Martha.
Wij waren nu in Westminster, want bij Westminster Abbey had zij de
drukke straten verlaten, en wij waren omgekeerd om haar te volgen. Toen
zij eenmaal door den stroom van voetgangers, die van en naar de brug
kwamen, heen was, liep zij zoo snel voort, dat wij moeite hadden om
haar te volgen, te meer, omdat zij ons een goed eind vooruit was. In
eene smalle, langs het water loopende straat bij Millbank, haalden wij
haar eindelijk in. Op dat oogenblik stak zij de straat over, alsof zij
bang was voor de voetstappen, die zij achter zich hoorde, en zonder om
te kijken, liep zij steeds sneller voort.
Een blik op de rivier door een smal poortje, waaronder eenige wagens
stonden, deed mij plotseling als vastgenageld blijven staan. Ik raakte
mijn metgezel even zwijgend aan en beiden begrepen wij, dat wij
voorzichtig moesten zijn, en volgden haar zoo stil wij konden, steeds
in de schaduw van de huizen blijvende maar dicht achter haar.
Er stond, en terwijl ik dit schrijf, staat er, aan het einde van
deze straat, die zeer laag ligt, een vervallen houten gebouwtje,
waarschijnlijk een oud veerhuisje. Het staat juist daar, waar de straat
eindigt en de weg doorloopt tusschen ééne rij huizen en de rivier.
Zoodra zij op dat punt gekomen was en de rivier zag, bleef zij staan,
alsof zij hare bestemming had bereikt; waarna zij den waterkant volgde
met den blik onafgewend op den stroom gericht.
Zoo lang wij haar gevolgd hadden was ik in de meening gebleven, dat
zij naar de een of andere woning ging; zelfs had ik de hoop in mij
voelen wakker worden, dat wij daar wel iets van de ongelukkige Emily
zouden vernemen. Die ééne blik had mij echter instinctmatig voorbereid
op een droevig tooneel, zooals er in de groote stad elken dag worden
afgespeeld.
Het was in die dagen eene akelige buurt, zoo eenzaam en droefgeestig
als er maar een in geheel Londen was. Daar waren toen werven noch
huizen op dit verlaten gedeelte voorbij de groote gevangenis. De muren
waren omringd door een moddergracht. Gemeen gras en welig tierend
onkruid, anders zag men niets op dit moerassige land. Op één punt
stonden eenige nooit afgewerkte huizen op den slooper te wachten. Op
een ander was de grond bedekt met verroeste ijzeren brokstukken van
stoomketels, wielen, krukken, pijpen, vuurhaarden, schroefbladen,
ankers, duikerklokken, molenwieken en al zulke vreemdsoortige
voorwerpen meer, door den een of anderen speculant bijeengegaard en
nu langzaam wegzinkende in de modder, alsof ze geen ander doel hadden
dan zich te verbergen voor ieders oog. Het geraas en de vuurgloed van
eenige fabrieken aan den waterkant scheen in den donkeren nacht op
alles storend te werken behalve op den dikken, vetten rook, die uit de
schoorsteen opsteeg. Een glibberig pad tusschen half vergane houten
palen door, waaraan eene walgelijke zelfstandigheid kleefde, die op
groen haar geleek, terwijl er nog de overblijfselen aan te vinden
waren van lang vergeten afkondigingen, waarin aan den vinder van
verdronkenen eene belooning werd toegezegd, voerde bij eb door slijk
en modder heen naar den waterkant. Er werd verteld dat hier ongeveer
de putten waren gegraven waarin zij, die in het cholerajaar aan deze
ziekte gestorven waren, begraven werden, en dat van dit jaar af deze
plek een heilloozen invloed geoefend had op de geheele omgeving. Ook
is het mogelijk dat de tallooze overstroomingen van het onreine water
zulk een afzichtelijken toestand hadden teweeggebracht.
