XLV.

Tante's voorspellingen omtrent mijnheer Dick komen uit.

Sinds eenigen tijd kwam ik nu niet meer geregeld bij doctor Strong. Wel

zag ik hem dikwijls, want wij woonden in elkanders buurt, en twee of

drie malen gingen wij bij hem thee drinken. De oude Overste had nu voor

goed hare tenten bij haar schoonzoon opgeslagen. Zij was schijnbaar

nog niets veranderd sinds ik haar den eersten keer ontmoette; dezelfde

kapelletjes zweefden nog boven haar hoofd.

Zooals meer moeders, die ik in den loop van het leven ontmoet heb, was

mevrouw Markleham veel meer op vermaken gesteld dan hare dochter, zij

had behoefte aan uitgaan en, geslepen als zij was, veinsde zij steeds

zich op te offeren voor haar kind. De wenschen van den doctor, dat

Annie het leven wat genieten zou, kwamen dus op merkwaardige wijze

overeen met die van hare moeder, die den doctor natuurlijk een uiterst

verstandig man vond.

Geen twijfel of zij raakte meermalen, zonder het te weten, op pijnlijke

wijze, de wonde aan, die doctor Strong's hart deed bloeden. Hare

bedoelingen waren niet slecht; zij wist alleen met haar ledigen tijd

geen raad en was wat zelfzuchtig—eene ondeugd, niet zeldzaam op haar

leeftijd—; maar toch geloof ik dat zij, door hem zoo aan te moedigen

om het leven harer dochter te veraangenamen, hem versterkte in de

vrees, dat hij zijne jonge vrouw tot last was en er tusschen hem en

haar volstrekt geen sympathie meer bestond.

„Beste Doctor,” sprak zij op zekeren dag in mijne tegenwoordigheid,

„gij begrijpt wel dat het erg saai zou zijn voor Annie, om altijd

opgesloten te zijn.”

Doctor Strong schudde het hoofd, alsof hij wilde te kennen geven dat

hij dit wel begreep.

„Als zij op den leeftijd van hare moeder komt”, vervolgde mevrouw

Markleham, met haar waaier wuivend, „wordt dat anders. Gij moogt mij in

de gevangenis opsluiten en heb ik dan maar aangenaam gezelschap en mijn

partijtje whist, dan zal ik volstrekt niet verlangen naar mijn ontslag.

Maar ik ben Annie niet en Annie is hare moeder niet.”

„Zeker, zeker,” zei de doctor.

„Gij zijt de beste van alle menschen.... neen, pardon!”—de doctor

maakte een afwijzend gebaar—„ik moet u in uw gezicht zeggen, wat ik

altijd achter uw rug zeg.... gij zijt de beste van alle menschen; het

is evenwel natuurlijk dat gij niet in dezelfde dingen behagen kunt

scheppen als Annie, nietwaar?”

„Ja,” antwoordde de goede man op verdrietigen toon.

„Natuurlijk niet,” herhaalde de oude Overste. „Neem bijvoorbeeld

uw woordenboek. Wat is zoo'n woordenboek een nuttig werk! En wat

een noodzakelijk werk! De beteekenis van de woorden! Zonder doctor

Johnson en soortgelijke mannen zouden wij nu waarschijnlijk een kachel

bedstede noemen en omgekeerd. Maar wij kunnen niet verwachten dat een

woordenboek—te meer een, dat nog in wording is—Annie belang zal

inboezemen, is 't wel?”

De doctor schudde het hoofd.

„En daarom,” hernam mevrouw Markleham, hem met den gesloten waaier op

den schouder kloppende, „stel ik uwe opmerkzaamheid zoo zeer op prijs.

Daarmede bewijst gij, dat gij niet zooals vele bejaarde menschen,

een oud hoofd op jonge schouders verwacht. Gij hebt Annie's karakter

bestudeerd en begrepen. _Dat_ is het wat mij zoo in u bevalt.”

Zelfs op het kalme, geduldige gelaat van doctor Strong verscheen,

naar mij voorkwam, een pijnlijke uitdrukking bij deze opsomming van

complimentjes.

„Om die reden, beste doctor,” vervolgde de oude Overste, terwijl zij

hem verscheidene vriendschappelijke klapjes gaf, „moogt gij ten alle

tijde en bij alle weersgesteldheden over mij beschikken. Gij hebt

slechts te bevelen; ik ben altijd geheel tot uwe dienst. Ik ben bereid

om Annie naar opera's, conserten, tentoonstellingen en overal, waar gij

maar wilt, te vergezellen; gij zult zien dat mij nimmer iets te veel

is. Plicht, beste doctor, gaat vóór alles in de wereld!”

Zij hield getrouw haar woord. Zij was een van die menschen, voor wie de

vermaken nooit zijn uitgeput; hare volharding op dit punt liet niets te

wenschen over. Zij kreeg de courant nooit in de hand—dagelijks bracht

zij op den zachtsten stoel, die in huis te vinden was, twee uur lezende

door—of zij vond iets, dat Annie bepaald zien moest. Te vergeefs

beweerde Annie, dat zij al dergelijke dingen reeds lang moe was, haar

protest baatte niet; want hare moeder had steeds hetzelfde antwoord

gereed: „Nu, lieve Annie, dat meent gij niet; ik moet u dan zeggen,

dat gij doctor Strong's goedheid op deze wijze slecht zoudt beloonen.”

Dit werd gewoonlijk in tegenwoordigheid van doctor Strong gezegd en

scheen mij telkens de reden te zijn, waarom Annie's verzet zoo kort

duurde. Zij gaf zich gewoonlijk geheel aan hare moeder over en volgde

de oude Overste waarheen deze wilde.

