Tijding.
Afgaande op mijn slecht geheugen voor datums, moet ik ongeveer een
jaar getrouwd zijn geweest, toen ik op zekeren avond, van eene eenzame
wandeling terugkeerende, geheel vervuld met het boek, waaraan ik
bezig was—het was mijn eerste roman, waaraan ik mij na den bijval,
die mijne novellen verworven hadden, gewaagd had—langs de woning
van mevrouw Steerforth kwam. Ik woonde in hare buurt, maar had hare
woning altijd vermeden wanneer ik een anderen weg kon kiezen. Dit was
echter niet altijd gemakkelijk, zonder een langen omweg te maken,
zoodat ik daar nogal dikwijls langs kwam; gewoonlijk wandelde ik er met
een vluggen pas voorbij en aangezien het huis er altijd even somber
en verlaten uitzag, had ik het nu en dan slechts even met een blik
verwaardigd. Geen van de zitkamers grensde aan den weg en de smalle,
lage ramen, waarachter de gordijnen altijd waren neergelaten, hadden
niets uitlokkends. Behalve de hoofddeur was er nog een ingang, die
zelden gebruikt werd en dien men bereikte door een overdekte gang over
een klein pleintje; boven die deur bevond zich een rond trapvenster,
geheel verschillend van alle andere; dit was het eenige venster,
waarvoor geen gordijn was, maar toch maakte het den indruk alsof
het een venster was van een onbewoond huis. Ik herinner mij niet er
ooit licht te hebben gezien. Ware ik een onbekende geweest, die daar
toevallig voorbij kwam, dan zou de gedachte in mij zijn opgekomen dat
daar iemand gestorven was, zonder kind of kraai na te laten. Had ik die
woning niet gekend—hoe gelukkig zou dat geweest zijn!—dan zouden er
zonder twijfel tal van gissingen in mijn brein zijn opgekomen. Ik deed
nu maar mijn best om er zoo weinig mogelijk aan te denken, maar mijn
geest kon de woning niet vermijden, zooals mijn lichaam; zoodat ik mij
meermalen betrapte op langdurige overpeinzingen dienaangaande. Op den
avond, waarover ik wil schrijven, wandelde ik ook in gepeins verzonken
voort, toen ik mij plotseling hoorde roepen. Het was een vrouwenstem,
en weldra herkende ik het kleine kamermeisje van mevrouw Steerforth,
dat vroeger blauwe linten aan hare muts had gedragen. Zij had die nu
weggelaten, naar ik onderstel, om in overeenstemming te zijn met de
veranderde stemming in huis en droeg thans niets dan een paar sombere
bruine strikjes.
„Zoudt gij zoo goed willen zijn eens binnen te komen, mijnheer?
Juffrouw Dartle zou u gaarne eens spreken.”
„Heeft juffrouw Dartle u gezonden om mij dat te vragen?”
„Van avond niet, mijnheer, maar dat doet er niet toe. Juffrouw Dartle
zag u een paar dagen geleden voorbijkomen en heeft mij opgedragen u
binnen te roepen, wanneer ik u weder zag.”
Ik keerde terug en vroeg haar hoe mevrouw Steerforth het maakte, waarop
zij mij antwoordde, dat mevrouw niet wel was en meestal hare kamer
hield.
Toen wij bij het huis aankwamen verwees zij mij naar juffrouw Dartle,
die in den tuin zat, en liet het aan mij zelven over om mij aan te
dienen.
Juffrouw Dartle zat op eene bank, die op eene kleine hoogte stond,
vanwaar men een uitzicht had op de groote stad. Het was een sombere
avond; de lucht had een doodsche, loodgrijze tint en toen ik die
onheilspellend verlichte wolken zag, waartegen hier en daar een hoog
gebouw of een boom dreigend afstak, vond ik daarin eene zonderlinge
overeenkomst met de herinnering, welke ik van deze harde, strenge,
verbitterde vrouw behouden had.
Toen zij mij zag aankomen stond zij even op om mij te begroeten. Ik
vond haar nog bleeker en magerder dan toen ik haar de laatste maal
gezien had; hare oogen schenen echter nog feller te schitteren en het
litteeken was duidelijker te zien dan ooit.
Onze ontmoeting was niet hartelijk. Wij waren den laatsten keer boos
gescheiden, en zij had een air van minachting over zich, dien zij
volstrekt niet trachtte te verbergen.
„Men heeft mij gezegd dat gij mij wenscht te spreken, juffrouw Dartle,”
zei ik, bij haar staande met de hand op de leuning van de bank, want ik
had de uitnoodiging om te gaan zitten niet aangenomen.
„Ik wilde u alleen vragen of dat meisje al gevonden is,” vroeg zij.
„Neen.”
„En toch is zij weggeloopen!”
Ik zag de trekking in hare dunne lippen, terwijl zij mij aankeek, alsof
het haar moeite kostte om de afwezige niet met verwijten te overladen.