Het meisje, dat wij zoo lang gevolgd hadden, stond daar eenzaam en
verlaten in het water te staren, zoo stil en onbewegelijk alsof ook zij
daar was neergeworpen door den vloed en veroordeeld om op deze plek te
vergaan.
Er lagen eenige schuiten en booten in de modder op het strand, waardoor
het ons mogelijk was haar onopgemerkt tot op eenige meters te naderen.
Ik gaf toen baas Peggotty een teeken om te blijven waar hij was en
trad alleen uit de schaduw te voorschijn om haar aan te spreken. Het
was niet zonder beven, dat ik die eenzame gestalte naderde, want dit
afgrijselijk einde van hare lange wandeling, blijkbaar met het besliste
plan om zich van het leven te berooven; de houding, waarin zij daar
stond in de grillige schaduw van de brug, starende naar de kronkelende
lichtstrepen in den opkomenden vloed, alles te zamen joeg mij angst aan.
Ik meen dat zij in zich zelve stond te praten; maar ik weet zeker dat
hare handen in haar omslagdoek waren gerold of dat zij nog daarmede
bezig was, terwijl zij in het water staarde; hare bewegingen deden
denken aan een slaapwandelaarster. Ik weet ook dat zij den indruk op
mij maakte alsof zij voor mijne oogen in den grond zou zinken, indien
ik niet spoedig den arm om haar heensloeg.
„Martha!” zei ik plotseling.
Zij uitte een kreet van schrik en verzette zich zoo krachtig, dat
ik betwijfel of ik haar wel had kunnen vasthouden, indien ik alleen
geweest was. Eene sterkere hand dan de mijne had haar gegrepen en toen
zij hare oogen angstig opsloeg en zag aan wien die hand toebehoorde,
deed zij geen poging meer om zich los te rukken en zakte tusschen ons
in elkaar. Wij droegen haar naar een droge plek en legden haar daar
neer. Daar zat zij eenigen tijd te kermen en te steunen met het hoofd
tusschen de handen.
„O, de rivier!” riep zij hartstochtelijk uit. „O, de rivier!”
„Kom, kom!” zei ik, „wees nu bedaard!” Maar zij bleef dezelfde woorden
herhalen: „O, de rivier! O, de rivier!”
„Ik weet dat de rivier mij wacht!” riep zij. „De rivier is de trouwe
vriendin van vrouwen zooals ik. Ook zij was eenmaal rein, toen zij van
de bergen langs de velden stroomde..... en nu kruipt ze, verontreinigd
en bezoedeld, door de nauwe straten en snelt voort naar de groote zee,
naar de onrustige zee.... en ik voel dat de zee ook mij wacht....!”
Nooit heb ik geweten wat wanhoop was voor dezen avond!
„Ik kan er niet vandaan blijven. Ik kan haar niet vergeten; ze vervolgt
mij dag en nacht! Niets in de geheele wereld is goed voor mij dan de
rivier en ik ben voor niets goed dan voor haar. O, die vreeselijke
rivier!”
De gedachte kwam in mij op, dat ik op het gelaat van mijn metgezel de
geschiedenis van zijn nichtje zou hebben kunnen lezen, indien ik die
niet reeds gekend had. Nooit zag ik, in beeld of in de werkelijkheid,
afschuw en medelijden zoo welsprekend afgebeeld. Hij stond zoo te beven
dat ik vreesde hem te zullen zien neervallen; ik raakte even zijne hand
aan,—zijn uiterlijk beangstigde mij—ze was steenkoud.
„Zij is op de grens van de waanzin,” fluisterde ik hem in het oor. „Zij
zal zoo straks wel anders spreken.”
Ik weet niet welk antwoord hij wilde geven; hij had eene beweging
gemaakt met zijn mond en scheen te meenen dat hij iets gezegd had, maar
hij had alleen met uitgestrekten arm naar haar gewezen.
Nogmaals barstte zij in snikken uit, en verborg haar gelaat tusschen
de steenen en lag daar voor ons als een beeld van jammer en ellende.
