XLVII.

Martha.

Wij waren nu in Westminster, want bij Westminster Abbey had zij de

drukke straten verlaten, en wij waren omgekeerd om haar te volgen. Toen

zij eenmaal door den stroom van voetgangers, die van en naar de brug

kwamen, heen was, liep zij zoo snel voort, dat wij moeite hadden om

haar te volgen, te meer, omdat zij ons een goed eind vooruit was. In

eene smalle, langs het water loopende straat bij Millbank, haalden wij

haar eindelijk in. Op dat oogenblik stak zij de straat over, alsof zij

bang was voor de voetstappen, die zij achter zich hoorde, en zonder om

te kijken, liep zij steeds sneller voort.

Een blik op de rivier door een smal poortje, waaronder eenige wagens

stonden, deed mij plotseling als vastgenageld blijven staan. Ik raakte

mijn metgezel even zwijgend aan en beiden begrepen wij, dat wij

voorzichtig moesten zijn, en volgden haar zoo stil wij konden, steeds

in de schaduw van de huizen blijvende maar dicht achter haar.

Er stond, en terwijl ik dit schrijf, staat er, aan het einde van

deze straat, die zeer laag ligt, een vervallen houten gebouwtje,

waarschijnlijk een oud veerhuisje. Het staat juist daar, waar de straat

eindigt en de weg doorloopt tusschen ééne rij huizen en de rivier.

Zoodra zij op dat punt gekomen was en de rivier zag, bleef zij staan,

alsof zij hare bestemming had bereikt; waarna zij den waterkant volgde

met den blik onafgewend op den stroom gericht.

Zoo lang wij haar gevolgd hadden was ik in de meening gebleven, dat

zij naar de een of andere woning ging; zelfs had ik de hoop in mij

voelen wakker worden, dat wij daar wel iets van de ongelukkige Emily

zouden vernemen. Die ééne blik had mij echter instinctmatig voorbereid

op een droevig tooneel, zooals er in de groote stad elken dag worden

afgespeeld.

Het was in die dagen eene akelige buurt, zoo eenzaam en droefgeestig

als er maar een in geheel Londen was. Daar waren toen werven noch

huizen op dit verlaten gedeelte voorbij de groote gevangenis. De muren

waren omringd door een moddergracht. Gemeen gras en welig tierend

onkruid, anders zag men niets op dit moerassige land. Op één punt

stonden eenige nooit afgewerkte huizen op den slooper te wachten. Op

een ander was de grond bedekt met verroeste ijzeren brokstukken van

stoomketels, wielen, krukken, pijpen, vuurhaarden, schroefbladen,

ankers, duikerklokken, molenwieken en al zulke vreemdsoortige

voorwerpen meer, door den een of anderen speculant bijeengegaard en

nu langzaam wegzinkende in de modder, alsof ze geen ander doel hadden

dan zich te verbergen voor ieders oog. Het geraas en de vuurgloed van

eenige fabrieken aan den waterkant scheen in den donkeren nacht op

alles storend te werken behalve op den dikken, vetten rook, die uit de

schoorsteen opsteeg. Een glibberig pad tusschen half vergane houten

palen door, waaraan eene walgelijke zelfstandigheid kleefde, die op

groen haar geleek, terwijl er nog de overblijfselen aan te vinden

waren van lang vergeten afkondigingen, waarin aan den vinder van

verdronkenen eene belooning werd toegezegd, voerde bij eb door slijk

en modder heen naar den waterkant. Er werd verteld dat hier ongeveer

de putten waren gegraven waarin zij, die in het cholerajaar aan deze

ziekte gestorven waren, begraven werden, en dat van dit jaar af deze

plek een heilloozen invloed geoefend had op de geheele omgeving. Ook

is het mogelijk dat de tallooze overstroomingen van het onreine water

zulk een afzichtelijken toestand hadden teweeggebracht.

