Ons huishouden.
Het was eene zonderlinge gewaarwording, toen ik, nadat de
wittebroodsweken voorbij en de bruidsmeisjes vertrokken waren, daar met
Dora in ons kleine huisje zat; het scheen mij toe of ik niets te doen
had, nu ik niet meer telkens naar Putney behoefde te gaan—alsof mij
dat ooit hard was gevallen!
Het was zulk een zonderling gevoel dat ik nu Dora altijd bij mij
had. Het was zoo vreemd dat ik mij nu niet meer angstig over haar
behoefde te maken, dat ik haar niet meer behoefde te schrijven, noch
gelegenheden op te zoeken en te verzinnen om met haar alleen te zijn.
Wanneer ik des avonds nu en dan van mijn werk opkeek en haar tegenover
mij zag zitten, leunde ik wel eens achterover in mijn stoel en dacht
dan hoe wonderlijk het was dat wij daar zaten, zoo met ons beiden, zoo
alsof het van zelf sprak; dat niemand zich nu meer met ons behoefde
te bemoeien, dat al het romantische van onzen engagementstijd nu voor
eeuwig voorbij was; dat wij niemand behoefden te believen dan elkander,
maar.... elkander moesten believen levenslang.
Wanneer de zitting van het Parlement wat langer duurde dan gewoonlijk
en ik laat naar huis wandelde, vond ik het zoo vreemd als ik bedacht,
dat ik nu Dora zou vinden in _ons_ huis. Het was in den beginne zoo
vreemd, als zij des avonds, wanneer ik mijn souper gebruikte, zachtjes
beneden kwam om nog wat met mij te praten. Wat vreemd dat ik nu precies
wist, wanneer zij papillotjes in heur haar zette! Vreemder echter nog
was het, dat ik daarbij mocht assisteeren!
Ik betwijfel of twee jonge vogeltjes nog minder verstand van huishouden
kunnen hebben dan Dora en ik. Het spreekt van zelf dat wij eene
dienstbode hadden. Deze deed het huishouden. Ik verkeer nog steeds
heimelijk in het geloof, dat wij met die Mary Anne eene dochter van
juffrouw Crupp in ons huis hadden gehaald, want o, zij leek in haar
doen en laten zoo sprekend op mijne eerste hospita. Zij heette Paragon.
Toen wij haar huurden werd ons medegedeeld dat haar naam nog maar een
flauw denkbeeld gaf van haar karakter. Zij bracht een getuigschrift
mede zoo lang als een proclamatie en volgens dit document kon zij alle
huishoudelijke bezigheden verrichten, waarvan ik ooit gehoord had, en
alle waarover ik nooit had hooren spreken zelfs. Zij was een vrouw in
de kracht van het leven, had een gezicht om bang voor te worden en
hare armen waren steeds overdekt met een soort mazelen of een anderen
galachtigen uitslag. Zij had een neef bij de Garde, een neef met zulke
lange beenen, dat hij mij telkens deed denken aan de schaduw van een
ander in den namiddag. Zijne uniformjas was hem evenveel te klein
als hij zelf te lang was voor ons huisje. Hij was oorzaak dat het
ons kleiner toeleek dan het geval was. Bovendien waren de muren niet
te dik, zoodat wij altijd van zijne aanwezigheid in de keuken kennis
kregen door een voortdurend gebrom.
Onder de niet genoeg te waardeeren eigenschappen van ons juweel
behoorde ook dat zij matig en eerlijk was. Ik kon het dus wel aan
een toeval wijten, toen ik haar op zekeren avond in de keuken bij
het fornuis vond liggen; terwijl ik het verdwijnen van onze zilveren
theelepeltjes op rekening van den aschman schrijven moest.
Hoe het zij, Mary Anne was ons een voordurende kwelling. Wij voelden
telkens zoo, dat wij nog zoo weinig ondervinding hadden en niet in
staat waren om raad te schaffen. Had zij barmhartigheid gekend, dan
zouden wij daaraan overgeleverd zijn geweest, maar die kende zij niet.
Zij was de oorzaak van onze eerste oneenigheid.
„Lieveling,” zei ik op zekeren dag, terwijl ik met Dora alleen was,
„zou Mary Anne wel weten hoe laat het is?”
„Hoe bedoelt gij dat, Doady?” vroeg Dora, met het onschuldigste
gezichtje van hare teekening opkijkende.
„Omdat het vijf uur is, beste, en wij zouden om vier uur eten.”
Dora keek met een angstig gezicht naar de klok en sprak het vermoeden
uit dat deze voor was.
„Integendeel, liefste,” zei ik, met mijn horloge in de hand, „ze loopt
achter.”
Mijn kleine vrouwtje kwam op mijn knie zitten om mij te paaien en trok
met haar potlood een streep over het midden van mijn neus. Ik vond dat
natuurlijk heel aardig, maar had met dat al nog niet te eten.
„Zou het niet goed zijn, liefste, als gij Mary Anne eens aanmaandet om
beter op haar tijd te zijn?” vroeg ik.
„O, neen, dat niet! Dat kan ik niet, Doady!”
„Waarom niet, liefste?” vroeg ik vriendelijk.
„Och, omdat ik nog zoo dom ben in die dingen en dat weet zij heel goed.”
Ik achtte deze meening zoo geheel in strijd met mijn wensch om Mary
Anne's willekeur te fnuiken, dat ik even de wenkbrauwen fronste.
„O, wat kan mijn ondeugd boos kijken!” zei Dora en nog steeds op mijn
knie zittende, trok zij de rimpels op mijn voorhoofd met haar potlood
na; om de lijnen zwarter te maken stak zij de punt van het potlood
telkens tusschen hare rose lipjes en zoo werkte zij aan mijn voorhoofd
voort met zulk een kinderlijken ernst en ijver, dat ik er wel om
_moest_ lachen.