Beseffende dat deze toestand moest voorbij zijn eer wij met haar
konden spreken, waagde ik het hem tegen te houden toen hij haar wilde
opbeuren en zoo bleven wij stil bij haar staan tot zij wat bedaarder
geworden was.
„Martha,” zei ik terwijl ik haar hielp opstaan—het scheen dat zij
wilde opstaan met het voornemen om weg te gaan, maar zij was te zwak en
moest steun zoeken tegen een boot, „Martha, weet gij wie deze man is?”
„Ja,” antwoordde zij nauw hoorbaar.
„Weet gij dat wij u den geheelen avond gevolgd hebben?”
Zij schudde het hoofd en keek noch mij noch baas Peggotty aan, maar
stond beschaamd voor ons, met haar hoed en omslagdoek in de eene hand,
terwijl zij de andere tegen haar voorhoofd drukte.
„Zijt gij in staat,” vroeg ik, „om met ons te spreken over de zaak,
waarin gij op dien avond, toen het zoo sneeuwde, zooveel belang
steldet? De Hemel geve, dat gij 't u nog herinnert!”
Zij begon opnieuw te snikken en prevelde eenige woorden van dank, omdat
ik haar toen niet van de deur had gejaagd.
„Ik verlang niet over mij zelve te spreken,” hernam zij na eenige
oogenblikken, „ik ben een slecht, een verloren schepsel. Ik heb geen
hoop meer. Maar zeg hem, mijnheer,”—zij zou voor hem zijn weggekropen
als zij gekund had—„zoo gij mij niet al te hard beoordeelt, zeg
hem dan dat ik in geen enkel opzicht aanleiding heb gegeven tot het
ongeluk, dat hem getroffen heeft.”
„Men heeft dat nooit aan u geweten,” antwoordde ik op even ernstigen
toon, als zij had aangeslagen.
„Als ik mij niet bedrieg, waart gij het,” hernam zij met haperende
stem, „die in de keuken bij juffrouw Barkis kwaamt, toen zij zoo lief
voor mij was; zij was de eenige, die geen afgrijzen van mij had; zij
heeft mij geholpen. Waart gij dat niet?”
„Ja, dat was ik.”
„Had ik haar ooit eenig onrecht aangedaan, dan zou de rivier
mij reeds lang geleden hebben opgenomen,” vervolgde zij met een
huiveringwekkenden blik naar het voortstroomende water. „Ik zou er geen
nacht hebben kunnen uitblijven, indien ik mij ten opzichte van haar
iets te verwijten had gehad.”
„De oorzaak van hare vlucht is te wel bekend,” antwoordde ik. „Wij
weten allen, dat gij daaraan geheel onschuldig zijt.”
„O, zeker, ik had een beter voorbeeld voor haar kunnen zijn!” riep
zij met innigen weemoed uit, „en ik had zelve door haar beter kunnen
worden, want zij was altijd zoo goed voor mij! Zij sprak nooit anders
dan op vriendelijken toon tegen mij, ook, toen ik reeds van het rechte
pad was afgedwaald. Is het wel denkbaar, dat ik van haar heb willen
maken, wat ik zelve was, terwijl ik zoo goed weet wat ik ben? Toen
ik alles verloren had wat mij aan het leven kon doen hechten, was de
gedachte, dat ik haar voor altijd verloren had, het vreeselijkst voor
mij.”
Baas Peggotty, die met eene hand op den rand van de boot leunde, bracht
de andere voor zijne oogen.
„En toen ik van iemand uit ons stadje vernomen had wat er vóór dien
avond in het Gouden Kruis was voorgevallen,” vervolgde Martha, „kwam de
bittere gedachte bij mij op, dat de menschen zich zouden herinneren,
hoe zij met mij had omgegaan, en meenen dat ik haar verleid had om
denzelfden weg te bewandelen als ik ben ingeslagen. En toch, de Hemel
alleen weet dit, ik zou mijn leven hebben willen geven om haar haar
goeden naam terug te bezorgen.”
