XLIII.

Nog een terugblik.

Laat mij nogmaals bij een gedenkwaardig tijdstip in mijn leven blijven

stilstaan. Laat mij ter zijde gaan staan, om de gebeurtenissen uit die

dagen, door mijn eigen schim vergezeld, in een somberen stoet te zien

voorbijtrekken.

Weken, maanden, geheele jaargetijden, trekken langs mij heen. In mijne

herinnering schijnen ze niet langer geduurd te hebben dan een zomerdag

en een winteravond. Nu staat de weide, waarin ik met Dora wandel, in

vollen bloei—een schitterend goudveld; nu liggen heide, bosch en

struik onder een bed van sneeuw bedolven. Als door een ademtocht wordt

de in het zonlicht schitterende rivier, die des Zondags onze wandeling

begrenst, door den Noordenwind gerimpeld of met puntige ijsschotsen

gevuld. Sneller dan ooit eene rivier naar de zee stroomde, doemt het

op, wordt helderder en helderder, snelt voorbij en verdwijnt in de

duisternis.

Geen spijker is verslagen, geen schilderij verhangen in de woning van

de twee vogeltjes. De pendule tikt boven den haard, het weerglas hangt

in de gang. Geen van beide wijst ooit zuiver, maar wij gelooven er toch

met den grootsten eerbied aan.

Ik heb langzamerhand den leeftijd van eenentwintig jaren, den

mannelijken leeftijd, bereikt. Ik voel mijne waardigheid toenemen, eene

waardigheid, die opgedrongen kan worden. Laat mij daarom eens nagaan,

wat ik door eigen kracht heb verworven.

Ik heb dat bijna ondoorgrondelijke geheim der stenographie onder de

knie gekregen en mij daardoor een behoorlijk inkomen verworven. Ik

heb een goeden naam gekregen door mijne bekwaamheid in alles wat deze

kunst betreft, en ben met elf anderen aangesteld om de verslagen van

het Parlement te leveren in een ochtendblad. Avond aan avond houd ik

aanteekening van voorspellingen, die nooit uitkomen, van beloften, die

nooit worden vervuld, van verklaringen, die alleen worden gegeven, om

anderen een rad voor de oogen te draaien. Ik zwem letterlijk in mooie

woorden. De ongelukkige vrouw Brittannië lijkt mij een opgemaakte vogel

toe: aan alle zijden doorstoken met kantoorpennen en aan handen en

voeten gebonden met rood band. Ik heb genoeg achter de schermen gekeken

om de politiek op hare juiste waarde te schatten en ben daardoor een

ongeloovige geworden, die zich niet licht zal laten bekeeren.

Mijn oude vriend Traddles heeft hetzelfde vak gekozen, maar hij komt

niet verder. Hij draagt deze teleurstelling even welgemoed als alle

andere, en brengt mij telkens in herinnering, dat hij nooit hooge

gedachten van zichzelven heeft gekoesterd. Hij werkt nu en dan voor

hetzelfde nieuwsblad, door uit andere bladen dorre feiten op te zoeken,

die dan door vruchtbaarder geesten worden overgeschreven en opgesierd.

Ook is hij bij de balie aangesteld; met bewonderenswaardige vlijt en

opofferingen van allerlei aard heeft hij de tweede honderd pond bijeen

weten te brengen, die hij storten moest. Bij zijne benoeming werd eene

aanzienlijke hoeveelheid warme portwijn gedronken, maar het bedrag in

aanmerking genomen, vermoed ik dat de Inner Temple er voordeel bij

heeft gehad.

Ik heb nog iets anders ter hand genomen. Met angst en vreeze heb ik

de pen opgevat en in het geheim eenige stukjes voor een tijdschrift

geschreven, die ook geplaatst zijn. Sedert ben ik daarmede voortgegaan

en wordt er nu geregeld voor betaald. Alles te zamen genomen, gaat het

mij goed; als ik mijn inkomen op de vingers van mijn linkerhand natel,

kom ik den derden vinger voorbij en blijf bij het middelste lid van den

vierden steken. Wij wonen niet meer in Buckingham-street, maar in een

aardig klein huisje dichtbij hetgeen ik gezien heb toen ik pas verliefd

was. Tante, die haar huisje te Dover voordeelig verkocht heeft, zal

hier echter niet blijven, maar is van plan een optrekje te huren in

onze onmiddellijke nabijheid. In _onze_? Wat zou dat beduiden? Ga ik

trouwen? Ja waarlijk!

