XLIV.

Ons huishouden.

Het was eene zonderlinge gewaarwording, toen ik, nadat de

wittebroodsweken voorbij en de bruidsmeisjes vertrokken waren, daar met

Dora in ons kleine huisje zat; het scheen mij toe of ik niets te doen

had, nu ik niet meer telkens naar Putney behoefde te gaan—alsof mij

dat ooit hard was gevallen!

Het was zulk een zonderling gevoel dat ik nu Dora altijd bij mij

had. Het was zoo vreemd dat ik mij nu niet meer angstig over haar

behoefde te maken, dat ik haar niet meer behoefde te schrijven, noch

gelegenheden op te zoeken en te verzinnen om met haar alleen te zijn.

Wanneer ik des avonds nu en dan van mijn werk opkeek en haar tegenover

mij zag zitten, leunde ik wel eens achterover in mijn stoel en dacht

dan hoe wonderlijk het was dat wij daar zaten, zoo met ons beiden, zoo

alsof het van zelf sprak; dat niemand zich nu meer met ons behoefde

te bemoeien, dat al het romantische van onzen engagementstijd nu voor

eeuwig voorbij was; dat wij niemand behoefden te believen dan elkander,

maar.... elkander moesten believen levenslang.

Wanneer de zitting van het Parlement wat langer duurde dan gewoonlijk

en ik laat naar huis wandelde, vond ik het zoo vreemd als ik bedacht,

dat ik nu Dora zou vinden in _ons_ huis. Het was in den beginne zoo

vreemd, als zij des avonds, wanneer ik mijn souper gebruikte, zachtjes

beneden kwam om nog wat met mij te praten. Wat vreemd dat ik nu precies

wist, wanneer zij papillotjes in heur haar zette! Vreemder echter nog

was het, dat ik daarbij mocht assisteeren!

Ik betwijfel of twee jonge vogeltjes nog minder verstand van huishouden

kunnen hebben dan Dora en ik. Het spreekt van zelf dat wij eene

dienstbode hadden. Deze deed het huishouden. Ik verkeer nog steeds

heimelijk in het geloof, dat wij met die Mary Anne eene dochter van

juffrouw Crupp in ons huis hadden gehaald, want o, zij leek in haar

doen en laten zoo sprekend op mijne eerste hospita. Zij heette Paragon.

Toen wij haar huurden werd ons medegedeeld dat haar naam nog maar een

flauw denkbeeld gaf van haar karakter. Zij bracht een getuigschrift

mede zoo lang als een proclamatie en volgens dit document kon zij alle

huishoudelijke bezigheden verrichten, waarvan ik ooit gehoord had, en

alle waarover ik nooit had hooren spreken zelfs. Zij was een vrouw in

de kracht van het leven, had een gezicht om bang voor te worden en

hare armen waren steeds overdekt met een soort mazelen of een anderen

galachtigen uitslag. Zij had een neef bij de Garde, een neef met zulke

lange beenen, dat hij mij telkens deed denken aan de schaduw van een

ander in den namiddag. Zijne uniformjas was hem evenveel te klein

als hij zelf te lang was voor ons huisje. Hij was oorzaak dat het

ons kleiner toeleek dan het geval was. Bovendien waren de muren niet

te dik, zoodat wij altijd van zijne aanwezigheid in de keuken kennis

kregen door een voortdurend gebrom.

Onder de niet genoeg te waardeeren eigenschappen van ons juweel

behoorde ook dat zij matig en eerlijk was. Ik kon het dus wel aan

een toeval wijten, toen ik haar op zekeren avond in de keuken bij

het fornuis vond liggen; terwijl ik het verdwijnen van onze zilveren

theelepeltjes op rekening van den aschman schrijven moest.

Hoe het zij, Mary Anne was ons een voordurende kwelling. Wij voelden

telkens zoo, dat wij nog zoo weinig ondervinding hadden en niet in

staat waren om raad te schaffen. Had zij barmhartigheid gekend, dan

zouden wij daaraan overgeleverd zijn geweest, maar die kende zij niet.

Zij was de oorzaak van onze eerste oneenigheid.

„Lieveling,” zei ik op zekeren dag, terwijl ik met Dora alleen was,

„zou Mary Anne wel weten hoe laat het is?”

„Hoe bedoelt gij dat, Doady?” vroeg Dora, met het onschuldigste

gezichtje van hare teekening opkijkende.

„Omdat het vijf uur is, beste, en wij zouden om vier uur eten.”

Dora keek met een angstig gezicht naar de klok en sprak het vermoeden

uit dat deze voor was.

„Integendeel, liefste,” zei ik, met mijn horloge in de hand, „ze loopt

achter.”

Mijn kleine vrouwtje kwam op mijn knie zitten om mij te paaien en trok

met haar potlood een streep over het midden van mijn neus. Ik vond dat

natuurlijk heel aardig, maar had met dat al nog niet te eten.

„Zou het niet goed zijn, liefste, als gij Mary Anne eens aanmaandet om

beter op haar tijd te zijn?” vroeg ik.

„O, neen, dat niet! Dat kan ik niet, Doady!”

„Waarom niet, liefste?” vroeg ik vriendelijk.

„Och, omdat ik nog zoo dom ben in die dingen en dat weet zij heel goed.”

Ik achtte deze meening zoo geheel in strijd met mijn wensch om Mary

Anne's willekeur te fnuiken, dat ik even de wenkbrauwen fronste.