„Ziezoo, nu is hij weer zoet,” zei Dora; „als gij lacht ziet gij er
veel liever uit.”
„Maar, lieveling.”
„Neen, neen!” riep zij en gaf mij een kus, „geen Blauwbaard zijn! Niet
zoo ernstig kijken!”
„Best wijfje, wij moeten nu en dan wel eens ernstig zijn,” sprak
ik. „Kom. Ga nu hier eens naast mij zitten in dezen stoel! Geef mij het
potlood en laat ons nu eens verstandig praten. Gij weet, beste,”—wat
een klein handje had ik daar vast en wat een miniatuur-trouwringetje
zat daaraan!—„gij weet, beste, dat het niet prettig is om zonder
gegeten te hebben de deur uit te gaan. Is 't wel?”
„Ne....en,” antwoordde Dora heel flauwtjes.
„Wat beeft ge, liefste!”
„Dat komt omdat ik weet dat gij nu op mij gaat brommen,” riep zij met
eene stem, die mij bijna vermurwd had.
„Maar, lieveling, ik wil alleen maar wat met u redeneeren.”
„O, dat is nog veel erger!” riep zij wanhopend uit. „Ik ben niet
getrouwd opdat gij met mij zoudt redeneeren. Als gij dat van plan
waart, hadt gij 't mij moeten zeggen, wreede jongen!”
Ik deed mijn best om weer vrede te maken, maar zij wendde haar
gezichtje van mij af en schudde haar krullen van links naar rechts en
van rechts naar links en zei: „Gij zijt een wreede, een heel wreede
jongen!” Ik wist niet wat ik doen moest en liep daarom in mijne
onzekerheid eenige malen de kamer op en neer, waarna ik weder bij haar
ging zitten.
„Dora, mijn lieveling!”
„Neen, ik ben uw lieveling niet. Gij _moet_ spijt hebben omdat gij met
mij getrouwd zijt, anders zoudt gij niet met mij willen redeneeren!”
antwoordde Dora.
Ik voelde mij zoo beleedigd door deze onbillijke beschuldiging dat ik
mijn best deed om ernstig te zijn.
„Luister eens, liefste,” zei ik, „gij stelt u erg kinderachtig aan en
praat nonsens. Gij zult u even goed als ik herinneren dat ik gisteren
weg moest toen ik nog maar half genoeg gegeten had; dat ik eergisteren
onwel werd van het half rauwe kalfsvleesch; vandaag schijn ik in 't
geheel niets te krijgen en.... ik durf bijna niet zeggen hoe lang wij
op ons ontbijt hebben moeten wachten en _toen_ kookte het water nog
niet. Ik maak u daarvan geen verwijt, liefste, maar het is toch alles
behalve plezierig.”
„O, gij wreede, wreede jongen! Te zeggen dat ik een nare vrouw ben!”
„Maar, Dora, dat heb ik immers niet gezegd!”
„Gij hebt gezegd dat ik alles behalve plezierig ben!”
„Ik zei dat het alles behalve plezierig was, als de huishouding zoo...”
„Dat is precies hetzelfde!” zei Dora snikkend. En dat meende zij, want
zij schreide hartverscheurend.
Ik begon nogmaals de kamer op en neer te loopen, verliefder dan ooit op
mijn mooie vrouwtje en zoo door zelfverwijt gekweld dat ik wel met het
hoofd tegen den muur had willen loopen. Ik ging weer zitten en zei:
„Ik ben niet boos op u, Dora. Wij moeten beiden nog veel leeren. Ik wil
alleen trachten u te overtuigen, dat gij, werkelijk,”—ik wilde dit
niet opgeven—„werkelijk u moet aanwennen om Mary Anne beter na te gaan
en voor u zelve en mij te leeren zorgen.”
„Het verwondert mij waarlijk, dat gij zoo ondankbaar zijn kunt,”
antwoordde Dora snikkend. „Laatst, toen gij gezegd hadt dat gij zoo
gaarne eens visch wildet eten, toen ik mijlen ver heb geloopen om ze u
te bezorgen en er u mede te verrassen, hebt gij zoo iets niet gezegd!”
„Dat was heel lief van u, beste,” antwoordde ik. „Ik voelde dat ook
zóó, dat ik geen woord gezegd heb over den _heelen_ zalm—veel te veel
voor ons beiden—en over den prijs, een pond en zes shilling—veel meer
dan wij mogen besteden.”
„Gij hebt er toch heerlijk van gesmuld en gezegd dat ik, „een kleine
rot” was.”
„En dat wil ik nog wel duizend maal herhalen!” riep ik uit.
Hoeveel moeite ik ook deed, Dora was ontroostbaar; ik had haar lieve
hartje gekwetst. Zij snikte en jammerde zoo aandoenlijk of ik haar, ik
weet niet wat, verweten had. Ik was genoodzaakt haastig uit te gaan en
moest laat uitblijven; den geheelen avond voelde ik mij diep rampzalig.
Ik had zoo ongeveer het gevoel, dat een moordenaar hebben moet en werd
gemarteld door een onbestemde gewaarwording van een misdaad gepleegd te
hebben. Ik kwam niet voor twee uren na middernacht thuis en vond mijne
tante in de huiskamer.
„Is er iets gebeurd, tante?” vroeg ik ontsteld.
„Neen, Trot, niets,” antwoordde zij. „Ga zitten, ga zitten. Klein
Bloesempje is een beetje van streek geweest en ik heb haar gezelschap
gehouden. Dat is alles.”
