Huiselijke aangelegenheden.
Ik werkte hard aan mijn boek, zonder mij echter te laten storen in de
geregelde waarneming van mijne betrekking als snelschrijver, en toen
het uitkwam maakte het zeer veel opgang. Ik liet mij niet bedwelmen
door den lof, die mij werd toegezwaaid, al deed het mij genoegen en al
schreef ik aan mijn werk—daarvan ben ik overtuigd—nog meer waarde
toe dan iemand anders. Ik heb meermalen de opmerking gemaakt, dat
menschen, die goede redenen hebben om vertrouwen in zich zelven te
stellen, zich nooit in de hoogte steken om anderen dat vertrouwen te
doen deelen. Mijn gevoel van eigenwaarde deed mij daarom bescheiden
zijn en hoe meer men mij prees, hoe meer lof ik trachtte te verdienen.
Het is daarom geenszins mijn voornemen, hoewel deze bladen mijne
geheele levensgeschiedenis bevatten voor zoo ver mijn geheugen mij
geen parten speelde, het is daarom geenszins mijn voornemen, zeg ik,
nog langer over de geschiedenis van mijn letterkundigen arbeid uit te
weiden. De romans, die ik geschreven heb, spreken voor zich zelve.
Mocht ik er nu en dan eens op terugkomen, dan is dit alleen om mijn
eigen geschiedenis zoo volledig mogelijk weer te geven.
Aangezien ik omstreeks dezen tijd gegronde redenen had om aan te nemen,
dat aanleg en toeval een schrijver van mij hadden gemaakt, volgde ik
deze roeping met vertrouwen. Ik had moeten trachten uit te vinden wat
aanleg en toeval werkelijk van mij gemaakt hadden, ten einde dat te
wezen en anders niets.
Ik had zooveel succes gehad met mijne artikelen in couranten en
tijdschriften, dat ik na deze nieuwe zegepraal meende, mijne taak bij
die droge Parlementszittingen wel te kunnen neerleggen. Op zekeren
onvergetelijken avond schreef ik voor de laatste maal de muziek van
dezen parlementairen doedelzak en na dien tijd heb ik ze niet meer
gehoord; toch ontdek ik bij het lezen van de ellenlange verslagen in de
nieuwsbladen niet de minste verandering, tenzij ze nog eentoniger en
vervelender geworden zijn.
Ik was nu ongeveer anderhalf jaar getrouwd, indien mijn geheugen mij
niet bedriegt. Wij hadden na tallooze vergeefsche pogingen afgezien
van het voeren van een eigen huishouding en hielden een huisknecht
om ons te bedienen. De voornaamste bezigheid van dit jongmensch was
te kijven met de keukenmeid; in dit opzicht was hij een volmaakte
Whittington, hoewel zonder kat en zonder eenige kans om ooit Lord-Mayor
te worden. Als ik aan hem terugdenk zie ik hem altijd voor mij in een
hagel van sauspannetjes. Zijn geheele leven scheen één vuistgevecht.
Op de meest ongelegen tijdstippen—bijvoorbeeld, als wij een dinertje
of des avonds eenige vrienden bij ons hadden—gilde hij om hulp
en kwam dan gewoonlijk de keuken uitstuiven met een hagel van de
meestongelijksoortige projectielen achter zich aan. Wij zouden hem
gaarne zijn congé hebben gegeven, maar hij scheen bijzonder aan ons
gehecht te zijn en wilde niet weg. Telkens wanneer dit onderwerp ter
sprake kwam, barstte hij in een stroom van tranen uit, zoodat wij
bijna genoodzaakt waren hem te houden. Hij had geen moeder meer, zelfs
geen andere bloedverwanten—voor zoover ik kon ontdekken—dan eene
zuster, die de wijk had genomen naar Amerika, zoodra wij haar van hem
verlost hadden; wij waren dus in den waren zin van het woord met hem
opgescheept. Hij had een levendig besef van zijn ongelukkigen toestand
en stond gewoonlijk zijne oogen af te vegen met de mouw van zijn buis
of in gebukte houding zijn neus te snuiten in het uiterste puntje van
een klein zakdoekje, dat hij nooit geheel uit zijn zak haalde alsof in
de andere punt een geheim verborgen was.