„O, wat kan mijn ondeugd boos kijken!” zei Dora en nog steeds op mijn

knie zittende, trok zij de rimpels op mijn voorhoofd met haar potlood

na; om de lijnen zwarter te maken stak zij de punt van het potlood

telkens tusschen hare rose lipjes en zoo werkte zij aan mijn voorhoofd

voort met zulk een kinderlijken ernst en ijver, dat ik er wel om

_moest_ lachen.

„Ziezoo, nu is hij weer zoet,” zei Dora; „als gij lacht ziet gij er

veel liever uit.”

„Maar, lieveling.”

„Neen, neen!” riep zij en gaf mij een kus, „geen Blauwbaard zijn! Niet

zoo ernstig kijken!”

„Best wijfje, wij moeten nu en dan wel eens ernstig zijn,” sprak

ik. „Kom. Ga nu hier eens naast mij zitten in dezen stoel! Geef mij het

potlood en laat ons nu eens verstandig praten. Gij weet, beste,”—wat

een klein handje had ik daar vast en wat een miniatuur-trouwringetje

zat daaraan!—„gij weet, beste, dat het niet prettig is om zonder

gegeten te hebben de deur uit te gaan. Is 't wel?”

„Ne....en,” antwoordde Dora heel flauwtjes.

„Wat beeft ge, liefste!”

„Dat komt omdat ik weet dat gij nu op mij gaat brommen,” riep zij met

eene stem, die mij bijna vermurwd had.

„Maar, lieveling, ik wil alleen maar wat met u redeneeren.”

„O, dat is nog veel erger!” riep zij wanhopend uit. „Ik ben niet

getrouwd opdat gij met mij zoudt redeneeren. Als gij dat van plan

waart, hadt gij 't mij moeten zeggen, wreede jongen!”

Ik deed mijn best om weer vrede te maken, maar zij wendde haar

gezichtje van mij af en schudde haar krullen van links naar rechts en

van rechts naar links en zei: „Gij zijt een wreede, een heel wreede

jongen!” Ik wist niet wat ik doen moest en liep daarom in mijne

onzekerheid eenige malen de kamer op en neer, waarna ik weder bij haar

ging zitten.

„Dora, mijn lieveling!”

„Neen, ik ben uw lieveling niet. Gij _moet_ spijt hebben omdat gij met

mij getrouwd zijt, anders zoudt gij niet met mij willen redeneeren!”

antwoordde Dora.

Ik voelde mij zoo beleedigd door deze onbillijke beschuldiging dat ik

mijn best deed om ernstig te zijn.

„Luister eens, liefste,” zei ik, „gij stelt u erg kinderachtig aan en

praat nonsens. Gij zult u even goed als ik herinneren dat ik gisteren

weg moest toen ik nog maar half genoeg gegeten had; dat ik eergisteren

onwel werd van het half rauwe kalfsvleesch; vandaag schijn ik in 't

geheel niets te krijgen en.... ik durf bijna niet zeggen hoe lang wij

op ons ontbijt hebben moeten wachten en _toen_ kookte het water nog

niet. Ik maak u daarvan geen verwijt, liefste, maar het is toch alles

behalve plezierig.”

„O, gij wreede, wreede jongen! Te zeggen dat ik een nare vrouw ben!”

„Maar, Dora, dat heb ik immers niet gezegd!”

„Gij hebt gezegd dat ik alles behalve plezierig ben!”

„Ik zei dat het alles behalve plezierig was, als de huishouding zoo...”

„Dat is precies hetzelfde!” zei Dora snikkend. En dat meende zij, want

zij schreide hartverscheurend.

Ik begon nogmaals de kamer op en neer te loopen, verliefder dan ooit op

mijn mooie vrouwtje en zoo door zelfverwijt gekweld dat ik wel met het

hoofd tegen den muur had willen loopen. Ik ging weer zitten en zei:

„Ik ben niet boos op u, Dora. Wij moeten beiden nog veel leeren. Ik wil

alleen trachten u te overtuigen, dat gij, werkelijk,”—ik wilde dit

niet opgeven—„werkelijk u moet aanwennen om Mary Anne beter na te gaan

en voor u zelve en mij te leeren zorgen.”

„Het verwondert mij waarlijk, dat gij zoo ondankbaar zijn kunt,”

antwoordde Dora snikkend. „Laatst, toen gij gezegd hadt dat gij zoo

gaarne eens visch wildet eten, toen ik mijlen ver heb geloopen om ze u

te bezorgen en er u mede te verrassen, hebt gij zoo iets niet gezegd!”

„Dat was heel lief van u, beste,” antwoordde ik. „Ik voelde dat ook

zóó, dat ik geen woord gezegd heb over den _heelen_ zalm—veel te veel

voor ons beiden—en over den prijs, een pond en zes shilling—veel meer

dan wij mogen besteden.”

„Gij hebt er toch heerlijk van gesmuld en gezegd dat ik, „een kleine

rot” was.”

„En dat wil ik nog wel duizend maal herhalen!” riep ik uit.

Hoeveel moeite ik ook deed, Dora was ontroostbaar; ik had haar lieve

hartje gekwetst. Zij snikte en jammerde zoo aandoenlijk of ik haar, ik

weet niet wat, verweten had. Ik was genoodzaakt haastig uit te gaan en

moest laat uitblijven; den geheelen avond voelde ik mij diep rampzalig.

Ik had zoo ongeveer het gevoel, dat een moordenaar hebben moet en werd

gemarteld door een onbestemde gewaarwording van een misdaad gepleegd te

hebben. Ik kwam niet voor twee uren na middernacht thuis en vond mijne

tante in de huiskamer.

„Is er iets gebeurd, tante?” vroeg ik ontsteld.

„Neen, Trot, niets,” antwoordde zij. „Ga zitten, ga zitten. Klein

Bloesempje is een beetje van streek geweest en ik heb haar gezelschap

gehouden. Dat is alles.”