„Weggeloopen?” vroeg ik.
„Ja! Van hem!” zeide zij lachend. „Als zij nog niet gevonden is, zal
zij wel nooit terug komen. Misschien is zij wel dood!”
Nooit zag ik op het gelaat van een mensch zulk eene uitdrukking van
wreed leedvermaak als op dit oogenblik op het gelaat van juffrouw
Dartle.
„Haar dood te wenschen,” antwoordde ik, „is zeker het beste, wat
iemand van haar eigen sekse voor haar doen kan. Het doet mij genoegen,
juffrouw Dartle, dat de tijd uw oordeel zooveel zachter gemaakt heeft.”
Zij verwaardigde zich niet mij hierop te antwoorden, maar keerde mij
met een verachtelijken glimlach den rug toe, zeggende:
„De familieleden van dat uitmuntende en zwaar verongelijkte meisje zijn
vrienden van u. Gij zijt voor hen in het strijdperk getreden en voor
hunne zoogenaamde rechten opgekomen, niet waar? Wilt gij nu ook weten
wat er van haar bekend is?”
„Ja,” antwoordde ik.
Zij stond op met een glimlach om de dunne lippen, die haar nog
leelijker maakte, deed een paar schreden in de richting van een heg,
die den bloementuin van den moestuin scheidde, en riep met luide stem:
„Kom hier!”—alsof zij een of ander onrein dier tot zich riep.
„Gij zult u hier natuurlijk onthouden van vijandige handelingen of
wraaknemingen, mijnheer Copperfield,” sprak zij, terwijl zij zich met
dienzelfden hatelijken glimlach naar mij omkeerde.
Ik boog het hoofd, zonder eigenlijk te weten wat zij bedoelde;
nogmaals klonk haar „Kom hier!” waarna zij terugkeerde, gevolgd door
den fatsoenlijken Littimer, die deftiger dan ooit een buiging voor
mij maakte en zich daarna achter haar plaatste. In weerwil van de
boosaardige uitdrukking op haar gelaat was er toch iets bevalligs, iets
vrouwelijks in de zegevierende houding, waarmede zij tusschen ons op de
bank plaats nam; zij deed mij op dit oogenblik denken aan eene wreede
prinses uit een sprookje.
„Nu,” sprak zij op gebiedenden toon, zonder hem aan te kijken en met de
hand op het litteeken—wellicht klopte de oude wond ditmaal meer van
blijdschap dan van pijn—„doe mijnheer Copperfield het verhaal van de
vlucht.”
„Mijnheer James en ik, freule...”
„Wendt u niet tot mij!” zoo viel zij hem met gefronste wenkbrauwen in
de rede.
„Mijnheer James en ik, mijnheer...”
„Tot mij ook niet, als 't u blieft,” zei ik.
Littimer liet zich geen oogenblik van zijn stuk brengen en gaf slechts
door eene buiging te kennen, dat hetgeen ons het aangenaamst was hem
ook aangenaam was; hij begon dus op nieuw:
„Mijnheer James en ik zijn met dat meisje op reis geweest van het
oogenblik af, dat zij Yarmouth verliet en zich onder de bescherming
stelde van mijnheer James. Wij hebben een groot gedeelte van het
vasteland bereisd, zijn in Frankrijk, Zwitserland en Italië geweest,
ja, eigenlijk overal.”
Hij keek naar de rug van de bank, alsof hij daartegen sprak en
trommelde er op met de vingers, alsof hij eene piano bespeelde, die
geen geluid meer gaf.
„Mijnheer James,” ging hij voort, „scheen buitengewoon gehecht aan dat
meisje en bleef standvastiger dan ik hem ooit gekend heb, zoolang ik
in zijn dienst ben. Het meisje was bijzonder leerzaam en sprak heel
spoedig de taal van het land, waar wij waren, zoodat men haar zeker
niet voor hetzelfde buitenmeisje zou gehouden hebben. Ik merkte zeer
goed op dat zij overal, waar zij kwam, bewonderd werd.”
Juffrouw Dartle legde hare hand tegen hare zij en ik zag hem heimelijk
naar haar kijken en even glimlachen.
„Ja, het jonge vrouwtje werd door iedereen bewonderd. Of het hare
kleeding was of de invloed van de lucht en de zon, dat weet ik niet,
maar zij trok de algemeene aandacht.”
Nu bleef hij even zwijgen en ik zag dat de oogen van juffrouw Dartle
in dien tijd over het landschap dwaalden en dat zij zich op de lippen
moest bijten om een antwoord binnen te houden.