Deze vermaledeide knecht, die wij ter kwade ure tegen een salaris van
zes pond en tien shillings per jaar in onzen dienst hadden genomen,
was ons een bron van voortdurende kwelling. Ik zag hem dagelijks
grooter worden—hij groeide als pronkboonen—en wachtte met een angstig
gevoel den tijd af, dat hij zich zou beginnen te scheren, ja zelfs
het tijdstip, dat hij kaal of grijs zou zijn. Ik wist niet hoe ik hem
ooit zou kunnen kwijt raken en stelde mij al voor welk een lastpost
hij zou zijn, wanneer hij eenmaal oud begon te worden. Het is dus niet
te verwonderen, dat de ongelukkige wijze, waarop hij mij zelf uit
deze moeielijkheid verloste, geheel onverwacht kwam. Hij stal Dora's
horloge, dat evenmin als iets wat ons toebehoorende, een vaste plaats
had, maakte het te gelde en besteedde de opbrengst—hij had nooit blijk
gegeven van veel gezond verstand—aan tochtjes van Londen naar Uxbridge
vice versa boven op den omnibus. Indien ik mij goed herinner, werd hij
bij gelegenheid van zijn vijftienden rit, in Bow-street opgepakt; hij
was toen nog in het bezit van vier shillings en zes stuivers en eene
fluit, die hij uit de tweede hand had gekocht, doch waarop hij niet
spelen kon.
Deze verrassing en hare gevolgen zouden zonder twijfel veel minder
onaangenaam zijn geweest, als hij niet zooveel berouw had getoond.
Hij was echter zeer berouwvol en wel op eigenaardige wijze—niet in
eens, maar nu en dan. Zoo deed hij den dag nadat ik opgeroepen was
geworden om getuigenis af te leggen, bekentenissen aangaande een mand
in onzen kelder, die, naar wij meenden, vol wijn was en niets bevatte
dan ledige flesschen en kurken. Wij leefden voort in de hoop, dat hij
nu zijne ziel geheel had ontlast en het ergste had verteld wat hij
van de keukenmeid wist, maar een paar dagen later scheen zijn geweten
opnieuw te knagen en bracht hij aan het licht dat zij een klein meisje
had, dat elken morgen ons brood kwam weghalen, en hoe hij zelf den
melkboer geregeld met steenkolen betaald en het geld voor de melk in
den zak gehouden had. Eenige dagen later ontving ik van de rechtbank
het bericht dat er volgens zijne bekentenissen ossenribben in de
keukenkast en tafellakens in de voddenmand moesten verborgen zijn. Nog
eenigen tijd later sloeg hij eene geheel nieuwe richting in door zijne
bekendheid mede te deelen met een plan om in onze woning in te breken.
De hoofdaanlegger, een jongen uit eene herberg in onze buurt, werd
daarop onmiddellijk in hechtenis genomen. Ik schaamde mij diep omdat
ik het slachtoffer was geweest van zooveel oplichterijen en zou hem
gaarne eenig geld hebben gegeven als hij zijn tong maar in bedwang
wist te houden, of den een of ander hebben willen omkoopen om hem in
de gelegenheid te stellen het hazenpad te kiezen. Het ergste van alles
was, dat hij meende mij met elke bekentenis een dienst te bewijzen en
daardoor eenige vergoeding te schenken voor hetgeen hij zelf bij mij
misdreven had.
Eindelijk liep ik zelfs weg, wanneer ik een afgezant van de politie zag
aankomen met eene nieuwe ontdekking, en hield ik mij zooveel mogelijk
schuil tot men hem goed en wel gedeporteerd had. Maar ook in het
vreemde land kon hij geen rust vinden en ons niet met rust laten; hij
schreef telkens brieven en eer hij vertrok verzocht hij zoo dringend
Dora nog eens te zien, dat zij niet kon nalaten aan zijn verzoek gevolg
te geven en eene flauwte kreeg, toen de deur van de cel achter haar
gesloten werd. Kortom ik had geen rust voor hij het vaderland achter
den rug had en zich ergens—ik weet volstrekt niet in welk land—als
schaapherder had verhuurd.
Alles te zamen stemde mij tot ernstig nadenken en deed mij inzien
dat wij op een verkeerden weg waren; ik kon dan ook niet nalaten
Dora op zekeren avond, toen wij met ons beiden alleen waren, en
niettegenstaande mijne innige liefde voor haar, deelgenoot te maken van
mijne overpeinzingen.