Terwijl ik daar zoo met de hand onder het hoofd in het vuur zat te

kijken, voelde ik mij zoo verdrietig en neerslachtig, als ik zoo kort

na de vervulling van mijn dierbaarsten wensch niet mogelijk geacht had.

Tante's blik rustte op mij en er lag eene angstige uitdrukking op haar

gelaat, die echter onmiddellijk verdween toen ik mijne oogen naar haar

opsloeg.

„Ik verzeker u, tante,” zei ik, „dat ik mij den geheelen avond

diep ongelukkig gevoeld heb, omdat ik wist dat Dora bedroefd was.

Maar ik heb niets gedaan dan zacht en vriendelijk over huiselijke

aangelegenheden gesproken.”

Tante knikte mij bemoedigend toe en zei: „Gij moet een weinig geduld

hebben, Trot.”

„Natuurlijk. De Hemel weet, dat ik niet onredelijk wil zijn, tante!”

„Neen, neen,” antwoordde zij, „maar Klein Bloesempje is een heel teer

klein bloempje, waar de wind zoo zacht mogelijk langs moet strijken.”

Ik bedankte tante in mijn hart voor de liefde, die zij voor mijn

vrouwtje toonde; en ik was overtuigd, dat zij wist, hoe lief ik zelf

haar had.

„Zoudt gij Dora nu en dan niet eens wat goeden raad kunnen geven, haar

niet eens kunnen terecht wijzen tot bevordering van ons wederzijdsch

geluk?” vroeg ik na eenige oogenblikken zwijgend in het vuur te hebben

gekeken.

„Trot,” antwoordde tante, een weinig zenuwachtig, „neen, vraag mij dat

niet!”

Zij sprak op zulk een ernstigen toon, dat ik verbaasd mijn oogen

opsloeg.

„Ik zie op mijn eigen leven terug,” sprak zij, „en ik denk aan sommige

menschen die nu reeds in het graf liggen en voor wie ik heel wat

vriendelijker had kunnen zijn. Als ik wel eens een hard oordeel geveld

heb over de dwaze huwelijken van anderen, sproot dit waarschijnlijk

voort uit de omstandigheid, dat ik redenen te over heb gehad, om

hard over mijn eigen huwelijk te oordeelen. Laat ons daarover niet

meer spreken. Ik ben jaren lang eene driftige, knorrige, eigenzinnige

vrouw geweest en ik ben dat nog en zal het altijd blijven. Maar gij

en ik, Trot, hebben elkander goed gedaan.... in elk geval hebt gij

mij veel goed gedaan, beste jongen; daarom moet er tusschen ons geen

verdeeldheid komen.”

„Verdeeldheid? Tusschen ons!” riep ik uit.

„Kind, kind!” zei tante, haar japon glad strijkende, „geen wijze zou

kunnen zeggen, hoe spoedig die tusschen ons komen en hoe ongelukkig ik

Klein Bloesempje maken zou, als ik mij met uwe zaken ging bemoeien.

Herinner u uw eigen tehuis, nadat uw lieve moedertje voor de tweede

maal getrouwd was; doe dus ons, geen van beiden, het onrecht aan,

waarover gij altijd hebt gesproken!”

Ik zag op eenmaal in dat tante gelijk had en besefte tevens den vollen

omvang van hare vriendelijke en welwillende gevoelens voor mijn jonge

vrouwtje.

„Wij zijn nog pas aan het begin, Trot,” ging zij voort, „en Keulen

en Aken zijn niet op één dag gebouwd, zelfs niet in een jaar.

Gij zijt geheel vrij geweest in uwe keuze”—zag ik daar een wolk

op haar vriendelijk gelaat?—„en hebt een mooi, bekoorlijk en

allerliefst schepseltje gekozen. Het is uw plicht en het zal uw geluk

verhoogen—meen niet, dat ik een preek ga houden, ik weet dat—haar

te waardeeren naar de eigenschappen, die zij heeft, en niet naar die,

welke zij niet heeft. De laatsten moet gij trachten te ontwikkelen. En

zoo u dat niet gelukt, mijn kind,”—tante wreef even haar neus—„dan

moet gij uw best doen om het zonder dezen te stellen. Niemand kan u

helpen; gij moet u op u zelven verlaten. Zoo is het huwelijk, Trot; en

de goede God zegene u beiden, kinderen als gij eigenlijk nog zijt!”

Tante zei dit op vroolijken toon en gaf mij een kus om den

uitgesproken zegenwensch te bekrachtigen.

„Licht mij nu eens bij”, hernam tante opstaande, „met de lantaarn en

breng mij naar mijn hoedendoos,”—er was een pad, dat tot gemeenschap

diende tusschen onze woning en die van tante, welke laatste zoo klein

was, dat zij die haar „hoedendoos” noemde. „Breng, als gij terugkomt,

mijne hartelijke groeten over aan Bloesempje, en wat gij ook doen

moogt, zet u niet in uw hoofd, uwe tante als vogelverschrikker te

gebruiken, want zij ziet er al grimmig genoeg uit, zooals zij is; dat

heeft de spiegel mij vaak genoeg gezegd.”

Tante bond den doek om haar hoofd, alsof dit een pakje was, dat

verzonden moest worden, en ik bracht haar naar huis. Toen zij op de

stoep van haar eigen woning stond met de lantaarn in de hoogte om mij

op mijn terugweg bij te lichten, meende ik diezelfde uitdrukking van

ongerustheid weder op haar gelaat te zien; maar ik werd te veel bezig

gehouden met hetgeen zij gezegd had en was te zeer onder den indruk van

de waarheid, dat Dora en ik zelve voor onze toekomst moesten zorgen,

dat niemand ons helpen kon, om er veel aandacht aan te schenken.