Mijnheer Maldon was zelden in haar gezelschap. Somtijds werden mijne

tante en Dora uitgenoodigd, somtijds Dora alleen, en meestal werden

die uitnoodigingen aangenomen. Er was een tijd geweest, waarin ik dat

ongaarne zou gezien hebben, maar hetgeen op dien zekeren avond in de

studeerkamer was voorgevallen had mijne inzichten geheel veranderd en

mijn wantrouwen op de vlucht gejaagd. Ik verkeerde in de meening, dat

de doctor gelijk had en koesterde volstrekt geen achterdocht.

Tante wreef nu en dan haar neus eens, wanneer wij met ons beiden alleen

waren, en zeide dat zij er geen hoogte van kon krijgen; zij wenschte

wel dat zij gelukkiger mochten zijn en meende dat onze militaire

vriendin—zoo noemde zij de oude Overste altijd—de zaak volstrekt

niet beter maakte. Verder sprak tante als hare meening uit, dat, als

onze militaire vriendin die kapelletjes eens afknipte en aan een

schoorsteenveger gaf om er in Mei mede te pronken, zij zeker een bewijs

zou geven van haar verstand.

Tante had het volste vertrouwen in mijnheer Dick. „Die man loopt

blijkbaar met een of ander denkbeeld rond;” vertelde zij mij, „kon

hij het maar eens ergens in een hoekje opschrijven dan zou hij zeker

met iets buitengewoons voor den dag komen,” maar dat was nu juist de

groote moeilijkheid. Onbewust van deze voorspelling bleef mijnheer Dick

op denzelfden voet omgaan met den doctor en mevrouw Strong. Hij kwam

niet verder met hen, doch ging ook niet achteruit. Evenals een gebouw,

scheen hij op de eenmaal gevestigde grondslagen te blijven rusten en ik

moet bekennen dat mijn vertrouwen op de beweegbaarheid van mijnheer

Dick even gering was als op die van een gebouw.

Op zekere avond echter—ik zal ongeveer vijf of zes maanden getrouwd

zijn geweest—stak mijnheer Dick zijn hoofd binnen de huiskamer, waar

ik alleen zat te schrijven. Dora was met tante op de thee gevraagd bij

de vogeltjes.

Met een veelbeteekenend kuchje zei hij: „Ik vrees dat ik u stoor,

Copperfield.”

„Wel neen, mijnheer Dick,” antwoordde ik. „Kom binnen.”

Nadat wij elkaar de hand hadden geschud, zei hij, met den vinger langs

den neus: „Voor ik ga zitten, Trotwood, moet ik u eene vraag doen. Gij

kent uwe tante, nietwaar?”

„Een weinig.”

„Zij is de bewonderenswaardigste vrouw van de wereld, mijnheer.”

Na deze mededeeling, die hij letterlijk had weggeschoten, alsof hij er

mede geladen was geweest, ging mijnheer Dick zitten, nog deftiger dan

gewoonlijk, en keek mij aan.

„Nu moet ik u eene vraag doen, mijn jongen,” begon hij.

„Doe er zooveel gij wilt,” zei ik.

„Waarvoor ziet gij mij aan, mijnheer?” vroeg hij, met de armen over de

borst gekruist.

„Voor een besten, ouden vriend,” zei ik.

„Dank u, Trotwood,” antwoordde hij lachend en reikte mij met een

gezicht, dat van blijdschap straalde, over de tafel heen de hand. „Ik

bedoel echter,” vervolgde hij op plechtigen toon, „ten opzichte van

_dit_?” Hij wees op zijn voorhoofd.

Ik wist zoo gauw niet wat te antwoorden, maar hij hielp mij op weg.

„Zwak?” vroeg hij.

„Nu ja,” antwoordde ik op twijfelachtigen toon. „Een weinig zwak.”

„Juist!” riep hij, blijkbaar verrukt over mijn antwoord. „Dat is het,

Trotwood. Toen zij iets van het gemaal uit het hoofd van—gij weet

wel wien—in—gij weet wel waarin—stopten, was er....” Mijnheer Dick

draaide zijne handen eenige malen snel om elkander rond en toen weer

den andere kant uit, om het woord „verwarring” aan te duiden. „Toen is

er iets met mij gebeurd. Ik weet zelf niet wat. Hé?”

Ik knikte hem toe en hij knikte terug.

„Kortom, mijn jongen,” zei hij, tot den fluistertoon overgaande, „ik

ben wat in de war.”

Ik wilde deze uitdrukking wat verzachten, maar hij voorkwam mij.

„Ja, dat ben ik. Zij beweert dat het niet zoo is; zij wil er niets van

hooren, maar ik ben het. Ik weet dat ik het ben. Als zij niet voor mij

in de bres was gesprongen, mijnheer, was ik opgesloten geworden en

had gedurende al die jaren een ellendig leven gehad. Maar ik zal ook

voor haar zorgen, mijnheer! Ik verteer het geld, dat ik met copiëeren

verdien, nooit. Ik bewaar het in een doosje. Ik heb een testament

gemaakt en laat haar alles na. Zij zal rijk worden en.... van adel!”

Mijnheer Dick haalde zijn zakdoek voor den dag en veegde zijne oogen

af; daarna vouwde hij den zakdoek zorgvuldig op, drukte dien tusschen

beide handen plat en stak hem in den zak met een gezicht, alsof hij

mijne tante er bij in den zak stak.

„Nu hebt gij veel geleerd, Trotwood,” hernam mijnheer Dick. „Gij hebt

heel veel geleerd. Gij kent den doctor en weet hoe knap hij is, hoe

verbazend knap! Gij weet ook hoeveel eer hij mij altijd bewezen heeft.

En niets trotsch op zijn geleerdheid! Nederig, altijd nederig—zelfs

vriendelijk voor den armen Dick, die in de war is en niets weet. Ik heb

zijn naam op een stukje papier naar den vlieger opgezonden, toen die

hoog, heel hoog stond tusschen de leeuwerikken. De vlieger was blij

toen dat papiertje aankwam en de lucht werd hoe langer hoe helderder.”

