XLVIII.

Huiselijke aangelegenheden.

Ik werkte hard aan mijn boek, zonder mij echter te laten storen in de

geregelde waarneming van mijne betrekking als snelschrijver, en toen

het uitkwam maakte het zeer veel opgang. Ik liet mij niet bedwelmen

door den lof, die mij werd toegezwaaid, al deed het mij genoegen en al

schreef ik aan mijn werk—daarvan ben ik overtuigd—nog meer waarde

toe dan iemand anders. Ik heb meermalen de opmerking gemaakt, dat

menschen, die goede redenen hebben om vertrouwen in zich zelven te

stellen, zich nooit in de hoogte steken om anderen dat vertrouwen te

doen deelen. Mijn gevoel van eigenwaarde deed mij daarom bescheiden

zijn en hoe meer men mij prees, hoe meer lof ik trachtte te verdienen.

Het is daarom geenszins mijn voornemen, hoewel deze bladen mijne

geheele levensgeschiedenis bevatten voor zoo ver mijn geheugen mij

geen parten speelde, het is daarom geenszins mijn voornemen, zeg ik,

nog langer over de geschiedenis van mijn letterkundigen arbeid uit te

weiden. De romans, die ik geschreven heb, spreken voor zich zelve.

Mocht ik er nu en dan eens op terugkomen, dan is dit alleen om mijn

eigen geschiedenis zoo volledig mogelijk weer te geven.

Aangezien ik omstreeks dezen tijd gegronde redenen had om aan te nemen,

dat aanleg en toeval een schrijver van mij hadden gemaakt, volgde ik

deze roeping met vertrouwen. Ik had moeten trachten uit te vinden wat

aanleg en toeval werkelijk van mij gemaakt hadden, ten einde dat te

wezen en anders niets.

Ik had zooveel succes gehad met mijne artikelen in couranten en

tijdschriften, dat ik na deze nieuwe zegepraal meende, mijne taak bij

die droge Parlementszittingen wel te kunnen neerleggen. Op zekeren

onvergetelijken avond schreef ik voor de laatste maal de muziek van

dezen parlementairen doedelzak en na dien tijd heb ik ze niet meer

gehoord; toch ontdek ik bij het lezen van de ellenlange verslagen in de

nieuwsbladen niet de minste verandering, tenzij ze nog eentoniger en

vervelender geworden zijn.

Ik was nu ongeveer anderhalf jaar getrouwd, indien mijn geheugen mij

niet bedriegt. Wij hadden na tallooze vergeefsche pogingen afgezien

van het voeren van een eigen huishouding en hielden een huisknecht

om ons te bedienen. De voornaamste bezigheid van dit jongmensch was

te kijven met de keukenmeid; in dit opzicht was hij een volmaakte

Whittington, hoewel zonder kat en zonder eenige kans om ooit Lord-Mayor

te worden. Als ik aan hem terugdenk zie ik hem altijd voor mij in een

hagel van sauspannetjes. Zijn geheele leven scheen één vuistgevecht.

Op de meest ongelegen tijdstippen—bijvoorbeeld, als wij een dinertje

of des avonds eenige vrienden bij ons hadden—gilde hij om hulp

en kwam dan gewoonlijk de keuken uitstuiven met een hagel van de

meestongelijksoortige projectielen achter zich aan. Wij zouden hem

gaarne zijn congé hebben gegeven, maar hij scheen bijzonder aan ons

gehecht te zijn en wilde niet weg. Telkens wanneer dit onderwerp ter

sprake kwam, barstte hij in een stroom van tranen uit, zoodat wij

bijna genoodzaakt waren hem te houden. Hij had geen moeder meer, zelfs

geen andere bloedverwanten—voor zoover ik kon ontdekken—dan eene

zuster, die de wijk had genomen naar Amerika, zoodra wij haar van hem

verlost hadden; wij waren dus in den waren zin van het woord met hem

opgescheept. Hij had een levendig besef van zijn ongelukkigen toestand

en stond gewoonlijk zijne oogen af te vegen met de mouw van zijn buis

of in gebukte houding zijn neus te snuiten in het uiterste puntje van

een klein zakdoekje, dat hij nooit geheel uit zijn zak haalde alsof in

de andere punt een geheim verborgen was.