„Lieveling,” zei ik, „ik vond het hoogst onaangenaam, pijnlijk zelfs,
dat ons gemis aan orde en onze geringe kennis van het huishouden, nu
wij zelve er aan gewend zijn, anderen nadeel berokkent.”
„Gij hebt lang gezwegen; gaat gij mij nu weer beknorren?” vroeg Dora.
„Neen, lieveling, waarlijk niet! Laat ik u maar eens uitleggen wat ik
bedoel.”
„Mij dunkt, dat ik het niet behoef te weten,” zei Dora.
„Maar ik acht het noodig dat gij 't weet, beste; zet Jip nu eens op den
grond.”
Dora duwde Jip's neus tegen den mijne en zei „Boe!” ten einde mijne
ernstige stemming te verjagen; maar toen zij daarin niet slaagde, joeg
zij Jip naar zijne pagode en bleef mij met gevouwen handen in stille
berusting aankijken.
„De zaak is, lieveling,” begon ik, „dat wij de een of andere smetstof
bij ons hebben en allen, die met ons in aanraking komen, aansteken.”
Ik zou waarschijnlijk zijn voortgegaan in dezen figuurlijken zin,
indien Dora's gezichtje mij niet verraden had dat zij een of ander
geneesmiddel of eene nieuwe wijze van vaccine van mij scheen te
verwachten om deze kwaal in ons te dooden. Ik besloot dus recht op het
doel af te gaan.
„Niet alleen, vrouwtje, dat wij noodeloos geld uitgeven en vele
genoegens missen, ja, zelfs ons humeur nu en dan bederven door onze
zorgeloosheid, maar wij laden de verantwoordelijkheid op ons, dat
wij ieder, die in onzen dienst of met ons in aanraking komt, totaal
bederven. Ik begin te vreezen, dat de fout niet geheel aan één kant
ligt, maar dat al die menschen slecht worden omdat wij niet goed zijn.”
„O, welk eene beschuldiging!” riep Dora met wijdgeopende oogen, „te
zeggen dat gij mij ooit gouden horloges hebt zien wegnemen! Foei!”
„Maar liefste!” zei ik, „spreek nu toch niet zulken nonsens! Wie heeft
zelfs maar eene toespeling gemaakt op gouden horloges?”
„Gij zelf,” antwoordde zij. „Gij weet dat heel goed. Gij hebt gezegd
dat ik niet goed ben en mij met hem op ééne lijn gesteld.”
„Met wien?”
„Met dien knecht,” snikte Dora. „Wreede man, om uwe vrouw, die u
zoo lief heeft, met een weggejaagden en gedeporteerden knecht te
vergelijken! Waarom hebt gij mij niet, voor wij trouwden, gezegd hoe
gij over mij dacht? Waarom hebt gij mij niet gezegd, dat gij mij met
een gedeporteerden knecht zoudt vergelijken? Hardvochtige man! Hoe kunt
gij zoo slecht over mij denken? O, hoe vreeselijk!”
„Dora, Dora,” antwoordde ik, tegelijkertijd eene poging doende om
zachtjes den zakdoek weg te trekken, dien zij voor hare oogen hield,
„dat is niet alleen belachelijk, maar onrechtvaardig tevens. In de
eerste plaats echter is hetgeen gij zegt niet waar.”
„Gij hebt altijd gezegd dat hij een leugenaar was en nu zegt gij
hetzelfde van mij,” ging zij al snikkend voort. „O, wat moet ik
beginnen! Wat moet ik beginnen!”
„Mijn liefste vrouwtje,” hernam ik, „ik moet u werkelijk dringend
verzoeken wat verstandiger te zijn en te luisteren naar hetgeen ik
zeg. Indien wij niet leeren wat onze plicht is tegenover de menschen,
die wij in onzen dienst hebben, leeren zij ook nooit wat hun plicht
is tegenover ons. Ik vrees, dat wij onze bedienden in de gelegenheid
stellen om kwaad te doen en dat wij daartegen op onze hoede moesten
zijn. Zelfs al was het onze verkiezing om zoo onachtzaam te zijn in
alles, als wij zijn—en dat is het niet—zelfs indien wij 't aangenaam
vonden zoo te zijn—hetgeen niet het geval is—ben ik toch overtuigd,
dat wij zoo niet mogen voortgaan. Wij bederven onze bedienden in
den grond en zijn verplicht dat te bedenken. Ik denk er tenminste
voortdurend aan, Dora, en ik kan die gedachte niet van mij afzetten; ze
vervolgt mij dag en nacht. Dat is alles, liefste. Kom nu eens bij mij
en wees niet zoo dwaas!”