Zij was langen tijd ontwend geweest zich te beheerschen, zoodat zij
thans zich ook niet wist te matigen in de uitingen van zelfverwijt en
smart.
„Voor haar te sterven zou nog te weinig geweest zijn, maar wat moet ik
zeggen?.... Ik zou hebben willen leven!” riep zij uit. „Ik zou hebben
willen leven en langs de straten zwerven tot ik oud was en iedereen een
afkeer van mij had.... ik zou den dag hebben willen zien aanbreken
boven die akelige rijen huizen ten einde de herinnering bij mij op te
wekken aan den tijd, toen de zon des morgens in mijn kamertje scheen om
mij te wekken—zelfs dat zou ik gedaan hebben, indien ik haar daarmede
had kunnen redden!” Zij zonk weder op de steenen neer en nam er een
in elke hand en klemde ze tusschen de vingers, alsof zij ze wilde
vermorselen. Telkens nam zij weder nieuwe houdingen aan, stak nu eens
de armen recht voor zich uit, hield ze een oogenblik later weder voor
haar gezicht, alsof zij hare oogen wilde beschutten tegen het zwakke
licht, dat deze huiveringwekkende plek bescheen, of steunde het hoofd
met de handen, alsof al de herinneringen, die het bevatte, het te zwaar
maakten om te dragen.
„Wat kan ik ooit nog doen!” sprak zij, nog steeds wanhopend de handen
wringende. „Hoe kan ik zoo blijven voortleven, mij zelve ten vloek en
anderen tot schande!” Plotseling wendde zij zich tot baas Peggotty:
„Vertrap mij! Dood mij! Toen zij nog uw trots was, zoudt gij mij
vervloekt hebben, indien ook maar een tipje van mijn kleed haar had
aangeraakt! Hoe zoudt gij één woord, dat over mijne lippen komt, kunnen
gelooven? Gij zoudt het eene onoverkomelijke schande achten, indien
zij en ik, thans zelfs een woord met elkander spraken! Ik mag niet
klagen. Ik weet dat er ook nu nog een breede afgrond is tusschen haar
en mij. Ik kan met al de schuld en de ellende, die mij drukken, niets
anders zeggen dan dat ik haar eeuwig dankbaar zijn zal en haar liefheb.
O, meen toch niet dat al de kracht, om iets of iemand lief te hebben,
in mij is uitgebluscht! Jaag mij weg, stoot mij van u, zooals alle
menschen doen! Dood mij, omdat ik ben, wat ik ben en haar gekend heb;
maar meen niet, dat ik geen liefde meer kan voelen!”
Hij keek op haar neer, terwijl zij daar zoo hartstochtelijk smeekend
voor hem lag en toen zij zweeg, hielp hij haar opstaan.
„Martha,” zei hij, „de Hemel verhoede dat ik u zou oordeelen. Ik zal
zeker de laatste zijn, die dat doet. Gij kunt niet half weten, welk
eene verandering in den loop van den tijd over mij gekomen is. Gij kunt
niet weten,” ging hij na eenige oogenblikken gezwegen te hebben, voort,
„gij kunt niet weten, waarom deze heer en ik u wenschten te spreken.
Gij kunt niet weten, welk voornemen wij hadden. Luister dus!”
Zijne woorden hadden den gewenschten invloed. Bevend stond zij voor
hem en bleef naar den grond kijken, alsof zij bang was zijn blik te
ontmoeten; maar hare hartstochtelijke smart was geheel geweken.
„Indien gij gehoord hebt,” vervolgde baas Peggotty, „wat mijnheer
Copperfield en ik samen bespraken op dien avond, toen het zoo hard
sneeuwde, dan weet gij dat ik de halve wereld heb afgereisd om mijn
lief nichtje te zoeken.—Mijn lief nichtje,” herhaalde hij eenige
malen. „Want ik houd nu nog meer van haar, Martha, dan ik ooit te voren
van haar gehouden heb.”