Toen ik thuis was, kwam Dora op hare pantoffeltjes naar beneden en

sloeg schreiend de armen om mijn hals; zij zei dat ik hardvochtig en

zij stout geweest was en ik zei ongeveer hetzelfde, als ik mij niet

bedrieg; wij legden onzen eersten twist weder bij en spraken af dat

deze eerste ook de laatste zou zijn, al werden wij ook honderd jaar.

De volgende huishoudelijke beproeving, die wij moesten doormaken, was

de „meiden-proef.”

Mary Anne's neef was gedeserteerd en had zich in ons kolenhok

verscholen, waaruit hij tot onze groote verbazing door eene patrouille

van zijn eigen korps werd te voorschijn gehaald, om vervolgens geboeid

te worden weggebracht, hetgeen een groote oploop in en voor ons tuintje

tengevolge had. Dit voorval gaf mij den moed om met Mary Anne korte

metten te maken; zij ging, toen zij haar volle loon had ontvangen, zoo

deemoedig heen, dat het mij verbaasde, tot ik de theelepeltjes miste en

tevens tot de ontdekking kwam, dat zij bij verscheidene leveranciers

op mijn naam allerlei artikelen gehaald had zonder te betalen en

zonder daartoe van ons opdracht te hebben ontvangen. Na eenigen tijd

een noodhulp te hebben gehad, eene zekere vrouw Kidgerbury—ik meen,

dat zij de oudste vrouwelijke inwoner uit Kentish Town was, die uit

werken ging, hoewel zij daartoe eigenlijk veel te zwak was—vonden

wij een tweede Juweel. Deze zachtzinnigste aller dienstmeisjes had

de gewoonte om telkens, wanneer zij met een of meer stukken van ons

servies naar de keuken ging, van de trap te vallen en om, wanneer zij

het theeblad binnenbracht de kamer binnen te „plompen”, alsof zij

in het water sprong. De verwoesting door dit schepsel aangebracht,

maakte hare wegzending onvermijdelijk; met eene telkens terugkeerende

tusschenregeering van vrouw Kidgerbury volgden een aantal van die

huisplagen elkander op, de eene nog onbruikbaarder dan de andere. De

laatste, waarvan ik mij iets herinner, had een aardig gezichtje en ging

met Dora's hoed op naar de kermis te Greenwich. Van de anderen weet ik

niets dan dat zij allen somtijds de meest uiteenloopende ondeugden en

gebreken hadden.

Iedereen scheen ons te bestelen. Kwamen wij in een winkel, dan werden

oogenblikkelijk de beschadigde goederen voor den dag gehaald. Een

kreeft, die wij kochten bij het gewicht, was vol water. Het vleesch,

dat de slager ons bracht, was taai en het brood, dat aan huis bezorgd

werd, was geheel zonder korst. Ten einde een regel te vinden om vleesch

te roosteren, zoodat het gaar was, sloeg ik zelf het kookboek op en

vond daar dat een pond vleesch een kwartier noodig had en grootere

stukken een kwartier per pond en nog een kwartier daarenboven.

Deze regel faalde echter telkens door de ene of andere noodlottige

omstandigheid, zoodat wij nooit het midden konden vinden tusschen rauw

en verbrand.

Ik had reden te gelooven, dat deze mislukte pogingen ons duurder te

staan kwamen dan een reeks van overwinningen op dit gebied zouden

gedaan hebben. Het winkelboekje van den kruidenier moest wel het

vermoeden wekken, dat wij de geheele kelderverdieping met boter

besmeerden, zulke hoeveelheden hadden wij van dit vette artikel

verorberd. Ik weet niet of tengevolge van den grooteren invoer van

peper een hooger cijfer in de opbrengst der belastingen verkregen werd,

maar indien ons verbruik de markt niet deed stijgen dan moeten, naar

mijne meening, een aantal familiën zich wel geheel van peper gespeend

hebben. Het wonderlijkste van alles was, dat er nooit een korrel in

huis te vinden was.

Dat de waschvrouw ons goed verpandde en in een toestand van volslagen

dronkenschap daarover hare verontschuldigingen kwam aanbieden, zal

iedereen wel eens zijn overkomen. Evenzoo zal iedereen wel eens brand

in den schoorsteen hebben gehad, waaraan de dorpsbrandspuit te pas

moest komen, of het slachtoffer geweest zijn van den valschen eed van

een deurwaarder. Ik vrees echter, dat wij al heel ongelukkig moeten

geweest zijn door een meid te huren met zulk een hartstocht voor

sterken drank, dat de rekening van bier in de herberg vermeerderd werd

met posten, als: „een kwart pintje punch van rhum. (Mevrouw C.); een

kwart pintje jenever met kruidnagelen (Mevrouw C.); een glas rhum met

pepermunt (Mevrouw C.)”—Met die „Mevrouw C.” werd, zooals bij het

verzoek om opheldering bleek, Dora bedoeld, die dus verdacht werd al

deze versnaperingen in eigen persoon te hebben gebruikt.

Een van onze eerste uitspattingen was een klein dinertje met Traddles.

Ik ontmoette hem in de stad en verzocht hem dien namiddag met mij mede

te wandelen. Met graagte nam hij mijne uitnoodiging aan en ik schreef

aan Dora, dat ik mijn vriend zou medebrengen. Het was mooi weer en

gedurende de wandeling praatten wij voortdurend over mijn huiselijk

geluk. Traddles was er vol van en zei dat als hij zich voorstelde

ooit ook zulk een huisje te zullen hebben, waarin Sophie hem met het

middagmaal wachtte, hij zich nu reeds een der gelukkigste stervelingen

waande.