Deze vermaledeide knecht, die wij ter kwade ure tegen een salaris van

zes pond en tien shillings per jaar in onzen dienst hadden genomen,

was ons een bron van voortdurende kwelling. Ik zag hem dagelijks

grooter worden—hij groeide als pronkboonen—en wachtte met een angstig

gevoel den tijd af, dat hij zich zou beginnen te scheren, ja zelfs

het tijdstip, dat hij kaal of grijs zou zijn. Ik wist niet hoe ik hem

ooit zou kunnen kwijt raken en stelde mij al voor welk een lastpost

hij zou zijn, wanneer hij eenmaal oud begon te worden. Het is dus niet

te verwonderen, dat de ongelukkige wijze, waarop hij mij zelf uit

deze moeielijkheid verloste, geheel onverwacht kwam. Hij stal Dora's

horloge, dat evenmin als iets wat ons toebehoorende, een vaste plaats

had, maakte het te gelde en besteedde de opbrengst—hij had nooit blijk

gegeven van veel gezond verstand—aan tochtjes van Londen naar Uxbridge

vice versa boven op den omnibus. Indien ik mij goed herinner, werd hij

bij gelegenheid van zijn vijftienden rit, in Bow-street opgepakt; hij

was toen nog in het bezit van vier shillings en zes stuivers en eene

fluit, die hij uit de tweede hand had gekocht, doch waarop hij niet

spelen kon.

Deze verrassing en hare gevolgen zouden zonder twijfel veel minder

onaangenaam zijn geweest, als hij niet zooveel berouw had getoond.

Hij was echter zeer berouwvol en wel op eigenaardige wijze—niet in

eens, maar nu en dan. Zoo deed hij den dag nadat ik opgeroepen was

geworden om getuigenis af te leggen, bekentenissen aangaande een mand

in onzen kelder, die, naar wij meenden, vol wijn was en niets bevatte

dan ledige flesschen en kurken. Wij leefden voort in de hoop, dat hij

nu zijne ziel geheel had ontlast en het ergste had verteld wat hij

van de keukenmeid wist, maar een paar dagen later scheen zijn geweten

opnieuw te knagen en bracht hij aan het licht dat zij een klein meisje

had, dat elken morgen ons brood kwam weghalen, en hoe hij zelf den

melkboer geregeld met steenkolen betaald en het geld voor de melk in

den zak gehouden had. Eenige dagen later ontving ik van de rechtbank

het bericht dat er volgens zijne bekentenissen ossenribben in de

keukenkast en tafellakens in de voddenmand moesten verborgen zijn. Nog

eenigen tijd later sloeg hij eene geheel nieuwe richting in door zijne

bekendheid mede te deelen met een plan om in onze woning in te breken.

De hoofdaanlegger, een jongen uit eene herberg in onze buurt, werd

daarop onmiddellijk in hechtenis genomen. Ik schaamde mij diep omdat

ik het slachtoffer was geweest van zooveel oplichterijen en zou hem

gaarne eenig geld hebben gegeven als hij zijn tong maar in bedwang

wist te houden, of den een of ander hebben willen omkoopen om hem in

de gelegenheid te stellen het hazenpad te kiezen. Het ergste van alles

was, dat hij meende mij met elke bekentenis een dienst te bewijzen en

daardoor eenige vergoeding te schenken voor hetgeen hij zelf bij mij

misdreven had.

Eindelijk liep ik zelfs weg, wanneer ik een afgezant van de politie zag

aankomen met eene nieuwe ontdekking, en hield ik mij zooveel mogelijk

schuil tot men hem goed en wel gedeporteerd had. Maar ook in het

vreemde land kon hij geen rust vinden en ons niet met rust laten; hij

schreef telkens brieven en eer hij vertrok verzocht hij zoo dringend

Dora nog eens te zien, dat zij niet kon nalaten aan zijn verzoek gevolg

te geven en eene flauwte kreeg, toen de deur van de cel achter haar

gesloten werd. Kortom ik had geen rust voor hij het vaderland achter

den rug had en zich ergens—ik weet volstrekt niet in welk land—als

schaapherder had verhuurd.

Alles te zamen stemde mij tot ernstig nadenken en deed mij inzien

dat wij op een verkeerden weg waren; ik kon dan ook niet nalaten

Dora op zekeren avond, toen wij met ons beiden alleen waren, en

niettegenstaande mijne innige liefde voor haar, deelgenoot te maken van

mijne overpeinzingen.