Ik zei dat de doctor onze achting en vriendschap in alle opzichten

verdiende, en deze woorden schenen mijnheer Dick genoegen te doen.

„En zijn mooie vrouwtje is een ster,” vervolgde hij. „Een schitterende

ster; ik heb haar zien schijnen, mijnheer. Maar”—hij bracht zijn stoel

wat dichter bij den mijne en legde de hand op mijne knie—„wolken,

mijnheer,—wolken.”

Ik beantwoordde de bezorgdheid, die op zijn gezicht te lezen was, door

eveneens bezorgd te kijken en het hoofd te schudden.

„Waarom wolken?” vroeg mijnheer Dick. Hij keek mij zoo angstig aan en

scheen zoo verlangend om het goed te begrijpen, dat ik mijn best deed

om langzaam en duidelijk te spreken, zooals ik aan een kind iets zou

hebben uitgelegd.

„Er schijnt een ongelukkig misverstand tusschen hen te bestaan,”

antwoordde ik. „De eene of andere reden tot verwijdering, een geheim.

Mogelijk is het verschil in jaren de oorzaak. Misschien is de eene of

andere kleinigheid er de oorzaak van.”

Mijnheer Dick had naar alles, wat ik gezegd had, met de grootste

aandacht geluisterd en bleef nu zwijgend zitten, terwijl hij mij

voortdurend aankeek en de hand op mijne knie bleef houden.

„De doctor is toch niet boos op haar, nietwaar Trotwood?” zei hij na

eenigen tijd.

„Neen. Hij heeft haar innig lief.”

„Dan heb ik het gevonden, jongen,” zei mijnheer Dick.

De uitbundige blijdschap, waarmede hij mij een slag op mijne knie

gaf, en waarna hij met hoog opgetrokken wenkbrauwen achterover in

zijn stoel geleund bleef zitten, deed mij vermoeden, dat hij op dit

oogenblik minder dan ooit bij zijn verstand was. Plotseling werd

hij weer ernstig, ging weer voorover zitten en haalde met zulk een

eerbiedig gebaar zijn zakdoek uit den zak, alsof deze werkelijk mijne

tante representeerde. „Waarom heeft zij niets gedaan om die zaak in

het reine te brengen? Ik bedoel de bewonderenswaardigste vrouw van de

wereld, Trotwood?”

„Die zaak is te kiesch en te moeielijk om zich daarin te mengen”,

antwoordde ik.

„En gij, die zooveel geleerd hebt, waarom hebt gij niets gedaan?” vroeg

hij weder, terwijl hij mij even met den vinger aanraakte.

„Om dezelfde reden,” antwoordde ik.

„Dan heb ik het gevonden jongen!” zei hij nogmaals. Met een gezicht,

dat nog meer blijdschap verried dan zoo even, ging hij voor mij staan,

schudde herhaaldelijk het hoofd en sloeg zich zoo hard op de borst, dat

ik vreesde hem eene bloedspuwing te zullen zien krijgen.

„Een arme drommel met zwakke hersens, een gek staat hier voor u,

mijnheer!” vervolgde hij, zich telkens weder op de borst slaande, „maar

die gek zal doen wat de bewonderenswaardigste menschen niet kunnen. Ik

zal hen bij elkaar brengen jongen, ik zal het tenminste beproeven. Zij

zullen mij niet van onkieschheid beschuldigen. Zij zullen mij dat niet

kwalijk nemen. Zij zullen niet boos worden, als ik iets doe, dat niet

is zooals 't behoort. Ik ben maar mijnheer Dick. En wie kan nu boos

worden op mijnheer Dick? Dick is niemand! Fits!” Hij maakte met zijn

lippen een geluid alsof hij iets wegblies.

Zoo ver was hij met zijn geheim gekomen toen wij, ongelukkig genoeg het

rijtuig hoorden stilhouden, dat Dora en tante tehuis bracht.

„Geen woord erover spreken, jongen!” fluisterde hij mij nog even in,

„laat al de schuld maar op het hoofd van Dick neerkomen—van den gekken

Dick. Ik heb al een tijd lang gemeend, dat ik het geheim gevonden had,

maar nu heb ik het. Na hetgeen gij mij verteld hebt, ben ik er zeker

van. Alles komt in orde!”

Mijnheer Dick liet het onderwerp verder rusten, maar zat in het

volgende halve uur voortdurend met zijn hoofd en zijne oogen naar mij

te telegrapheeren, ten einde mij een onvoorwaardelijk stilzwijgen op te

leggen. Tante wist niet wat zij van hem denken moest.

Tot mijne groote verbazing vernam ik in de eerste twee of drie weken

geen woord meer over de zaak, waarin ik toch zeer veel belangstelde; de

slotsom toch, waartoe hij gekomen was, verried de aanwezigheid van eene

goede hoeveelheid gezond verstand—ik zeg niet „van goedhartigheid”,

want daarvan gaf hij voortdurend de ondubbelzinnigste blijken.

Eindelijk begon ik te gelooven, dat zijne hersenen te zwak waren,

om zich bij zulk een gewichtig onderwerp te bepalen, en hij het dus

vergeten had.

Op zekeren mooien avond wandelden tante en ik—Dora bleef liever

thuis—naar de woning van den doctor. Het was herfst, zoodat mij door

geen avonddebatten het genot van de vrije lucht werd ontzegd; ik

herinner mij nog dat de afgevallen bladeren, die wij onder onze voeten

vertraden, denzelfden geur verspreidden als te Blunderstone en hoe zich

ook hetzelfde ongelukkige gevoel van mij meester maakte, als ik daar

altijd gehad had. De schemering was reeds ingevallen toen wij aan de

woning van den doctor kwamen. Mevrouw Strong verliet juist den tuin en

mijnheer Dick, die den tuinman had geholpen met het aanpunten van de

staken voor een der omheiningen, bleef heen- en weerloopen.