Terwijl hij de handen van de bank nam en ze in elkander hield en op
één been ging staan, vervolgde Littimer met neergeslagen oogen en het
fatsoenlijke hoofd een weinig vooruit en op zijde:
„Gedurende eenigen tijd ging dit leventje zoo voort, al merkte ik
zeer goed op dat het jonge vrouwtje nu en dan wat neerslachtig was;
ook mijnheer James scheen dit op te merken en eindelijk begon het hem
zelfs te vervelen. Nu was het ook spoedig uit met de rust en ik mag
wel zeggen dat er toen een moeielijke tijd voor mij aanbrak. Er kwamen
herhaaldelijk oneenigheden voor, die echter ook telkens weder werden
bijgelegd, zoodat hunne betrekking veel langer duurde dan iemand kon
hebben verwacht.”
Juffrouw Dartle wendde hare oogen van het landschap af en keek mij aan
met denzelfden blik als zoo straks; terwijl Littimer even kuchte, van
been verwisselde en voortging:
„Eindelijk, nadat er tallooze malen heftige woordenwisselingen hadden
plaats gehad en verwijten gewisseld waren, verliet mijnheer James op
zekeren morgen de villa bij Napels, die wij hadden betrokken—het
jonge vrouwtje hield zooveel van de zee—onder voorwendsel van over
twee of drie dagen te zullen terugkomen; aan mij de taak opdragende
haar te zeggen, dat hij, „ten einde het geluk van beide partijen te
bevorderen”—hier volgde dezelfde droge kuch als zoo even—„voor goed
was heengegaan.” Ik moet hier bijvoegen dat mijnheer James zich als
altijd weder als een man van eer heeft doen kennen, want hij stelde de
jonge vrouw voor een huwelijk te sluiten met een hoogst fatsoenlijk
man, die ten volle bereid was het verleden over het hoofd te zien en
zeker even goed was als iedere andere man, dien zij langs een meer
regelmatigen weg zou hebben kunnen krijgen; zij was toch van eene zeer
lage afkomst.”
Nogmaals verwisselde hij van been en bevochtigde te gelijkertijd zijne
dunne lippen. Ik was overtuigd dat de schurk van zich zelven sprak en
in juffrouw Dartle's flikkerende oogen las ik de bevestiging van mijn
vermoeden.
„Dit had ik dus in last om haar mede te deelen. Het spreekt van zelf
dat ik gaarne alles zou gedaan hebben om mijnheer James uit zijne
moeielijke positie te redden en den vrede te herstellen tusschen hem
en eene dierbare bloedverwante, die ter wille van hem reeds zooveel
verdriet had gehad. Om deze reden aanvaardde ik de opdracht. Toen ik
haar mededeelde dat mijnheer James vertrokken was, viel zij in zwijm,
en wakker wordende, was zij zoo woest, dat zij met geweld tot kalmte
gebracht moest worden; wij moesten haar vastbinden, want, aangezien zij
geen wapen bij de hand had, zou zij haar hoofd op den marmeren vloer te
pletter hebben geslagen.”
Juffrouw Dartle leunde met een gezicht, dat straalde van voldoening,
tegen de leuning van de bank en scheen de woorden, die de ellendeling
sprak, als honigzoete taal in zich op te nemen.
„Maar,” ging hij, in zijne handen wrijvende, voort, „toen ik aan
het tweede gedeelte van mijne opdracht genaderd was, waarin iedere
weldenkende vrouw in elk geval een vriendelijke bedoeling gezien zou
hebben, toen kwam haar ware aard voor den dag. Nooit heb ik iemand
kwaadaardiger gezien; zij toonde op dat oogenblik welk een slecht
karakter zij heeft. Een stok of een steen zou meer dankbaarheid, meer
gevoel, meer geduld aan den dag gelegd, beter naar rede geluisterd
hebben. Ik ben overtuigd dat zij mij naar het leven zou gestaan hebben,
indien ik niet op mijne hoede geweest was.”
„Zij zou daardoor in mijne achting gerezen zijn,” zei ik op
verontwaardigden toon.
Littimer boog het hoofd op eene wijze, die naar ik meende te kennen
moest geven: „Inderdaad mijnheer? Maar gij zijt nog zoo jong!” en zette
toen zijn verhaal voort.
„Kortom, het was noodzakelijk gedurende eenigen tijd alles uit hare
nabijheid weg te nemen, waarmede zij zich zelve of anderen letsel zou
hebben kunnen toebrengen, en haar op te sluiten. Niettegenstaande mijne
voorzorgen wist zij echter te ontsnappen. Op zekeren avond brak zij
een zonneblind open, klom langs den wingerd naar beneden en.... sinds
dien avond heeft, voor zoover ik weet, niemand meer iets van haar
gehoord.”
„Waarschijnlijk is zij dood,” zei juffrouw Dartle met een glimlach, zoo
afschuwelijk, dat zij, indien zij daartoe bij machte geweest was, het
lijk van de ongelukkige zonder twijfel zou hebben getrapt.
„Misschien is zij verdronken, juffrouw,” antwoordde Littimer, de
gelegenheid aangrijpende om tot iemand het woord te richten. „Het
is zeer wel mogelijk. Misschien is zij door de schippers en de
schippersvrouwen geholpen: want zij verloochende hare lage afkomst niet
en zat dikwijls met dat volk op het strand te praten, juffrouw Dartle.