„Lieveling,” zei ik, „ik vond het hoogst onaangenaam, pijnlijk zelfs,

dat ons gemis aan orde en onze geringe kennis van het huishouden, nu

wij zelve er aan gewend zijn, anderen nadeel berokkent.”

„Gij hebt lang gezwegen; gaat gij mij nu weer beknorren?” vroeg Dora.

„Neen, lieveling, waarlijk niet! Laat ik u maar eens uitleggen wat ik

bedoel.”

„Mij dunkt, dat ik het niet behoef te weten,” zei Dora.

„Maar ik acht het noodig dat gij 't weet, beste; zet Jip nu eens op den

grond.”

Dora duwde Jip's neus tegen den mijne en zei „Boe!” ten einde mijne

ernstige stemming te verjagen; maar toen zij daarin niet slaagde, joeg

zij Jip naar zijne pagode en bleef mij met gevouwen handen in stille

berusting aankijken.

„De zaak is, lieveling,” begon ik, „dat wij de een of andere smetstof

bij ons hebben en allen, die met ons in aanraking komen, aansteken.”

Ik zou waarschijnlijk zijn voortgegaan in dezen figuurlijken zin,

indien Dora's gezichtje mij niet verraden had dat zij een of ander

geneesmiddel of eene nieuwe wijze van vaccine van mij scheen te

verwachten om deze kwaal in ons te dooden. Ik besloot dus recht op het

doel af te gaan.

„Niet alleen, vrouwtje, dat wij noodeloos geld uitgeven en vele

genoegens missen, ja, zelfs ons humeur nu en dan bederven door onze

zorgeloosheid, maar wij laden de verantwoordelijkheid op ons, dat

wij ieder, die in onzen dienst of met ons in aanraking komt, totaal

bederven. Ik begin te vreezen, dat de fout niet geheel aan één kant

ligt, maar dat al die menschen slecht worden omdat wij niet goed zijn.”

„O, welk eene beschuldiging!” riep Dora met wijdgeopende oogen, „te

zeggen dat gij mij ooit gouden horloges hebt zien wegnemen! Foei!”

„Maar liefste!” zei ik, „spreek nu toch niet zulken nonsens! Wie heeft

zelfs maar eene toespeling gemaakt op gouden horloges?”

„Gij zelf,” antwoordde zij. „Gij weet dat heel goed. Gij hebt gezegd

dat ik niet goed ben en mij met hem op ééne lijn gesteld.”

„Met wien?”

„Met dien knecht,” snikte Dora. „Wreede man, om uwe vrouw, die u

zoo lief heeft, met een weggejaagden en gedeporteerden knecht te

vergelijken! Waarom hebt gij mij niet, voor wij trouwden, gezegd hoe

gij over mij dacht? Waarom hebt gij mij niet gezegd, dat gij mij met

een gedeporteerden knecht zoudt vergelijken? Hardvochtige man! Hoe kunt

gij zoo slecht over mij denken? O, hoe vreeselijk!”

„Dora, Dora,” antwoordde ik, tegelijkertijd eene poging doende om

zachtjes den zakdoek weg te trekken, dien zij voor hare oogen hield,

„dat is niet alleen belachelijk, maar onrechtvaardig tevens. In de

eerste plaats echter is hetgeen gij zegt niet waar.”

„Gij hebt altijd gezegd dat hij een leugenaar was en nu zegt gij

hetzelfde van mij,” ging zij al snikkend voort. „O, wat moet ik

beginnen! Wat moet ik beginnen!”

„Mijn liefste vrouwtje,” hernam ik, „ik moet u werkelijk dringend

verzoeken wat verstandiger te zijn en te luisteren naar hetgeen ik

zeg. Indien wij niet leeren wat onze plicht is tegenover de menschen,

die wij in onzen dienst hebben, leeren zij ook nooit wat hun plicht

is tegenover ons. Ik vrees, dat wij onze bedienden in de gelegenheid

stellen om kwaad te doen en dat wij daartegen op onze hoede moesten

zijn. Zelfs al was het onze verkiezing om zoo onachtzaam te zijn in

alles, als wij zijn—en dat is het niet—zelfs indien wij 't aangenaam

vonden zoo te zijn—hetgeen niet het geval is—ben ik toch overtuigd,

dat wij zoo niet mogen voortgaan. Wij bederven onze bedienden in

den grond en zijn verplicht dat te bedenken. Ik denk er tenminste

voortdurend aan, Dora, en ik kan die gedachte niet van mij afzetten; ze

vervolgt mij dag en nacht. Dat is alles, liefste. Kom nu eens bij mij

en wees niet zoo dwaas!”