Terwijl ik daar zoo met de hand onder het hoofd in het vuur zat te
kijken, voelde ik mij zoo verdrietig en neerslachtig, als ik zoo kort
na de vervulling van mijn dierbaarsten wensch niet mogelijk geacht had.
Tante's blik rustte op mij en er lag eene angstige uitdrukking op haar
gelaat, die echter onmiddellijk verdween toen ik mijne oogen naar haar
opsloeg.
„Ik verzeker u, tante,” zei ik, „dat ik mij den geheelen avond
diep ongelukkig gevoeld heb, omdat ik wist dat Dora bedroefd was.
Maar ik heb niets gedaan dan zacht en vriendelijk over huiselijke
aangelegenheden gesproken.”
Tante knikte mij bemoedigend toe en zei: „Gij moet een weinig geduld
hebben, Trot.”
„Natuurlijk. De Hemel weet, dat ik niet onredelijk wil zijn, tante!”
„Neen, neen,” antwoordde zij, „maar Klein Bloesempje is een heel teer
klein bloempje, waar de wind zoo zacht mogelijk langs moet strijken.”
Ik bedankte tante in mijn hart voor de liefde, die zij voor mijn
vrouwtje toonde; en ik was overtuigd, dat zij wist, hoe lief ik zelf
haar had.
„Zoudt gij Dora nu en dan niet eens wat goeden raad kunnen geven, haar
niet eens kunnen terecht wijzen tot bevordering van ons wederzijdsch
geluk?” vroeg ik na eenige oogenblikken zwijgend in het vuur te hebben
gekeken.
„Trot,” antwoordde tante, een weinig zenuwachtig, „neen, vraag mij dat
niet!”
Zij sprak op zulk een ernstigen toon, dat ik verbaasd mijn oogen
opsloeg.
„Ik zie op mijn eigen leven terug,” sprak zij, „en ik denk aan sommige
menschen die nu reeds in het graf liggen en voor wie ik heel wat
vriendelijker had kunnen zijn. Als ik wel eens een hard oordeel geveld
heb over de dwaze huwelijken van anderen, sproot dit waarschijnlijk
voort uit de omstandigheid, dat ik redenen te over heb gehad, om
hard over mijn eigen huwelijk te oordeelen. Laat ons daarover niet
meer spreken. Ik ben jaren lang eene driftige, knorrige, eigenzinnige
vrouw geweest en ik ben dat nog en zal het altijd blijven. Maar gij
en ik, Trot, hebben elkander goed gedaan.... in elk geval hebt gij
mij veel goed gedaan, beste jongen; daarom moet er tusschen ons geen
verdeeldheid komen.”
„Verdeeldheid? Tusschen ons!” riep ik uit.
„Kind, kind!” zei tante, haar japon glad strijkende, „geen wijze zou
kunnen zeggen, hoe spoedig die tusschen ons komen en hoe ongelukkig ik
Klein Bloesempje maken zou, als ik mij met uwe zaken ging bemoeien.
Herinner u uw eigen tehuis, nadat uw lieve moedertje voor de tweede
maal getrouwd was; doe dus ons, geen van beiden, het onrecht aan,
waarover gij altijd hebt gesproken!”
Ik zag op eenmaal in dat tante gelijk had en besefte tevens den vollen
omvang van hare vriendelijke en welwillende gevoelens voor mijn jonge
vrouwtje.
„Wij zijn nog pas aan het begin, Trot,” ging zij voort, „en Keulen
en Aken zijn niet op één dag gebouwd, zelfs niet in een jaar.
Gij zijt geheel vrij geweest in uwe keuze”—zag ik daar een wolk
op haar vriendelijk gelaat?—„en hebt een mooi, bekoorlijk en
allerliefst schepseltje gekozen. Het is uw plicht en het zal uw geluk
verhoogen—meen niet, dat ik een preek ga houden, ik weet dat—haar
te waardeeren naar de eigenschappen, die zij heeft, en niet naar die,
welke zij niet heeft. De laatsten moet gij trachten te ontwikkelen. En
zoo u dat niet gelukt, mijn kind,”—tante wreef even haar neus—„dan
moet gij uw best doen om het zonder dezen te stellen. Niemand kan u
helpen; gij moet u op u zelven verlaten. Zoo is het huwelijk, Trot; en
de goede God zegene u beiden, kinderen als gij eigenlijk nog zijt!”
Tante zei dit op vroolijken toon en gaf mij een kus om den
uitgesproken zegenwensch te bekrachtigen.
„Licht mij nu eens bij”, hernam tante opstaande, „met de lantaarn en
breng mij naar mijn hoedendoos,”—er was een pad, dat tot gemeenschap
diende tusschen onze woning en die van tante, welke laatste zoo klein
was, dat zij die haar „hoedendoos” noemde. „Breng, als gij terugkomt,
mijne hartelijke groeten over aan Bloesempje, en wat gij ook doen
moogt, zet u niet in uw hoofd, uwe tante als vogelverschrikker te
gebruiken, want zij ziet er al grimmig genoeg uit, zooals zij is; dat
heeft de spiegel mij vaak genoeg gezegd.”
Tante bond den doek om haar hoofd, alsof dit een pakje was, dat
verzonden moest worden, en ik bracht haar naar huis. Toen zij op de
stoep van haar eigen woning stond met de lantaarn in de hoogte om mij
op mijn terugweg bij te lichten, meende ik diezelfde uitdrukking van
ongerustheid weder op haar gelaat te zien; maar ik werd te veel bezig
gehouden met hetgeen zij gezegd had en was te zeer onder den indruk van
de waarheid, dat Dora en ik zelve voor onze toekomst moesten zorgen,
dat niemand ons helpen kon, om er veel aandacht aan te schenken.
