Nog een terugblik.
Laat mij nogmaals bij een gedenkwaardig tijdstip in mijn leven blijven
stilstaan. Laat mij ter zijde gaan staan, om de gebeurtenissen uit die
dagen, door mijn eigen schim vergezeld, in een somberen stoet te zien
voorbijtrekken.
Weken, maanden, geheele jaargetijden, trekken langs mij heen. In mijne
herinnering schijnen ze niet langer geduurd te hebben dan een zomerdag
en een winteravond. Nu staat de weide, waarin ik met Dora wandel, in
vollen bloei—een schitterend goudveld; nu liggen heide, bosch en
struik onder een bed van sneeuw bedolven. Als door een ademtocht wordt
de in het zonlicht schitterende rivier, die des Zondags onze wandeling
begrenst, door den Noordenwind gerimpeld of met puntige ijsschotsen
gevuld. Sneller dan ooit eene rivier naar de zee stroomde, doemt het
op, wordt helderder en helderder, snelt voorbij en verdwijnt in de
duisternis.
Geen spijker is verslagen, geen schilderij verhangen in de woning van
de twee vogeltjes. De pendule tikt boven den haard, het weerglas hangt
in de gang. Geen van beide wijst ooit zuiver, maar wij gelooven er toch
met den grootsten eerbied aan.
Ik heb langzamerhand den leeftijd van eenentwintig jaren, den
mannelijken leeftijd, bereikt. Ik voel mijne waardigheid toenemen, eene
waardigheid, die opgedrongen kan worden. Laat mij daarom eens nagaan,
wat ik door eigen kracht heb verworven.
Ik heb dat bijna ondoorgrondelijke geheim der stenographie onder de
knie gekregen en mij daardoor een behoorlijk inkomen verworven. Ik
heb een goeden naam gekregen door mijne bekwaamheid in alles wat deze
kunst betreft, en ben met elf anderen aangesteld om de verslagen van
het Parlement te leveren in een ochtendblad. Avond aan avond houd ik
aanteekening van voorspellingen, die nooit uitkomen, van beloften, die
nooit worden vervuld, van verklaringen, die alleen worden gegeven, om
anderen een rad voor de oogen te draaien. Ik zwem letterlijk in mooie
woorden. De ongelukkige vrouw Brittannië lijkt mij een opgemaakte vogel
toe: aan alle zijden doorstoken met kantoorpennen en aan handen en
voeten gebonden met rood band. Ik heb genoeg achter de schermen gekeken
om de politiek op hare juiste waarde te schatten en ben daardoor een
ongeloovige geworden, die zich niet licht zal laten bekeeren.
Mijn oude vriend Traddles heeft hetzelfde vak gekozen, maar hij komt
niet verder. Hij draagt deze teleurstelling even welgemoed als alle
andere, en brengt mij telkens in herinnering, dat hij nooit hooge
gedachten van zichzelven heeft gekoesterd. Hij werkt nu en dan voor
hetzelfde nieuwsblad, door uit andere bladen dorre feiten op te zoeken,
die dan door vruchtbaarder geesten worden overgeschreven en opgesierd.
Ook is hij bij de balie aangesteld; met bewonderenswaardige vlijt en
opofferingen van allerlei aard heeft hij de tweede honderd pond bijeen
weten te brengen, die hij storten moest. Bij zijne benoeming werd eene
aanzienlijke hoeveelheid warme portwijn gedronken, maar het bedrag in
aanmerking genomen, vermoed ik dat de Inner Temple er voordeel bij
heeft gehad.
Ik heb nog iets anders ter hand genomen. Met angst en vreeze heb ik
de pen opgevat en in het geheim eenige stukjes voor een tijdschrift
geschreven, die ook geplaatst zijn. Sedert ben ik daarmede voortgegaan
en wordt er nu geregeld voor betaald. Alles te zamen genomen, gaat het
mij goed; als ik mijn inkomen op de vingers van mijn linkerhand natel,
kom ik den derden vinger voorbij en blijf bij het middelste lid van den
vierden steken. Wij wonen niet meer in Buckingham-street, maar in een
aardig klein huisje dichtbij hetgeen ik gezien heb toen ik pas verliefd
was. Tante, die haar huisje te Dover voordeelig verkocht heeft, zal
hier echter niet blijven, maar is van plan een optrekje te huren in
onze onmiddellijke nabijheid. In _onze_? Wat zou dat beduiden? Ga ik
trouwen? Ja waarlijk!
