De stokebrand.
Is het wel goed, zoo vraag ik mij meermalen af, dat ik, al behoeft
dit manuscript onder geen andere oogen te komen dan de mijne,
hier aanteeken hoe hard ik in dezen tijd heb moeten werken om dat
afschuwelijke snelschrift machtig te worden, opdat ik mij verantwoord
zou gevoelen tegenover Dora en de tantes? Bij hetgeen ik reeds schreef
over mijn volhardingsvermogen in dit tijdperk van mijn leven, over
mijn geduld en mijn ijver, die de hoofdtrekken van mijn karakter
waren, wil ik alleen nog voegen, dat ik, achterom ziende, daaraan
mijn succes te danken heb. Ik ben in wereldsche zaken zeer gelukkig
geweest; menigeen heeft veel harder gewerkt en veel minder succes gehad
dan ik; maar ik zou nooit zoo ver gekomen zijn zonder mijne gewoonte
om nauwkeurig, ordelijk en geregeld te werken, zonder den vasten wil
om mij bij één onderwerp te gelijk te bepalen, ongeacht het volgende
reeds op afdoening wachtte. De Hemel weet dat ik dit niet schrijf om
mij te verheffen. Iemand, die zijn eigen leven nagaat zooals ik het
mijne, van bladzijde tot bladzijde, moet wel deugdzaam geweest zijn,
wil hem het kwellend besef bespaard blijven van verwaarloosde talenten,
van verbeuzelden tijd, van menigen strijd tusschen zijn boozen en
zijn goeden engel, waarin de laatste het onderspit heeft gedolven.
Ik moet bekennen, dat ik geen enkele aangeboren gave bezit, die ik
niet eens misbruikt heb; alleen kan ik zeggen, dat ik bij alles wat
ik getracht heb te doen, met hart en ziel getracht heb het goed te
doen; dat, waaraan ik mij ook heb gewijd, ik mij geheel heb gegeven;
dat ik, zoowel in het groote en in het kleine, altijd den ernst op den
voorgrond gesteld heb. Ik heb het nooit mogelijk geacht, dat men met
eenige aangeboren of aangeleerde bekwaamheid zijn doel kan bereiken
zonder de hulp van onverpoosden ijver en volharding. Er is niets op
de wereld, waarmede men zekerder zijn doel bereikt. Een heerlijk
talent, een gelukkig toeval mogen de beide zijden van de ladder vormen,
waarlangs sommige menschen opklimmen, de sporten moeten vervaardigd
zijn van een stof, die tegen invloeden van buiten bestand is; vurige,
doortastende, oprechte ernst kan onmogelijk falen. Nooit de hand uit te
strekken naar iets, waaraan ik mij met mijn gansche wezen kon wijden;
nooit minachting voorwenden voor mijn werk, wat het ook was—dat zijn
mijn gulden stelregels geweest.
Hoeveel van het goede, dat ik daar vermeld, ik aan Agnes te danken heb
gehad, zal ik niet herhalen. Met een dankbaar, liefhebbend hart breng
ik mijn verhaal op Agnes over.
Agnes kwam veertien dagen bij mevrouw Strong logeeren. Mijnheer
Wickfield was een oud vriend van den doctor en deze verlangde eens
rustig met hem te praten en, zoo mogelijk, van dienst te zijn. Bij het
laatste bezoek, dat Agnes in de stad had gebracht, was dit afgesproken
en nu zouden vader en dochter samen komen. Het verbaasde mij niets te
vernemen, dat zij in de buurt kamers gehuurd hadden voor juffrouw Heep,
wier rheumatiek verandering van lucht vereischte en die dit uitstapje
natuurlijk het aangenaamst vond in zulk lief gezelschap. Evenmin was ik
verbaasd den volgenden dag Uriah te zien, die als een trouwe zoon zijne
waardige moeder zelf kwam brengen.
„Gij ziet, jongeheer Copperfield,” zei hij, mij zijn gezelschap op
eene wandeling in den tuin van den doctor opdringende, „menschen, die
verliefd zijn, zijn altijd een weinig jaloersch, ten minste, zij houden
gaarne het voorwerp hunner genegenheid in het oog.”