Ja! Ik ga trouwen met Dora! Juffrouw Lavinia en juffrouw Clarissa

hebben hare toestemming gegeven en als ooit kanarievogeltjes gejaagd

heen en weer gefladderd hebben dan zijn zij het geweest. Juffrouw

Lavinia, die zich zelve het oppertoezicht heeft opgedragen over het

uitzet van mijne lieveling, is voortdurend bezig met patronen te

knippen uit bruin papier en heeft meermalen verschil met een knap jong

mensch, die een groot pak en een el onder den arm draagt. Een naaister,

die een naald met een lange draad op de borst draagt, is aangenomen

met kost en inwoning; het komt mij voor dat zij, ook niet wanneer zij

eet, drinkt of slaapt, haar vingerhoed nooit aflegt. Zij maken een

ledepop van mijn lieveling, want het passen en meten gaat den geheelen

dag door. Wij kunnen des avonds geen vijf minuten rustig bij elkander

zitten of het een of andere lastige vrouwspersoon klopt aan de deur en

roept: „Als 't u gelegen komt, juffrouw Dora, wil u eens boven komen?”

Juffrouw Clarissa zwerft met mijne tante heel Londen door om

huishoudelijke benoodigdheden uit te zoeken, die ik daarna met Dora

moet gaan bekijken. Het zou wel zoo doelmatig zijn als zij maar in

eens tot den koop besloten, zonder ons oordeel te vragen: want eens op

haardgereedschap voor de keuken uit zijnde, ontwaart Dora plotseling

een Chineesch huisje voor Jip, met kleine klokjes aan het dak, en geeft

daaraan verre de voorkeur. Nadat wij het gekocht hebben, duurt het

ontzettend lang eer Jip aan zijn nieuwe woning gewend is, want telkens

als hij er in of uitgaat, beginnen de klokjes te bellen, hetgeen hem

een doodsangst op het lijf jaagt.

Daar verschijnt Peggotty en wordt terstond aan het werk gezet. Het

schijnt dat zij geen andere taak heeft dan alles telkens weer opnieuw

schoon te maken. Alles wat daartoe in de termen valt, wordt door haar

gewreven tot het blinkt, evenals haar eigen eerlijk voorhoofd.

En nu komt haar broeder mij in de gedachte; ik zie hem eenzaam door

de straten wandelen, bij dag en des avonds, en alle voorbijgangers in

het gelaat kijken. Ik vergezel hem meermalen op deze wandelingen, maar

spreek niet met hem. Ik weet te goed wat hij zoekt en wat hij vreest,

als hij daar zoo ernstig voortwandelt.

Waarom kijkt Traddles zoo bijzonder deftig, als hij mij op dien

namiddag in de Commons komt opzoeken, waar ik—voor den vorm—nog

wel eens heenga als ik tijd heb. De verwezenlijking van mijne

jongensdroomen is op handen. Ik ga een huwelijkslicencie halen. Het

is een klein stukje papier, dat toch zooveel kracht bezit; Traddles

bekijkt het, terwijl het op mijne schrijftafel ligt, met bewondering

en ontzag. Daar staan nu de namen, zooals ik ze in mijne verbeelding

reeds zoo dikwerf heb zien staan, zoo vertrouwelijk naast elkander:

David Copperfield en Dora Spenlow; en daar in den hoek het zegel,

dat zoo onafscheidelijk verbonden is aan onderscheidene handelingen

in het leven van den mensch; het schijnt vol belangstelling op onze

verbintenis neer te zien; en de Aarts-Bisschop van Canterbury spreekt

op papier den zegen over ons uit, zoo goedkoop als het maar eenigszins

verwacht kan worden.

