in goeden geloove probeerde kokend water te schenken uit
een kandelaar. Ik zag dat er een crisis op handen was en deze bleef
dan ook niet uit. Hij wierp alles kletterend door en over elkander,
haalde zijn zakdoek opnieuw te voorschijn en barstte in tranen uit.
„Beste Copperfield,” zei hij achter zijn zakdoek, „deze bezigheid
vereischt evenals alle andere een onbenevelden blik en een zeker gevoel
van eigenwaarde. Ik kan er van avond niet mede terecht. Het is mij
onmogelijk.”
„Spreek toch onbewimpeld uit wat u hindert, mijnheer Micawber,”
antwoordde ik. „Wij zijn onder vrienden.”
„Onder vrienden, mijnheer!” herhaalde hij en nu barstte alles, wat hij
wellicht maandenlang had opgekropt, los. „Goede Hemel, juist omdat ik
mij weder eens onder vrienden bevind, kan ik mij niet goed houden.
Wat is er aan de hand, mijne heeren? Wat is er _niet_ aan de hand?
Laagheid, bedrog en schurkerij, schelmsche komplotten, dat alles te
zamen is er aan de hand en de bedrijver van al die snoodheid heet....
Heep!”
Tante sloeg de handen ineen en wij sprongen allen stom van verbazing op.
„De strijd is voorbij!” zei mijnheer Micawber, terwijl hij de heftigste
gebaren maakte met zijn zakdoek en nu en dan met beide armen zwaaide,
alsof hij zich door bovenmenschelijke moeilijkheden heenworstelde. „Ik
kan zulk een leven niet langer volhouden. Ik ben een rampzalig wezen,
beroofd van alles wat het leven dragelijk kan maken. Ik heb geleefd in
dienst van een schelm, van een helschen pijniger. Geef mij mijne vrouw
terug, geef mij mijne kinderen terug, stel den ouden Micawber in de
plaats van den ellendeling, welke thans rondwandelt in de schoenen,
welke ik aan mijne voeten heb, en roep mij morgen op om degens te
verzwelgen en ik zal het doen. Ik zal het doen.... met ijver en lust!”
Nooit heb ik in mijn geheele leven iemand zoo opgewonden gezien. Ik
deed mijn best hem tot kalmte te brengen ten einde verstandig met hem
te spreken, maar zijne opgewondenheid nam met ieder oogenblik toe; hij
wilde naar geen woorden luisteren.
„Ik geef geen eerlijk man weer een hand,” hernam hij, blazend en
hijgend en snikkend, zoo hevig dat het scheen, alsof hij in het
water lag te spartelen en op het punt was van te zinken, „eer ik
die.... verfoeilijke.... slang.... dien Heep.... tot gruizels
geslagen heb. Ik wil van niemand's gastvrijheid.... gebruik maken
eer ik een Vesuvius.... heb doen uitbarsten.... over dien ellendigen
booswicht... dien Heep! Elke verversching.... onder dit dak.... punch
in de allereerste plaats.... zou mij in de keel blijven steken....
als ik niet eerst.... hé!... dien leugenaar.... dien afschuwelijken
bedrieger.... dien Heep.... de oogen uit den kop heb doen puilen!
Ik.... wil niemand kennen.... met niemand spreken.... nergens wonen....
eer ik dien godvergeten huichelaar.... dien meineedige.... dien
Heep.... van de aarde heb doen.... verdwijnen!”
Ik was werkelijk bevreesd dat mijnheer Micawber op de plaats zou
doodblijven. De wijze, waarop hij zich door al die afgebroken zinnen
heen worstelde, de inspanning, die hem het uitspreken van den naam
Heep kostte, zoodat het scheen, alsof hij er telkens met geweld op
aanvloog—het was een ijzingwekkend tooneel; maar toen hij nu dampend
en stoomend op een stoel nederviel met allerlei kleurschakeeringen op
zijn gelaat, die daar niet op thuis behoorden, en hij het zoo benauwd
kreeg, dat de zweetdroppelen op zijn voorhoofd parelden, toen meende ik
zeker dat het einde nabij was. Ik wilde hem te hulp snellen, maar hij
wenkte mij af en wilde niet naar mij luisteren.
„Neen, Copperfield! Raak mij niet aan.... voor juffrouw Wickfield....
vergoeding heeft voor het onrecht.... haar aangedaan.... door dien
vervloekten schelm.... dien Heep!” Ik ben overtuigd, dat hij geen
drie woorden zou hebben kunnen uitbrengen, indien de inspanning, die
hem het laatste woord kostte, hem niet gedwongen had te spreken.
„Onschendbaar geheim.... hé.... voor de geheele wereld.... hé....
zonder uitzondering... vandaag over een week.... bij het ontbijt....
allen tegenwoordig.... uwe tante ook.... hé.... en die buitengewoon
vriendelijke heer ook.... hé.... in het hôtel te Canterbury.... waar
mevrouw Micawber en ik Auld Lang Syne.... hebben gezongen.... en....
daar.... ontmaskeren dien veinzaard.... dien.... Heep!.... Niets meer
te zeggen.... naar niets luisteren.... ga onmiddellijk heen.... niet
in staat.... in gezelschap te zijn.... in het oog houden.... dien
verdoemden ellendeling.... dien.... Heep!”
Na voor het laatst dit woord uitgesproken te hebben, dit tooverwoord,
dat hem de kracht had gegeven om dit alles te zeggen, snelde mijnheer
Micawber het huis uit. Wij bleven in zulk een opgewonden, wonderlijke
stemming achter dat wij er weinig beter aan toe waren dan hij. Toch was
ook nu nog zijn hartstocht voor het schrijven van brieven te groot om
den lust daartoe te kunnen weerstaan; terwijl wij namelijk nog steeds
in dezelfde stemming verkeerden, werd mij uit eene naburige herberg het
navolgende briefje gebracht:
„Zeer vertrouwelijk.
Waarde Heer!
Ik verzoek u beleefd aan uwe hoogvereerde tante mijne
verontschuldigingen aan te bieden voor mijne opgewondenheid.
Eene uitbarsting van eene smeulende vulkaan was het gevolg van
een innerlijken strijd, die gemakkelijker te begrijpen dan te
beschrijven is.
Ik vertrouw duidelijk geweest te zijn in mijne oproeping van u
allen te zamen, heden over acht dagen, in den vroegen morgen in het
logement te Canterbury, waar mevrouw Micawber en ik eenmaal de eer
hadden onze stemmen te mengen met de uwe in het onvergetelijk lied
van den onsterfelijken kommies van de overzijde van de Tweed.
Na het vervullen van mijne plicht en na de schade, die ik heb
helpen toebrengen, vergoed te hebben, zoodat ik mijne evenmenschen
weder onder de oogen durf komen, zult gij nimmermeer van mij
hooren. Dan zal mijn eenige wensch zijn te worden neergelegd, waar
allen met onze voorvaderen vereenigd worden, met het eenvoudige
opschrift:
Wilkins Micawber.”