Het meisje, dat wij zoo lang gevolgd hadden, stond daar eenzaam en

verlaten in het water te staren, zoo stil en onbewegelijk alsof ook zij

daar was neergeworpen door den vloed en veroordeeld om op deze plek te

vergaan.

Er lagen eenige schuiten en booten in de modder op het strand, waardoor

het ons mogelijk was haar onopgemerkt tot op eenige meters te naderen.

Ik gaf toen baas Peggotty een teeken om te blijven waar hij was en

trad alleen uit de schaduw te voorschijn om haar aan te spreken. Het

was niet zonder beven, dat ik die eenzame gestalte naderde, want dit

afgrijselijk einde van hare lange wandeling, blijkbaar met het besliste

plan om zich van het leven te berooven; de houding, waarin zij daar

stond in de grillige schaduw van de brug, starende naar de kronkelende

lichtstrepen in den opkomenden vloed, alles te zamen joeg mij angst aan.

Ik meen dat zij in zich zelve stond te praten; maar ik weet zeker dat

hare handen in haar omslagdoek waren gerold of dat zij nog daarmede

bezig was, terwijl zij in het water staarde; hare bewegingen deden

denken aan een slaapwandelaarster. Ik weet ook dat zij den indruk op

mij maakte alsof zij voor mijne oogen in den grond zou zinken, indien

ik niet spoedig den arm om haar heensloeg.

„Martha!” zei ik plotseling.

Zij uitte een kreet van schrik en verzette zich zoo krachtig, dat

ik betwijfel of ik haar wel had kunnen vasthouden, indien ik alleen

geweest was. Eene sterkere hand dan de mijne had haar gegrepen en toen

zij hare oogen angstig opsloeg en zag aan wien die hand toebehoorde,

deed zij geen poging meer om zich los te rukken en zakte tusschen ons

in elkaar. Wij droegen haar naar een droge plek en legden haar daar

neer. Daar zat zij eenigen tijd te kermen en te steunen met het hoofd

tusschen de handen.

„O, de rivier!” riep zij hartstochtelijk uit. „O, de rivier!”

„Kom, kom!” zei ik, „wees nu bedaard!” Maar zij bleef dezelfde woorden

herhalen: „O, de rivier! O, de rivier!”

„Ik weet dat de rivier mij wacht!” riep zij. „De rivier is de trouwe

vriendin van vrouwen zooals ik. Ook zij was eenmaal rein, toen zij van

de bergen langs de velden stroomde..... en nu kruipt ze, verontreinigd

en bezoedeld, door de nauwe straten en snelt voort naar de groote zee,

naar de onrustige zee.... en ik voel dat de zee ook mij wacht....!”

Nooit heb ik geweten wat wanhoop was voor dezen avond!

„Ik kan er niet vandaan blijven. Ik kan haar niet vergeten; ze vervolgt

mij dag en nacht! Niets in de geheele wereld is goed voor mij dan de

rivier en ik ben voor niets goed dan voor haar. O, die vreeselijke

rivier!”

De gedachte kwam in mij op, dat ik op het gelaat van mijn metgezel de

geschiedenis van zijn nichtje zou hebben kunnen lezen, indien ik die

niet reeds gekend had. Nooit zag ik, in beeld of in de werkelijkheid,

afschuw en medelijden zoo welsprekend afgebeeld. Hij stond zoo te beven

dat ik vreesde hem te zullen zien neervallen; ik raakte even zijne hand

aan,—zijn uiterlijk beangstigde mij—ze was steenkoud.

„Zij is op de grens van de waanzin,” fluisterde ik hem in het oor. „Zij

zal zoo straks wel anders spreken.”

Ik weet niet welk antwoord hij wilde geven; hij had eene beweging

gemaakt met zijn mond en scheen te meenen dat hij iets gezegd had, maar

hij had alleen met uitgestrekten arm naar haar gewezen.

Nogmaals barstte zij in snikken uit, en verborg haar gelaat tusschen

de steenen en lag daar voor ons als een beeld van jammer en ellende.