Doctor Strong had iemand bij zich in de studeerkamer; doch mevrouw

deelde ons mede, dat de bezoeker spoedig zou heengaan en verzocht ons

op den doctor te wachten. Wij gingen dus met haar naar het salon en

namen bij het venster plaats. Hoewel het reeds vrij duister was, werd

nog geen lamp opgestoken; voor zulke oude vrienden werd nooit veel

omslag gemaakt.

Wij hadden daar nog niet lang gezeten, toen mevrouw Markleham met hare

gewone drukte en beweging binnenkwam: zij had eene courant in de hand

en scheen geheel ontsteld, want op bijna driftigen toon zeide zij:

„Maar Annie, hoe is 't mogelijk? Waarom hebt gij mij niet verteld, dat

er iemand in de studeerkamer was!”

„Maar, lieve mama,” antwoordde zij doodkalm, „hoe kon ik weten dat gij

daarin belang zoudt stellen!”

„Belang zoudt stellen!” riep mevrouw Markleham, terwijl zij op een sofa

neerviel. „Zelden ben ik zoo ontroerd geweest!”

„Zijt gij dan in de studeerkamer geweest, mama?” vroeg Annie.

„Of ik in de studeerkamer ben geweest, lieve?” antwoordde zij

opgewonden. „Ja, zeker ben ik daar geweest! Ik betrapte daar den

uitmuntendsten aller mannen—gij kunt mijne aandoening voorstellen,

juffrouw Trotwood en David—op het maken van zijn testament.”

Annie keek plotseling op.

„Waarlijk, lieve Annie,” herhaalde mevrouw Markleham, terwijl zij de

courant als een tafellaken over haar schoot uitspreidde en hare handen

daarboven vouwde, „ik betrapte hem op het maken van zijn testament. Wat

is die goede man toch op alles bedacht en wat heeft hij een goed hart!

Om hem tevens de eer te geven, die hem toekomt, moet ik u vertellen

hoe het kwam dat ik daarvan getuige was. Misschien weet gij, juffrouw

Trotwood, dat hier nooit een kaars wordt opgestoken voordat iemand's

oogen uit de kassen beginnen te puilen van inspanning bij het lezen van

de courant; dat er in het geheele huis geen stoel is waarin men een

courant eigenlijk op zijn gemak kan lezen—behalve in de studeerkamer;

om die reden ging ik de studeerkamer binnen toen ik daar licht zag.

En wat zag ik daar? Twee heeren, blijkbaar rechtsgeleerden, stonden

met den doctor bij de tafel. De doctor had eene pen in de hand. ‚Deze

weinige woorden,’ zei de doctor—lieve Annie, luister goed naar hetgeen

ik vertel—‚deze weinige woorden zijn dus voldoende, mijne heeren, om

te bewijzen hoeveel vertrouwen ik steeds in mijne vrouw heb gesteld

en om haar alles te vermaken? Onvoorwaardelijk?’ Een der heeren

antwoordde: ‚Haar alles onvoorwaardelijk te vermaken.’ Gij begrijpt hoe

mijn moederlijk gevoel mij dwong uit te roepen: ‚Goede Hemel, ik vraag

duizendmaal verschooning!’ Ik maakte eene buiteling over den drempel en

kwam door het donkere gangetje langs de provisiekamer hierheen.”

Mevrouw Strong opende de tuindeur en ging naar de veranda, waar zij

tegen een der pilaren geleund bleef staan.

„Maar is het nu niet, juffrouw Trotwood, is het nu niet, David, is

het nu niet hartroerend”, ging mevrouw Markleham voort, hare dochter

werktuigelijk met de oogen volgend, „dat een man van doctor Strong's

leeftijd zooveel geestkracht bezit om zoo iets te doen? Is het geen

bewijs dat hetgeen hij gedaan heeft rechtvaardig is? Toen mijnheer

Strong mij dat bezoek bracht, waarmede ik zoo vereerd was en waarbij

hij mij de hand van Annie vroeg, zei ik tegen haar: „Kindlief, ik

twijfel er geen oogenblik aan of doctor Strong zal, wat betreft uwe

toekomst, nog meer doen dan waartoe hij zich verbindt.””

Op dit oogenblik hoorden wij de bezoekers heengaan. De oude Overste

luisterde en zei: „Geen twijfel of die uitmuntende man heeft zijne

handteekening reeds gezet, het stuk verzegeld en zijn gemoed

gerustgesteld. Welaan, het zij zoo! Het mag gerust zijn! Annie, lieve,

ik ga met mijn courant naar de studeerkamer, want zonder nieuws ben

ik maar een half mensch. Juffrouw Trotwood, David, komt, laat ons den

doctor gaan opzoeken.”

Toen wij haar vergezelden, zag ik mijnheer Dick in de schaduw van de

veranda staan en merkte ik op, dat tante buitengewoon hard haar neus

wreef—een onschuldig middel om aan hare ergenis over onze militaire

vriendin lucht te geven—; maar wie het eerst binnentrad en hoe mevrouw

Markleham zoo spoedig den gemakkelijksten stoel had ingenomen; waarom

tante en ik zoo opeens aan de deur bleven staan—vermoedelijk zag zij

scherper dan ik en hield zij mij terug—dat weet ik niet. Heb ik het

ooit geweten, dan heb ik het vergeten. Ik weet alleen dat, eer doctor

Strong ons nog had gezien, wij hem reeds tusschen zijne folianten zagen

zitten met de hand onder het hoofd; dat wij op hetzelfde oogenblik

mevrouw Strong zagen binnenkomen, bleek en bevend, ondersteund door

mijnheer Dick. Ik weet alleen dat, toen doctor Strong het hoofd even

oplichtte, omdat mijnheer Dick de hand op zijn arm legde, zijne vrouw

aan zijne voeten neerknielde en hem aankeek met een blik, dien ik nooit

vergeten zal; en dat mevrouw Markleham haar courant op den schoot liet

vallen en hare dochter aanstaarde, als de kop op den achtersteven van

het schip „de Verbazing”.