Toen mijnheer James eens weg was, zat zij geheele dagen bij hen; ik heb
dat zelf gezien. Toen mijnheer James vernam, dat zij aan die menschen
verteld had, dat zij ook een visscherskind was en in hare jeugd ook
menigmaal langs het strand gevaren had, was hij heel boos.”
O, Emily! Uwe schoonheid is u niet ten zegen geweest! Welk een tafereel
rees daar voor mij op! Ik zag haar zitten aan dat ver verwijderde
strand, temidden van die vreemde kinderen—evenals aan het strand te
Yarmouth, toen zij zelve nog een onschuldig kind was—luisterende naar
kinderstemmetjes, zooals zij naar haar eigen kinderen zou geluisterd
hebben, indien zij de vrouw van een armen man geworden was, en naar
de zware stem van de zee, die eeuwigdurend herhaalde: „Nimmer, nimmer
meer!”
„Toen het mij duidelijk bleek, dat ik niets meer kon doen, juffrouw
Dartle....”
„Heb ik u niet gezegd, dat gij niet tot mij zoudt spreken?” vroeg zij
met diepe minachting.
„Gij hebt tegen mij gesproken,” antwoordde hij. „Ik vraag nederig
verschooning, maar het is mijn plicht te gehoorzamen.”
„Doe wat u bevolen is,” antwoordde zij. „Maak een einde aan uw verhaal
en ga heen!”
„Toen het duidelijk werd,” hernam hij met eene eerbiedige buiging en
een buitengewoon fatsoenlijk gezicht, „dat zij niet te vinden was,
vervoegde ik mij bij mijnheer James ter plaatse, waar ik hem zou
schrijven, en vertelde hem wat er was voorgevallen. Er volgde een
woordenwisseling, waarna ik het aan mijn karakter verplicht was mijn
afscheid van hem te nemen. Ik kon veel van mijnheer James verdragen en
ik _heb_ veel verdragen, maar ditmaal behandelde hij mij al te grof.
Hij beleedigde mij. De betreurenswaardige verhouding, welke tusschen
mijnheer James en mevrouw Steerforth was ontstaan, was mij bekend en ik
vermoedde tevens in welk een onrust mevrouw Steerforth zou verkeeren,
zoodat ik de vrijheid nam om naar Engeland terug te keeren en te
vertellen...”
„Daarvoor heb ik hem betaald,” voegde juffrouw Dartle er bij.
„Juist, mejuffrouw.... en te vertellen wat ik wist. Ik geloof niet,”
voegde hij er nadenkend bij, „dat ik nog meer te vertellen heb. Ik ben
op het oogenblik buiten betrekking en het zou mij zeer aangenaam zijn
ergens een fatsoenlijke plaatsing te vinden.”
Juffrouw Dartle keek mij aan, alsof zij mij wilde vragen of ik nog
iets meer wilde weten. Er was mij op datzelfde oogenblik nog iets
ingevallen, waarop ik gaarne een antwoord zou wenschen; ik zei daarom:
„Ik zou wel van dien kerel willen weten”—ik kon onmogelijk zachter
uitdrukking gebruiken—„of een brief dien men haar uit Yarmouth
geschreven heeft, onderschept is, dan wel of hij onderstelt, dat zij
dien ontvangen heeft?”
Hij bleef kalm en zwijgend staan, met de oogen op den grond gevestigd
en de toppen van de vingers der eene hand tegen die van de andere.
Juffrouw Dartle wendde met eene minachtende beweging het hoofd naar hem
om.
„Vergeef mij, juffrouw,” zei hij, als ontwaakte hij uit zijne
afgetrokkenheid, „maar hoe onderdanig ook tegenover u, ik heb eergevoel
al ben ik maar een knecht. Mijnheer Copperfield en gij, juffrouw, zijn
verschillende personen voor mij. Wil mijnheer Copperfield iets van mij
weten dan neem ik de vrijheid mijnheer Copperfield te herinneren dat
hij mij eene vraag kan doen. Ik mag mijn karakter niet verloochenen.”
Na even met mij zelven in tweestrijd te zijn geweest, wendde ik mijne
oogen naar hem toe en zei: „Gij hebt mijne vraag gehoord. Beschouw
die als tot u zelven gedaan, zoo gij dit verkiest. Wat is uw antwoord
daarop?”
„Mijnheer,” zei hij, zijne vingertoppen van en tot elkander brengende,
„mijn antwoord moet eenigszins naar de omstandigheden worden
gewijzigd; misbruik te maken van het vertrouwen, dat mijnheer James
mij geschonken heeft, tegenover zijne moeder of tegenover u, zijn twee
zeer verschillende handelingen. Ik vermeen het niet onwaarschijnlijk
te mogen achten, dat mijnheer James de ontvangst van brieven niet
bevorderd zal hebben, aangezien ze slechts aanleiding zouden hebben
gegeven tot grootere neerslachtigheid en allerlei onaangenaamheden;
verder wensch ik in mijn antwoord echter niet te gaan.”