Ja! Ik ga trouwen met Dora! Juffrouw Lavinia en juffrouw Clarissa
hebben hare toestemming gegeven en als ooit kanarievogeltjes gejaagd
heen en weer gefladderd hebben dan zijn zij het geweest. Juffrouw
Lavinia, die zich zelve het oppertoezicht heeft opgedragen over het
uitzet van mijne lieveling, is voortdurend bezig met patronen te
knippen uit bruin papier en heeft meermalen verschil met een knap jong
mensch, die een groot pak en een el onder den arm draagt. Een naaister,
die een naald met een lange draad op de borst draagt, is aangenomen
met kost en inwoning; het komt mij voor dat zij, ook niet wanneer zij
eet, drinkt of slaapt, haar vingerhoed nooit aflegt. Zij maken een
ledepop van mijn lieveling, want het passen en meten gaat den geheelen
dag door. Wij kunnen des avonds geen vijf minuten rustig bij elkander
zitten of het een of andere lastige vrouwspersoon klopt aan de deur en
roept: „Als 't u gelegen komt, juffrouw Dora, wil u eens boven komen?”
Juffrouw Clarissa zwerft met mijne tante heel Londen door om
huishoudelijke benoodigdheden uit te zoeken, die ik daarna met Dora
moet gaan bekijken. Het zou wel zoo doelmatig zijn als zij maar in
eens tot den koop besloten, zonder ons oordeel te vragen: want eens op
haardgereedschap voor de keuken uit zijnde, ontwaart Dora plotseling
een Chineesch huisje voor Jip, met kleine klokjes aan het dak, en geeft
daaraan verre de voorkeur. Nadat wij het gekocht hebben, duurt het
ontzettend lang eer Jip aan zijn nieuwe woning gewend is, want telkens
als hij er in of uitgaat, beginnen de klokjes te bellen, hetgeen hem
een doodsangst op het lijf jaagt.
Daar verschijnt Peggotty en wordt terstond aan het werk gezet. Het
schijnt dat zij geen andere taak heeft dan alles telkens weer opnieuw
schoon te maken. Alles wat daartoe in de termen valt, wordt door haar
gewreven tot het blinkt, evenals haar eigen eerlijk voorhoofd.
En nu komt haar broeder mij in de gedachte; ik zie hem eenzaam door
de straten wandelen, bij dag en des avonds, en alle voorbijgangers in
het gelaat kijken. Ik vergezel hem meermalen op deze wandelingen, maar
spreek niet met hem. Ik weet te goed wat hij zoekt en wat hij vreest,
als hij daar zoo ernstig voortwandelt.
Waarom kijkt Traddles zoo bijzonder deftig, als hij mij op dien
namiddag in de Commons komt opzoeken, waar ik—voor den vorm—nog
wel eens heenga als ik tijd heb. De verwezenlijking van mijne
jongensdroomen is op handen. Ik ga een huwelijkslicencie halen. Het
is een klein stukje papier, dat toch zooveel kracht bezit; Traddles
bekijkt het, terwijl het op mijne schrijftafel ligt, met bewondering
en ontzag. Daar staan nu de namen, zooals ik ze in mijne verbeelding
reeds zoo dikwerf heb zien staan, zoo vertrouwelijk naast elkander:
David Copperfield en Dora Spenlow; en daar in den hoek het zegel,
dat zoo onafscheidelijk verbonden is aan onderscheidene handelingen
in het leven van den mensch; het schijnt vol belangstelling op onze
verbintenis neer te zien; en de Aarts-Bisschop van Canterbury spreekt
op papier den zegen over ons uit, zoo goedkoop als het maar eenigszins
verwacht kan worden.