„Op wien zijt gij jaloersch?” vroeg ik.
„Dank zij uwe vriendelijkheid om mij zoo gerust te stellen,” antwoordde
Uriah „op niemand in het bijzonder—ten minste op geen mannelijk
persoon.”
„Bedoelt gij dan, dat gij jaloersch zijt op eene vrouw?”
Hij keek mij met zijne afschuwelijke, roode oogen van ter zijde aan en
lachte.
„Waarlijk; jongeheer Copperfield—ik bedoel mijnheer Copperfield,
maar gij zult mij dat wel niet kwalijk nemen; ik zeg dat uit
gewoonte—waarlijk, gij knijpt mij uit als een citroen. Het was niet
mijn voornemen om daarover met u te spreken,” ging hij voort, terwijl
hij zijne vischachtige hand op de mijne legde, „ik heb in het algemeen
geen wit voetje bij de dames, mijnheer Copperfield, en bij mevrouw
Strong in het geheel niet.”
Zijne oogen waren allengs groen geworden, terwijl hij mij aanstaarde
met een blik, waarin list en boosaardigheid om den voorrang streden.
„Wat bedoelt gij?” vroeg ik.
„Wel, al ben ik een man van de wet,” antwoordde hij met een grijns, „ik
bedoel op dit oogenblik niets anders dan ik zeg.”
„En wat bedoelt gij dan met dien blik?” hernam ik bedaard.
„Met dien blik? Wel, Copperfield, nu vraagt gij toch ook alles! Wat ik
met dien blik bedoel?”
„Ja,” zei ik. „Met dien blik.”
Hij scheen dit zeer grappig te vinden en lachte zoo hartelijk als hij
gewoon was te lachen. Na zijne kin eenige malen met de hand gewreven te
hebben, ging hij met neergeslagen oogen op fluisterenden toon voort:
„Toen ik nog maar een nederige klerk was, keek zij altijd op mij neer.
Zij wilde Agnes altijd gaarne bij zich hebben en was ook eene vriendin
van u, jongeheer Copperfield; maar ik stond te ver beneden haar om mij
eenige aandacht te schenken.”
„Welnu,” zei ik, „aangenomen dat het zoo was?”
„En beneden hem ook,” vervolgde Uriah, wel is waar heel duidelijk, doch
met eene peinzende uitdrukking op zijn gelaat en voortdurend zijne kin
wrijvend.
„Kent gij den doctor niet beter?” vroeg ik; „meent gij dat hij zich
bewust is van uw bestaan, als gij niet vlak voor hem staat?” Weder keek
hij mij zoo van ter zijde aan en maakte daarbij zijn gezicht zoo lang
mogelijk, ten einde meer plaats te hebben om te wrijven, terwijl hij
antwoordde:
„Goede Hemel! Ik bedoel den doctor niet! O, neen, die arme man! Ik
bedoel mijnheer Maldon!” Mijn hart kromp ineen. Al mijne vroegere
twijfelingen en vermoedens aangaande dit punt, al het geluk, al den
vrede van den Doctor, het geheele net van onschuld en bedrog, dat ik
onmogelijk kon ontwarren, zag ik op eenmaal prijsgegeven aan dezen
ellendigen huichelaar.
„Hij kwam nooit op het kantoor zonder mij iets te bevelen of een duw te
geven,” zei Uriah. „O, hij was zoo'n net heer en ik was heel nederig en
gedwee—en dat ben ik nog. Maar ik hield niet van zulke dingen—en dat
doe ik nog niet!”
Hij hield nu op met wrijven en zoog zijn wangen in, zoodat ze elkaar
van binnen moesten aanraken, terwijl hij mij voortdurend met dien
zelfden loerenden blik bleef aanstaren.