Toen ik thuis was, kwam Dora op hare pantoffeltjes naar beneden en
sloeg schreiend de armen om mijn hals; zij zei dat ik hardvochtig en
zij stout geweest was en ik zei ongeveer hetzelfde, als ik mij niet
bedrieg; wij legden onzen eersten twist weder bij en spraken af dat
deze eerste ook de laatste zou zijn, al werden wij ook honderd jaar.
De volgende huishoudelijke beproeving, die wij moesten doormaken, was
de „meiden-proef.”
Mary Anne's neef was gedeserteerd en had zich in ons kolenhok
verscholen, waaruit hij tot onze groote verbazing door eene patrouille
van zijn eigen korps werd te voorschijn gehaald, om vervolgens geboeid
te worden weggebracht, hetgeen een groote oploop in en voor ons tuintje
tengevolge had. Dit voorval gaf mij den moed om met Mary Anne korte
metten te maken; zij ging, toen zij haar volle loon had ontvangen, zoo
deemoedig heen, dat het mij verbaasde, tot ik de theelepeltjes miste en
tevens tot de ontdekking kwam, dat zij bij verscheidene leveranciers
op mijn naam allerlei artikelen gehaald had zonder te betalen en
zonder daartoe van ons opdracht te hebben ontvangen. Na eenigen tijd
een noodhulp te hebben gehad, eene zekere vrouw Kidgerbury—ik meen,
dat zij de oudste vrouwelijke inwoner uit Kentish Town was, die uit
werken ging, hoewel zij daartoe eigenlijk veel te zwak was—vonden
wij een tweede Juweel. Deze zachtzinnigste aller dienstmeisjes had
de gewoonte om telkens, wanneer zij met een of meer stukken van ons
servies naar de keuken ging, van de trap te vallen en om, wanneer zij
het theeblad binnenbracht de kamer binnen te „plompen”, alsof zij
in het water sprong. De verwoesting door dit schepsel aangebracht,
maakte hare wegzending onvermijdelijk; met eene telkens terugkeerende
tusschenregeering van vrouw Kidgerbury volgden een aantal van die
huisplagen elkander op, de eene nog onbruikbaarder dan de andere. De
laatste, waarvan ik mij iets herinner, had een aardig gezichtje en ging
met Dora's hoed op naar de kermis te Greenwich. Van de anderen weet ik
niets dan dat zij allen somtijds de meest uiteenloopende ondeugden en
gebreken hadden.
Iedereen scheen ons te bestelen. Kwamen wij in een winkel, dan werden
oogenblikkelijk de beschadigde goederen voor den dag gehaald. Een
kreeft, die wij kochten bij het gewicht, was vol water. Het vleesch,
dat de slager ons bracht, was taai en het brood, dat aan huis bezorgd
werd, was geheel zonder korst. Ten einde een regel te vinden om vleesch
te roosteren, zoodat het gaar was, sloeg ik zelf het kookboek op en
vond daar dat een pond vleesch een kwartier noodig had en grootere
stukken een kwartier per pond en nog een kwartier daarenboven.
Deze regel faalde echter telkens door de ene of andere noodlottige
omstandigheid, zoodat wij nooit het midden konden vinden tusschen rauw
en verbrand.
Ik had reden te gelooven, dat deze mislukte pogingen ons duurder te
staan kwamen dan een reeks van overwinningen op dit gebied zouden
gedaan hebben. Het winkelboekje van den kruidenier moest wel het
vermoeden wekken, dat wij de geheele kelderverdieping met boter
besmeerden, zulke hoeveelheden hadden wij van dit vette artikel
verorberd. Ik weet niet of tengevolge van den grooteren invoer van
peper een hooger cijfer in de opbrengst der belastingen verkregen werd,
maar indien ons verbruik de markt niet deed stijgen dan moeten, naar
mijne meening, een aantal familiën zich wel geheel van peper gespeend
hebben. Het wonderlijkste van alles was, dat er nooit een korrel in
huis te vinden was.
Dat de waschvrouw ons goed verpandde en in een toestand van volslagen
dronkenschap daarover hare verontschuldigingen kwam aanbieden, zal
iedereen wel eens zijn overkomen. Evenzoo zal iedereen wel eens brand
in den schoorsteen hebben gehad, waaraan de dorpsbrandspuit te pas
moest komen, of het slachtoffer geweest zijn van den valschen eed van
een deurwaarder. Ik vrees echter, dat wij al heel ongelukkig moeten
geweest zijn door een meid te huren met zulk een hartstocht voor
sterken drank, dat de rekening van bier in de herberg vermeerderd werd
met posten, als: „een kwart pintje punch van rhum. (Mevrouw C.); een
kwart pintje jenever met kruidnagelen (Mevrouw C.); een glas rhum met
pepermunt (Mevrouw C.)”—Met die „Mevrouw C.” werd, zooals bij het
verzoek om opheldering bleek, Dora bedoeld, die dus verdacht werd al
deze versnaperingen in eigen persoon te hebben gebruikt.
Een van onze eerste uitspattingen was een klein dinertje met Traddles.
Ik ontmoette hem in de stad en verzocht hem dien namiddag met mij mede
te wandelen. Met graagte nam hij mijne uitnoodiging aan en ik schreef
aan Dora, dat ik mijn vriend zou medebrengen. Het was mooi weer en
gedurende de wandeling praatten wij voortdurend over mijn huiselijk
geluk. Traddles was er vol van en zei dat als hij zich voorstelde
ooit ook zulk een huisje te zullen hebben, waarin Sophie hem met het
middagmaal wachtte, hij zich nu reeds een der gelukkigste stervelingen
waande.