Toch verkeer ik nog in een droom, in een onrustigen, maar gelukkigen
droom. Ik kan niet gelooven, dat het werkelijk zoo zijn zal en kan
niet van mij afzetten, dat niet iedereen op straat aan mij zien kan
dat ik overmorgen ga trouwen. Het Hof kent mij en als ik den eed kom
afleggen, word ik zoo vlug geholpen, alsof ik tot de familie behoor—om
het zoo maar eens uit te drukken. Traddles is er volstrekt niet bij
noodig, maar blijft toch op mij wachten.
„Ik hoop,” zeg ik, „dat gij hier spoedig voor u zelven komen moogt.”
„Ontvang mijn dank voor dien goeden wensch, beste Copperfield,”
antwoordt hij. „Ik hoop het ook. Het is echter eene geruststelling, dat
zij op mij wachten zal tot in lengte van dagen en dat zij werkelijk het
liefste meisje is....”
„Wanneer moet gij aan de diligence zijn om haar af te halen?” vroeg ik.
„Om zeven uur”, zegt Traddles, op zijn zwaar zilveren horloge
kijkende—hetzelfde waaruit hij op school eens een raadje nam om een
watermolen te maken. „Dus ongeveer op hetzelfde uur als juffrouw
Wickfield komt, is 't niet?”
„Een weinig vroeger. Juffrouw Wickfield komt om half negen.”
„Ik verzeker u, beste kerel”, zegt Traddles, „dat ik bijna even blij
ben alsof ik zelf ging trouwen, nu ik bedenk, dat voor u alles zoo goed
is afgeloopen. Uw bewijs van vriendschap en achting, dat gij mij geeft
door Sophie met juffrouw Wickfield als bruidsmeisjes te vragen, eischt
mijn warmsten dank. Ik kan u dat niet genoeg zeggen.”
Ik hoor hem nog spreken; ik voel zijn handdruk nog en wij babbelen en
wandelen en gebruiken samen het middagmaal en .... en toch lijkt alles
mij een droom. Het kan geen werkelijkheid zijn.
Op het afgesproken tijdstip komt Sophie bij Dora's tantes aan huis. Zij
heeft een innemend gezichtje—niet mooi, maar buitengewoon innemend—en
is het verstandigste, aantrekkelijkste, ongekunsteldste schepseltje,
dat ik ooit ontmoet heb. Traddles stelt haar aan ons voor en wij zien
hoe trotsch hij op haar is; tien minuten lang—ik ga het na op de
pendule—wrijft hij in zijne handen; geen haartje op zijn hoofd, dat
niet rechtop staat; ik feliciteer hem in een hoek van de kamer met
zijne keuze. Ik heb Agnes van de diligence gehaald en haar lief, mooi
gezichtje is voor de tweede maal in ons midden. Agnes is zeer ingenomen
met Traddles; de ontmoeting is buitengewoon hartelijk en ik geniet bij
het zien van de verrukking, waarmede Traddles het liefste meisje van de
wereld aan haar voorstelt.
Toch kan ik het nog niet gelooven. Wij hebben een heerlijken avond en
zijn allen hoogst gelukkig; maar toch kan ik het nog niet gelooven.
Ik kan niet goed denken; ik besef mijn geluk niet, terwijl het toch
werkelijk zoo is. Ik ben duizelig en zie alles door een nevelig waas,
alsof ik een paar weken geleden eens heel vroeg opgestaan en daarna
niet meer naar bed geweest ben. Ik kan mij den dag van gisteren niet
goed voorstellen en het komt mij voor, of ik de huwelijkslicencie al
maanden lang met mij rondgedragen heb.