Zij bracht de handen voor haar gelaat, maar bewaarde het stilzwijgen.
„Ik heb haar meer dan eens hooren vertellen,” vervolgde baas Peggotty,
„dat gij heel vroeg uw vader en uwe moeder verloren hebt en geen vriend
hadt, die op ruwe zeemansmanier hunne plaats innam. Wellicht kunt gij
beseffen dat, als gij zulk een vriend gehad hadt, gij na verloop van
tijd van hem hadt leeren houden en dat mijn nichtje zoo goed als eene
eigen dochter voor mij was.”
Aangezien zij stond te rillen van zenuwachtigheid en koude, wikkelde
hij haar zorgvuldig in den doek, dien hij daartoe eerst had opgeraapt.
„Bovendien weet ik,” ging hij voort, „dat zij even goed tot aan
het einde van de wereld met mij zou medegaan, als zij mij nog eens
terugzag, als dat zij tot het eindje van de wereld zou vluchten
om mij niet te zien; want al twijfelt zij geen oogenblik aan mijne
liefde—geen oogenblik,” herhaalde hij, heilig overtuigd van hetgeen
hij zeide, „zij zal zich schamen en dientengevolge zouden wij
gescheiden blijven.”
Hij sprak elk woord, elke gedachte op zulk een beslisten toon uit, dat
ik opnieuw de overtuiging kreeg dat hij het onderwerp, waarmede zijne
ziel dag en nacht vervuld was, op alle wijzen en van alle kanten had
bekeken en overpeinsd.
„Volgens onze berekening, van mijnheer Copperfield en mij, zal zij
zonder twijfel op den eenen of anderen dag arm en verlaten te Londen
aankomen. Wij, mijnheer Copperfield en ik en allen gelooven, dat gij
zoo onschuldig zijt aan hetgeen is voorgevallen als een pasgeboren
kind. Gij hebt gezegd dat zij zoo vriendelijk, zoo lief voor u geweest
is. De Hemel zegene het arme kind! Ik weet dat zij het was, dat zij het
altijd geweest is voor iedereen. Gij zijt haar dankbaar en hebt haar
lief. Help ons daarom, zooveel gij kunt, om haar te vinden en de Hemel
zal u beloonen.”
Zij keek hem aan met een blik, waarin twijfel lag; het scheen wel dat
zijne woorden haar een weinig overbluften. „Durft gij vertrouwen in mij
stellen?” vroeg zij op verbaasden toon.
„Volkomen!” antwoordde baas Peggotty.
„Mag ik met haar spreken, indien ik haar ooit vind? Mag ik haar onder
mijn dak nemen, indien ik er zelve een heb? Mag ik dan, zonder dat zij
het vermoedt, bij u komen om u te waarschuwen en u bij haar brengen?”
vroeg zij gejaagd.
Beiden antwoordden wij tegelijk: „Ja.”
Zij keek ons een voor een aan en verklaarde dat zij haar leven wilde
wijden aan de vervulling van deze taak; dat zij nimmer den moed zou
opgeven, nimmer zou wankelen, nimmer zich door iets ter wereld daarvan
zou laten afleiden. Indien zij hare taak niet trouw vervulde dan was
zij waard nog ellendiger, nog wanhopender te worden dan zij dezen
avond geweest was en dan, voorzeker, zouden menschen haar niet meer
kunnen redden! Zij verhief hare stem geen oogenblik en sprak ons geen
van beiden aan, maar staarde onafgewend naar den hemel en daarna
zwijgend naar het blinkende water.
Wij achtten het doelmatig haar nu alles te vertellen wat wij wisten,
hetgeen ik op mij nam. Zij luisterde met de grootste aandacht en
met een gelaat, dat wel is waar dikwijls veranderde, doch waarop
voortdurend dezelfde welwillende gezindheid te lezen was. Nu en dan
vulden zich hare oogen met tranen, maar zij deed haar best om ze in te
houden. Het scheen wel dat zij meende niet te kalm te kunnen zijn.