Zeker kon ik mij geen liever vrouwtje wenschen dan daar aan het
tegenovergestelde einde van de tafel zat; wel wenschte ik mij wat meer
ruimte in de kamer toe. Ik weet niet hoe het kwam, maar, hoewel wij
slechts met ons beiden waren, hadden wij toch altijd gebrek aan ruimte
en toch ruimte genoeg om alles te verliezen. Ik vermoed dat het was
omdat niets een vaste plaats had dan Jip's pagode, die altijd in den
weg stond. Bij dit eerste bezoek zat Traddles zoodanig beklemd tusschen
de pagode en de guitaarkist, Dora's schilderezel en mijne schrijftafel,
dat ik ernstig betwijfelde of hij zijn mes en vork wel behoorlijk zou
kunnen hanteeren. Hij joeg echter met zijne gewone goede luim al mijne
bezwaren op de vlucht en zei: „Ik zit als in een oceaan Copperfield!
Als in een oceaan!”
Er was nog iets dat ik wel gewenscht had, namelijk dat men Jip nooit
had aangewend om gedurende het middagmaal over het tafellaken te
loopen. Ik vond eigenlijk zijne aanwezigheid in de kamer geheel niet
zooals het behoorde, zelfs al had hij niet de gewoonte gehad om aan
het zout en de gesmolten boter te ruiken. Bij deze gelegenheid echter
scheen hij te meenen, dat hij er hoofdzakelijk op na werd gehouden om
Traddles aan het schrikken te maken; hij bleef met zulk eene volharding
tegen mijn vriend blaffen en deed telkens zulke onverschrokken
aanvallen op zijn bord, dat hij, om zoo te zeggen, alleen aan het
woord was.
Ik wist echter hoe gevoelig Dora was op dit punt en hoe zwaar elke
veronachtzaming van haar lieveling bij haar woog, zoodat ik hem maar
liet begaan. Dezelfde overweging leidde mij er toe om niets te zeggen
van het groot aantal borden, dat langzamerhand voor Jip's genoegen op
den grond was uitgespreid; evenmin van het olie- en azijnstel, waarin
alles kris en kras door elkander stond alsof de fleschjes dronken
waren; noch van de blokkade, waaraan Traddles langzamerhand hoe langer
hoe meer bloot stond, van ledige schalen en schotels. Ik kon niet
nalaten mij heimelijk te verwonderen, toen ik de gekookte schapebout
begon aan te snijden, over de zonderlinge vormen, die al onze stukken
vleesch gewoonlijk hadden; het vermoeden kwam in mij op, dat onze
slager een contract had aangegaan voor alle mismaakte schapen, die het
levenslicht aanschouwden; maar ik hield deze overpeinzingen binnen.
„Wat hebt gij in dien schotel, lieveling?” vroeg ik aan Dora.
Ik had al niet begrepen, waarom Dora telkens de lippen zoo geheimzinnig
spitste, alsof zij mij wilde kussen.
„Oesters, man,” antwoordde zij aarzelend.
„Hebt gij dat bedacht?” vroeg ik verrast.
„Ja... a, Doady,” zei Dora.
„Gij had niets beters kunnen bedenken!” riep ik, terwijl ik voorsnijmes
en vork weglegde. „Er is niets waarvan Traddles zooveel houdt als van
oesters!”
„Ja... a, Doady,” zei Dora nogmaals, „daarom kocht ik een mooi
schaaltje vol en de man zei dat ze best waren. Maar ik... ik ben bang
dat er iets aan mankeert. Zij lijken mij zoo vreemd toe.” Dora schudde
hare krullen en er blonk in elk oog een diamantje.
„Maak ze maar eens open, lieve,” zei ik, want de schelpen waren nog op
elkander.
„Maar ik kan ze niet open krijgen,” zei Dora, haar best doende, met de
wanhoop op het gelaat.
„Weet gij wat het zijn zal, Copperfield,” zei Traddles, den schotel
aandachtig bekijkend, „ik denk dat... het zijn prachtige oesters... ik
denk dat ze nog nooit opengemaakt zijn.”
Traddles had gelijk; ze waren nog nooit geopend, en wij hadden geen
oestermessen, en al hadden wij ze gehad, zouden wij ze niet hebben
kunnen gebruiken; wij keken dus naar de oesters en aten van de
schapenbout; ten minste wij aten er zooveel van als er gaar van was.
Had ik het niet belet, dan zou Traddles een halven wilde van zich
gemaakt en een bordvol rauw vleesch gegeten hebben, alleen om de tafel
eer aan te doen; zulk een offer op het altaar der vriendschap kon ik
echter niet van hem vorderen. Gelukkig en heel toevallig was er nog
een snee spek in de provisiekast, en zoo deden wij ons maal verder met
gebakken spek.
Mijn arme, kleine vrouwtje was zoo terneergeslagen, omdat zij meende
dat ik verdrietig zou zijn, en zoo blij toen zij zag dat ik het _niet_
was en ik mijn humeur niet liet bederven door het mislukte middagmaal,
dat wij nog een heel aangenamen avond hadden; Dora zat met den arm
over de leuning van mijn stoel, terwijl Traddles en ik een glas wijn
dronken, en nam elke gelegenheid te baat om mij in te fluisteren, hoe
heerlijk zij het vond, dat ik nu niet zoo'n wreede, ondeugende man
geweest was.