Beseffende dat deze toestand moest voorbij zijn eer wij met haar

konden spreken, waagde ik het hem tegen te houden toen hij haar wilde

opbeuren en zoo bleven wij stil bij haar staan tot zij wat bedaarder

geworden was.

„Martha,” zei ik terwijl ik haar hielp opstaan—het scheen dat zij

wilde opstaan met het voornemen om weg te gaan, maar zij was te zwak en

moest steun zoeken tegen een boot, „Martha, weet gij wie deze man is?”

„Ja,” antwoordde zij nauw hoorbaar.

„Weet gij dat wij u den geheelen avond gevolgd hebben?”

Zij schudde het hoofd en keek noch mij noch baas Peggotty aan, maar

stond beschaamd voor ons, met haar hoed en omslagdoek in de eene hand,

terwijl zij de andere tegen haar voorhoofd drukte.

„Zijt gij in staat,” vroeg ik, „om met ons te spreken over de zaak,

waarin gij op dien avond, toen het zoo sneeuwde, zooveel belang

steldet? De Hemel geve, dat gij 't u nog herinnert!”

Zij begon opnieuw te snikken en prevelde eenige woorden van dank, omdat

ik haar toen niet van de deur had gejaagd.

„Ik verlang niet over mij zelve te spreken,” hernam zij na eenige

oogenblikken, „ik ben een slecht, een verloren schepsel. Ik heb geen

hoop meer. Maar zeg hem, mijnheer,”—zij zou voor hem zijn weggekropen

als zij gekund had—„zoo gij mij niet al te hard beoordeelt, zeg

hem dan dat ik in geen enkel opzicht aanleiding heb gegeven tot het

ongeluk, dat hem getroffen heeft.”

„Men heeft dat nooit aan u geweten,” antwoordde ik op even ernstigen

toon, als zij had aangeslagen.

„Als ik mij niet bedrieg, waart gij het,” hernam zij met haperende

stem, „die in de keuken bij juffrouw Barkis kwaamt, toen zij zoo lief

voor mij was; zij was de eenige, die geen afgrijzen van mij had; zij

heeft mij geholpen. Waart gij dat niet?”

„Ja, dat was ik.”

„Had ik haar ooit eenig onrecht aangedaan, dan zou de rivier

mij reeds lang geleden hebben opgenomen,” vervolgde zij met een

huiveringwekkenden blik naar het voortstroomende water. „Ik zou er geen

nacht hebben kunnen uitblijven, indien ik mij ten opzichte van haar

iets te verwijten had gehad.”

„De oorzaak van hare vlucht is te wel bekend,” antwoordde ik. „Wij

weten allen, dat gij daaraan geheel onschuldig zijt.”

„O, zeker, ik had een beter voorbeeld voor haar kunnen zijn!” riep

zij met innigen weemoed uit, „en ik had zelve door haar beter kunnen

worden, want zij was altijd zoo goed voor mij! Zij sprak nooit anders

dan op vriendelijken toon tegen mij, ook, toen ik reeds van het rechte

pad was afgedwaald. Is het wel denkbaar, dat ik van haar heb willen

maken, wat ik zelve was, terwijl ik zoo goed weet wat ik ben? Toen

ik alles verloren had wat mij aan het leven kon doen hechten, was de

gedachte, dat ik haar voor altijd verloren had, het vreeselijkst voor

mij.”

Baas Peggotty, die met eene hand op den rand van de boot leunde, bracht

de andere voor zijne oogen.

„En toen ik van iemand uit ons stadje vernomen had wat er vóór dien

avond in het Gouden Kruis was voorgevallen,” vervolgde Martha, „kwam de

bittere gedachte bij mij op, dat de menschen zich zouden herinneren,

hoe zij met mij had omgegaan, en meenen dat ik haar verleid had om

denzelfden weg te bewandelen als ik ben ingeslagen. En toch, de Hemel

alleen weet dit, ik zou mijn leven hebben willen geven om haar haar

goeden naam terug te bezorgen.”