Dora wilde mij voorloopig niet toestaan den zakdoek weg te nemen. Zij
zat daarachter te snikken en te mompelen en te vragen waarom ik dan
ooit met haar getrouwd was? Waarom had ik niet gezegd, dat ik zoo over
haar dacht, eer wij naar de kerk waren gereden! Waarom zond ik haar
dan maar niet terug naar hare tantes in Putney of naar Julia Mills in
Indië, als ik haar niet langer kon uitstaan? Julia Mills zou heel blij
zijn als zij haar zag en haar zeker niet met een gedeporteerden knecht
vergelijken. Julia had haar nooit zoo genoemd. Kortom, Dora was zoo
diep bedroefd en bracht mij door haar snikken zoo van streek, dat ik
wel inzag op zulk eene wijze niet verder te zullen komen, zoodat ik een
anderen weg moest inslaan.
En welke weg bleef mij over? Haar te „ontwikkelen”! Ja, dat klonk
mij veelbelovend in de ooren. Ik moest haar geest meer ontwikkelen!
En ik begon van stonde aan. Als Dora zich wat kinderachtig aanstelde
en ik er de voorkeur aan zou hebben gegeven haar in die stemming te
laten, deed ik mijn best om heel ernstig te zijn en—bracht haar uit
haar humeur en mij zelf er bij. Ik besprak met haar hetgeen mijne
gedachten bezighield, ik las Shakespeare met haar en—verveelde haar
uitermate. Ik nam de gewoonte aan om haar, als het ware bij toeval,
nuttige wenken en kleine lessen te geven, maar als ik er mede begon,
schrikte zij alsof ik vuurzwermen afstak. Hoe ik mij ook inspande om,
als bij toeval, ongezocht den geest van mijn vrouwtje te ontwikkelen,
het scheen wel, dat zij instinctmatig begreep wat ik bedoelde en dan
bekroop haar terstond een gevoel van angst. Vooral Shakespeare was
haar een doorn in het oog. Men begrijpt dat ik met mijne ontwikkeling
slechts matig vorderde.
Traddles werd, zonder dat hij het wist, geprest om mij te dienen;
telkens wanneer hij kwam, liet ik mijne volgeladen mijnen tegen hem
springen ten einde Dora zijdelings een lesje te geven. De hoeveelheid
practische wijsheid, die ik tegen Traddles losliet, was ontzettend;
maar ze had op Dora geen anderen invloed dan dat ik haar humeur
bedierf en haar zenuwachtig maakte, want zij was altijd bevreesd, dat
nu weder de beurt aan haar zou komen. Ik vergeleek mij zelven met
een schoolmeester of een vogelknip, speelde telkens voor spin, die
het onschuldige vliegje, Dora, in haar web trachtte te vangen en het
was hartverscheurend hare ontsteltenis te zien, wanneer ik uit mijn
schuilhoek te voorschijn kwam.
Toch staarde ik voortdurend heen over dit tusschentijdperk naar den
tijd, waarop er volmaakte sympathie zou bestaan tusschen Dora en mij en
ik haar geest ontwikkeld zou hebben tot mijn en haar genoegen. Maanden
lang duurde deze toestand zoo voort. Eindelijk echter, na al dien tijd
als een egel of een waakhond op de loer gelegen te hebben, begon ik in
te zien, dat ik niets verder was gekomen en kwam de gedachte in mij op,
dat Dora's geest reeds den hoogsten graad van ontwikkeling bereikt had.