Toch verkeer ik nog in een droom, in een onrustigen, maar gelukkigen

droom. Ik kan niet gelooven, dat het werkelijk zoo zijn zal en kan

niet van mij afzetten, dat niet iedereen op straat aan mij zien kan

dat ik overmorgen ga trouwen. Het Hof kent mij en als ik den eed kom

afleggen, word ik zoo vlug geholpen, alsof ik tot de familie behoor—om

het zoo maar eens uit te drukken. Traddles is er volstrekt niet bij

noodig, maar blijft toch op mij wachten.

„Ik hoop,” zeg ik, „dat gij hier spoedig voor u zelven komen moogt.”

„Ontvang mijn dank voor dien goeden wensch, beste Copperfield,”

antwoordt hij. „Ik hoop het ook. Het is echter eene geruststelling, dat

zij op mij wachten zal tot in lengte van dagen en dat zij werkelijk het

liefste meisje is....”

„Wanneer moet gij aan de diligence zijn om haar af te halen?” vroeg ik.

„Om zeven uur”, zegt Traddles, op zijn zwaar zilveren horloge

kijkende—hetzelfde waaruit hij op school eens een raadje nam om een

watermolen te maken. „Dus ongeveer op hetzelfde uur als juffrouw

Wickfield komt, is 't niet?”

„Een weinig vroeger. Juffrouw Wickfield komt om half negen.”

„Ik verzeker u, beste kerel”, zegt Traddles, „dat ik bijna even blij

ben alsof ik zelf ging trouwen, nu ik bedenk, dat voor u alles zoo goed

is afgeloopen. Uw bewijs van vriendschap en achting, dat gij mij geeft

door Sophie met juffrouw Wickfield als bruidsmeisjes te vragen, eischt

mijn warmsten dank. Ik kan u dat niet genoeg zeggen.”

Ik hoor hem nog spreken; ik voel zijn handdruk nog en wij babbelen en

wandelen en gebruiken samen het middagmaal en .... en toch lijkt alles

mij een droom. Het kan geen werkelijkheid zijn.

Op het afgesproken tijdstip komt Sophie bij Dora's tantes aan huis. Zij

heeft een innemend gezichtje—niet mooi, maar buitengewoon innemend—en

is het verstandigste, aantrekkelijkste, ongekunsteldste schepseltje,

dat ik ooit ontmoet heb. Traddles stelt haar aan ons voor en wij zien

hoe trotsch hij op haar is; tien minuten lang—ik ga het na op de

pendule—wrijft hij in zijne handen; geen haartje op zijn hoofd, dat

niet rechtop staat; ik feliciteer hem in een hoek van de kamer met

zijne keuze. Ik heb Agnes van de diligence gehaald en haar lief, mooi

gezichtje is voor de tweede maal in ons midden. Agnes is zeer ingenomen

met Traddles; de ontmoeting is buitengewoon hartelijk en ik geniet bij

het zien van de verrukking, waarmede Traddles het liefste meisje van de

wereld aan haar voorstelt.

Toch kan ik het nog niet gelooven. Wij hebben een heerlijken avond en

zijn allen hoogst gelukkig; maar toch kan ik het nog niet gelooven.

Ik kan niet goed denken; ik besef mijn geluk niet, terwijl het toch

werkelijk zoo is. Ik ben duizelig en zie alles door een nevelig waas,

alsof ik een paar weken geleden eens heel vroeg opgestaan en daarna

niet meer naar bed geweest ben. Ik kan mij den dag van gisteren niet

goed voorstellen en het komt mij voor, of ik de huwelijkslicencie al

maanden lang met mij rondgedragen heb.