De vriendelijkheid, de welwillendheid en de verbazing van den doctor,

de ernst in de smeekende houding van mevrouw Strong, de hartelijke

bezorgdheid van mijnheer Dick en de zegevierende blik, waarmede tante

zei: „_Die_ man gek!”—zegevierend, want zij had hem een leven vol

ellende bespaard—dat zie en hoor ik nog; ik kan niet zeggen dat ik het

mij herinner, al beschrijf ik het.

„Doctor,” zei mijnheer Dick, „wat scheelt er toch aan? Zie eens hier!”

„Annie!” riep mijnheer Strong, „niet aan mijn voeten lieveling!”

„Ja,” sprak zij. „Ik verzoek dringend, dat niemand de kamer verlate.

O, mijn dierbare echtgenoot en vader, verbreek toch dit langdurig

stilzwijgen. Laten wij beiden weten, wat er tusschen ons gekomen is!”

Mevrouw Markleham scheen op eenmaal het spraakvermogen teruggekregen

te hebben; zij was bleek van moederlijke verontwaardiging en haar

familietrots deed haar uitroepen: „Annie, sta onmiddellijk op! Breng

geen schande over uwe familie door u zoo te vernederen, tenzij gij

verlangt, dat ik onmiddellijk deze woning verlaat!”

„Mama!” antwoordde Annie. „Verspil geen woorden; ik spreek tegen mijn

echtgenoot; gij heb hier niets in te brengen!”

„Niets!” riep mevrouw Markleham. „Ik! niets? Het kind heeft haar

verstand verloren. Wie wil zoo goed zijn een glas water te halen!”

Ik was te zeer vervuld met den doctor en zijn jonge vrouw, om aan

dit verzoek eenige aandacht te schenken; trouwens, niemand schonk er

aandacht aan; zoodat mevrouw Markleham maar bleef zitten hijgen en

waaien.

„Annie!” zei de doctor, terwijl hij hare handen teeder in de zijne

nam. „Lieveling, indien er eenige verandering is gekomen in ons

huwelijksleven, nadat wij zoo lang gelukkig zijn geweest, draagt gij

daarvan geenszins de schuld. Ik alleen ben de schuldige, ik alleen.

Mijne liefde, mijne achting, mijne bewondering voor u zijn niet

veranderd. Ik verlang niets liever dan u gelukkig te maken. Ik heb u

innig lief en vereer u hoog. Sta op, Annie, wat ik u bidden mag!”

Maar zij stond niet op. Na hem eenige oogenblikken te hebben

aangestaard, vlijde zij zich dichter tegen hem aan, legde hare armen op

zijne knieën, liet haar hoofd daarop zinken en zei:

„Indien ik hier een vriend heb, die voor mij of voor mijn echtgenoot

kan spreken; indien ik hier een vriend heb, die een vermoeden, dat mijn

hart mij nu en dan heeft ingefluisterd, in woorden kan uitdrukken;

indien ik hier een vriend heb, die mijn echtgenoot acht en mij een

weinig liefheeft, een vriend, die iets kan bijbrengen, wat het ook zij,

om de verwijdering tusschen mijn echtgenoot en mij te doen ophouden,

dat hij dan spreke.... ik smeek het hem!”

Doodelijke stilte, die na eenige pijnlijke seconden door mij verbroken

werd.

„Mevrouw Strong,” zei ik, „ik weet iets, dat ik eigenlijk zwijgen moet;

ik heb dat plechtig aan den doctor beloofd en tot op dit oogenblik

heb ik het ook gezwegen. Thans echter meen ik, dat mijn stilzwijgen

misplaatst zou zijn; uw beroep ontslaat mij van mijne belofte.”

Zij wendde het hoofd even naar mij toe en nu wist ik, dat hetgeen

ik deed goed was. Haar smeekenden blik zou ik niet hebben kunnen

weerstaan, ook al had ik daarin niet gelezen dat ik spreken _moest_.

„Onze toekomst,” sprak zij, „ligt misschien in uwe handen. Ik vertrouw,

dat gij niets zult achterhouden. Ik weet bij voorbaat dat al hetgeen

gij zeggen kunt, dat al hetgeen iemand zeggen kan, het edele hart van

mijn echtgenoot niet kan treffen. Mochten uwe woorden mij treffen, laat

u dat niet weerhouden. Ik zal voor mij zelve spreken, eerst tot hem, en

later tot God.”

Zoo ernstig gedwongen, verzocht ik den doctor zelfs geen toestemming,

maar vertelde, zonder van de waarheid af te wijken—slechts verzachtte

ik Uriah Heep's woorden een weinig—alles wat op dien avond in dezelfde

kamer was voorgevallen. De starende blik, waarmede mevrouw Markleham

het geheele verhaal aanhoorde, de heftige, scherpe uitroepen, waarmede

zij het telkens afbrak, zijn met geen pen te beschrijven.

Toen ik geëindigd had, bleef Annie eenigen tijd zwijgend in de door mij

beschreven houding zitten. Daarna nam zij de hand van den doctor, die

nog juist zoo zat als toen wij binnenkwamen, drukte die eerst aan hare

borst en daarna aan hare lippen. Mijnheer Dick noopte haar zachtkens om

op te staan, en terwijl zij nu begon te spreken, leunde zij op hem en

wendde geen oogenblik de oogen van haar echtgenoot af.