Bij verder nadenken kwam mij dit zelfs zoo waarschijnlijk voor, dat
ik mijn plan,—in woorden zoo veelbelovend, doch inderdaad zoo weinig
doeltreffend—liet varen en besloot voortaan tevreden te zijn met mijn
kind-vrouwtje, zooals zij nu eenmaal was, en niet te beproeven iets
anders van haar te maken. Ik was het moede altijd alleen de wijze en de
voorzichtige te zijn en mijn lieveling in angstige spanning te zien. Ik
kocht daarom een mooi stel oorbellen voor haar en een halsband voor Jip
en kwam daarmede op zekeren dag thuis, hopende er veel mede te zullen
goed maken.
Dora was heel blij met haar cadeautjes en kuste mij hartelijk, maar
de schaduw bleef tusschen ons en ik had het plan, die geheel te doen
verdwijnen. Moest er nog eene schaduw overblijven, dan mocht die alleen
zijn in mijn eigen hart.
Ik zat bij mij vrouwtje op de sofa, en maakte de belletjes in hare
oortjes vast, waarna ik begon te zeggen, dat ons leven in den laatsten
tijd niet zoo aangenaam geweest was als vroeger, en dat ik daarvan de
schuld droeg. Ik meende dit oprecht, want ik zag in dat het zoo was.
„Zal ik u eens eerlijk zeggen, Dora, hoe dat kwam? Ik wilde al te
verstandig zijn.”
„En gij wildet mij ook zoo erg verstandig maken, nietwaar Doady?”
Ik knikte toestemmend naar de mooie hoog opgetrokken wenkbrauwen en gaf
haar een kus op het half geopende mondje.
„Het baat u geen zier,” zei Dora, haar hoofdje schuddend, zoodat de
nieuwe oorbelletjes rinkelden. „Gij weet nu eenmaal dat ik een klein,
dom ding ben, en gij weet ook, hoe gij mij zoudt noemen. Ik heb u dat
den eersten dag van ons huwelijk al gevraagd, is 't niet? Als gij dat
niet doen kunt, dan zullen wij, vrees ik, nooit gelukkig zijn. Zijt gij
er wel zeker van, dat somtijds de gedachte niet in u opkomt of het niet
beter ware, indien...”
„Wat, liefste?” vroeg ik, want zij scheen niet te willen voortgaan.
„Niets!”
„Niets!” herhaalde ik.
Zij sloeg de armen om mijn hals en lachte en noemde zich zelve bij haar
geliefkoosden naam—een gansje—en verborg haar gezichtje tegen mijn
schouder, maar het ging zoo schuil tusschen den overvloed van krullen,
dat ik moeite had om ze alle weg te strijken.
„Of ik niet denk, dat het beter geweest zou zijn niets te doen dan mijn
kleine vrouwtje te plagen?” zei ik, in mij zelven lachend. „Bedoelt
gij dat? Ja, dat geloof ik wel. Ik wilde uw geest verder ontwikkelen,
begrijpt ge?”
„Hebt gij _dat_ willen doen! O, wat een vreeselijke man zijt gij toch!”
„Ik zal het niet meer beproeven, hoor, want ik heb haar hartelijk lief
zooals zij is.”
„Meent gij dat oprecht... waarlijk?” vroeg Dora en vlijde zich dicht
tegen mij aan.
„Waarom zou ik trachten te veranderen wat mij al zoo lang lief en
dierbaar is geweest?” vroeg ik. „Gij kunt u niet beter voordoen dan
wanneer gij mijn eigen lieve Dora zijt; wij zullen dus geen proeven
meer op u nemen, maar onzen gang gaan zooals vroeger; toen waren wij
immers veel gelukkiger?”
„Ja, wij moeten weer gelukkiger worden!” antwoordde Dora. „Ja, elken
dag! En gij zult dus niet meer boos worden als er iets een heel klein
beetje verkeerd gaat?”
„Neen, neen!” zei ik. „Wij moeten ons best maar doen zooveel wij
kunnen.”
„En zult gij mij nooit meer zeggen dat wij andere menschen slecht
maken?” vroeg Dora op vleienden toon. „Dat was zoo vreeselijk stout
van je!”
„Neen, neen!” antwoordde ik.
„Het is toch beter als ik een beetje dom ben dan dat ik verdriet heb,
is 't niet?”
„Het beste is als gij heel natuurlijk zijt, Dora.”
Zij schudde hare krullen in 't rond, keerde hare oogen, die van
blijdschap straalden, naar mij toe, kuste mij herhaaldelijk, barstte
in een vroolijke lachbui uit en sprong toen op, om Jip den nieuwen
halsband om te doen.