Den volgenden dag, als wij allen te zamen ons huisje bezoeken—het
huisje van Dora en mij!—voel ik mij nog net eender; ik ben zelfs
niet in staat, om in die woning als heer en meester op te treden. Het
schijnt mij toe alsof ik daar ben met toestemming van een ander. Ik
verwacht half en half den werkelijken heer des huizes en denk dat hij
blijde zijn zal mij te zien. En het is zoo'n aardig huisje, alles is er
zoo nieuw en zoo helder; de bloemen op de tapijten schijnen zoo juist
geplukt, de groene bladeren in het behangsel zoo juist uitgebot te
zijn; en dan die kraakheldere neteldoeksch gordijnen en de donkerroode
trijp van de canapee en de stoelen, en Dora's tuinhoed met de blauwe
linten—ik herinner mij zoo goed hoe lief ik haar vond, toen ik haar
dien eersten morgen in den tuin ontmoette met een dergelijken hoed
op!—hing reeds aan het kleine kapstokje; de guitaarkist scheen zich al
thuis te voelen in haar hoekje, en iedereen tuimelt over Jip's pagode,
die veel te groot is voor ons tilletje.
Nog zulk een gelukkigen avond, waarop mij alles nog een droom
toeschijnt en aan het einde waarvan ik stilletjes de huiskamer
binnensluip, voor ik wegga. Dora is er niet. Ik onderstel, dat zij
weder aan het passen zijn. Juffrouw Lavinia kijkt om een hoekje en
vertelt mij heel geheimzinnig dat „het” niet lang meer duurt. Toch
blijft Dora tamelijk lang weg, maar eindelijk hoor ik geritsel en
geschuifel aan de deur. Er wordt geklopt. Ik roep: „Binnen!” maar er
wordt nog eens geklopt. Ik ga naar de deur, nieuwsgierig om te weten,
wie dat zijn kan en daar zie ik in een paar schitterende oogen en een
blozend gelaat; het is Dora! Juffrouw Lavinia heeft haar als bruid
getooid, geheel zooals zij er morgen zal uitzien! Ik druk mijn kleine
vrouwtje aan mijn hart en juffrouw Lavinia geeft een gilletje, omdat
ik het hoedje plat druk. Dora lacht en schreit te gelijk, omdat ik zoo
verrukt ben en.... ik geloof het nog minder dan gisteren.
„Vindt gij mij mooi, Doady?” vraagt Dora.
„O, Dora, ik kan u niet zeggen, hoe mooi ik u vind!”
„En zijt gij wel zeker, dat gij heel veel van mij houdt?”
Deze vraag brengt het hoedje zoodanig in gevaar, dat juffrouw Lavinia
nog een gilletje geeft en mij verzoekt te begrijpen, dat ik alleen maar
naar Dora mag kijken en haar onder geen voorwendsel aanraken. En daar
staat zij, verrukkelijk in haar verlegenheid, om gedurende een of twee
minuten bewonderd te worden: toen neemt zij haar hoed af—wat ziet zij
er nu veel natuurlijker uit!—en snelt weg met den hoed in de hand;
daarna komt zij dansende terug in haar gewone toilet en vraagt aan Jip
of ik een mooi, klein vrouwtje krijg en of hij het haar vergeven wil
dat zij gaat trouwen, en knielt neer om hem op het kookboek te laten
opzitten—voor de laatste maal in haar zorgeloos leventje.
Ik ga, ongelooviger dan ooit, naar huis, d. i. naar eene kamer, die ik
in de onmiddellijke nabijheid gehuurd heb, en sta den volgenden morgen
heel vroeg op, om naar den straatweg naar Highgate te rijden, waar ik
tante moet afhalen.
Ik heb tante nooit met zooveel zorg gekleed gezien. Zij draagt een
lavendelkleurige zijden japon en een witten hoed—'t was verbazend.
Janet heeft haar geholpen en is meegekomen om mij nog eens te zien.
Peggotty is gereed om naar de kerk te gaan, waar zij, op de galerij
zittende, de plechtigheid zal bijwonen. Mijnheer Dick, die mij aan het
altaar mijn bruidje zal overgeven, heeft zijn haar laten friseeren.