Eindelijk schonk zij thee voor ons en dat deed zij altijd zoo aardig,
alsof zij met een poppenserviesje speelde, zoodat ik er niet op
lette of de thee lekker was. Daarna speelden Traddles en ik een paar
partijtjes _cribbage_, terwijl Dora zong met begeleiding van de
guitaar, zoodat ik eene gewaarwording had of onze engagementstijd en
ons huwelijk niets waren dan een heerlijke droom en dat de avond, toen
ik voor de eerste maal hare stem hoorde, nog altijd voortduurde.
Toen Traddles vertrokken was en ik, na hem uitgelaten te hebben, in
onze huiskamer terugkwam, zette Dora haar stoel vlak naast den mijne en
kwam naast mij zitten.
„Het spijt mij zoo,” sprak zij. „Wilt ge uw best doen om mij van alles
te leeren, Doady?”
„Ik moet mij zelve zooveel leeren, Dora,” antwoordde ik.
„Maar gij zijt zoo'n verstandige man; gij kunt zoo goed leeren!”
„Dwaasheid, Rotje!” zei ik.
„Ik had een heel jaar buiten moeten wonen met Agnes,” hernam mijn
vrouwtje na eene lange pauze. Zij had hare handjes op mijn schouder,
liet hare kin er op rusten en keek mij met hare heldere blauwe oogen
strak aan.
„Waarom?” vroeg ik.
„Zij zou mij wel hebben verbeterd en ik zou veel van haar hebben kunnen
leeren,” antwoordde zij.
„Dat zal wel komen met den tijd, liefste. Agnes heeft haar geheele
leven voor haar vader moeten zorgen, bedenk dat toch; toen zij nog een
kind was, was zij reeds dezelfde Agnes als nu.”
„Ik zou zoo gaarne willen dat gij mij bij een zekeren naam noemdet,”
zei Dora, zonder hare houding te veranderen.
„Hoe dan?” vroeg ik glimlachend.
„O, het is een dwaze naam,” antwoordde zij, even haar krullen
schuddende: „Kind-vrouwtje.”
Lachend vroeg ik mijn kind-vrouwtje waarom zij wenschte zoo genoemd te
worden en sloeg tevens mijn arm om haar heen, zoodat hare blauwe oogen
nog dichter bij de mijne kwamen, waarop zij antwoordde:
„Ik bedoel niet, domme jongen, dat gij dezen naam gebruiken zoudt in
plaats van Dora; ik bedoel alleen dat gij aan mij denken moet als aan
uw kind-vrouwtje. Als gij van plan zijt boos op mij te worden, zeg
dan: „zij is ook maar een kind-vrouwtje.” Als ik u nu en dan eens
teleurstel, zeg dan: „ik wist lang te voren reeds, dat zij maar een
kind-vrouwtje zou zijn.” Indien ik niet ben wat ik zoo gaarne zijn
zou en zeker nimmer worden zal, denk dan maar: „mijn kind-vrouwtje
heeft mij zoo innig lief.” Want, dat doe ik, wees daarvan overtuigd.”
Ik had hetgeen zij zeide tot nog toe niet ernstig opgenomen, tot ik nu
bemerkte dat zij wel ernstig was. Haar voor liefde zoo ontvankelijk
hartje begon echter sneller te kloppen, nu ik haar zeide hoe lief
ik haar had, zoodat er weder een glimlach om haar mond verscheen en
hare schitterende oogjes weder droog werden. Een oogenblik later was
zij weder mijn kind-vrouwtje en zat zij op den grond naast Jip's
pagode, waarvan zij alle belletjes liet rinkelen tot straf voor zijne
onbetamelijk gedrag; terwijl Jip in den ingang lag te knipoogen, te lui
zelfs om zich te laten plagen.
Dora's woorden hadden toch een diepen indruk op mij gemaakt. Werp ik
een blik op den tijd, waarover ik schrijf, roep ik het onschuldige
wezentje uit de nevelen van het verleden op, neem ik haar lieve
kopje weder tusschen beide handen; dan kan ik met een gerust geweten
verklaren, dat hare woorden voortdurend in mijn geheugen bleven. Het is
mogelijk dat ik ze niet altijd op de beste wijze heb toegepast, omdat
ik nog jong en onervaren was; maar nooit ben ik doof geweest voor haar
roerend pleidooi.
Eenige tijd later vertelde Dora mij, dat zij nu goed op weg was om
eene volmaakte huishoudster te worden. Zij maakte dan ook een nieuwe
punt aan haar potlood, kocht een reusachtig huishoudboek, herstelde
zoo zorgvuldig mogelijk met naald en draad al de bladeren van het
kookboek, die Jip had gescheurd, en deed wanhopige pogingen om „braaf
te zijn,” zooals zij het noemde. De cijfers waren echter nog even
koppig als vroeger—ze wilden zich niet laten optellen. Wanneer zij
met veel moeite een twee- of drietal posten had geboekt, liep Jip over
de bladzijde en veegde alles met zijn staart uit. De middenvinger van
haar rechter handje was geheel doortrokken van den inkt en naar ik
vermoed was dit het eenige zichtbare resultaat.