„Is dat alles?” vroeg juffrouw Dartle mij.
Ik gaf te kennen dat ik niets meer te zeggen had, „behalve,” voegde ik
er bij, toen ik hem eene beweging zag maken om heen te gaan, „behalve
dat ik volkomen begrijp welk aandeel deze kerel in de ongelukkige
geschiedenis gehad heeft, en dat, aangezien ik er den braven man, die
een vader voor haar geweest is, mede in kennis zal stellen, hij zich
wel in acht mag nemen voor eene ontmoeting met den ouden man.”
Zoodra ik begon te spreken was hij blijven staan en had op zijne gewone
kalme manier toegeluisterd.
„Dank u, mijnheer,” zei hij. „Gij zult mij echter wel willen
verschoonen, indien ik zeg, dat er in ons land noch slaven, noch
slavenjagers zijn en dat het niemand veroorloofd is de wetten te
verkrachten. Doet men dat, dan loopt men gewoonlijk grooter gevaar dan
zij, die het slachtoffer van een aanval zijn. Bijgevolg ben ik niets
bevreesd, mijnheer, en zal gaan waarheen mij goed dunkt.”
Na deze woorden maakte hij eerst eene beleefde buiging voor mij,
daarna eene voor juffrouw Dartle en verdween door de opening in de
heg, waardoor hij gekomen was. Juffrouw Dartle en ik keken elkander
gedurende eenige oogenblikken zwijgend aan; haar gelaat vertoonde nog
dezelfde uitdrukking als op het oogenblik toen zij dien ellendeling tot
zich riep.
„Hij vertelde mij nog,” sprak zij, terwijl hare lippen even omkrulden,
„dat zijn meester op dit oogenblik een bezoek brengt aan de Spaansche
kuststeden en daarna, om zijn lust in het zeeleven bot te vieren, nog
verder gaan zal, tot hij er genoeg van heeft. Maar gij zult daarin
weinig belang stellen. De klove tusschen moeder en zoon wordt hoe
langer hoe dieper en aangezien zij beiden even hoogmoedig zijn, is
er weinig hoop, dat zij weer tot elkander zullen komen. Maar ook
dat boezemt u geen belang in; voor mij is het echter eene inleiding
voor hetgeen ik nog wensch te zeggen. Die duivelin, waarvan gij
een engel maakt, ik bedoel die gemeene meid, die hij uit het slijk
heeft opgeraapt”—hare donkere oogen schoten vonken—„zal nog wel
leven—onkruid vergaat niet. Indien dit zoo is, zult gij er zeker wel
op gesteld zijn, dat zulk een kostbare parel gevonden en in bescherming
genomen wordt. Wij wenschen dat ook, opdat hij niet voor de tweede maal
haar prooi worde. Tot zoo ver komen onze belangen dus overeen en daarom
heb ik, die dat ellendige schepsel zooveel kwaad toewensch als zij maar
in staat is te voelen, u laten roepen om aan te hooren wat die man
heeft verteld.”
Aan de verandering, die in haar gelaat plaats greep, merkte ik op dat
er iemand naderde. Het was mevrouw Steerforth. Zij gaf mij eene hand,
maar op veel koeler wijze dan vroeger en hare houding was nog statiger
dan ik ooit van haar gezien had; toch bespeurde ik in haar geheele
manier van doen—en ik werd daardoor diep getroffen—dat mijne oude
vriendschap voor haar zoon een onuitwischbaren indruk bij haar had
achtergelaten. Zij was zichtbaar ouder geworden. Hare gestalte was
gebogen, haar lief gelaat vertoonde diepe rimpels en heur haar was
bijna wit. Toen zij op de bank had plaats genomen, was zij toch nog
altijd eene mooie vrouw en de trotsche oogopslag herinnerde mij aan
mijne eerste schooljaren.
„Is mijnheer Copperfield van alles op de hoogte, Rosa?”
„Ja.”
„Heeft Littimer hem alles zelf verteld?”
„Ja, en ik heb hem gezegd, waarom gij dat verlangdet.”
„Gij zijt een goed meisje.—Ik heb eene korte briefwisseling gehad
met uw voormaligen vriend, mijnheer,” zoo wendde zij zich tot mij,
„maar hij is daardoor niet tot zijn plicht teruggebracht kunnen worden.
Zijne moeder schijnt niet meer voor hem te bestaan. Rosa heeft u
verder ingelicht. Indien door den een of anderen maatregel het hart
van dien fatsoenlijken man, met wien gij hier zijt geweest, kan worden
gerustgesteld en tevens mijn zoon voor de listen van dat gemeene
schepsel behoed, dan is het mij wel. Ik heb medelijden met dien man....
meer kan ik niet zeggen.”