Traddles, dien ik volgens afspraak aan het tolhek heb opgenomen, geeft
een mengeling te aanschouwen van roomkleur en lichtblauw: wanneer ik
mij mijnheer Dick en Traddles van dien gedenkwaardigen morgen voorstel,
zie ik in mijne verbeelding niets dan handschoenen. Ik zie dit alles,
omdat ik weet, dat het zoo is; maar eigenlijk zie ik niets. Ik kan
het nog maar niet gelooven. Maar toch, als wij eindelijk in een open
rijtuig naar de kerk rijden, is het toch geen sprookje meer voor mij en
voel ik een vreemdsoortig medelijden voor de ongelukkigen, die er geen
deel aan hebben en uit hunne winkels komen loopen, om ons na te kijken
en daarna weder aan hunne dagelijksche bezigheden te gaan.
Tante zit gedurende den geheelen rit met mijne hand in de hare. Als wij
op eenigen afstand van de kerk stil houden om Peggotty af te zetten,
die wij op den bok hebben medegenomen, drukt zij mijne hand hartelijk
en geeft mij een kus.
„God zij met u, Trot! Mijn eigen kind zou mij niet liever kunnen zijn.
Ik denk van morgen aan dat arme lieve moedertje van u.”
„Ik ook, tante, maar niet minder aan alles wat gij voor mij geweest
zijt.”
„Stil, kind!” zegt zij en geeft in overgroote hartelijkheid hare hand
aan Traddles, die haar aan Dick geeft, waarna deze mij zijne hand geeft
en de mijne aan Traddles en.... nu zijn wij bij de kerk.
Het is zeer stil in de kerk, maar ik had even goed een stoomweverij in
vollen gang kunnen binnenkomen, zoo weinig indruk maakte de stilte op
mij.
Mijne gedachten zijn daartoe te ver weg.
Al het overige lijkt mij een meer of min verwarde droom toe, waarin ik
ze met Dora zie binnenkomen; waarin de plaatsbewaarster ons, als een
sergeant zijne rekruten, voor het altaarhek in gelid schaart; waarin ik
niet kan nalaten te denken waarom die plaatsbewaarsters altijd vrouwen
van de onaangenaamste soort moeten zijn, alsof men bevreesd is dat een
opgewekt humeur storend op de ziel zal werken en daarom zulke vaten
azijn op den weg naar den Hemel plaatst.
Ik zie den geestelijke en den koster binnenkomen, benevens eenige
visschers en vrouwen; ik ruik de rumlucht nog van een ouden zeeman, die
achter mij plaats genomen heeft; ik hoor nog hoe plechtig de dienst
begint en zie ons allen aandachtig luisteren.
Juffrouw Lavinia, die half en half als hulpbruidsmeisje fungeert en
de eerste is, die schreit—ik houd het er voor dat deze tranen eene
stille hulde zijn aan de nagedachtenis van Pidger—juffrouw Clarissa
die telkens haar reukfleschje noodig heeft; Agnes, die voor Dora zorgt;
mijne tante, die haar best doet om een toonbeeld van ongevoeligheid te
zijn, terwijl de tranen over hare wangen rollen; mijne kleine Dora, die
beeft als een espenblad en hare antwoorden nauw hoorbaar uitspreekt....
Wij knielen naast elkander; Dora beeft minder dan zoo even; maar houdt
Agnes nog steeds vast; de dienst gaat kalm en plechtig voort en na
afloop glimlachen wij allen door onze tranen heen; mijn jonge vrouwtje
is erg zenuwachtig in de kerkekamer en roept om haar armen papa, haar
lieven papa. Zij laat zich spoedig troosten en allen teekenen het
register. Ik ga naar de galerij om Peggotty te halen, want zij moet ook
teekenen; Peggotty trekt mij in een hoekje en zegt: „ik heb uw lieve
moedertje ook zien trouwen.” En nu is alles afgeloopen en gaan wij
heen....
Ik neem de hand van mijn bekoorlijk vrouwtje en leg die teeder op mijn
arm en wandel trotsch met haar door de lange gang, tusschen rijen
nieuwsgierigen, preekstoelen, graftombes, kerkbanken, doopvonten,
engelen en beschilderde ramen door; ik zie alles in een nevel en word
telkens herinnerd aan de kerk te Blunderstone.....