Zoo eindigde mijne laatste poging om eene verandering in Dora te
brengen. Ik was ongelukkig geweest in mijn streven, ik kon mijn eigen
wijsheid niet uitstaan, veel minder haar in overeenstemming brengen met
Dora's wensch om haar als mijn kind-vrouwtje te beschouwen. Ik besloot
daarom in alle kalmte te doen wat mogelijk was om wat meer regel in
onze huishouding te brengen; maar ik zag in dat ik er heel weinig aan
doen kon, zonder opnieuw de rol van spin te spelen of als een waakhond
op de loer te liggen. De schaduw, waarvan ik sprak, was tusschen ons
verdwenen; ze bleef veilig bewaard in mijn eigen hart. Hoe? Het oude,
ongelukkige gevoel bleef mij altijd bij. Indien er al eenige wijziging
in gekomen was, dan was het sterker geworden; maar het was zoo
onbepaald als ooit en had een uitwerking op mij als treurige muziek,
die in den nacht flauwtjes tot ons doordringt. Ik had mijn vrouwtje
hartelijk lief; ik was gelukkig; maar het was niet het geluk, dat ik
gedroomd had—er ontbrak iets aan.
Ten einde de taak, die ik op mij genomen heb, getrouw te vervullen,
namelijk al wat er in mijne ziel is omgegaan en in mijn geheugen is
bewaard, aan deze bladzijden toe te vertrouwen, dien ik mijn hart nog
eens aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen. Hetgeen ik miste,
beschouw ik thans—en beschouwde ik altijd—als een droom uit den tijd,
toen mijne jeugdige verbeelding mij parten speelde; als iets dat niet
aangevuld kon worden. Evenals alle menschen kwam ik eerst later tot
die ontdekking en deze ontdekking vervulde mij met leedwezen. Maar ik
wist ook dat het beter voor mij zou geweest zijn, indien mijne vrouw
mij meer had kunnen steunen, mij had kunnen helpen om de gedachten te
verwezenlijken, die mij thans alleen bezig hielden. En ik wist ook, dat
zulk een lot mijn deel had kunnen zijn! Ik werd geslingerd tusschen
twee onvereenigbare gevolgtrekkingen, terwijl ik mij niet bewust was
dat de eene lijnrecht stond tegenover de andere; ik dacht dat hetgeen
ik voelde algemeen gevoeld werd, onvermijdelijk was en te gelijkertijd
meende ik, dat mij alleen dit lot beschoren was en dat het niet zoo
had behoeven te zijn. Wanneer ik dacht aan de luchtkasteelen uit mijne
jeugd, dan kwamen mij ook de jaren in mijne herinnering, die den
mannelijken leeftijd waren voorafgegaan; dan rezen de heerlijke dagen,
met Agnes in het oude huis doorgebracht, voor mij op, als schimmen
van dooden, die, ja in eene andere wereld konden herleven, maar hier
beneden nimmer, nimmermeer zouden opgewekt worden.
Somtijds kwam de gedachte in mij op, wat er zou gebeurd zijn of
gebeurd kunnen zijn, indien Dora en ik elkander nooit hadden ontmoet?
Maar zij was zoo geheel in mijn bestaan ingeweven, dat ik aan geen
onvruchtbaarder gedachte voedsel had kunnen geven.
Ik bleef veel van Dora houden. Hetgeen ik hier beschrijf, lag in
den diepsten schuilhoek van mijn hart te sluimeren, om nu en dan
even te ontwaken en terstond weder in te slapen. Ik liet het in geen
enkel opzicht blijken; het had, voor zoover ik weet, geen invloed op
iets dat ik zei of deed. Ik droeg den last van al onze kleine zorgen
en van al mijne plannen en voornemens; Dora hield de pennen vast en
wij voelden beiden dat ons aandeel zeer juist was afgemeten. Zij hield
zielsveel van mij en wanneer Agnes in hare brieven met een enkel
woord melding maakte van den trots, waarmede mijne oude vrienden mijn
toenemend succes gadesloegen en mijn boek lazen alsof zij mij hoorden
spreken, las Dora mij die brieven voor met tranen in hare schitterende
oogen en zei dat ik een beste, knappe jongen was en nog eens beroemd
zou worden. „De eerste blinde neiging van een onervaren hart.” Deze
woorden van mevrouw Strong klonken mij in dit tijdperk van mijn leven
herhaaldelijk in de ooren, waren bijna onafgebroken in mijne gedachten.