Den volgenden dag, als wij allen te zamen ons huisje bezoeken—het

huisje van Dora en mij!—voel ik mij nog net eender; ik ben zelfs

niet in staat, om in die woning als heer en meester op te treden. Het

schijnt mij toe alsof ik daar ben met toestemming van een ander. Ik

verwacht half en half den werkelijken heer des huizes en denk dat hij

blijde zijn zal mij te zien. En het is zoo'n aardig huisje, alles is er

zoo nieuw en zoo helder; de bloemen op de tapijten schijnen zoo juist

geplukt, de groene bladeren in het behangsel zoo juist uitgebot te

zijn; en dan die kraakheldere neteldoeksch gordijnen en de donkerroode

trijp van de canapee en de stoelen, en Dora's tuinhoed met de blauwe

linten—ik herinner mij zoo goed hoe lief ik haar vond, toen ik haar

dien eersten morgen in den tuin ontmoette met een dergelijken hoed

op!—hing reeds aan het kleine kapstokje; de guitaarkist scheen zich al

thuis te voelen in haar hoekje, en iedereen tuimelt over Jip's pagode,

die veel te groot is voor ons tilletje.

Nog zulk een gelukkigen avond, waarop mij alles nog een droom

toeschijnt en aan het einde waarvan ik stilletjes de huiskamer

binnensluip, voor ik wegga. Dora is er niet. Ik onderstel, dat zij

weder aan het passen zijn. Juffrouw Lavinia kijkt om een hoekje en

vertelt mij heel geheimzinnig dat „het” niet lang meer duurt. Toch

blijft Dora tamelijk lang weg, maar eindelijk hoor ik geritsel en

geschuifel aan de deur. Er wordt geklopt. Ik roep: „Binnen!” maar er

wordt nog eens geklopt. Ik ga naar de deur, nieuwsgierig om te weten,

wie dat zijn kan en daar zie ik in een paar schitterende oogen en een

blozend gelaat; het is Dora! Juffrouw Lavinia heeft haar als bruid

getooid, geheel zooals zij er morgen zal uitzien! Ik druk mijn kleine

vrouwtje aan mijn hart en juffrouw Lavinia geeft een gilletje, omdat

ik het hoedje plat druk. Dora lacht en schreit te gelijk, omdat ik zoo

verrukt ben en.... ik geloof het nog minder dan gisteren.

„Vindt gij mij mooi, Doady?” vraagt Dora.

„O, Dora, ik kan u niet zeggen, hoe mooi ik u vind!”

„En zijt gij wel zeker, dat gij heel veel van mij houdt?”

Deze vraag brengt het hoedje zoodanig in gevaar, dat juffrouw Lavinia

nog een gilletje geeft en mij verzoekt te begrijpen, dat ik alleen maar

naar Dora mag kijken en haar onder geen voorwendsel aanraken. En daar

staat zij, verrukkelijk in haar verlegenheid, om gedurende een of twee

minuten bewonderd te worden: toen neemt zij haar hoed af—wat ziet zij

er nu veel natuurlijker uit!—en snelt weg met den hoed in de hand;

daarna komt zij dansende terug in haar gewone toilet en vraagt aan Jip

of ik een mooi, klein vrouwtje krijg en of hij het haar vergeven wil

dat zij gaat trouwen, en knielt neer om hem op het kookboek te laten

opzitten—voor de laatste maal in haar zorgeloos leventje.

Ik ga, ongelooviger dan ooit, naar huis, d. i. naar eene kamer, die ik

in de onmiddellijke nabijheid gehuurd heb, en sta den volgenden morgen

heel vroeg op, om naar den straatweg naar Highgate te rijden, waar ik

tante moet afhalen.

Ik heb tante nooit met zooveel zorg gekleed gezien. Zij draagt een

lavendelkleurige zijden japon en een witten hoed—'t was verbazend.

Janet heeft haar geholpen en is meegekomen om mij nog eens te zien.

Peggotty is gereed om naar de kerk te gaan, waar zij, op de galerij

zittende, de plechtigheid zal bijwonen. Mijnheer Dick, die mij aan het

altaar mijn bruidje zal overgeven, heeft zijn haar laten friseeren.