Dora wilde mij voorloopig niet toestaan den zakdoek weg te nemen. Zij

zat daarachter te snikken en te mompelen en te vragen waarom ik dan

ooit met haar getrouwd was? Waarom had ik niet gezegd, dat ik zoo over

haar dacht, eer wij naar de kerk waren gereden! Waarom zond ik haar

dan maar niet terug naar hare tantes in Putney of naar Julia Mills in

Indië, als ik haar niet langer kon uitstaan? Julia Mills zou heel blij

zijn als zij haar zag en haar zeker niet met een gedeporteerden knecht

vergelijken. Julia had haar nooit zoo genoemd. Kortom, Dora was zoo

diep bedroefd en bracht mij door haar snikken zoo van streek, dat ik

wel inzag op zulk eene wijze niet verder te zullen komen, zoodat ik een

anderen weg moest inslaan.

En welke weg bleef mij over? Haar te „ontwikkelen”! Ja, dat klonk

mij veelbelovend in de ooren. Ik moest haar geest meer ontwikkelen!

En ik begon van stonde aan. Als Dora zich wat kinderachtig aanstelde

en ik er de voorkeur aan zou hebben gegeven haar in die stemming te

laten, deed ik mijn best om heel ernstig te zijn en—bracht haar uit

haar humeur en mij zelf er bij. Ik besprak met haar hetgeen mijne

gedachten bezighield, ik las Shakespeare met haar en—verveelde haar

uitermate. Ik nam de gewoonte aan om haar, als het ware bij toeval,

nuttige wenken en kleine lessen te geven, maar als ik er mede begon,

schrikte zij alsof ik vuurzwermen afstak. Hoe ik mij ook inspande om,

als bij toeval, ongezocht den geest van mijn vrouwtje te ontwikkelen,

het scheen wel, dat zij instinctmatig begreep wat ik bedoelde en dan

bekroop haar terstond een gevoel van angst. Vooral Shakespeare was

haar een doorn in het oog. Men begrijpt dat ik met mijne ontwikkeling

slechts matig vorderde.

Traddles werd, zonder dat hij het wist, geprest om mij te dienen;

telkens wanneer hij kwam, liet ik mijne volgeladen mijnen tegen hem

springen ten einde Dora zijdelings een lesje te geven. De hoeveelheid

practische wijsheid, die ik tegen Traddles losliet, was ontzettend;

maar ze had op Dora geen anderen invloed dan dat ik haar humeur

bedierf en haar zenuwachtig maakte, want zij was altijd bevreesd, dat

nu weder de beurt aan haar zou komen. Ik vergeleek mij zelven met

een schoolmeester of een vogelknip, speelde telkens voor spin, die

het onschuldige vliegje, Dora, in haar web trachtte te vangen en het

was hartverscheurend hare ontsteltenis te zien, wanneer ik uit mijn

schuilhoek te voorschijn kwam.

Toch staarde ik voortdurend heen over dit tusschentijdperk naar den

tijd, waarop er volmaakte sympathie zou bestaan tusschen Dora en mij en

ik haar geest ontwikkeld zou hebben tot mijn en haar genoegen. Maanden

lang duurde deze toestand zoo voort. Eindelijk echter, na al dien tijd

als een egel of een waakhond op de loer gelegen te hebben, begon ik in

te zien, dat ik niets verder was gekomen en kwam de gedachte in mij op,

dat Dora's geest reeds den hoogsten graad van ontwikkeling bereikt had.