Wanneer ik nu en dan des avonds thuis zat te schrijven—ik begon toen
langzamerhand reeds eenigszins bekend te worden als schrijver—gebeurde
het meermalen dat ik mijne pen neerlegde en mijn kind-vrouwtje
gadesloeg, als zij haar best deed om braaf te zijn. Dan begon zij met
het groote huishoudboek voor den dag te halen en met een diepen zucht
voor zich op de tafel te leggen. Daarna opende zij het, waar Jip het
den laatsten avond onleesbaar gemaakt had, en riep Jip om naar zijn
eigen wanbedrijven te kijken. Natuurlijk was dit eene aanleiding om wat
met Jip te stoeien; somtijds ontving hij tot straf een weinig inkt op
zijn neus. Daarna moest Jip onbeweeglijk op de tafel liggen, „als een
leeuw”—dit was een van zijne kunststukken, hoewel ik niet kan zeggen
dat de overeenkomst treffend was—en was hij dan in zijn humeur, dan
gehoorzaamde hij aan het bevel. Dan nam zij eene pen op en begon te
schrijven, maar nu zat er een haar in de pen. Dan nam zij eene andere
pen en begon te schrijven en nu spatte de pen. Dan nam zij een derde
en begon te schrijven en zei heel zachtjes: „O, wat krast die pen, dat
zal Doady storen!” En dan gaf zij het op—het ging niet—en legde het
huishoudboek weg, nadat zij er den leeuw onder had doodgedrukt, zooals
zij beweerde.
Ook zat zij nu en dan, als zij heel ernstig gestemd was, met een klein
mandje met rekeningen en andere gewichtige documenten voor zich, die er
uitzagen als papillotten-papier, en beproefde daaruit eenige wijsheid
te putten. Na de een met de andere vergeleken te hebben begon zij
aanteekeningen te maken op haar leitje, veegde ze weer uit, telde op al
hare vingers na, van voren naar achteren en weer terug en keek dan zoo
treurig, zoo ongelukkig, dat ik wanhopend werd, want de wolk, die over
haar gezichtje lag verspreid, had _ik_ daarop gebracht! En dan sloop ik
zachtjes achter haar en vroeg:
„Wat is het, Dora?”
En dan keek zij o, zoo wanhopend naar mij op en antwoordde: „Het wil
niet uitkomen. Mijn hoofd begint zoo te kloppen van die akelige cijfers
en ze doen nooit wat ik wil!”
„Laten wij 't dan zamen eens probeeren,” zei ik dan. „Laat ik het u
eens leeren, Dora.”
En dan begon ik haar practisch onderwijs te geven en Dora luisterde
ongeveer vijf minuten met de diepste aandacht; maar dan werd zij moe
en verveelde het haar; dan begon zij krulletjes te maken in mijn haar
en sloeg zij mijn boorden neer om te zien, hoe mij die stonden. Ging
ik dit dartele spel dan zwijgend tegen en wilde ik doorzetten, dan
keek zij, naarmate zij meer en meer in de war raakte, zoo angstig, zoo
wanhopend, dat de herinnering aan hare natuurlijke vroolijkheid, toen
ik voor de eerste maal haar levensweg kruiste, en de gedachte, dat zij
mijn kind-vrouwtje was, verwijtend voor mij oprezen; dan legde ik het
potlood neer en haalde de guitaar.
Ik had veel werk en veel zorgen, maar dezelfde overweging deed ze mij
voor mij zelven alleen houden. Ik ben er volstrekt niet zeker van,
dat ik daaraan goed heb gedaan, maar ik deed het ter wille van mijn
kind-vrouwtje. Ik vertrouw al de geheimen van mijn hart aan dit papier
toe en onderwerp het aan een streng onderzoek. Het gevoel, dat ik iets
verloren had, dat mij iets ontbrak, kwam, dat weet ik, meermalen in
mijn hart op, maar het verbitterde mijn leven niet. Wanneer ik bij
mooi weder alleen wandelde en aan de zonnige dagen mijner jeugd dacht,
toen de lucht vervuld was met jongens-idealen, dan miste ik iets in
de verwezenlijking mijner droomen; doch stelde mij tevreden met de
gedachte, dat de zachte glans van het Verleden onmogelijk op het Heden
kon rusten.
Nu en dan kwam de wensch in mij op, dat mijne vrouw mijne raadgeefster
mocht zijn, dat zij wat meer wilskracht, wat standvastiger karakter
mocht hebben en mij zou kunnen steunen en verbeteren; dat er kracht van
haar mocht uitgaan om het ledig, dat ergens voor mij scheen te bestaan,
aan te vullen; maar ik voelde tevens, dat dan mijn geluk volmaakt zou
zijn en aan welk sterveling is volmaakt geluk beschoren!
Hoewel getrouwd, was ik toch nog zeer jong. Ik had nog geen kennis
gemaakt met den verzachtenden invloed van ander verdriet en andere
ondervindingen, dan in de vorige bladzijden zijn vermeld. Heb ik
verkeerdheden begaan—en dat zal ik zonder twijfel—dan beging ik ze
uit misplaatste liefde en uit gebrek aan verstandige leiding in mijne
jongelingsjaren. Ik schrijf niets dan de waarheid. Het zou mij immers
niet meer baten haar te bemantelen!
Ik droeg dus de zorgen van ons leven alleen; zoowel daarin als bij
mijn arbeid miste ik een deelgenoot. Wat de ongeregeldheid van ons
huishouden betrof, daarin kwam weinig verbetering, maar ik had geleerd
er mij in te schikken en tot mijn groot genoegen zag ik Dora zelden
meer verdrietig. Zij was vroolijk en opgeruimd op de haar eigen
kinderlijke wijze, hield zielsveel van mij en was gelukkig te midden
van haar oude beuzelarijen.
Wanneer de debatten in het Parlement lang duurden en ik later dan
gewoonlijk thuis kwam, zou Dora nooit blijven zitten als zij mijn
stap hoorde, maar kwam zij altijd naar beneden om mij te verwelkomen.