„Zij is zoo'n echt mooi, bekoorlijk dametje”, hernam hij, toen zijn
gelaat weder den natuurlijken vorm had aangenomen, „zoo een, die
niet houdt van menschen als ik. Zij is juist een persoon om Agnes
hoogere wenschen te doen koesteren. Nu weet ik wel, dat ik weinig
aantrekkelijkheden heb voor dametjes, maar ik heb oogen in mijn hoofd
gehad, jongeheer Copperfield, jaren lang. Wij, nederige menschen,
hebben gewoonlijk oogen in het hoofd—en daarmee kijken wij rond.”
Ik trachtte den schijn aan te nemen alsof ik hem niet begreep en de
zaak mij onverschillig liet, maar ik zag aan zijn gezicht, dat mij dit
niet gelukte.
„Nu ben ik niet van plan mij van de baan te laten schuiven,
Copperfield,” ging hij voort, terwijl hij dat gedeelte van zijn
gezicht, waar zijne wenkbrauwen hadden moeten zijn, hoog optrok,—o,
wat zag hij er nu gluiperig uit!—„en ik zal doen wat ik kan om een
einde te maken aan die vriendschap. Ik kan die niet goedkeuren. Ik wil
u wel bekennen, dat ik wat achterdochtig ben; het is dus noodig, dat ik
aan alle geheime vijanden den pas afsnijd. Ik zal zorgen niet achter
het net te visschen.”
„Gij schijnt iedereen te verdenken van kuiperijen, omdat gij zelf
altijd aan het plannen smeden zijt, geloof ik.”
„Dat is wel mogelijk, jongeheer Copperfield,” antwoordde hij. „Maar
ik heb een beweegreden, zooals mijn compagnon gewoon was te zeggen;
en daarvoor zal ik strijden met hand en tand. Ik zal mij niet laten
verdrukken, omdat ik nu eenmaal nederig ben. Ik kan mijn plannen niet
door andere menschen laten dwarsboomen. Dan moeten ze maar liever uit
den weg worden geruimd.”
„Ik begrijp u niet,” zei ik.
„Begrijpt gij mij werkelijk niet?” vroeg hij zich kronkelend als een
slang. „Dat verbaast mij van u; gij zijt anders zoo vlug van begrip.
Een andermaal zal ik trachten duidelijker te zijn.—Is dat niet
mijnheer Maldon te paard, die daar aanschelt, mijnheer?”
„Ik geloof het wel,” antwoordde ik, zoo onverschillig mogelijk.
Uriah bleef staan, sloeg de handen op zijne groote, knokige knieën
en viel bijna dubbel van het lachen. Maar het was een onhoorbare
lach; geen geluid ontsnapte hem. Ik was zoo verontwaardigd over
zijn onhebbelijk gedrag, voornamelijk over deze laatste minachtende
houding, dat ik zonder een woord te spreken heenging en hem als een
ineengezakte vogelverschrikker midden in den tuin liet staan.
Niet op den avond van dezen dag, maar, indien mijn geheugen mij niet
bedriegt, twee dagen daarna, op een Zaterdag nam ik Agnes mede om
kennis te maken met Dora. Ik had dit bezoek vooraf met juffrouw Lavinia
geregeld, zoodat Agnes op de thee gewacht werd.
Ik werd geslingerd tusschen trots en verlangen; ik wist dat ik trotsch
kon zijn op mijn lief, bekoorlijk meisje, en verlangde te weten hoe
Agnes haar vond. Gedurende den geheelen rit naar Putney—Agnes zat
binnen in en ik boven op de diligence—zag ik Dora voor mij, nu eens
zoo, dan eens zus kijkende; want o! zij kon er zoo verschillend
uitzien, al bleef zij altijd bekoorlijk! Ik was het niet met mij zelven
eens hoe ik haar het liefst zou zien bij deze voor mij zoo gewichtige
gelegenheid en peinsde er mij moe over. Ik twijfelde geen oogenblik of
zij zou er wel lief uitzien, en waarlijk, zoo bekoorlijk als op dezen
avond, had ik haar nog nooit gevonden. Zij was niet in het salon,
toen ik Agnes aan de tantetjes voorstelde, maar was uit bedeesdheid
weggebleven. Ik wist wel waar ik haar vinden kon, en vond haar ook met
de handen op de ooren achter dezelfde oude deur, als bij mijn eerste
bezoek.