Meermalen werd ik des nachts wakker met deze woorden op de lippen,
ja, ik herinner mij zelfs, dat ik ze in mijn droomen op muren en
schuttingen heb gelezen. Ik wist nu dat mijn eigen hart nog onervaren
was toen ik verliefd werd op Dora; ik wist dat, ware het ervaren
geweest, ik in mijn huwelijk nooit had kunnen voelen wat thans in
den diepsten schuilhoek van mijn hart verborgen lag.
„Geen huwelijk kan gelukkig zijn, wanneer geest en aanleg niet
overeenstemmen.” Ook deze woorden herinnerde ik mij. Ik had getracht
Dora voor mij geschikt te maken en bevonden dat het onmogelijk was.
Er bleef nu niets anders over dan mijzelven voor Dora geschikt te
maken, mijzelven met haar in overeenstemming te brengen zooveel ik kon
en gelukkig te zijn; op mijn eigen schouders te laden wat ik dragen
moest en toch gelukkig te zijn. Op deze wijze trachtte ik mijn hart te
vormen, toen de ervaring gekomen was. Het tweede jaar van mijn huwelijk
was dientengevolge veel gelukkiger dan het eerste en wat meer zegt,
Dora's leventje was een en al zonneschijn.
Maar toen dit jaar voorbij was, voelde Dora zich niet sterk meer.
Ik had gehoopt dat kleinere handen dan de mijne zouden geholpen
hebben om haar karakter te vormen, dat een lachend kindermondje mijn
kind-vrouwtje tot vrouw gemaakt zou hebben, maar dit mocht niet
zoo zijn. Eén oogenblik toefde het zieltje op den drempel van zijn
gevangenis, maar het vlood even spoedig weer henen.
* * * * *
„Als ik weer kan rondloopen, zooals ik gewoon was, tante,” zei Dora,
„zal ik Jip eens flink laten rennen; hij wordt zoo dik en zoo lui.”
„Ik vermoed, liefste,” antwoordde tante, die bij haar zat te werken,
„dat hem nog een andere kwaal plaagt, de ouderdom, Dora.”
„Denkt gij dat hij oud is?” vroeg Dora verbaasd. „O, wat lijkt mij dat
vreemd! Jip—oud!”
„Dat is een kwaal, waaraan wij allen moeten gelooven, kleintje, als wij
blijven leven,” hernam tante opgeruimd. „Ik voel er mij zelve ook niet
meer zoo vrij van als vroeger, dat verzeker ik u.”
„Maar Jip!” zei Dora, terwijl zij haar lieveling medelijdend aankeek,
„die kleine Jip ook al! 't Arme dier!”
„Ik beweer niet dat hij 't nog niet lang zal kunnen uithouden,
Bloesempje,” zei tante terwijl zij Dora even op de wang tikte. Dora had
zich, op de sofa liggende, voorovergebogen om Jip beter te kunnen zien
en het dier was uit dankbaarheid op zijne achterpooten tegen haar op
gaan staan en deed nu vergeefsche pogingen om op de sofa te klauteren.
„Hij moet den volgenden winter een lap flanel in zijn huisje hebben,
dan zou het mij niets verbazen als hij er tegen de lente weer vlug en
frisch uitkwam. Beware dat beest!” riep tante, „al was hij zoo taai als
een kat en al leefde hij zoo lang als een raaf, dan zou hij met zijn
laatsten ademtocht nog tegen mij blaffen, dat geloof ik zeker!”
Dora had Jip geholpen en nu zat hij op de sofa zoo woedend tegen
tante te blaffen, dat hij telkens omviel van drift. Hoe meer tante
hem aankeek, hoe harder hij te keer ging; want tante droeg sinds
eenigen tijd een bril en om de een of andere niet te doorgronden reden
beschouwde hij dat als eene persoonlijke beleediging.
Dora bewoog hem met veel lieve woordjes om stil te zijn en toen zij
daarin geslaagd was, herhaalde zij peinzend, terwijl zij zijne lange
ooren om haar vinger draaide: „Zelfs die kleine Jip! Arm dier!”