Waren mijne avonden niet ingenomen door den arbeid waarvoor ik mij met
zooveel moeite had bekwaamd, dan werkte ik thuis en zat zij stil bij
mij, hoe laat het ook werd, zoo stil, dat ik meer dan eens meende dat
zij in slaap was gevallen. Maar gewoonlijk zag ik, wanneer ik op keek,
hare blauwe oogen met die stille aandacht, waarvan ik reeds melding
maakte, op mij gevestigd.
Op zekeren avond, toen ik mijn lessenaar sloot en onze blikken elkander
ontmoetten, riep Dora uit: „O, wat is mijn jongentje moe!”
„O, wat is mijn vrouwtje moe!” zei ik. „Dat lijkt meer op de waarheid.
Een andermaal moet gij naar bed gaan, lieveling. Het is veel te laat
voor u.”
„Neen, gij moogt mij niet naar bed sturen, hoor!” pleitte zij. „Kom
eens naast mij zitten? Zult gij mij nooit naar bed sturen?”
„Maar, Dora!”
Tot mijne groote verbazing begon zij hard te snikken.
„Voelt gij u niet wel, lieveling?” vroeg ik. „Zijt gij niet gelukkig?”
„Ja, heel wel, heel gelukkig,” antwoordde Dora. „Zeg alleen maar dat ik
naar u mag blijven zitten kijken terwijl gij schrijft.”
„Is dat nu goed voor zulke mooie oogjes?” vroeg ik. „Somtijds tot
middernacht?”
„Zijn ze wezenlijk mooi?” vroeg Dora lachend. „Ik ben blij dat ze zoo
mooi zijn.”
„Klein ijdeltuitje!” antwoordde ik.
Maar het was geen ijdelheid; het was slechts onschuldige blijdschap
over mijne bewondering. Ik wist dat zeer goed, nog voor zij 't mij
vertelde.
„Als gij ze mooi vindt, moet gij ook zeggen dat ik mag opblijven om u
te zien schrijven! Vindt gij ze werkelijk mooi?”
„Heel mooi.”
„Laat mij dan ook naar u blijven kijken.”
„Ik ben bang dat ze dan niet zoo mooi zullen blijven, Dora.”
„O, ja, zeker wel. Ik ben zoo bang dat gij mij zult vergeten, beste,
als gij alleen blijft zitten schrijven en uwe gedachten met allerlei
andere dingen vervuld zijn. Mag ik nu en dan heel zachtjes wat
zeggen?..... Een beetje meer dan gewoonlijk?” vroeg zij, mij over mijn
schouder heen aankijkende.
„Wat zijt gij toch een wonderlijk schepseltje!” zei ik.
„Mag ik de pennen vasthouden en u telkens er een aangeven!” vroeg zij.
„Ik zou zoo gaarne wat te doen hebben, terwijl gij zoo ijverig bezig
zijt. Toe, mag ik de pennen vasthouden?”
De herinnering aan hare blijdschap, toen ik de toestemming gaf, brengt
mij nu nog tranen in de oogen. In het vervolg zat zij altijd op
hetzelfde plekje naast mij, met een bos pennen in de hand. Haar gevoel
van gewicht, nu zij aan mijn arbeid verbonden was, hare blijdschap,
wanneer ik een nieuwe pen vroeg—menigmaal veinsde ik er een noodig te
hebben—openden mij een nieuwen weg om mijn kind-vrouwtje genoegen te
verschaffen. Op zekeren avond gaf ik voor, dat eenige pagina's van mijn
manuscript noodzakelijk moesten worden overgeschreven. Nu was Dora's
geluk volmaakt! De toebereidselen, die zij tot dit reuzenwerk maakte;
de schort, die zij voordeed; de doekjes die zij uit de keuken haalde,
voor het geval dat zij eens met inkt mocht morsen; de tijd, dien zij
noodig had; de ontelbare malen dat zij ophield om met Jip te spelen
en te lachen, alsof hij er alles van begreep; de overtuiging, dat
haar werk niet af was, als zij er haar naam niet onder had geplaatst;
en de wijze waarop zij het mij bracht, en toen ik haar prees, mij
omhelsde—dat zijn alle aandoenlijke herinneringen, hoe eenvoudig ze
anderen ook mogen toeschijnen.
Korten tijd daarna nam zij alle sleutels onder hare hoede en liep
rammelend door het huis met den geheelen bos in een mandje, dat om
haar tenger middeltje gebonden was. Zelden vond ik de deuren, waarop
ze behoorden, gesloten—ze dienden eigenlijk alleen tot speelgoed voor
Jip—maar het gaf Dora genoegen, en mij dus ook. Zij was overtuigd dat
met dit spelletje een groot gedeelte van hare huishoudelijke plichten
was vervuld; en zoo blij alsof wij voor de grap huishoudentje speelden.
En zoo ging ons leven voort. Dora hield bijna even veel van tante als
van mij, en vertelde haar herhaaldelijk van den tijd, toen zij bang was
geweest, dat zij een „ondeugend, oud wijf” was. Ik zag tante nooit met
iemand zoo zacht omspringen als met mijn kind-vrouwtje. Zij haalde Jip
aan, hoewel Jip hare vriendschap nooit beantwoordde; zij luisterde,
dag op dag, naar de guitaar, hoewel zij geen greintje verstand had van
muziek; zei nooit iets tegen onze huisplagen, hoewel de verzoeking meer
dan eenmaal zeer groot moet zijn geweest; legde verbazende afstanden af
om allerlei prulletjes voor Dora te koopen, als zij maar even vernomen
had dat Dora iets gaarne wilde hebben; en nooit kwam zij door den tuin
in huis of, als zij Dora niet onmiddellijk vond, riep zij: Waar is
„Klein-Bloesempje?”