Zij was langen tijd ontwend geweest zich te beheerschen, zoodat zij

thans zich ook niet wist te matigen in de uitingen van zelfverwijt en

smart.

„Voor haar te sterven zou nog te weinig geweest zijn, maar wat moet ik

zeggen?.... Ik zou hebben willen leven!” riep zij uit. „Ik zou hebben

willen leven en langs de straten zwerven tot ik oud was en iedereen een

afkeer van mij had.... ik zou den dag hebben willen zien aanbreken

boven die akelige rijen huizen ten einde de herinnering bij mij op te

wekken aan den tijd, toen de zon des morgens in mijn kamertje scheen om

mij te wekken—zelfs dat zou ik gedaan hebben, indien ik haar daarmede

had kunnen redden!” Zij zonk weder op de steenen neer en nam er een

in elke hand en klemde ze tusschen de vingers, alsof zij ze wilde

vermorselen. Telkens nam zij weder nieuwe houdingen aan, stak nu eens

de armen recht voor zich uit, hield ze een oogenblik later weder voor

haar gezicht, alsof zij hare oogen wilde beschutten tegen het zwakke

licht, dat deze huiveringwekkende plek bescheen, of steunde het hoofd

met de handen, alsof al de herinneringen, die het bevatte, het te zwaar

maakten om te dragen.

„Wat kan ik ooit nog doen!” sprak zij, nog steeds wanhopend de handen

wringende. „Hoe kan ik zoo blijven voortleven, mij zelve ten vloek en

anderen tot schande!” Plotseling wendde zij zich tot baas Peggotty:

„Vertrap mij! Dood mij! Toen zij nog uw trots was, zoudt gij mij

vervloekt hebben, indien ook maar een tipje van mijn kleed haar had

aangeraakt! Hoe zoudt gij één woord, dat over mijne lippen komt, kunnen

gelooven? Gij zoudt het eene onoverkomelijke schande achten, indien

zij en ik, thans zelfs een woord met elkander spraken! Ik mag niet

klagen. Ik weet dat er ook nu nog een breede afgrond is tusschen haar

en mij. Ik kan met al de schuld en de ellende, die mij drukken, niets

anders zeggen dan dat ik haar eeuwig dankbaar zijn zal en haar liefheb.

O, meen toch niet dat al de kracht, om iets of iemand lief te hebben,

in mij is uitgebluscht! Jaag mij weg, stoot mij van u, zooals alle

menschen doen! Dood mij, omdat ik ben, wat ik ben en haar gekend heb;

maar meen niet, dat ik geen liefde meer kan voelen!”

Hij keek op haar neer, terwijl zij daar zoo hartstochtelijk smeekend

voor hem lag en toen zij zweeg, hielp hij haar opstaan.

„Martha,” zei hij, „de Hemel verhoede dat ik u zou oordeelen. Ik zal

zeker de laatste zijn, die dat doet. Gij kunt niet half weten, welk

eene verandering in den loop van den tijd over mij gekomen is. Gij kunt

niet weten,” ging hij na eenige oogenblikken gezwegen te hebben, voort,

„gij kunt niet weten, waarom deze heer en ik u wenschten te spreken.

Gij kunt niet weten, welk voornemen wij hadden. Luister dus!”

Zijne woorden hadden den gewenschten invloed. Bevend stond zij voor

hem en bleef naar den grond kijken, alsof zij bang was zijn blik te

ontmoeten; maar hare hartstochtelijke smart was geheel geweken.

„Indien gij gehoord hebt,” vervolgde baas Peggotty, „wat mijnheer

Copperfield en ik samen bespraken op dien avond, toen het zoo hard

sneeuwde, dan weet gij dat ik de halve wereld heb afgereisd om mijn

lief nichtje te zoeken.—Mijn lief nichtje,” herhaalde hij eenige

malen. „Want ik houd nu nog meer van haar, Martha, dan ik ooit te voren

van haar gehouden heb.”