Zij richtte zich op en bleef recht voor zich uit staren op het
landschap aan onze voeten.
„Mevrouw,” zei ik op eerbiedigen toon „ik begrijp u en kan u verzekeren
dat ik uit uwe woorden geen enkele verkeerde gevolgtrekking maken zal.
Maar ik, die deze verongelijkte familie van mijne jeugd af gekend
heb, moet zelfs tot u zeggen, dat indien gij onderstelt dat het wreed
bedrogen meisje niet liever duizend dooden zou sterven dan ook maar
een kop water uit de hand van uw zoon aan te nemen, gij u schromelijk
vergist.”
„Stil, Rosa, stil!” zei mevrouw Steerforth, toen deze op het punt was
om een vinnig antwoord te geven, „het doet niets ter zake. Laat ons
daarover zwijgen. Gij zijt getrouwd, nietwaar?”
„Ja, sinds eenigen tijd.”
„En gaat het u goed? Ik hoor zoo weinig van de buitenwereld, maar toch
is het tot mij doorgedrongen, dat gij u reeds een naam hebt weten te
maken.”
„Ik ben gelukkig geweest,” antwoordde ik, „en heb mijn naam eenige
malen met lof vermeld gezien.”
„Gij hebt geen moeder meer, nietwaar?” vroeg zij met zachte stem.
„Neen.”
„Dat is jammer; zij zou trotsch op u geweest zijn. Goeden avond.”
Ik nam de hand aan, die zij mij met een zekere nederbuigende goedheid
bood, en ze lag zoo kalm in de mijne, alsof hare gemoedsrust door
niets was verstoord. Naar het scheen kon haar trots zelfs haar polsslag
bedwingen en een ondoordringbaren sluier voor haar gelaat trekken,
waardoor zij recht voor zich in de verte staarde.
Toen ik den terugweg aanvaard had en langs het terras kwam waar zij
zaten, merkte ik op, dat zij beiden onafgebroken naar het landschap
tuurden en dat het langzamerhand donker en nevelachtig om haar heen
werd. Hier en daar zag men in de groote stad reeds het licht van een
lantaarn flikkeren en aan den westelijken hemel was de rozeroode gloed
van zoo straks geheel verdwenen. Uit het dal aan hare voeten kwam
echter een dikke nevel op, aan een zee gelijk, die haar langzamerhand
dreigde te verzwelgen. Ik kan nog dikwijls met eene huivering daaraan
denken, want voor ik die twee terugzag, had eene stormachtige zee deze
woning in rouw gedompeld.
Al voortwandelende herhaalde ik in mij zelven alles wat mij omtrent
Emily's lotgevallen was meegedeeld en kwam ik tot het besluit om er
baas Peggotty deelgenoot van te maken. Den volgenden avond ging ik met
dat doel naar Londen. Hij zwierf nog steeds van de eene stad naar de
andere, altijd in de hoop van zijn nichtje te zullen vinden; hij was
echter meer in Londen dan ergens anders. Hoe dikwijls had ik hem niet
in het schemeruur en in den nacht langs de straten zien dwalen!
Hij had een kamertje gehuurd boven den kruidenierswinkel in
Hungerford-street, waarvan ik reeds meermalen melding maakte, en
vanwaar hij zijn zwerftocht begonnen was. Daarheen toog ik op weg. Toen
ik naar hem vroeg, vernam ik, dat hij dezen avond toevallig te huis was
en ik hem op zijne kamer vinden zou. Hij zat bij het raam, waarvoor
eenige bloemen en planten stonden, te lezen. Het kamertje zag er heel
netjes en ordelijk uit. Ik zag terstond dat het altijd gereed was om
haar te ontvangen, en dat hij nooit uitging zonder de mogelijkheid te
onderstellen dat hij haar zou kunnen meebrengen. Hij had mijn kloppen
op de deur niet gehoord en toen ik de hand op zijn schouder legde,
sloeg hij voor het eerst de oogen op.
„Wel, jongeheer Davy, dat is vriendelijk van u! Ga zitten! Gij zijt
hartelijk welkom, mijnheer! Dank u, dank u, voor uw bezoek!”
„Baas Peggotty,” zei ik, een stoel nemende, „verwacht niet te veel van
mijn bezoek. Ik heb het een en ander omtrent haar vernomen.”
„Omtrent Emily?”
Hij bracht zijne hand met eene zenuwachtige beweging naar zijn mond,
werd doodsbleek en keek mij vragend aan.
„Ik kan u niet zeggen waar zij is, maar zij is niet meer bij hem.”
Zonder een enkel woord te spreken zat hij doodstil te luisteren naar
hetgeen ik te vertellen had. Ik herinner mij nog zeer goed welk een
indruk zijn waardige houding, zijn goed gezicht en het geduld, waarmede
hij mij aanhoorde, op mij maakten; hij viel mij geen enkele maal in de
rede, maar zat met het voorhoofd in de hand naar den vloer te staren.