„Alles wat sinds wij getrouwd zijn in mijn hart is omgegaan,” sprak zij

met haar lieve, zachte stem en op onderdanigen toon, „zal ik voor u

bloot leggen. Na hetgeen ik gehoord heb, zou ik niet kunnen leven, als

ik iets verzweeg.”

„Maar, Annie,” zei de doctor vriendelijk, „ik heb nooit een oogenblik

aan u getwijfeld. Het is niet noodig; waarlijk het is niet noodig,

lieveling.”

„Het is hoog noodig,” antwoordde zij op denzelfden toon, „het is zeer

noodig dat ik mijn hart blootleg tegenover al uwe edelmoedigheid en

trouw, tegenover u, dien ik, dat weet de Hemel, van jaar tot jaar, van

dag tot dag, meer heb leeren waardeeren en liefhebben!”

„Waarlijk,” viel mevrouw Markleham haar in de rede, „als ik nog het

recht heb om iets te doen opmerken....”

„Maar dat hebt gij niet, gij bemoeial,” fluisterde tante op

verontwaardigden toon.

„.... dan veroorloof ik mij te zeggen dat het niet gewenscht kan zijn

tot in zulke bijzonderheden af te dalen.”

„Alleen mijn echtgenoot kan daarover oordeelen, mama,” zei Annie zonder

hare oogen van hem af te slaan, „en hij wil mij aanhooren. Mocht ik

iets zeggen dat u onaangenaam is, vergeef het mij dan. Ik heb zelve

reeds zooveel en zoo lang onaangenaamheden moeten verduren.”

„Ik begrijp er niets van!” zuchtte mevrouw Markleham.

„Toen ik nog heel jong was,” begon Annie, „nog een klein kind, was het

eerste wat ik leerde, onafscheidelijk verbonden met een geduldigen

vriend en leermeester—den vriend van mijn vader—van wien ik altijd

heel veel heb gehouden. Ik herinner mij niets uit mijne jeugd of hij is

er aan verbonden. De eerste schatten, die mijn geest verzamelde, heeft

hij daarin gelegd, en tegelijkertijd vormde hij mijn karakter naar het

zijne. Nooit zou ik geworden zijn die ik ben, als men mij aan andere

handen had overgelaten....”

„En is hare moeder dan niets voor haar geweest?” riep mevrouw Markleham

uit.

„Meen dat niet, mama,” zei Annie. „Ik geef hem slechts de eer, die hem

toekomt. Ik _moet_ dat doen. Toen ik grooter werd bleef hij dezelfde

plaats behouden. Ik was trotsch op zijne belangstelling voor mij, met

dankbaarheid voor hem vervuld, innig aan hem gehecht. Ik zag tot hem

op, ja, ik kan eigenlijk niet zeggen, hoe—als tot een vader, tot een

leidsman, als tot iemand, wiens lof mij meer waard was dan die van

wien ook, tot wien ik mij wenden kon, wien ik alles kon toevertrouwen,

indien er ooit twijfel bij mij oprees. Gij weet, mama, hoe jong en

onervaren ik nog was, toen gij mij zoo onverwacht meedeeldet, dat hij

aanzoek gedaan had om mijne hand.”

„Ik heb dat aan iedereen hier meer dan vijftig malen verteld!” zei de

oude Overste.

„Houd dan je mond, in 's Hemels naam, en vertel het niet meer,”

mompelde tante.

„Het was zulk eene groote verandering voor mij,” vervolgde Annie steeds

op denzelfden toon, „het scheen mij in het eerst een verlies toe; ik

was teleurgesteld en verdrietig. Ja, verdrietig, want ik was nog zoo

jong en kon mij nog niet vereenigen met het denkbeeld dat ik hem nu

voortaan met een geheel ander oog moest beschouwen. Niets was in staat

om hem weder te doen worden wat hij voor mij placht te zijn; ik was

trotsch op de eer, door hem waardig gekeurd te worden om zijne vrouw te

worden en.... wij trouwden.”

„In de St. Alphaguskerk te Canterbury,” voegde mevrouw Markleham er bij.

„De duivel hale 't mensch!” zei tante, „zij _kan_ haar mond niet

houden.”

„Ik heb nooit aan voordeel gedacht,” ging Annie met eene verhoogde

kleur voort, „nooit er aan gedacht dat mijn echtgenoot rijk was.

Mijn jonge hart was zoo vervuld met achting voor mijn aanstaanden

echtgenoot, dat voor dergelijke gedachten geen plaats meer was. Vergeef

het mij, mama, als ik zeg, dat gij het waart, die voor het eerst de

gedachte in mij wakker riept dat de menschen hem en mij onrecht zouden

kunnen aandoen door zulk eene verdenking te koesteren.”

„Ik!” riep mevrouw Markleham.

„Ja, zeker, gij!” zei tante, „en dat kunt gij niet wegwaaien, mijne

militaire vriendin.”

„Dat was de eerste schaduw op mijn nieuwe leven,” vervolgde Annie. „Dat

was de eerste aanleiding tot elke schaduw, die mijn leven verduisterd

heeft. En in den laatsten tijd zijn er meer schaduwen geweest dan ik

heb kunnen tellen; maar, beste vriend, niet naar aanleiding van hetgeen

gij onderstelt, want nooit is er in mijn hart eene gedachte opgekomen,

die mij van u zou kunnen vervreemden.”

Zij sloeg de oogen op, vouwde de handen en keek hem aan met een blik,

zoo trouw en rein als die eens engels. Van dit oogenblik af keek de

doctor haar even strak aan als zij hem.