Zij bracht de handen voor haar gelaat, maar bewaarde het stilzwijgen.

„Ik heb haar meer dan eens hooren vertellen,” vervolgde baas Peggotty,

„dat gij heel vroeg uw vader en uwe moeder verloren hebt en geen vriend

hadt, die op ruwe zeemansmanier hunne plaats innam. Wellicht kunt gij

beseffen dat, als gij zulk een vriend gehad hadt, gij na verloop van

tijd van hem hadt leeren houden en dat mijn nichtje zoo goed als eene

eigen dochter voor mij was.”

Aangezien zij stond te rillen van zenuwachtigheid en koude, wikkelde

hij haar zorgvuldig in den doek, dien hij daartoe eerst had opgeraapt.

„Bovendien weet ik,” ging hij voort, „dat zij even goed tot aan

het einde van de wereld met mij zou medegaan, als zij mij nog eens

terugzag, als dat zij tot het eindje van de wereld zou vluchten

om mij niet te zien; want al twijfelt zij geen oogenblik aan mijne

liefde—geen oogenblik,” herhaalde hij, heilig overtuigd van hetgeen

hij zeide, „zij zal zich schamen en dientengevolge zouden wij

gescheiden blijven.”

Hij sprak elk woord, elke gedachte op zulk een beslisten toon uit, dat

ik opnieuw de overtuiging kreeg dat hij het onderwerp, waarmede zijne

ziel dag en nacht vervuld was, op alle wijzen en van alle kanten had

bekeken en overpeinsd.

„Volgens onze berekening, van mijnheer Copperfield en mij, zal zij

zonder twijfel op den eenen of anderen dag arm en verlaten te Londen

aankomen. Wij, mijnheer Copperfield en ik en allen gelooven, dat gij

zoo onschuldig zijt aan hetgeen is voorgevallen als een pasgeboren

kind. Gij hebt gezegd dat zij zoo vriendelijk, zoo lief voor u geweest

is. De Hemel zegene het arme kind! Ik weet dat zij het was, dat zij het

altijd geweest is voor iedereen. Gij zijt haar dankbaar en hebt haar

lief. Help ons daarom, zooveel gij kunt, om haar te vinden en de Hemel

zal u beloonen.”

Zij keek hem aan met een blik, waarin twijfel lag; het scheen wel dat

zijne woorden haar een weinig overbluften. „Durft gij vertrouwen in mij

stellen?” vroeg zij op verbaasden toon.

„Volkomen!” antwoordde baas Peggotty.

„Mag ik met haar spreken, indien ik haar ooit vind? Mag ik haar onder

mijn dak nemen, indien ik er zelve een heb? Mag ik dan, zonder dat zij

het vermoedt, bij u komen om u te waarschuwen en u bij haar brengen?”

vroeg zij gejaagd.

Beiden antwoordden wij tegelijk: „Ja.”

Zij keek ons een voor een aan en verklaarde dat zij haar leven wilde

wijden aan de vervulling van deze taak; dat zij nimmer den moed zou

opgeven, nimmer zou wankelen, nimmer zich door iets ter wereld daarvan

zou laten afleiden. Indien zij hare taak niet trouw vervulde dan was

zij waard nog ellendiger, nog wanhopender te worden dan zij dezen

avond geweest was en dan, voorzeker, zouden menschen haar niet meer

kunnen redden! Zij verhief hare stem geen oogenblik en sprak ons geen

van beiden aan, maar staarde onafgewend naar den hemel en daarna

zwijgend naar het blinkende water.

Wij achtten het doelmatig haar nu alles te vertellen wat wij wisten,

hetgeen ik op mij nam. Zij luisterde met de grootste aandacht en

met een gelaat, dat wel is waar dikwijls veranderde, doch waarop

voortdurend dezelfde welwillende gezindheid te lezen was. Nu en dan

vulden zich hare oogen met tranen, maar zij deed haar best om ze in te

houden. Het scheen wel dat zij meende niet te kalm te kunnen zijn.