Eerst wilde zij volstrekt niet binnenkomen, en daarna vroeg zij vijf
minuten uitstel. Toen zij eindelijk haar arm door den mijne stak, en ik
haar naar het salon geleidde, was haar lief gezichtje, met een donkeren
blos overtogen en had zij er nog nooit zoo bekoorlijk uitgezien. En
toen wij het salon binnentraden en zij plotseling bleek werd, was zij
nog veel mooier.
Dora had tegen eene ontmoeting met Agnes opgezien. Zij wist, zeide zij,
dat Agnes zoo verstandig was. Maar toen zij Agnes' opgewekt en toch zoo
ernstig, peinzend en toch zoo vriendelijk gezichtje zag, uitte zij een
kreet van verrassing, sloeg hare zachte armen om Agnes' hals en legde
haar donzen wang tegen Agnes' gelaat.
Nooit had ik mij zoo gelukkig gevoeld. Nooit had ik zoo genoten als
toen ik deze twee daar naast elkander zag zitten, als toen ik mijn
kleine lieveling zoo vertrouwelijk in Agnes' lieve oogen zag kijken;
als toen ik den teederen, vriendelijken blik zag, dien Agnes haar
toewierp.
Juffrouw Lavinia en juffrouw Clarissa deelden op hare wijze in mijne
vreugde. Zeker was er nergens op de geheele wereld genoegelijker
theeuurtje. Juffrouw Clarissa presideerde de tafel. Ik sneed en
bediende de anijs-koek—de tantetjes hadden eene voorliefde voor alles
wat klein was en als twee kleine vogeltjes pikten zij gaarne zaadjes
of knabbelden zij suiker; juffrouw Lavinia keek daarbij met een
beschermenden blik rond, alsof ons geluk geheel en al haar werk was;
het was, in één woord, een harmonisch geheel.
Agnes won aller harten door hare zachtheid en opgewektheid. Hare
hartelijke belangstelling in alles wat Dora betrof; de wijze, waarop
zij kennis maakte met Jip, die onmiddellijk bevriend met haar was;
de wijze, waarop zij Dora plaagde toen deze uit verlegenheid niet op
haar gewone plaatsje naast mij durfde gaan zitten; hare bescheidenheid
en vrijmoedigheid tevens, die Dora aanleiding gaven, haar nu en dan
blozend en vertrouwelijk toe te knikken, dat alles scheen tot nu toe in
ons kringetje ontbroken te hebben.
„Ik ben zoo blij,” zei Dora na de thee, „dat gij van mij houden wilt.
Ik dacht niet dat gij het zoudt willen en toch heb ik meer dan ooit
behoefte aan eene vriendin, nu Julia Mills weg is.”
Ik heb dit vergeten mede te deelen. Juffrouw Mills was uitgezeild
en Dora en ik hadden haar naar Gravesend aan boord van een grooten
Oost-Indievaarder gebracht; wij hadden daar ontbeten met gember en
guava en meer dergelijke versnaperingen en juffrouw Mills het laatst
gezien op een vouwstoeltje op het achterdek, schreiende en met een
groot, nieuw dagboek onder den arm, waarin de bespiegelingen, door den
Oceaan opgewekt, veilig zouden worden bewaard.
Agnes zeide te vreezen, dat ik niet veel goeds van haar verteld zou
hebben, maar Dora koos onmiddellijk mijne partij.
„O, neen!” zeide zij, terwijl hare krullen heftig in beweging waren,
„o, neen hij heeft niets dan lof van u verkondigd; hij hecht zoo zeer
aan uwe opinie, dat ik een beetje bang voor u was.”
„Mijne opinie kan toch zijne liefde voor menschen, die hij alleen kent,
niet vergrooten,” zei Agnes glimlachend; „ze is dus niet veel waard.”