Zeker kon ik mij geen liever vrouwtje wenschen dan daar aan het

tegenovergestelde einde van de tafel zat; wel wenschte ik mij wat meer

ruimte in de kamer toe. Ik weet niet hoe het kwam, maar, hoewel wij

slechts met ons beiden waren, hadden wij toch altijd gebrek aan ruimte

en toch ruimte genoeg om alles te verliezen. Ik vermoed dat het was

omdat niets een vaste plaats had dan Jip's pagode, die altijd in den

weg stond. Bij dit eerste bezoek zat Traddles zoodanig beklemd tusschen

de pagode en de guitaarkist, Dora's schilderezel en mijne schrijftafel,

dat ik ernstig betwijfelde of hij zijn mes en vork wel behoorlijk zou

kunnen hanteeren. Hij joeg echter met zijne gewone goede luim al mijne

bezwaren op de vlucht en zei: „Ik zit als in een oceaan Copperfield!

Als in een oceaan!”

Er was nog iets dat ik wel gewenscht had, namelijk dat men Jip nooit

had aangewend om gedurende het middagmaal over het tafellaken te

loopen. Ik vond eigenlijk zijne aanwezigheid in de kamer geheel niet

zooals het behoorde, zelfs al had hij niet de gewoonte gehad om aan

het zout en de gesmolten boter te ruiken. Bij deze gelegenheid echter

scheen hij te meenen, dat hij er hoofdzakelijk op na werd gehouden om

Traddles aan het schrikken te maken; hij bleef met zulk eene volharding

tegen mijn vriend blaffen en deed telkens zulke onverschrokken

aanvallen op zijn bord, dat hij, om zoo te zeggen, alleen aan het

woord was.

Ik wist echter hoe gevoelig Dora was op dit punt en hoe zwaar elke

veronachtzaming van haar lieveling bij haar woog, zoodat ik hem maar

liet begaan. Dezelfde overweging leidde mij er toe om niets te zeggen

van het groot aantal borden, dat langzamerhand voor Jip's genoegen op

den grond was uitgespreid; evenmin van het olie- en azijnstel, waarin

alles kris en kras door elkander stond alsof de fleschjes dronken

waren; noch van de blokkade, waaraan Traddles langzamerhand hoe langer

hoe meer bloot stond, van ledige schalen en schotels. Ik kon niet

nalaten mij heimelijk te verwonderen, toen ik de gekookte schapebout

begon aan te snijden, over de zonderlinge vormen, die al onze stukken

vleesch gewoonlijk hadden; het vermoeden kwam in mij op, dat onze

slager een contract had aangegaan voor alle mismaakte schapen, die het

levenslicht aanschouwden; maar ik hield deze overpeinzingen binnen.

„Wat hebt gij in dien schotel, lieveling?” vroeg ik aan Dora.

Ik had al niet begrepen, waarom Dora telkens de lippen zoo geheimzinnig

spitste, alsof zij mij wilde kussen.

„Oesters, man,” antwoordde zij aarzelend.

„Hebt gij dat bedacht?” vroeg ik verrast.

„Ja... a, Doady,” zei Dora.

„Gij had niets beters kunnen bedenken!” riep ik, terwijl ik voorsnijmes

en vork weglegde. „Er is niets waarvan Traddles zooveel houdt als van

oesters!”

„Ja... a, Doady,” zei Dora nogmaals, „daarom kocht ik een mooi

schaaltje vol en de man zei dat ze best waren. Maar ik... ik ben bang

dat er iets aan mankeert. Zij lijken mij zoo vreemd toe.” Dora schudde

hare krullen en er blonk in elk oog een diamantje.

„Maak ze maar eens open, lieve,” zei ik, want de schelpen waren nog op

elkander.

„Maar ik kan ze niet open krijgen,” zei Dora, haar best doende, met de

wanhoop op het gelaat.

„Weet gij wat het zijn zal, Copperfield,” zei Traddles, den schotel

aandachtig bekijkend, „ik denk dat... het zijn prachtige oesters... ik

denk dat ze nog nooit opengemaakt zijn.”

Traddles had gelijk; ze waren nog nooit geopend, en wij hadden geen

oestermessen, en al hadden wij ze gehad, zouden wij ze niet hebben

kunnen gebruiken; wij keken dus naar de oesters en aten van de

schapenbout; ten minste wij aten er zooveel van als er gaar van was.

Had ik het niet belet, dan zou Traddles een halven wilde van zich

gemaakt en een bordvol rauw vleesch gegeten hebben, alleen om de tafel

eer aan te doen; zulk een offer op het altaar der vriendschap kon ik

echter niet van hem vorderen. Gelukkig en heel toevallig was er nog

een snee spek in de provisiekast, en zoo deden wij ons maal verder met

gebakken spek.

Mijn arme, kleine vrouwtje was zoo terneergeslagen, omdat zij meende

dat ik verdrietig zou zijn, en zoo blij toen zij zag dat ik het _niet_

was en ik mijn humeur niet liet bederven door het mislukte middagmaal,

dat wij nog een heel aangenamen avond hadden; Dora zat met den arm

over de leuning van mijn stoel, terwijl Traddles en ik een glas wijn

dronken, en nam elke gelegenheid te baat om mij in te fluisteren, hoe

heerlijk zij het vond, dat ik nu niet zoo'n wreede, ondeugende man

geweest was.