Toen ik uitgesproken had vroeg zij waar wij te vinden zouden zijn,

indien zij iets te melden had. Ik schreef bij het doffe licht van

een lantaarn onze beider adressen op een blaadje uit mijn zakboekje,

scheurde het er uit en gaf het haar, waarna zij het bij zich stak.

Op mijne vraag waar zij zelve woonde, antwoordde zij: „Nergens lang

achtereen. Het is beter dat maar niet te weten.”

Baas Peggotty fluisterde mij iets in, waaraan ik zelf ook reeds gedacht

had, waarop ik mijne beurs te voorschijn haalde; ik kon haar echter

niet overhalen om eenig geld aan te nemen, noch wilde zij beloven dat

zij het later zou aannemen. Ik trachtte haar te overtuigen, dat baas

Peggotty voor iemand van zijn stand volstrekt niet arm kon genoemd

worden en zei haar, dat het ons tegen de borst stuitte, indien zij van

haar eigen middelen leven moest, terwijl zij voor ons werkzaam was. Zij

bleef echter standvastig, en de invloed van baas Peggotty bleek op dit

punt even zwak als de mijne. Zij bedankte ons hartelijk, maar bleef

onvermurwbaar.

„Ik zal beproeven werk te krijgen,” sprak zij. „Wellicht gelukt mij

dat.”

„Neem dan ten minste onze hulp aan tot gij geslaagd zijt,” antwoordde

ik.

„Ik kan hetgeen ik beloofd heb niet doen voor geld,” hernam zij. „Ik

zou dat niet kunnen al stierf ik van honger. Indien gij mij geld geeft,

ontneemt gij mij uw vertrouwen, ontneemt gij mij al wat gij mij gegeven

hebt en wat mij redden kan van de rivier.”

„In naam van onzen Hemelschen Rechter, die ons en u allen richten zal

wanneer het oogenblik daar is, zet dat vreeselijke denkbeeld uit uw

hoofd! Indien wij willen, kunnen wij allen medewerken ten goede.”

Zij beefde en hare lippen waren bleek toen zij antwoordde:

„Wellicht is het eene bestiering, dat gij hedenavond zulk een rampzalig

schepsel moest redden. Deze gedachte jaagt mij angst aan; ze lijkt mij

te vermetel toe. Ik begin te hopen dat ik nog tot iets goeds in staat

kan zijn, want tot nu toe hebben mijne handelingen tot niets dan kwaad

geleid. Voor het eerst sinds langen tijd heb ik twee menschen gevonden,

die vertrouwen in mij stellen. Meer verlang ik niet.”

Wederom moest zij hare tranen inhouden en terwijl zij even baas

Peggotty met hare hand aanraakte, alsof er eene genezende kracht, die

tot deugdzaamheid leidde, van hem uitging, verliet zij ons en wandelde

langs den eenzamen weg terug. Waarschijnlijk was zij langen tijd ziek

geweest. Toen ik haar wat aandachtiger gadesloeg, merkte ik op dat zij

er vermagerd en vervallen uitzag en dat hare ingezonken oogen spraken

van lijden en ontbering.

Aangezien wij dezelfde richting uit moesten, volgden wij haar op

eenigen afstand, tot wij weder in de verlichte en volkrijke straten

kwamen. Ik stelde zooveel vertrouwen in hare verklaringen, dat ik baas

Peggotty in bedenking gaf of het niet den schijn zou hebben, dat wij

haar wantrouwden, indien wij haar nog verder volgden. Baas Peggotty

was van hetzelfde gevoelen en stelde ook volkomen vertrouwen in haar,

zoodat wij haar haar eigen weg lieten volgen en zelve dien naar

Highgate insloegen. Hij vergezelde mij nog eenigen tijd en toen wij

afscheid namen met een bede in ons hart voor den goeden uitslag van

deze nieuwe poging, was hij zeer aangedaan, hetgeen ik mij heel goed

kon begrijpen.