Toen ik uitgesproken had vroeg zij waar wij te vinden zouden zijn,
indien zij iets te melden had. Ik schreef bij het doffe licht van
een lantaarn onze beider adressen op een blaadje uit mijn zakboekje,
scheurde het er uit en gaf het haar, waarna zij het bij zich stak.
Op mijne vraag waar zij zelve woonde, antwoordde zij: „Nergens lang
achtereen. Het is beter dat maar niet te weten.”
Baas Peggotty fluisterde mij iets in, waaraan ik zelf ook reeds gedacht
had, waarop ik mijne beurs te voorschijn haalde; ik kon haar echter
niet overhalen om eenig geld aan te nemen, noch wilde zij beloven dat
zij het later zou aannemen. Ik trachtte haar te overtuigen, dat baas
Peggotty voor iemand van zijn stand volstrekt niet arm kon genoemd
worden en zei haar, dat het ons tegen de borst stuitte, indien zij van
haar eigen middelen leven moest, terwijl zij voor ons werkzaam was. Zij
bleef echter standvastig, en de invloed van baas Peggotty bleek op dit
punt even zwak als de mijne. Zij bedankte ons hartelijk, maar bleef
onvermurwbaar.
„Ik zal beproeven werk te krijgen,” sprak zij. „Wellicht gelukt mij
dat.”
„Neem dan ten minste onze hulp aan tot gij geslaagd zijt,” antwoordde
ik.
„Ik kan hetgeen ik beloofd heb niet doen voor geld,” hernam zij. „Ik
zou dat niet kunnen al stierf ik van honger. Indien gij mij geld geeft,
ontneemt gij mij uw vertrouwen, ontneemt gij mij al wat gij mij gegeven
hebt en wat mij redden kan van de rivier.”
„In naam van onzen Hemelschen Rechter, die ons en u allen richten zal
wanneer het oogenblik daar is, zet dat vreeselijke denkbeeld uit uw
hoofd! Indien wij willen, kunnen wij allen medewerken ten goede.”
Zij beefde en hare lippen waren bleek toen zij antwoordde:
„Wellicht is het eene bestiering, dat gij hedenavond zulk een rampzalig
schepsel moest redden. Deze gedachte jaagt mij angst aan; ze lijkt mij
te vermetel toe. Ik begin te hopen dat ik nog tot iets goeds in staat
kan zijn, want tot nu toe hebben mijne handelingen tot niets dan kwaad
geleid. Voor het eerst sinds langen tijd heb ik twee menschen gevonden,
die vertrouwen in mij stellen. Meer verlang ik niet.”
Wederom moest zij hare tranen inhouden en terwijl zij even baas
Peggotty met hare hand aanraakte, alsof er eene genezende kracht, die
tot deugdzaamheid leidde, van hem uitging, verliet zij ons en wandelde
langs den eenzamen weg terug. Waarschijnlijk was zij langen tijd ziek
geweest. Toen ik haar wat aandachtiger gadesloeg, merkte ik op dat zij
er vermagerd en vervallen uitzag en dat hare ingezonken oogen spraken
van lijden en ontbering.
Aangezien wij dezelfde richting uit moesten, volgden wij haar op
eenigen afstand, tot wij weder in de verlichte en volkrijke straten
kwamen. Ik stelde zooveel vertrouwen in hare verklaringen, dat ik baas
Peggotty in bedenking gaf of het niet den schijn zou hebben, dat wij
haar wantrouwden, indien wij haar nog verder volgden. Baas Peggotty
was van hetzelfde gevoelen en stelde ook volkomen vertrouwen in haar,
zoodat wij haar haar eigen weg lieten volgen en zelve dien naar
Highgate insloegen. Hij vergezelde mij nog eenigen tijd en toen wij
afscheid namen met een bede in ons hart voor den goeden uitslag van
deze nieuwe poging, was hij zeer aangedaan, hetgeen ik mij heel goed
kon begrijpen.