Traddles, dien ik volgens afspraak aan het tolhek heb opgenomen, geeft

een mengeling te aanschouwen van roomkleur en lichtblauw: wanneer ik

mij mijnheer Dick en Traddles van dien gedenkwaardigen morgen voorstel,

zie ik in mijne verbeelding niets dan handschoenen. Ik zie dit alles,

omdat ik weet, dat het zoo is; maar eigenlijk zie ik niets. Ik kan

het nog maar niet gelooven. Maar toch, als wij eindelijk in een open

rijtuig naar de kerk rijden, is het toch geen sprookje meer voor mij en

voel ik een vreemdsoortig medelijden voor de ongelukkigen, die er geen

deel aan hebben en uit hunne winkels komen loopen, om ons na te kijken

en daarna weder aan hunne dagelijksche bezigheden te gaan.

Tante zit gedurende den geheelen rit met mijne hand in de hare. Als wij

op eenigen afstand van de kerk stil houden om Peggotty af te zetten,

die wij op den bok hebben medegenomen, drukt zij mijne hand hartelijk

en geeft mij een kus.

„God zij met u, Trot! Mijn eigen kind zou mij niet liever kunnen zijn.

Ik denk van morgen aan dat arme lieve moedertje van u.”

„Ik ook, tante, maar niet minder aan alles wat gij voor mij geweest

zijt.”

„Stil, kind!” zegt zij en geeft in overgroote hartelijkheid hare hand

aan Traddles, die haar aan Dick geeft, waarna deze mij zijne hand geeft

en de mijne aan Traddles en.... nu zijn wij bij de kerk.

Het is zeer stil in de kerk, maar ik had even goed een stoomweverij in

vollen gang kunnen binnenkomen, zoo weinig indruk maakte de stilte op

mij.

Mijne gedachten zijn daartoe te ver weg.

Al het overige lijkt mij een meer of min verwarde droom toe, waarin ik

ze met Dora zie binnenkomen; waarin de plaatsbewaarster ons, als een

sergeant zijne rekruten, voor het altaarhek in gelid schaart; waarin ik

niet kan nalaten te denken waarom die plaatsbewaarsters altijd vrouwen

van de onaangenaamste soort moeten zijn, alsof men bevreesd is dat een

opgewekt humeur storend op de ziel zal werken en daarom zulke vaten

azijn op den weg naar den Hemel plaatst.

Ik zie den geestelijke en den koster binnenkomen, benevens eenige

visschers en vrouwen; ik ruik de rumlucht nog van een ouden zeeman, die

achter mij plaats genomen heeft; ik hoor nog hoe plechtig de dienst

begint en zie ons allen aandachtig luisteren.

Juffrouw Lavinia, die half en half als hulpbruidsmeisje fungeert en

de eerste is, die schreit—ik houd het er voor dat deze tranen eene

stille hulde zijn aan de nagedachtenis van Pidger—juffrouw Clarissa

die telkens haar reukfleschje noodig heeft; Agnes, die voor Dora zorgt;

mijne tante, die haar best doet om een toonbeeld van ongevoeligheid te

zijn, terwijl de tranen over hare wangen rollen; mijne kleine Dora, die

beeft als een espenblad en hare antwoorden nauw hoorbaar uitspreekt....

Wij knielen naast elkander; Dora beeft minder dan zoo even; maar houdt

Agnes nog steeds vast; de dienst gaat kalm en plechtig voort en na

afloop glimlachen wij allen door onze tranen heen; mijn jonge vrouwtje

is erg zenuwachtig in de kerkekamer en roept om haar armen papa, haar

lieven papa. Zij laat zich spoedig troosten en allen teekenen het

register. Ik ga naar de galerij om Peggotty te halen, want zij moet ook

teekenen; Peggotty trekt mij in een hoekje en zegt: „ik heb uw lieve

moedertje ook zien trouwen.” En nu is alles afgeloopen en gaan wij

heen....

Ik neem de hand van mijn bekoorlijk vrouwtje en leg die teeder op mijn

arm en wandel trotsch met haar door de lange gang, tusschen rijen

nieuwsgierigen, preekstoelen, graftombes, kerkbanken, doopvonten,

engelen en beschilderde ramen door; ik zie alles in een nevel en word

telkens herinnerd aan de kerk te Blunderstone.....