Eindelijk schonk zij thee voor ons en dat deed zij altijd zoo aardig,

alsof zij met een poppenserviesje speelde, zoodat ik er niet op

lette of de thee lekker was. Daarna speelden Traddles en ik een paar

partijtjes _cribbage_, terwijl Dora zong met begeleiding van de

guitaar, zoodat ik eene gewaarwording had of onze engagementstijd en

ons huwelijk niets waren dan een heerlijke droom en dat de avond, toen

ik voor de eerste maal hare stem hoorde, nog altijd voortduurde.

Toen Traddles vertrokken was en ik, na hem uitgelaten te hebben, in

onze huiskamer terugkwam, zette Dora haar stoel vlak naast den mijne en

kwam naast mij zitten.

„Het spijt mij zoo,” sprak zij. „Wilt ge uw best doen om mij van alles

te leeren, Doady?”

„Ik moet mij zelve zooveel leeren, Dora,” antwoordde ik.

„Maar gij zijt zoo'n verstandige man; gij kunt zoo goed leeren!”

„Dwaasheid, Rotje!” zei ik.

„Ik had een heel jaar buiten moeten wonen met Agnes,” hernam mijn

vrouwtje na eene lange pauze. Zij had hare handjes op mijn schouder,

liet hare kin er op rusten en keek mij met hare heldere blauwe oogen

strak aan.

„Waarom?” vroeg ik.

„Zij zou mij wel hebben verbeterd en ik zou veel van haar hebben kunnen

leeren,” antwoordde zij.

„Dat zal wel komen met den tijd, liefste. Agnes heeft haar geheele

leven voor haar vader moeten zorgen, bedenk dat toch; toen zij nog een

kind was, was zij reeds dezelfde Agnes als nu.”

„Ik zou zoo gaarne willen dat gij mij bij een zekeren naam noemdet,”

zei Dora, zonder hare houding te veranderen.

„Hoe dan?” vroeg ik glimlachend.

„O, het is een dwaze naam,” antwoordde zij, even haar krullen

schuddende: „Kind-vrouwtje.”

Lachend vroeg ik mijn kind-vrouwtje waarom zij wenschte zoo genoemd te

worden en sloeg tevens mijn arm om haar heen, zoodat hare blauwe oogen

nog dichter bij de mijne kwamen, waarop zij antwoordde:

„Ik bedoel niet, domme jongen, dat gij dezen naam gebruiken zoudt in

plaats van Dora; ik bedoel alleen dat gij aan mij denken moet als aan

uw kind-vrouwtje. Als gij van plan zijt boos op mij te worden, zeg

dan: „zij is ook maar een kind-vrouwtje.” Als ik u nu en dan eens

teleurstel, zeg dan: „ik wist lang te voren reeds, dat zij maar een

kind-vrouwtje zou zijn.” Indien ik niet ben wat ik zoo gaarne zijn

zou en zeker nimmer worden zal, denk dan maar: „mijn kind-vrouwtje

heeft mij zoo innig lief.” Want, dat doe ik, wees daarvan overtuigd.”

Ik had hetgeen zij zeide tot nog toe niet ernstig opgenomen, tot ik nu

bemerkte dat zij wel ernstig was. Haar voor liefde zoo ontvankelijk

hartje begon echter sneller te kloppen, nu ik haar zeide hoe lief

ik haar had, zoodat er weder een glimlach om haar mond verscheen en

hare schitterende oogjes weder droog werden. Een oogenblik later was

zij weder mijn kind-vrouwtje en zat zij op den grond naast Jip's

pagode, waarvan zij alle belletjes liet rinkelen tot straf voor zijne

onbetamelijk gedrag; terwijl Jip in den ingang lag te knipoogen, te lui

zelfs om zich te laten plagen.

Dora's woorden hadden toch een diepen indruk op mij gemaakt. Werp ik

een blik op den tijd, waarover ik schrijf, roep ik het onschuldige

wezentje uit de nevelen van het verleden op, neem ik haar lieve

kopje weder tusschen beide handen; dan kan ik met een gerust geweten

verklaren, dat hare woorden voortdurend in mijn geheugen bleven. Het is

mogelijk dat ik ze niet altijd op de beste wijze heb toegepast, omdat

ik nog jong en onervaren was; maar nooit ben ik doof geweest voor haar

roerend pleidooi.

Eenige tijd later vertelde Dora mij, dat zij nu goed op weg was om

eene volmaakte huishoudster te worden. Zij maakte dan ook een nieuwe

punt aan haar potlood, kocht een reusachtig huishoudboek, herstelde

zoo zorgvuldig mogelijk met naald en draad al de bladeren van het

kookboek, die Jip had gescheurd, en deed wanhopige pogingen om „braaf

te zijn,” zooals zij het noemde. De cijfers waren echter nog even

koppig als vroeger—ze wilden zich niet laten optellen. Wanneer zij

met veel moeite een twee- of drietal posten had geboekt, liep Jip over

de bladzijde en veegde alles met zijn staart uit. De middenvinger van

haar rechter handje was geheel doortrokken van den inkt en naar ik

vermoed was dit het eenige zichtbare resultaat.