Het scheen dat hij haar gedurende mijn verhaal voor zich zag en zich
door niets wilde laten afleiden. Toen ik gedaan had bleef hij stil
zitten zonder iets te zeggen. Ik keek gedurende eenigen tijd uit het
raam en bekeek de bloemen, die daar stonden.
„Wat is uwe meening omtrent haar, jongeheer Davy?” vroeg hij eindelijk.
„Ik geloof dat zij nog leeft,” antwoordde ik.
„Ik weet het niet. Misschien was die schok te hevig en hare onstuimige
natuur....! Dat blauwe water, waarover zij altijd sprak! Zou zij dat
gedaan hebben, omdat zij daarin eenmaal haar graf zou vinden?”
Hij zei dit op peinzenden toon met eene zachte, angstige stem, terwijl
hij opstond en het kleine kamertje op en neerliep.
„En toch, mijnheer Davy,” voegde hij er bij, „heb ik de overtuiging
met mij rondgedragen, dat zij nog leefde; wakend en in mijne droomen
heb ik altijd gemeend, dat ik haar zou vinden; dit denkbeeld heeft
mij zooveel kracht en moed gegeven, dat ik, naar het mij voorkomt,
onmogelijk in eene dwaling kan verkeerd hebben. Neen! Emily _moet_ nog
in leven zijn.”
Hij sloeg met de hand op de tafel en zijn door de zon verbrand gelaat
nam eene vastberaden uitdrukking aan.
„Mijn nichtje Emily leeft nog, mijnheer!” zei hij op vasten toon. „Ik
weet niet hoe het komt of hoe het is, maar _ik weet_ dat zij nog leeft!”
Hij sprak als iemand, die eene ingeving heeft gehad. Ik wachtte nog
eenige oogenblikken tot hij mij onverdeelde aandacht kon schenken en
daarna deelde ik hem mede welke maatregelen mij den vorigen avond de
verstandigste waren voorgekomen.
„Welnu, beste vriend,” begon ik.
„Dank u, dank u, mijnheer,” zei hij, terwijl hij mijne hand in de zijne
nam. „Dank u voor dat woord. Mocht zij naar Londen komen, hetgeen wel
waarschijnlijk is, want waar zou zij zich beter kunnen verschuilen dan
in deze groote stad en wat zou zij liever doen dan zich verschuilen,
als zij niet naar huis terugkeert?.... En zij zal niet naar huis
terugkeeren, mijnheer!” voegde hij er, treurig het hoofd schuddende,
bij, „neen, als zij hem uit eigen beweging verlaten had, dan misschien,
maar nu niet!”
„Indien zij hier mocht komen,” zei ik, „is er naar mijn oordeel één
persoon, die hare verblijfplaats eerder ontdekken zal dan iemand
anders. Herinnert gij u—luister bedaard naar hetgeen ik zeggen zal
en denk aan het groote doel, dat gij voor oogen hebt—herinnert gij u
Martha?”
„Uit ons stadje?”
De uitdrukking op zijn gelaat maakte het antwoord overbodig.
„Weet gij dat zij in Londen is?”
„Ik heb haar op straat gezien,” antwoordde hij huiverend.
„Gij weet echter niet,” hernam ik, „dat Emily haar, lang voor zij is
vertrokken, met behulp van Ham een liefdedienst heeft bewezen. Ook
is het u niet bekend dat zij, toen wij op dien avond samen uwe reis
bespraken in het Gouden Kruis, achter de deur heeft staan luisteren.”
„Mijnheer Davy?” riep hij verbaasd uit. „Dien avond, toen het zoo hard
sneeuwde?”
„Ja dienzelfden avond. Na dien tijd heb ik haar niet meer gezien.
Toen ik afscheid van u genomen had, ging ik terug om eens met haar te
spreken; maar zij was verdwenen. Ik wilde liever niet met u over haar
spreken en dat wil ik nu liever ook niet doen; maar zij is de persoon,
die ik bedoel en wier hulp wij moeten inroepen. Begrijpt gij me?”
„Maar al te goed, mijnheer,” antwoordde hij. Wij waren langzamerhand
tot den fluistertoon overgegaan en bleven dien behouden.
„Gij zegt dat gij haar gezien hebt. Zoudt gij haar kunnen vinden? Voor
mij zou dat zeker een groot toeval zijn.”
„Ik vermoed, mijnheer Davy, dat ik wel weet waar ik haar moet zoeken.”
„Het is een donkere avond. Zullen wij haar samen gaan zoeken?”