Het was reeds middernacht toen ik thuis kwam. Ik stond voor mijn
eigen tuinhek te luisteren naar de zware tonen van de klokken der St.
Paulskerk, die ik boven alle andere uit meende te herkennen, toen ik
tot mijne groote verbazing de deur van tante's huisje geopend zag. Een
zwakke lichtstraal drong door de reet tot den straatweg door. Meenende
dat tante weder door een harer ouderwetsche angstbuien was overvallen
en misschien zat te turen naar een denkbeeldigen brand, sloeg ik den
weg naar hare woning in. Maar wie schetst mijne verbazing toen ik op
hetzelfde oogenblik een man zag staan in haar kleine tuintje! Hij had
een glas en eene flesch in de hand en was bezig te drinken. Ik bleef
staan achter de dichte heg en herkende bij het licht der maan, die
juist achter de wolken te voorschijn kwam, den man, dien ik eerst
voor een hersenschim van mijnheer Dick gehouden en later met tante in
Londen's straten ontmoet had. Hij at en dronk; blijkbaar met grooten
honger en dorst, terwijl hij het huisje van alle kanten bekeek, alsof
hij het dezen avond voor de eerste maal aanschouwde. Na de flesch op
den grond gezet te hebben, keek hij naar de vensters en daarna in het
rond; hij deed dit echter als 't ware tersluiks en alsof hij verlangde
weg te komen.
Gedurende een oogenblik werd het licht, dat uit de gang in den tuin
scheen, onderschept en tante kwam naar buiten. Zij scheen zeer
zenuwachtig en telde hem eenig geld in de hand voor. Ik hoorde het
rinkelen.
„Wat kan mij dat helpen?” vroeg hij.
„Ik kan niet meer missen,” antwoordde tante.
„Dan kan ik niet heengaan,” zei hij. „Hier, neem het terug.”
„Slechtaard, die ge zijt!” hernam tante met bevende stem. „Hoe kunt gij
mij zoo behandelen? Maar, hoe kan ik dat nog vragen? Gij kent mijne
zwakheid.... dat is de reden! Wat moet ik doen om voor altijd van uwe
bezoeken verschoond te blijven en u aan uw lot over te laten?”
„En waarom laat gij mij dan niet aan mijn lot over?” vroeg hij.
„Hoe kunt gij mij dat vragen!” zei tante. „Wat moet gij toch door en
door slecht zijn!”
Hij stond ontevreden met het geld te rammelen en schudde het hoofd,
zeggende:
„Is dat alles wat gij mij geven wilt?”
„Het is alles, dat ik u _kan_ geven. Gij weet, dat ik groote verliezen
geleden heb en armer ben dan vroeger. Ik heb u dat verteld. Waarom doet
gij mij nu nog het verdriet aan van te blijven, nu ik u gegeven heb wat
ik missen kan? Waarom moet ik nog langer aanzien wat er van u geworden
is?”
„Ik ben er beroerd genoeg aan toe, als gij dat bedoelt,” zei hij. „Het
is geen leven, dat ik leid.”
„Gij hebt mij het grootste gedeelte van hetgeen ik ooit bezeten
heb afgetroggeld,” hernam tante. „Gij hebt mij jaren lang het leven
verbitterd. Gij hebt mij valsch, ondankbaar, wreed behandeld. Ga heen
en tracht berouw te vinden. Voeg geen nieuwe krenkingen bij de lange
lijst, die ik van u heb moeten verduren!”
„O!” antwoordde hij. „Dat is alles heel mooi!—Welnu, ik zal het dan
vooreerst maar hiermede moeten doen! Dat zie ik wel!”