„Zijne longen zijn sterk genoeg,” zei tante lachend, „en hij kan ook
nog flink toonen aan wie hij een hekel heeft. Zonder twijfel kan
hij nog vele jaren leven. Maar om met hem om het hardst te loopen,
Bloesempje, dat zal niet gaan. Daarvoor heeft hij het te goed gehad!
Dan zal ik een ander hondje voor u koopen.”
„Dank u, tante,” zei Dora met zwakke stem. „Doe dat niet!”
„Niet?” vroeg tante haar bril afnemende.
„Ik zou geen ander hondje kunnen hebben dan Jip,” zei Dora. „Het zou
zoo hard zijn voor Jip en bovendien kan ik toch van een ander hondje
niet zooveel houden, omdat het mij niet, zooals Jip vóór mijn huwelijk
gekend en niet tegen Doady geblaft zou hebben, toen hij voor de eerste
maal bij ons kwam. Ik vrees dat ik van geen anderen hond zou kunnen
houden dan van Jip, tante.”
„Dat is waar!” zei tante, terwijl zij haar nogmaals een tikje op de
wang gaf.
„Gij zijt er immers niet boos om, tante?”
„Heb ik nu toch ooit zoo'n gevoelig schepseltje gezien!” riep tante,
terwijl zij zich teeder over haar heenboog.
„Hoe zou ik boos op u kunnen zijn!”
„Neen, neen, ik meende het ook eigenlijk niet,” antwoordde Dora, „maar
ik ben wat moe en als ik over Jip praat word ik altijd een beetje
weekhartig, begrijpt u? Jip heeft zooveel met mij doorleefd, nietwaar
Jip? Ik zou onmogelijk afstand van hem kunnen doen, nu hij wat ouder
wordt.... zou ik wel, Jip?”
Jip nestelde zich op een warm plekje bij zijn meesteres en likte hare
hand.
„Gij zijt nog niet zoo oud, nietwaar Jip, dat gij uw meesteresje nu al
alleen zoudt laten!” sprak Dora. „Wij houden elkaar nog wat gezelschap,
is 't niet?”
Innig geliefde Dora. Toen zij den volgenden Zondag beneden kwam om te
eten en zoo blijde was onzen ouden Traddles weer te zien—Traddles
gebruikte elken Zondag bij ons het middagmaal—meenden wij dat zij wel
spoedig weer door den tuin zou rennen met haar lieveling. Maar het was:
wacht nog een paar dagen, en toen deze voorbij waren, was het nogmaals:
wacht nog een paar dagen, en zoo voort. Zij was allerbekoorlijkst
en zoo vroolijk als ooit, maar de voetjes, die zoo vlug om Jip heen
huppelden, kwamen niet meer in den tuin. Ik begon haar 's morgens en
's avonds de trap af en op te dragen en dan sloeg zij de armen om mijn
hals en lachte, alsof ik het deed om eene weddenschap te winnen. En Jip
blafte en sprong om ons heen en liep vooruit en keek op het portaal
hijgend achterom, vreezende, dat wij hem niet volgden. En tante, de
zorgvuldigste en vroolijkste ziekenoppaster, die ik ooit heb ontmoet,
volgde ons met kussens en doeken.
Mijnheer Dick zou zijn betrekking als lantaarndrager aan niemand
hebben willen afstaan en Traddles stond meermalen aan de trap ons op
te wachten en ontving dan allerlei grappige boodschappen van Dora
voor het liefste meisje van de wereld. Zoo maakten wij er bijna een
vroolijken optocht van en mijn kind-vrouwtje was de vroolijkste van
allen.
Maar, somtijds, als ik haar opnam en voelde, dat zij al lichter en
lichter werd, overviel mij een kille huivering, alsof ik eene onbekende
ijsvlakte naderde en het bloed in mijne aderen stolde. Ik durfde aan
dit gevoel geen naam geven of er met iemand ter wereld over spreken;
totdat ik op zekeren avond, toen ik er geheel mede vervuld was en
tante met een „Goeden nacht, Klein Bloesempje” afscheid had genomen,
alleen aan de schrijftafel bleef zitten schreien, denkende welk een
vreeselijke naam dat gevoel had en hoe de bloesem, nog eer zij geheel
ontloken was, reeds verwelkte.