Wanneer ik nu en dan des avonds thuis zat te schrijven—ik begon toen

langzamerhand reeds eenigszins bekend te worden als schrijver—gebeurde

het meermalen dat ik mijne pen neerlegde en mijn kind-vrouwtje

gadesloeg, als zij haar best deed om braaf te zijn. Dan begon zij met

het groote huishoudboek voor den dag te halen en met een diepen zucht

voor zich op de tafel te leggen. Daarna opende zij het, waar Jip het

den laatsten avond onleesbaar gemaakt had, en riep Jip om naar zijn

eigen wanbedrijven te kijken. Natuurlijk was dit eene aanleiding om wat

met Jip te stoeien; somtijds ontving hij tot straf een weinig inkt op

zijn neus. Daarna moest Jip onbeweeglijk op de tafel liggen, „als een

leeuw”—dit was een van zijne kunststukken, hoewel ik niet kan zeggen

dat de overeenkomst treffend was—en was hij dan in zijn humeur, dan

gehoorzaamde hij aan het bevel. Dan nam zij eene pen op en begon te

schrijven, maar nu zat er een haar in de pen. Dan nam zij eene andere

pen en begon te schrijven en nu spatte de pen. Dan nam zij een derde

en begon te schrijven en zei heel zachtjes: „O, wat krast die pen, dat

zal Doady storen!” En dan gaf zij het op—het ging niet—en legde het

huishoudboek weg, nadat zij er den leeuw onder had doodgedrukt, zooals

zij beweerde.

Ook zat zij nu en dan, als zij heel ernstig gestemd was, met een klein

mandje met rekeningen en andere gewichtige documenten voor zich, die er

uitzagen als papillotten-papier, en beproefde daaruit eenige wijsheid

te putten. Na de een met de andere vergeleken te hebben begon zij

aanteekeningen te maken op haar leitje, veegde ze weer uit, telde op al

hare vingers na, van voren naar achteren en weer terug en keek dan zoo

treurig, zoo ongelukkig, dat ik wanhopend werd, want de wolk, die over

haar gezichtje lag verspreid, had _ik_ daarop gebracht! En dan sloop ik

zachtjes achter haar en vroeg:

„Wat is het, Dora?”

En dan keek zij o, zoo wanhopend naar mij op en antwoordde: „Het wil

niet uitkomen. Mijn hoofd begint zoo te kloppen van die akelige cijfers

en ze doen nooit wat ik wil!”

„Laten wij 't dan zamen eens probeeren,” zei ik dan. „Laat ik het u

eens leeren, Dora.”

En dan begon ik haar practisch onderwijs te geven en Dora luisterde

ongeveer vijf minuten met de diepste aandacht; maar dan werd zij moe

en verveelde het haar; dan begon zij krulletjes te maken in mijn haar

en sloeg zij mijn boorden neer om te zien, hoe mij die stonden. Ging

ik dit dartele spel dan zwijgend tegen en wilde ik doorzetten, dan

keek zij, naarmate zij meer en meer in de war raakte, zoo angstig, zoo

wanhopend, dat de herinnering aan hare natuurlijke vroolijkheid, toen

ik voor de eerste maal haar levensweg kruiste, en de gedachte, dat zij

mijn kind-vrouwtje was, verwijtend voor mij oprezen; dan legde ik het

potlood neer en haalde de guitaar.

Ik had veel werk en veel zorgen, maar dezelfde overweging deed ze mij

voor mij zelven alleen houden. Ik ben er volstrekt niet zeker van,

dat ik daaraan goed heb gedaan, maar ik deed het ter wille van mijn

kind-vrouwtje. Ik vertrouw al de geheimen van mijn hart aan dit papier

toe en onderwerp het aan een streng onderzoek. Het gevoel, dat ik iets

verloren had, dat mij iets ontbrak, kwam, dat weet ik, meermalen in

mijn hart op, maar het verbitterde mijn leven niet. Wanneer ik bij

mooi weder alleen wandelde en aan de zonnige dagen mijner jeugd dacht,

toen de lucht vervuld was met jongens-idealen, dan miste ik iets in

de verwezenlijking mijner droomen; doch stelde mij tevreden met de

gedachte, dat de zachte glans van het Verleden onmogelijk op het Heden

kon rusten.

Nu en dan kwam de wensch in mij op, dat mijne vrouw mijne raadgeefster

mocht zijn, dat zij wat meer wilskracht, wat standvastiger karakter

mocht hebben en mij zou kunnen steunen en verbeteren; dat er kracht van

haar mocht uitgaan om het ledig, dat ergens voor mij scheen te bestaan,

aan te vullen; maar ik voelde tevens, dat dan mijn geluk volmaakt zou

zijn en aan welk sterveling is volmaakt geluk beschoren!

Hoewel getrouwd, was ik toch nog zeer jong. Ik had nog geen kennis

gemaakt met den verzachtenden invloed van ander verdriet en andere

ondervindingen, dan in de vorige bladzijden zijn vermeld. Heb ik

verkeerdheden begaan—en dat zal ik zonder twijfel—dan beging ik ze

uit misplaatste liefde en uit gebrek aan verstandige leiding in mijne

jongelingsjaren. Ik schrijf niets dan de waarheid. Het zou mij immers

niet meer baten haar te bemantelen!

Ik droeg dus de zorgen van ons leven alleen; zoowel daarin als bij

mijn arbeid miste ik een deelgenoot. Wat de ongeregeldheid van ons

huishouden betrof, daarin kwam weinig verbetering, maar ik had geleerd

er mij in te schikken en tot mijn groot genoegen zag ik Dora zelden

meer verdrietig. Zij was vroolijk en opgeruimd op de haar eigen

kinderlijke wijze, hield zielsveel van mij en was gelukkig te midden

van haar oude beuzelarijen.

Wanneer de debatten in het Parlement lang duurden en ik later dan

gewoonlijk thuis kwam, zou Dora nooit blijven zitten als zij mijn

stap hoorde, maar kwam zij altijd naar beneden om mij te verwelkomen.