De tranen van verontwaardiging, die tante in de oogen waren gesprongen,
schenen toch een gevoel van schaamte bij hem op te wekken; tenminste
hij sloop met gebogen hoofd den tuin uit. Ik deed twee of drie vlugge
passen, alsof ik juist aankwam, en ging hem bij den ingang van den tuin
voorbij. Onze oogen ontmoetten elkander; naar ik meen, was de blik,
waarmede wij elkaar opnamen, echter niet heel vriendelijk.
„Tante!” sprak ik gejaagd. „Heeft die man u weder verontrust? Laat ik
eens met hem spreken? Wie is dat toch?”
„Kind,” antwoordde tante, terwijl zij mijn arm nam. „Kom binnen en
spreek in de eerste tien minuten niet tegen mij.”
Wij gingen in het kleine zijkamertje zitten. Tante verschool zich
achter den grooten, groenen waaier, die aan de leuning van haar stoel
was vastgeschroefd, en veegde nu en dan hare oogen af. Na een kwartier
ongeveer stond zij op en nam een stoel, die naast mij stond.
„Trot,” sprak zij kalm, „dat is mijn man.”
„Uw man, tante? Ik meende dat uw man dood was!”
„Voor mij is hij dood, Trot.”
Ik staarde haar verbaasd en zwijgend aan.
„Betsey Trotwood maakt niet den indruk alsof zij bijzonder vatbaar is
voor teedere hartstochten,” hernam zij op bedaarden toon, „maar er is
een tijd geweest, Trot, waarin zij dien man blindelings vertrouwde,
waarin zij dien man innig liefhad, waarin zij hem elk bewijs van hare
gehechtheid zou gegeven hebben, dat hij maar kon verlangen. Hij heeft
hare liefde beloond door eerst haar geld op te maken en toen haar hart
te breken. Daarom heeft zij al hare dwaze teerhartigheid voor eeuwig
begraven.”
„Beste tante!” riep ik uit.
„Toen wij scheidden heb ik mij edelmoedig getoond, Trot,” ging zij
voort, zooals gewoonlijk met hare hand op de mijne, „ik mag, nu er
zooveel tijd verloopen is, zeggen, dat ik edelmoedig geweest ben. Hij
had mij zoo wreed behandeld, dat ik op gunstiger voorwaarden had mogen
aandringen bij de scheiding. Al heel spoedig had hij alles opgemaakt
wat ik hem gegeven had; hij zonk al dieper en dieper, trouwde met eene
andere vrouw, werd een avonturier, een speler en een zwendelaar.
Wat hij nu is, hebt gij gezien. Toen ik met hem trouwde, was hij een
knap man,” vervolgde zij met nog iets in hare stem, dat naar trots en
bewondering zweemde; „ik geloofde—maar ik was eene zottin—dat hij een
man van eer was!”
Zij gaf een druk op mijne hand en schudde even het hoofd.
„Hij is nu niets meer voor mij, Trot... minder dan niets. Liever dan
hem voor al zijne misdrijven te laten straffen, hetgeen zonder twijfel
gebeuren zou, indien hij hier bleef rondzwerven—geef ik hem meer geld
dan ik eigenlijk missen kan, wanneer hij zich nu en dan vertoont. Ik
heb dwaas gehandeld, door met hem te trouwen, en in zoover ben ik eene
onverbeterlijke dwaas, dat ik, terwille van hetgeen ik eens in hem
meende te zien, zelfs de schim van mijne dwaze neiging niet hard kan
bejegenen. Want, Trot, ik meende het zoo ernstig, als ooit eene vrouw
heeft kunnen doen.”
Tante stapte met een zucht van het onderwerp af en streek hare japon
glad.
„Ziezoo, beste!” sprak zij, „nu kent gij het begin, het midden en het
einde; gij weet er nu alles van. Wij zullen over dit onderwerp met
niemand spreken en er ook tegen elkander over zwijgen. Ik wil deze
onverkwikkelijke geschiedenis liever voor mij zelve houden, Trot!”