Bij verder nadenken kwam mij dit zelfs zoo waarschijnlijk voor, dat

ik mijn plan,—in woorden zoo veelbelovend, doch inderdaad zoo weinig

doeltreffend—liet varen en besloot voortaan tevreden te zijn met mijn

kind-vrouwtje, zooals zij nu eenmaal was, en niet te beproeven iets

anders van haar te maken. Ik was het moede altijd alleen de wijze en de

voorzichtige te zijn en mijn lieveling in angstige spanning te zien. Ik

kocht daarom een mooi stel oorbellen voor haar en een halsband voor Jip

en kwam daarmede op zekeren dag thuis, hopende er veel mede te zullen

goed maken.

Dora was heel blij met haar cadeautjes en kuste mij hartelijk, maar

de schaduw bleef tusschen ons en ik had het plan, die geheel te doen

verdwijnen. Moest er nog eene schaduw overblijven, dan mocht die alleen

zijn in mijn eigen hart.

Ik zat bij mij vrouwtje op de sofa, en maakte de belletjes in hare

oortjes vast, waarna ik begon te zeggen, dat ons leven in den laatsten

tijd niet zoo aangenaam geweest was als vroeger, en dat ik daarvan de

schuld droeg. Ik meende dit oprecht, want ik zag in dat het zoo was.

„Zal ik u eens eerlijk zeggen, Dora, hoe dat kwam? Ik wilde al te

verstandig zijn.”

„En gij wildet mij ook zoo erg verstandig maken, nietwaar Doady?”

Ik knikte toestemmend naar de mooie hoog opgetrokken wenkbrauwen en gaf

haar een kus op het half geopende mondje.

„Het baat u geen zier,” zei Dora, haar hoofdje schuddend, zoodat de

nieuwe oorbelletjes rinkelden. „Gij weet nu eenmaal dat ik een klein,

dom ding ben, en gij weet ook, hoe gij mij zoudt noemen. Ik heb u dat

den eersten dag van ons huwelijk al gevraagd, is 't niet? Als gij dat

niet doen kunt, dan zullen wij, vrees ik, nooit gelukkig zijn. Zijt gij

er wel zeker van, dat somtijds de gedachte niet in u opkomt of het niet

beter ware, indien...”

„Wat, liefste?” vroeg ik, want zij scheen niet te willen voortgaan.

„Niets!”

„Niets!” herhaalde ik.

Zij sloeg de armen om mijn hals en lachte en noemde zich zelve bij haar

geliefkoosden naam—een gansje—en verborg haar gezichtje tegen mijn

schouder, maar het ging zoo schuil tusschen den overvloed van krullen,

dat ik moeite had om ze alle weg te strijken.

„Of ik niet denk, dat het beter geweest zou zijn niets te doen dan mijn

kleine vrouwtje te plagen?” zei ik, in mij zelven lachend. „Bedoelt

gij dat? Ja, dat geloof ik wel. Ik wilde uw geest verder ontwikkelen,

begrijpt ge?”

„Hebt gij _dat_ willen doen! O, wat een vreeselijke man zijt gij toch!”

„Ik zal het niet meer beproeven, hoor, want ik heb haar hartelijk lief

zooals zij is.”

„Meent gij dat oprecht... waarlijk?” vroeg Dora en vlijde zich dicht

tegen mij aan.

„Waarom zou ik trachten te veranderen wat mij al zoo lang lief en

dierbaar is geweest?” vroeg ik. „Gij kunt u niet beter voordoen dan

wanneer gij mijn eigen lieve Dora zijt; wij zullen dus geen proeven

meer op u nemen, maar onzen gang gaan zooals vroeger; toen waren wij

immers veel gelukkiger?”

„Ja, wij moeten weer gelukkiger worden!” antwoordde Dora. „Ja, elken

dag! En gij zult dus niet meer boos worden als er iets een heel klein

beetje verkeerd gaat?”

„Neen, neen!” zei ik. „Wij moeten ons best maar doen zooveel wij

kunnen.”

„En zult gij mij nooit meer zeggen dat wij andere menschen slecht

maken?” vroeg Dora op vleienden toon. „Dat was zoo vreeselijk stout

van je!”

„Neen, neen!” antwoordde ik.

„Het is toch beter als ik een beetje dom ben dan dat ik verdriet heb,

is 't niet?”

„Het beste is als gij heel natuurlijk zijt, Dora.”

Zij schudde hare krullen in 't rond, keerde hare oogen, die van

blijdschap straalden, naar mij toe, kuste mij herhaaldelijk, barstte

in een vroolijke lachbui uit en sprong toen op, om Jip den nieuwen

halsband om te doen.