Het was reeds middernacht toen ik thuis kwam. Ik stond voor mijn

eigen tuinhek te luisteren naar de zware tonen van de klokken der St.

Paulskerk, die ik boven alle andere uit meende te herkennen, toen ik

tot mijne groote verbazing de deur van tante's huisje geopend zag. Een

zwakke lichtstraal drong door de reet tot den straatweg door. Meenende

dat tante weder door een harer ouderwetsche angstbuien was overvallen

en misschien zat te turen naar een denkbeeldigen brand, sloeg ik den

weg naar hare woning in. Maar wie schetst mijne verbazing toen ik op

hetzelfde oogenblik een man zag staan in haar kleine tuintje! Hij had

een glas en eene flesch in de hand en was bezig te drinken. Ik bleef

staan achter de dichte heg en herkende bij het licht der maan, die

juist achter de wolken te voorschijn kwam, den man, dien ik eerst

voor een hersenschim van mijnheer Dick gehouden en later met tante in

Londen's straten ontmoet had. Hij at en dronk; blijkbaar met grooten

honger en dorst, terwijl hij het huisje van alle kanten bekeek, alsof

hij het dezen avond voor de eerste maal aanschouwde. Na de flesch op

den grond gezet te hebben, keek hij naar de vensters en daarna in het

rond; hij deed dit echter als 't ware tersluiks en alsof hij verlangde

weg te komen.

Gedurende een oogenblik werd het licht, dat uit de gang in den tuin

scheen, onderschept en tante kwam naar buiten. Zij scheen zeer

zenuwachtig en telde hem eenig geld in de hand voor. Ik hoorde het

rinkelen.

„Wat kan mij dat helpen?” vroeg hij.

„Ik kan niet meer missen,” antwoordde tante.

„Dan kan ik niet heengaan,” zei hij. „Hier, neem het terug.”

„Slechtaard, die ge zijt!” hernam tante met bevende stem. „Hoe kunt gij

mij zoo behandelen? Maar, hoe kan ik dat nog vragen? Gij kent mijne

zwakheid.... dat is de reden! Wat moet ik doen om voor altijd van uwe

bezoeken verschoond te blijven en u aan uw lot over te laten?”

„En waarom laat gij mij dan niet aan mijn lot over?” vroeg hij.

„Hoe kunt gij mij dat vragen!” zei tante. „Wat moet gij toch door en

door slecht zijn!”

Hij stond ontevreden met het geld te rammelen en schudde het hoofd,

zeggende:

„Is dat alles wat gij mij geven wilt?”

„Het is alles, dat ik u _kan_ geven. Gij weet, dat ik groote verliezen

geleden heb en armer ben dan vroeger. Ik heb u dat verteld. Waarom doet

gij mij nu nog het verdriet aan van te blijven, nu ik u gegeven heb wat

ik missen kan? Waarom moet ik nog langer aanzien wat er van u geworden

is?”

„Ik ben er beroerd genoeg aan toe, als gij dat bedoelt,” zei hij. „Het

is geen leven, dat ik leid.”

„Gij hebt mij het grootste gedeelte van hetgeen ik ooit bezeten

heb afgetroggeld,” hernam tante. „Gij hebt mij jaren lang het leven

verbitterd. Gij hebt mij valsch, ondankbaar, wreed behandeld. Ga heen

en tracht berouw te vinden. Voeg geen nieuwe krenkingen bij de lange

lijst, die ik van u heb moeten verduren!”

„O!” antwoordde hij. „Dat is alles heel mooi!—Welnu, ik zal het dan

vooreerst maar hiermede moeten doen! Dat zie ik wel!”