Waren mijne avonden niet ingenomen door den arbeid waarvoor ik mij met

zooveel moeite had bekwaamd, dan werkte ik thuis en zat zij stil bij

mij, hoe laat het ook werd, zoo stil, dat ik meer dan eens meende dat

zij in slaap was gevallen. Maar gewoonlijk zag ik, wanneer ik op keek,

hare blauwe oogen met die stille aandacht, waarvan ik reeds melding

maakte, op mij gevestigd.

Op zekeren avond, toen ik mijn lessenaar sloot en onze blikken elkander

ontmoetten, riep Dora uit: „O, wat is mijn jongentje moe!”

„O, wat is mijn vrouwtje moe!” zei ik. „Dat lijkt meer op de waarheid.

Een andermaal moet gij naar bed gaan, lieveling. Het is veel te laat

voor u.”

„Neen, gij moogt mij niet naar bed sturen, hoor!” pleitte zij. „Kom

eens naast mij zitten? Zult gij mij nooit naar bed sturen?”

„Maar, Dora!”

Tot mijne groote verbazing begon zij hard te snikken.

„Voelt gij u niet wel, lieveling?” vroeg ik. „Zijt gij niet gelukkig?”

„Ja, heel wel, heel gelukkig,” antwoordde Dora. „Zeg alleen maar dat ik

naar u mag blijven zitten kijken terwijl gij schrijft.”

„Is dat nu goed voor zulke mooie oogjes?” vroeg ik. „Somtijds tot

middernacht?”

„Zijn ze wezenlijk mooi?” vroeg Dora lachend. „Ik ben blij dat ze zoo

mooi zijn.”

„Klein ijdeltuitje!” antwoordde ik.

Maar het was geen ijdelheid; het was slechts onschuldige blijdschap

over mijne bewondering. Ik wist dat zeer goed, nog voor zij 't mij

vertelde.

„Als gij ze mooi vindt, moet gij ook zeggen dat ik mag opblijven om u

te zien schrijven! Vindt gij ze werkelijk mooi?”

„Heel mooi.”

„Laat mij dan ook naar u blijven kijken.”

„Ik ben bang dat ze dan niet zoo mooi zullen blijven, Dora.”

„O, ja, zeker wel. Ik ben zoo bang dat gij mij zult vergeten, beste,

als gij alleen blijft zitten schrijven en uwe gedachten met allerlei

andere dingen vervuld zijn. Mag ik nu en dan heel zachtjes wat

zeggen?..... Een beetje meer dan gewoonlijk?” vroeg zij, mij over mijn

schouder heen aankijkende.

„Wat zijt gij toch een wonderlijk schepseltje!” zei ik.

„Mag ik de pennen vasthouden en u telkens er een aangeven!” vroeg zij.

„Ik zou zoo gaarne wat te doen hebben, terwijl gij zoo ijverig bezig

zijt. Toe, mag ik de pennen vasthouden?”

De herinnering aan hare blijdschap, toen ik de toestemming gaf, brengt

mij nu nog tranen in de oogen. In het vervolg zat zij altijd op

hetzelfde plekje naast mij, met een bos pennen in de hand. Haar gevoel

van gewicht, nu zij aan mijn arbeid verbonden was, hare blijdschap,

wanneer ik een nieuwe pen vroeg—menigmaal veinsde ik er een noodig te

hebben—openden mij een nieuwen weg om mijn kind-vrouwtje genoegen te

verschaffen. Op zekeren avond gaf ik voor, dat eenige pagina's van mijn

manuscript noodzakelijk moesten worden overgeschreven. Nu was Dora's

geluk volmaakt! De toebereidselen, die zij tot dit reuzenwerk maakte;

de schort, die zij voordeed; de doekjes die zij uit de keuken haalde,

voor het geval dat zij eens met inkt mocht morsen; de tijd, dien zij

noodig had; de ontelbare malen dat zij ophield om met Jip te spelen

en te lachen, alsof hij er alles van begreep; de overtuiging, dat

haar werk niet af was, als zij er haar naam niet onder had geplaatst;

en de wijze waarop zij het mij bracht, en toen ik haar prees, mij

omhelsde—dat zijn alle aandoenlijke herinneringen, hoe eenvoudig ze

anderen ook mogen toeschijnen.

Korten tijd daarna nam zij alle sleutels onder hare hoede en liep

rammelend door het huis met den geheelen bos in een mandje, dat om

haar tenger middeltje gebonden was. Zelden vond ik de deuren, waarop

ze behoorden, gesloten—ze dienden eigenlijk alleen tot speelgoed voor

Jip—maar het gaf Dora genoegen, en mij dus ook. Zij was overtuigd dat

met dit spelletje een groot gedeelte van hare huishoudelijke plichten

was vervuld; en zoo blij alsof wij voor de grap huishoudentje speelden.

En zoo ging ons leven voort. Dora hield bijna even veel van tante als

van mij, en vertelde haar herhaaldelijk van den tijd, toen zij bang was

geweest, dat zij een „ondeugend, oud wijf” was. Ik zag tante nooit met

iemand zoo zacht omspringen als met mijn kind-vrouwtje. Zij haalde Jip

aan, hoewel Jip hare vriendschap nooit beantwoordde; zij luisterde,

dag op dag, naar de guitaar, hoewel zij geen greintje verstand had van

muziek; zei nooit iets tegen onze huisplagen, hoewel de verzoeking meer

dan eenmaal zeer groot moet zijn geweest; legde verbazende afstanden af

om allerlei prulletjes voor Dora te koopen, als zij maar even vernomen

had dat Dora iets gaarne wilde hebben; en nooit kwam zij door den tuin

in huis of, als zij Dora niet onmiddellijk vond, riep zij: Waar is

„Klein-Bloesempje?”

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 57 / 79 题