Ik hoor hier en daar fluisteren, terwijl wij voortgaan, „wat een jong

paartje.” „Wat een mooi bruidje!” En op den terugrit zijn wij allen zoo

vroolijk en zoo spraakzaam en Sophie vertelt ons, dat zij bijna flauw

was gevallen van den schrik, toen zij aan Traddles om de licencie

had hooren vragen—ik had hem dit gewichtig document in bewaring

gegeven—want zij meende stellig dat hij het verloren of vergeten zou

hebben. En ik zie Agnes lachen en Dora is zoo verrukt van Agnes, dat

zij niet van haar wil scheiden en nog steeds hare hand vasthoudt.....

Wij zitten aan het dejeuner, dat uitmuntend is en wij eten en drinken

en ik eet en drink ook, maar, zooals in elken anderen droom, zonder

iets te proeven; ik eet, om het zoo maar eens uit te drukken, niets

dan liefde en trouwbeloften en sla evenmin geloof aan de verschillende

spijzen als aan iets anders. Ik houd een toespraak, ook in dienzelfden

toestand van droomerigheid, zonder te weten wat ik zeggen moet, alleen

heb ik een onbestemde vrees van tweemaal hetzelfde te zullen zeggen.....

Wij blijven eenigen tijd heel genoegelijk en in eene gelukkige stemming

bijeen—altijd echter in een droom—en Jip krijgt een stuk van de

bruidstaart, dat hem later slecht bekomt.

Als de postpaarden voorkomen, staat Dora op om zich te verkleeden en

blijven mijne tante en juffrouw Clarissa bij ons; wij wandelen in den

tuin, en tante, die een toost heeft ingesteld op Dora's tantes, is in

de vroolijkste stemming en ook een weinig trotsch op haar heldenstukje.

Dora is gereed en juffrouw Lavinia blijft nog om haar heen draaien,

alsof zij niet kan besluiten het aardige speelpopje, dat zulk eene

aangename afwisseling voor haar geweest is, af te staan. En Dora doet

allerlei ontdekkingen, de eene nog verrassender dan de andere, van

dingen, die zij nog vergeten heeft, en iedereen snelt op zijn beurt

heen om ze te halen.

En als zij eindelijk begint afscheid te nemen, dringen allen zich om

Dora heen en het bonte groepje gelijkt een bloembed in vollen bloei.

Mijn lieveling wordt bijna begraven onder al die bloemen en komt er

eindelijk, lachend en schreiend, onder uit en in mijne verlangend

uitgestrekte armen.

Ik wil Jip dragen, die met ons mede zal gaan, maar Dora zegt dat zij

het doen zal, want Jip zou anders denken dat zij niet meer van hem

houdt, nu zij getrouwd is, en dat zou hij nooit te boven komen. En nu

gaan wij arm in arm heen en Dora blijft staan, kijkt om en zegt: „Als

ik ooit tegen iemand onvriendelijk of ondankbaar geweest ben, vergeet

het dan!” waarna zij in tranen uitbarst.

En nu wuift zij met haar kleine handje den achterblijvenden een vaarwel

toe en gaan wij door; maar nogmaals blijft zij staan en snelt naar

Agnes, die hare laatste kussen en handdrukjes in ontvangst neemt.

Wij rijden weg en nu ontwaak ik uit mijn droom. Nu geloof ik het

eindelijk. Mijn innig geliefd, klein vrouwtje zit naast mij en ik heb

haar o, zoo lief!

„Zijt gij nu gelukkig, dwaze jongen?” vraagt Dora, „en zijt gij er wel

zeker van dat 't u nimmer berouwen zal?”

* * * * *

Ik heb ter zijde gestaan toen de gebeurtenissen uit die dagen mij

voorbij gleden. En nu zijn ze voorbij en neem ik den draad van mijn

verhaal weer op.

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 56 / 79 题