„Men kan mama niet verwijten,” ging zij voort, „ooit iets voor zich

zelve gevraagd te hebben; ja, ik ben overtuigd dat hare bedoelingen

altijd zuiver zijn geweest; maar toen ik zag hoeveel lastige

aanspraken—alsof iemand eenige aanspraken had!—men uit mijn naam liet

gelden; hoe men voordeel trachtte te trekken van u, hoe edelmoedig

gij waart, hoe boos mijnheer Wickfield, die niets dan uw welzijn op

het oog had, mij telkens aankeek, toen werd langzamerhand het gevoel

in mij wakker, alsof men de lage verdenking koesterde dat ik mij aan

u had verkocht,—een onverdiende, schandelijke verdenking, die gij

met mij moest deelen. Ik kan u niet zeggen—en mama kan het zich niet

voorstellen—hoe vreeselijk het was altijd met dat angstige gevoel rond

te loopen, terwijl ik toch meende een gelukkig en eervol huwelijk te

hebben gesloten.”

„Dat is nu de dank, die men oogst, als men voor zijne familieleden

zorgt,” zei mevrouw Markleham met tranen in de oogen. „Ik wilde dat ik

een Turk was!”

„Ik ook van ganscher harte.... en dat gij in uw land gebleven waart,”

zei tante zachtjes.

„Toen kwam de tijd, waarin mama in de bres sprong voor Jack Maldon. Ik

had veel van hem gehouden,” sprak zij heel zacht, „zeer veel zelfs. In

onze kinderjaren waren wij menigmaal bruid en bruidegom, man en vrouw.

Hadden de omstandigheden het niet anders gewild, dan zou ik wellicht

hebben kunnen gelooven dat ik hem werkelijk liefhad; misschien zou

ik ook met hem getrouwd en diep ongelukkig geworden zijn. Wij zouden

volstrekt niet bij elkander gepast hebben. Geen huwelijk kan gelukkig

zijn, wanneer man en vrouw niet zijn één van ziel en één van zin.”

Niettegenstaande ik met de grootste aandacht hare verdere woorden

volgde, bleef ik toch over dezen laatsten volzin peinzen, alsof ik

daarbij bijzonder belang had, alsof er eene toespeling in lag, die ik

niet raden kan. „Geen huwelijk kan gelukkig zijn, wanneer man en vrouw

niet zijn één van ziel en één van zin.... één van ziel en één van

zin....”

„En Maldon en ik,” vervolgde Annie, „zijn in geen enkel opzicht één.

In geen enkel opzicht. Indien ik mijn echtgenoot voor niets anders te

danken had, zou ik hem toch innig dankbaar zijn, omdat hij mij bewaard

heeft voor den dwaasten stap, dien ik in mijn onervarenheid had kunnen

doen.”

Zij stond nu vlak tegenover den doctor en sprak met een ernst, die mij

aangreep. Toch bleef hare stem even zacht en kalm als te voren.

„Terwijl hij door uwe goedheid en mildheid werd voortgeholpen, ter

wille van mij, en ik mij ongelukkig gevoelde wijl ik den schijn van

zelfzucht op mij laadde, had hij beter gedaan zich zelven door hard

te werken een weg door het leven te banen. Ware ik in zijne plaats

geweest, dan zou ik het beproefd hebben, al ware het mij nog zwaar

gevallen. Toch dacht ik niet slecht van hem tot den avond vóór zijn

vertrek naar Indië. Dien avond zag ik in hoe valsch en ondankbaar hij

was. De wijze, waarop mijnheer Wickfield mij toen gadesloeg, kreeg

eene dubbele beteekenis voor mij. Voor de eerste maal kwam er een

duister vermoeden in mij op van de verdenking, die op mij rustte.”

„Verdenking, Annie?” riep de doctor. „Neen, neen, neen!”

„In uw hart kwam die niet op, dat weet ik, beste man!” antwoordde zij.

„En toen ik dien avond bij u kwam, om den last, die mij drukte aan

uwe voeten neer te leggen, om u te zeggen dat een mijner verwanten,

voor wien gij een weldoener waart, onder uw eigen dak woorden tot mij

gesproken had, die hij nooit had mogen uiten, zelfs al ware ik het

zwakke, verachtelijke, zelfzuchtige schepsel geweest, waarvoor hij

mij scheen te houden, deinsde ik terug voor het uitspreken van zulke

schandelijke woorden. Ze bestierven mij op de lippen en tot heden heb

ik ze in mijn binnenste bewaard.”

Mevrouw Markleham loosde een zucht en liet zich achterover in haar

gemakkelijken stoel vallen, terwijl zij haar waaier voor zich hield,

alsof zij er nooit meer achter uit wilde komen.

„Van dat oogenblik af heb ik nooit meer een woord met hem gesproken

dan in uwe tegenwoordigheid; en uwe goedheid om in het geheim u zijn

lot aan te trekken en mij den uitslag van uwe bemoeiingen als eene

verrassing mede te deelen, kon, dit zult gij thans begrijpen, mijn

verdriet slechts vermeerderen, den last, waaronder ik gebukt ging,

slechts verzwaren.”

Nogmaals zonk zij voor haar echtgenoot neer, hoewel hij alles deed om

het te beletten; en terwijl zij met tranen in de oogen tot hem opzag,

sprak zij:

„Antwoord nu nog niet. Laat mij voortgaan. Ik weet niet of ik goed

of slecht gehandeld heb, maar ik zou niet anders handelen, indien ik

nogmaals dien tijd moest doorleven. Gij kunt niet beseffen hoe hard het

mij viel, terwijl ik door al die oude banden met hart en ziel aan u

gehecht was, te moeten ondervinden dat men de reinheid van mijn hart in

twijfel trok, dat ik mij aan u had verkocht, dat ik slechts den schijn

aannam van met u gelukkig te zijn. Ik was jong en had niemand, die mij

met raad kon bijstaan. Mama en ik verschilden, waar het u betrof, te

veel van gevoelen. Indien ik mij terugtrok en de beleediging, waaraan

ik had blootgestaan, voor u verborgen hield, was dat slechts omdat ik u

te veel hoogachting toedroeg en verlangde dat gij ook mij zoudt achten.”