Dit aanbod werd aangenomen en baas Peggotty maakte zich terstond gereed
om mij te vergezellen. Zonder te laten blijken dat ik hem gade sloeg,
zag ik hoe zorgvuldig hij alles gereed maakte voor hare ontvangst, een
kaars en lucifers klaar zette, het bed in orde bracht en eindelijk
een latafel opende en een japon voor haar te voorschijn haalde—ik
herinnerde mij zeer goed haar daarin gezien te hebben—en netjes
opgevouwen met eenige andere kleedingstukken en een hoed op een stoel
legde. Hij sprak geen woord over deze kleederen en daarom zweeg ik er
ook over. Hoeveel avonden en nachten zouden ze reeds op haar hebben
gewacht?!
„Er is een tijd geweest, mijnheer Davy,” zei hij, toen wij beneden
waren, „waarin ik dat meisje, die Martha, niet goed genoeg achtte
om Emily het slijk van de voeten te kussen. De Hemel moge het mij
vergeven, maar de omstandigheden, zijn nu gewijzigd!”
Al voortwandelende vroeg ik hem hoe 't Ham ging, gedeeltelijk uit
belangstelling, maar ook om hem af te leiden. Hij antwoordde mij bijna
met dezelfde woorden als vroeger, dat Ham altijd dezelfde bleef, nooit
morde, zijn leed droeg als een man en dat iedereen van hem hield.
Ik vroeg hem wat hij dacht van Ham's stemming ten opzichte van den
bewerker van zijn ongeluk. Wat zou Ham doen indien het noodlot hem en
Steerforth eens te zamen bracht?
„Ik weet het niet, mijnheer,” antwoordde hij. „Ik heb er menigmaal over
gedacht, maar kan er geen antwoord op vinden.”
Ik bracht hem dien morgen vóór ons vertrek in herinnering, toen wij
met ons drieën langs het strand hadden geloopen. „Herinnert gij u,”
vroeg ik, „den woesten blik, waarmede hij over de zee keek en over ‚het
einde’ sprak?”
„Zeker!”
„Wat bedoelde hij daarmede?”
„Mijnheer Davy, ik heb mij zelven die vraag honderd malen gedaan, maar
ook daarop geen antwoord kunnen vinden. Zonderling, hoe zachtmoedig
zijn karakter ook is, ik zou hem toch niet gaarne vragen wat hij
daarmede bedoeld heeft. Hij heeft nooit een oneerbiedig woord tot mij
gesproken, hij is mij altijd even onderdanig geweest, zoodat het niet
waarschijnlijk is dat hij nu een anderen toon tegen mij zou aanslaan;
maar het is ver van kalm in zijn gemoed. Ik kan het niet peilen.”
„Gij hebt gelijk,” antwoordde ik, „maar het maakt mij nu en dan
angstig.”
„Mij ook, mijnheer Davy,” antwoordde baas Peggotty. „Het maakte mij
zelfs nog angstiger dan zijne tegenwoordige roekeloosheid, die ook een
gevolg is van de verandering, welke met hem heeft plaats gegrepen. Ik
weet niet of hij een daad van geweld zou kunnen plegen, maar ik hoop
dat zij elkander uit den weg zullen blijven.”
Wij waren intusschen door Temple Bar in de City gekomen en spraken nu
niet meer, want baas Peggotty wandelde naast mij voort, geheel vervuld
met het ééne groote doel van zijn leven. Zoo strak keek hij voor zich
uit, dat hij zich zelf in de drukste omgeving eenzaam zou gevoeld
hebben. Niet ver van Blackfriars Bridge keerde hij zich naar mij toe en
wees mij eene eenzame vrouw aan, die aan den overkant langs de straat
zwierf. Ik herkende haar terstond als de persoon, die wij zochten.
Wij staken de straat over en haastten ons reeds om haar in te halen,
toen de gedachte in mij opkwam, dat zij misschien meer belangstelling
in het verloren schepsel zou aan den dag leggen, indien wij haar op
een rustiger plekje buiten het gewoel aanspraken, waar zij niet zoo de
aandacht trok. Ik gaf daarom baas Peggotty den raad haar thans niet aan
te spreken, maar haar te volgen; tegelijkertijd kwam ik daarmede mijn
eigen verlangen te gemoet om te weten waar zij heenging.
Hij stemde toe en zoo volgden wij haar op een afstand, zorg dragende
haar niet uit het gezicht te verliezen noch haar te dicht te naderen,
aangezien zij meermalen omkeek. Eenmaal bleef zij staan, ten einde naar
een troep muzikanten te luisteren en toen bleven wij ook staan.
Ons geduld werd op eene zware proef gesteld, want wij moesten een
langen weg afleggen. Het was duidelijk, dat zij op een bepaald doel
afging, maar juist deze omstandigheid en het feit, dat zij de drukste
straten uitkoos, zoomede, naar ik vermoed, de vreemde gewaarwording,
om iemand zoo heimelijk te volgen, deed mij bij ons eerste besluit
blijven. Eindelijk sloeg zij een stille, donkere straat in, waar niets
meer aan het gewoel en gedruisch der groote stad deed denken, en zei
ik: „Laat ons haar nu aanroepen.” Wij versnelden onzen pas en gingen
haar na.