Zoo eindigde mijne laatste poging om eene verandering in Dora te

brengen. Ik was ongelukkig geweest in mijn streven, ik kon mijn eigen

wijsheid niet uitstaan, veel minder haar in overeenstemming brengen met

Dora's wensch om haar als mijn kind-vrouwtje te beschouwen. Ik besloot

daarom in alle kalmte te doen wat mogelijk was om wat meer regel in

onze huishouding te brengen; maar ik zag in dat ik er heel weinig aan

doen kon, zonder opnieuw de rol van spin te spelen of als een waakhond

op de loer te liggen. De schaduw, waarvan ik sprak, was tusschen ons

verdwenen; ze bleef veilig bewaard in mijn eigen hart. Hoe? Het oude,

ongelukkige gevoel bleef mij altijd bij. Indien er al eenige wijziging

in gekomen was, dan was het sterker geworden; maar het was zoo

onbepaald als ooit en had een uitwerking op mij als treurige muziek,

die in den nacht flauwtjes tot ons doordringt. Ik had mijn vrouwtje

hartelijk lief; ik was gelukkig; maar het was niet het geluk, dat ik

gedroomd had—er ontbrak iets aan.

Ten einde de taak, die ik op mij genomen heb, getrouw te vervullen,

namelijk al wat er in mijne ziel is omgegaan en in mijn geheugen is

bewaard, aan deze bladzijden toe te vertrouwen, dien ik mijn hart nog

eens aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen. Hetgeen ik miste,

beschouw ik thans—en beschouwde ik altijd—als een droom uit den tijd,

toen mijne jeugdige verbeelding mij parten speelde; als iets dat niet

aangevuld kon worden. Evenals alle menschen kwam ik eerst later tot

die ontdekking en deze ontdekking vervulde mij met leedwezen. Maar ik

wist ook dat het beter voor mij zou geweest zijn, indien mijne vrouw

mij meer had kunnen steunen, mij had kunnen helpen om de gedachten te

verwezenlijken, die mij thans alleen bezig hielden. En ik wist ook, dat

zulk een lot mijn deel had kunnen zijn! Ik werd geslingerd tusschen

twee onvereenigbare gevolgtrekkingen, terwijl ik mij niet bewust was

dat de eene lijnrecht stond tegenover de andere; ik dacht dat hetgeen

ik voelde algemeen gevoeld werd, onvermijdelijk was en te gelijkertijd

meende ik, dat mij alleen dit lot beschoren was en dat het niet zoo

had behoeven te zijn. Wanneer ik dacht aan de luchtkasteelen uit mijne

jeugd, dan kwamen mij ook de jaren in mijne herinnering, die den

mannelijken leeftijd waren voorafgegaan; dan rezen de heerlijke dagen,

met Agnes in het oude huis doorgebracht, voor mij op, als schimmen

van dooden, die, ja in eene andere wereld konden herleven, maar hier

beneden nimmer, nimmermeer zouden opgewekt worden.

Somtijds kwam de gedachte in mij op, wat er zou gebeurd zijn of

gebeurd kunnen zijn, indien Dora en ik elkander nooit hadden ontmoet?

Maar zij was zoo geheel in mijn bestaan ingeweven, dat ik aan geen

onvruchtbaarder gedachte voedsel had kunnen geven.

Ik bleef veel van Dora houden. Hetgeen ik hier beschrijf, lag in

den diepsten schuilhoek van mijn hart te sluimeren, om nu en dan

even te ontwaken en terstond weder in te slapen. Ik liet het in geen

enkel opzicht blijken; het had, voor zoover ik weet, geen invloed op

iets dat ik zei of deed. Ik droeg den last van al onze kleine zorgen

en van al mijne plannen en voornemens; Dora hield de pennen vast en

wij voelden beiden dat ons aandeel zeer juist was afgemeten. Zij hield

zielsveel van mij en wanneer Agnes in hare brieven met een enkel

woord melding maakte van den trots, waarmede mijne oude vrienden mijn

toenemend succes gadesloegen en mijn boek lazen alsof zij mij hoorden

spreken, las Dora mij die brieven voor met tranen in hare schitterende

oogen en zei dat ik een beste, knappe jongen was en nog eens beroemd

zou worden. „De eerste blinde neiging van een onervaren hart.” Deze

woorden van mevrouw Strong klonken mij in dit tijdperk van mijn leven

herhaaldelijk in de ooren, waren bijna onafgebroken in mijne gedachten.