„Annie, lieve, reine ziel!” zei de doctor, „arme, lieve vrouw!”

„Nog een paar woorden slechts! Ik heb dikwijls gedacht dat, als gij

een ander meisje de voorkeur hadt gegeven, gij u niet zooveel last en

zorgen op den hals zoudt hebben gehaald, gij een veel aangenamer tehuis

zoudt hebben gehad. Ik heb dikwijls gemeend dat het beter ware geweest

indien ik uw leerling, ja, bijna uw kind ware gebleven. Ik paste naar

ik vreesde, zoo weinig bij uwe geleerdheid. Mocht ik dientengevolge mij

hebben teruggetrokken, hetgeen ik werkelijk gedaan heb, dan was dit

alleen, omdat ik u zoo hoog achtte en de hoop koesterde, dat er eenmaal

een dag zou aanbreken, waarop gij ook mij zoudt kunnen achten.”

„Die dag is reeds lang geleden aangebroken, Annie,” antwoordde de

doctor, „en kan slechts gevolgd worden door één langen, donkeren nacht.”

„Nog iets! Het is mijn voornemen, mijn vaste voornemen geweest u

onkundig te laten van de onwaardige handelingen van iemand, voor

wien gij zoo goed zijt geweest. Ik wilde dat verdriet alleen dragen.

En nu nog een enkel woord, beste aller vrienden! De oorzaak van de

verandering, welke in den laatsten tijd in u heeft plaats gegrepen

en die ik met zooveel leedwezen heb opgemerkt en toegeschreven aan

mijne oude vrees—somtijds ook waren mijne vermoedens dichter bij de

waarheid—is deze avond opgehelderd; door eene toevallige omstandigheid

ben ik heden avond ook te weten gekomen, hoe volkomen uw vertrouwen

in mij is, in weerwil van de vermoedens, die men in u heeft willen

opwekken. Ik kan bijna niet verwachten dat de liefde en trouw, waarmede

ik u daarvoor kan beloonen, mij ooit dat onwaardeerbare vertrouwen

zullen waardig maken; maar nu ik dit alles weet, kan ik mijne oogen

vrijmoedig tot dit dierbare gelaat opheffen, tot een gelaat, dat ik

vereer als dat van een vader, liefheb als dat van mijn echtgenoot, van

mijn jeugd af gekend heb als dat van een vriend, en plechtig verklaren

dat ik u zelfs met mijne gedachten geen onrecht heb aangedaan, dat ik

nooit geweifeld heb in mijne liefde en trouw, die ik u verschuldigd

ben!”

Zij had hare armen om den hals van haar echtgenoot geslagen en hij had

zijn hoofd voorovergebogen, zoodat zijne grijze haren zich met haar

bruine krullen vermengden.

„O, druk mij aan uw trouwe hart, beste man! Verban mij niet! Denk noch

spreek ooit over ongelijkheid tusschen ons, want die bestaat alleen in

mijne tallooze onvolmaaktheden. Elk jaar heb ik dat meer en meer leeren

beseffen met het toenemen van mijne achting voor u. O, druk mij aan

uw hart, beste man, want mijne liefde was gebouwd op eene rots en zal

blijven tot in lengte van dagen!”

Gedurende de stilte, die nu intrad, wandelde tante deftig naar mijnheer

Dick, zonder zich ook maar eenigszins te haasten, en gaf hem een luid

klinkenden kus. Het was zeer goed dat zij dit deed, want zij noodzaakte

hem daardoor van zijn voornemen af te zien, om zijne blijdschap te

betuigen door op één been te gaan staan. Ik meende ten minste dat ik

hem daarop betrapte.

„Gij zijt een merkwaardig man, Dick!” zei tante op een toon, waarin

onvoorwaardelijke goedkeuring gelegen was; „doe maar nooit alsof gij

iets anders waart, want ik weet wel beter.”

Na deze woorden nam zij hem bij de mouw en gaf mij een wenk, waarop wij

met ons drieën stilletjes teruggingen.

„Onze militaire vriendin heeft in elk geval een beslissende nederlaag

geleden,” zei tante op weg naar huis. „Al was er niets meer om blijde

over te zijn, zou ik daarom alleen reeds beter slapen!”

„Ik vrees dat het haar diep getroffen heeft,” zei mijnheer Dick op

medelijdenden toon.

„Wat? Hebt gij ooit een krokodil ontroerd gezien?” vroeg tante.

„Ik geloof dat ik nooit een krokodil gezien heb,” antwoordde mijnheer

Dick.

„Zonder dat oude kanalje zou er nooit iets gehaperd hebben,” zei

tante met buitengewonen nadruk. „Het zou te wenschen zijn dat sommige

moeders hare dochters aan haar lot overlieten, als zij trouwden, en

niet zoo vreeselijk aan haar gehecht bleven. Zij schijnen te denken dat

zij het recht hebben hare dochters, omdat zij ze in de wereld hebben

geholpen—alsof zoo'n kind er om gevraagd heeft!—zoo lang te plagen

tot zij er weer uit is. Wat denkt gij daarvan, Trot?”

Ik peinsde over alles wat ik had bijgewoond. Een aantal uitdrukkingen,

die gebezigd waren, hadden indruk op mij gemaakt. „Geen huwelijk kan

gelukkig zijn, wanneer man en vrouw niet zijn één van ziel en één van

zin. Mijne liefde was gebouwd op eene rots....”

Wij naderden onze woning; de verdorde bladeren lagen vertrapt langs den

weg en in den tuin en een koude herfstwind woei ons tegen.

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 58 / 79 题