De tranen van verontwaardiging, die tante in de oogen waren gesprongen,

schenen toch een gevoel van schaamte bij hem op te wekken; tenminste

hij sloop met gebogen hoofd den tuin uit. Ik deed twee of drie vlugge

passen, alsof ik juist aankwam, en ging hem bij den ingang van den tuin

voorbij. Onze oogen ontmoetten elkander; naar ik meen, was de blik,

waarmede wij elkaar opnamen, echter niet heel vriendelijk.

„Tante!” sprak ik gejaagd. „Heeft die man u weder verontrust? Laat ik

eens met hem spreken? Wie is dat toch?”

„Kind,” antwoordde tante, terwijl zij mijn arm nam. „Kom binnen en

spreek in de eerste tien minuten niet tegen mij.”

Wij gingen in het kleine zijkamertje zitten. Tante verschool zich

achter den grooten, groenen waaier, die aan de leuning van haar stoel

was vastgeschroefd, en veegde nu en dan hare oogen af. Na een kwartier

ongeveer stond zij op en nam een stoel, die naast mij stond.

„Trot,” sprak zij kalm, „dat is mijn man.”

„Uw man, tante? Ik meende dat uw man dood was!”

„Voor mij is hij dood, Trot.”

Ik staarde haar verbaasd en zwijgend aan.

„Betsey Trotwood maakt niet den indruk alsof zij bijzonder vatbaar is

voor teedere hartstochten,” hernam zij op bedaarden toon, „maar er is

een tijd geweest, Trot, waarin zij dien man blindelings vertrouwde,

waarin zij dien man innig liefhad, waarin zij hem elk bewijs van hare

gehechtheid zou gegeven hebben, dat hij maar kon verlangen. Hij heeft

hare liefde beloond door eerst haar geld op te maken en toen haar hart

te breken. Daarom heeft zij al hare dwaze teerhartigheid voor eeuwig

begraven.”

„Beste tante!” riep ik uit.

„Toen wij scheidden heb ik mij edelmoedig getoond, Trot,” ging zij

voort, zooals gewoonlijk met hare hand op de mijne, „ik mag, nu er

zooveel tijd verloopen is, zeggen, dat ik edelmoedig geweest ben. Hij

had mij zoo wreed behandeld, dat ik op gunstiger voorwaarden had mogen

aandringen bij de scheiding. Al heel spoedig had hij alles opgemaakt

wat ik hem gegeven had; hij zonk al dieper en dieper, trouwde met eene

andere vrouw, werd een avonturier, een speler en een zwendelaar.

Wat hij nu is, hebt gij gezien. Toen ik met hem trouwde, was hij een

knap man,” vervolgde zij met nog iets in hare stem, dat naar trots en

bewondering zweemde; „ik geloofde—maar ik was eene zottin—dat hij een

man van eer was!”

Zij gaf een druk op mijne hand en schudde even het hoofd.

„Hij is nu niets meer voor mij, Trot... minder dan niets. Liever dan

hem voor al zijne misdrijven te laten straffen, hetgeen zonder twijfel

gebeuren zou, indien hij hier bleef rondzwerven—geef ik hem meer geld

dan ik eigenlijk missen kan, wanneer hij zich nu en dan vertoont. Ik

heb dwaas gehandeld, door met hem te trouwen, en in zoover ben ik eene

onverbeterlijke dwaas, dat ik, terwille van hetgeen ik eens in hem

meende te zien, zelfs de schim van mijne dwaze neiging niet hard kan

bejegenen. Want, Trot, ik meende het zoo ernstig, als ooit eene vrouw

heeft kunnen doen.”

Tante stapte met een zucht van het onderwerp af en streek hare japon

glad.

„Ziezoo, beste!” sprak zij, „nu kent gij het begin, het midden en het

einde; gij weet er nu alles van. Wij zullen over dit onderwerp met

niemand spreken en er ook tegen elkander over zwijgen. Ik wil deze

onverkwikkelijke geschiedenis liever voor mij zelve houden, Trot!”

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 60 / 79 题