Meermalen werd ik des nachts wakker met deze woorden op de lippen,

ja, ik herinner mij zelfs, dat ik ze in mijn droomen op muren en

schuttingen heb gelezen. Ik wist nu dat mijn eigen hart nog onervaren

was toen ik verliefd werd op Dora; ik wist dat, ware het ervaren

geweest, ik in mijn huwelijk nooit had kunnen voelen wat thans in

den diepsten schuilhoek van mijn hart verborgen lag.

„Geen huwelijk kan gelukkig zijn, wanneer geest en aanleg niet

overeenstemmen.” Ook deze woorden herinnerde ik mij. Ik had getracht

Dora voor mij geschikt te maken en bevonden dat het onmogelijk was.

Er bleef nu niets anders over dan mijzelven voor Dora geschikt te

maken, mijzelven met haar in overeenstemming te brengen zooveel ik kon

en gelukkig te zijn; op mijn eigen schouders te laden wat ik dragen

moest en toch gelukkig te zijn. Op deze wijze trachtte ik mijn hart te

vormen, toen de ervaring gekomen was. Het tweede jaar van mijn huwelijk

was dientengevolge veel gelukkiger dan het eerste en wat meer zegt,

Dora's leventje was een en al zonneschijn.

Maar toen dit jaar voorbij was, voelde Dora zich niet sterk meer.

Ik had gehoopt dat kleinere handen dan de mijne zouden geholpen

hebben om haar karakter te vormen, dat een lachend kindermondje mijn

kind-vrouwtje tot vrouw gemaakt zou hebben, maar dit mocht niet

zoo zijn. Eén oogenblik toefde het zieltje op den drempel van zijn

gevangenis, maar het vlood even spoedig weer henen.

* * * * *

„Als ik weer kan rondloopen, zooals ik gewoon was, tante,” zei Dora,

„zal ik Jip eens flink laten rennen; hij wordt zoo dik en zoo lui.”

„Ik vermoed, liefste,” antwoordde tante, die bij haar zat te werken,

„dat hem nog een andere kwaal plaagt, de ouderdom, Dora.”

„Denkt gij dat hij oud is?” vroeg Dora verbaasd. „O, wat lijkt mij dat

vreemd! Jip—oud!”

„Dat is een kwaal, waaraan wij allen moeten gelooven, kleintje, als wij

blijven leven,” hernam tante opgeruimd. „Ik voel er mij zelve ook niet

meer zoo vrij van als vroeger, dat verzeker ik u.”

„Maar Jip!” zei Dora, terwijl zij haar lieveling medelijdend aankeek,

„die kleine Jip ook al! 't Arme dier!”

„Ik beweer niet dat hij 't nog niet lang zal kunnen uithouden,

Bloesempje,” zei tante terwijl zij Dora even op de wang tikte. Dora had

zich, op de sofa liggende, voorovergebogen om Jip beter te kunnen zien

en het dier was uit dankbaarheid op zijne achterpooten tegen haar op

gaan staan en deed nu vergeefsche pogingen om op de sofa te klauteren.

„Hij moet den volgenden winter een lap flanel in zijn huisje hebben,

dan zou het mij niets verbazen als hij er tegen de lente weer vlug en

frisch uitkwam. Beware dat beest!” riep tante, „al was hij zoo taai als

een kat en al leefde hij zoo lang als een raaf, dan zou hij met zijn

laatsten ademtocht nog tegen mij blaffen, dat geloof ik zeker!”

Dora had Jip geholpen en nu zat hij op de sofa zoo woedend tegen

tante te blaffen, dat hij telkens omviel van drift. Hoe meer tante

hem aankeek, hoe harder hij te keer ging; want tante droeg sinds

eenigen tijd een bril en om de een of andere niet te doorgronden reden

beschouwde hij dat als eene persoonlijke beleediging.

Dora bewoog hem met veel lieve woordjes om stil te zijn en toen zij

daarin geslaagd was, herhaalde zij peinzend, terwijl zij zijne lange

ooren om haar vinger draaide: „Zelfs die kleine Jip! Arm dier!”