Ik hoor hier en daar fluisteren, terwijl wij voortgaan, „wat een jong
paartje.” „Wat een mooi bruidje!” En op den terugrit zijn wij allen zoo
vroolijk en zoo spraakzaam en Sophie vertelt ons, dat zij bijna flauw
was gevallen van den schrik, toen zij aan Traddles om de licencie
had hooren vragen—ik had hem dit gewichtig document in bewaring
gegeven—want zij meende stellig dat hij het verloren of vergeten zou
hebben. En ik zie Agnes lachen en Dora is zoo verrukt van Agnes, dat
zij niet van haar wil scheiden en nog steeds hare hand vasthoudt.....
Wij zitten aan het dejeuner, dat uitmuntend is en wij eten en drinken
en ik eet en drink ook, maar, zooals in elken anderen droom, zonder
iets te proeven; ik eet, om het zoo maar eens uit te drukken, niets
dan liefde en trouwbeloften en sla evenmin geloof aan de verschillende
spijzen als aan iets anders. Ik houd een toespraak, ook in dienzelfden
toestand van droomerigheid, zonder te weten wat ik zeggen moet, alleen
heb ik een onbestemde vrees van tweemaal hetzelfde te zullen zeggen.....
Wij blijven eenigen tijd heel genoegelijk en in eene gelukkige stemming
bijeen—altijd echter in een droom—en Jip krijgt een stuk van de
bruidstaart, dat hem later slecht bekomt.
Als de postpaarden voorkomen, staat Dora op om zich te verkleeden en
blijven mijne tante en juffrouw Clarissa bij ons; wij wandelen in den
tuin, en tante, die een toost heeft ingesteld op Dora's tantes, is in
de vroolijkste stemming en ook een weinig trotsch op haar heldenstukje.
Dora is gereed en juffrouw Lavinia blijft nog om haar heen draaien,
alsof zij niet kan besluiten het aardige speelpopje, dat zulk eene
aangename afwisseling voor haar geweest is, af te staan. En Dora doet
allerlei ontdekkingen, de eene nog verrassender dan de andere, van
dingen, die zij nog vergeten heeft, en iedereen snelt op zijn beurt
heen om ze te halen.
En als zij eindelijk begint afscheid te nemen, dringen allen zich om
Dora heen en het bonte groepje gelijkt een bloembed in vollen bloei.
Mijn lieveling wordt bijna begraven onder al die bloemen en komt er
eindelijk, lachend en schreiend, onder uit en in mijne verlangend
uitgestrekte armen.
Ik wil Jip dragen, die met ons mede zal gaan, maar Dora zegt dat zij
het doen zal, want Jip zou anders denken dat zij niet meer van hem
houdt, nu zij getrouwd is, en dat zou hij nooit te boven komen. En nu
gaan wij arm in arm heen en Dora blijft staan, kijkt om en zegt: „Als
ik ooit tegen iemand onvriendelijk of ondankbaar geweest ben, vergeet
het dan!” waarna zij in tranen uitbarst.
En nu wuift zij met haar kleine handje den achterblijvenden een vaarwel
toe en gaan wij door; maar nogmaals blijft zij staan en snelt naar
Agnes, die hare laatste kussen en handdrukjes in ontvangst neemt.
Wij rijden weg en nu ontwaak ik uit mijn droom. Nu geloof ik het
eindelijk. Mijn innig geliefd, klein vrouwtje zit naast mij en ik heb
haar o, zoo lief!
„Zijt gij nu gelukkig, dwaze jongen?” vraagt Dora, „en zijt gij er wel
zeker van dat 't u nimmer berouwen zal?”
* * * * *
Ik heb ter zijde gestaan toen de gebeurtenissen uit die dagen mij
voorbij gleden. En nu zijn ze voorbij en neem ik den draad van mijn
verhaal weer op.