„Zijne longen zijn sterk genoeg,” zei tante lachend, „en hij kan ook

nog flink toonen aan wie hij een hekel heeft. Zonder twijfel kan

hij nog vele jaren leven. Maar om met hem om het hardst te loopen,

Bloesempje, dat zal niet gaan. Daarvoor heeft hij het te goed gehad!

Dan zal ik een ander hondje voor u koopen.”

„Dank u, tante,” zei Dora met zwakke stem. „Doe dat niet!”

„Niet?” vroeg tante haar bril afnemende.

„Ik zou geen ander hondje kunnen hebben dan Jip,” zei Dora. „Het zou

zoo hard zijn voor Jip en bovendien kan ik toch van een ander hondje

niet zooveel houden, omdat het mij niet, zooals Jip vóór mijn huwelijk

gekend en niet tegen Doady geblaft zou hebben, toen hij voor de eerste

maal bij ons kwam. Ik vrees dat ik van geen anderen hond zou kunnen

houden dan van Jip, tante.”

„Dat is waar!” zei tante, terwijl zij haar nogmaals een tikje op de

wang gaf.

„Gij zijt er immers niet boos om, tante?”

„Heb ik nu toch ooit zoo'n gevoelig schepseltje gezien!” riep tante,

terwijl zij zich teeder over haar heenboog.

„Hoe zou ik boos op u kunnen zijn!”

„Neen, neen, ik meende het ook eigenlijk niet,” antwoordde Dora, „maar

ik ben wat moe en als ik over Jip praat word ik altijd een beetje

weekhartig, begrijpt u? Jip heeft zooveel met mij doorleefd, nietwaar

Jip? Ik zou onmogelijk afstand van hem kunnen doen, nu hij wat ouder

wordt.... zou ik wel, Jip?”

Jip nestelde zich op een warm plekje bij zijn meesteres en likte hare

hand.

„Gij zijt nog niet zoo oud, nietwaar Jip, dat gij uw meesteresje nu al

alleen zoudt laten!” sprak Dora. „Wij houden elkaar nog wat gezelschap,

is 't niet?”

Innig geliefde Dora. Toen zij den volgenden Zondag beneden kwam om te

eten en zoo blijde was onzen ouden Traddles weer te zien—Traddles

gebruikte elken Zondag bij ons het middagmaal—meenden wij dat zij wel

spoedig weer door den tuin zou rennen met haar lieveling. Maar het was:

wacht nog een paar dagen, en toen deze voorbij waren, was het nogmaals:

wacht nog een paar dagen, en zoo voort. Zij was allerbekoorlijkst

en zoo vroolijk als ooit, maar de voetjes, die zoo vlug om Jip heen

huppelden, kwamen niet meer in den tuin. Ik begon haar 's morgens en

's avonds de trap af en op te dragen en dan sloeg zij de armen om mijn

hals en lachte, alsof ik het deed om eene weddenschap te winnen. En Jip

blafte en sprong om ons heen en liep vooruit en keek op het portaal

hijgend achterom, vreezende, dat wij hem niet volgden. En tante, de

zorgvuldigste en vroolijkste ziekenoppaster, die ik ooit heb ontmoet,

volgde ons met kussens en doeken.

Mijnheer Dick zou zijn betrekking als lantaarndrager aan niemand

hebben willen afstaan en Traddles stond meermalen aan de trap ons op

te wachten en ontving dan allerlei grappige boodschappen van Dora

voor het liefste meisje van de wereld. Zoo maakten wij er bijna een

vroolijken optocht van en mijn kind-vrouwtje was de vroolijkste van

allen.

Maar, somtijds, als ik haar opnam en voelde, dat zij al lichter en

lichter werd, overviel mij een kille huivering, alsof ik eene onbekende

ijsvlakte naderde en het bloed in mijne aderen stolde. Ik durfde aan

dit gevoel geen naam geven of er met iemand ter wereld over spreken;

totdat ik op zekeren avond, toen ik er geheel mede vervuld was en

tante met een „Goeden nacht, Klein Bloesempje” afscheid had genomen,

alleen aan de schrijftafel bleef zitten schreien, denkende welk een

vreeselijke naam dat gevoel had en hoe de bloesem, nog eer zij geheel

ontloken was, reeds verwelkte.

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 61 / 79 题