„O, maar ik hecht er toch ook aan,” antwoordde Dora; „gij moet ons die
niet onthouden.”
Wij maakten ons een weinig vroolijk over Dora, die zoo gaarne wenschte
dat iedereen van haar hield en zeide dat ik eigenlijk zoo dom was als
een gans, want dat zij mij heelemaal niet liefhad. De avond vloog om.
Toen het oogenblik naderde dat de diligence ons zou komen afhalen,
stond ik alleen bij den haard en kwam Dora zachtjes naar mij toe om mij
dat zekere heerlijke kusje te geven eer ik heenging.
„Meent gij niet, Doady,” vroeg zij, terwijl zij mij met hare
schitterende oogjes aankeek en hare hand speelde met de knoopen van
mijn jas, „meent gij niet, dat ik veel verstandiger zou geweest zijn
als ik Agnes vroeger gekend had?”
„Welk een dwaze vraag, lieveling!” antwoordde ik.
„Meent gij werkelijk dat het eene dwaze vraag is?” hernam Dora, zonder
mij aan te kijken. „Zijt gij daar wel zeker van?”
„Natuurlijk ben ik daar zeker van.”
„Ik ben vergeten,” sprak zij, al draaiende aan den knoop, „in welke
familiebetrekking Agnes tot u staat, beste jongen.”
„Zij is geen familie van mij,” antwoordde ik, „wij zijn samen opgevoed
als broer en zuster.”
„Dan verbaast het mij, dat gij niet op haar verliefd zijt geworden,”
zei Dora, aan een anderen knoop beginnende.
„Misschien wel omdat ik u niet kon zien zonder verliefd op u te worden,
Dora!”
„Neem eens aan dat gij mij nooit ontmoet hadt,” hernam zij.
„Neem eens aan dat wij nooit geboren waren,” zei ik schertsend.
Ik vroeg mij met verbazing af, wat er in haar hoofdje omging, terwijl
ik in stilte dat poezele handje gadesloeg aan de knoopen van mijn jas,
en de zachte krullen tegen mijne borst, en de lange wimpers aan hare
mooie oogen, die de beweging van hare vingertjes volgden. Eindelijk
sloeg zij de oogen naar mij op en ging op de teenen staan om mij een-
twee- drie malen een afscheidskus te geven. Daarna verliet zij met een
peinzende uitdrukking op haar gelaat de kamer.
Vijf minuten later kwamen allen te zamen terug en was die peinzende
uitdrukking reeds verdwenen. Lachend wilde zij Jip, eer de diligence
kwam, nog eens al zijn kunststukken laten vertoonen. Dit kostte nogal
eenigen tijd, niet omdat het aantal zoo groot was, maar omdat Jip niet
veel zin had in kunstjes, zoodat ze nog niet alle vertoond waren, toen
wij den postiljon reeds hoorden. Het afscheid tusschen Dora en Agnes
was haastig doch hartelijk. Dora zou Agnes schrijven—als zij hare
brieven niet al te dwaas vond—en Agnes zou Dora schrijven; aan het
portier werd voor de tweede maal afscheid genomen, en eindelijk voor de
derde maal, toen Dora, in weerwil van juffrouw Lavinia's waarschuwing,
blootshoofds naar buiten liep, om Agnes aan haar brief te herinneren en
tegen mij, die op den bok zat, hare krullen te schudden.
De diligence bracht ons tot Covent Garden, waar wij eene andere
moesten nemen, die ons naar Highgate brengen zou. Ik zag met ongeduld
het kleine wandelingetje te gemoet, dat wij doen moesten om van de eene
diligence naar de andere te komen. Ik verlangde Agnes' oordeel over
Dora te vernemen, en.... zij had niets dan lof voor haar. Hoe warm en
teeder beval zij het lieve schepseltje, wier hart ik gewonnen had en
wier natuurlijkheid haar zoo had aangetrokken, aan mijne nauwlettendste
zorg aan! Hoe liefdevol herinnerde zij mij, zonder te verraden dat zij
het met opzet deed, aan de verantwoording, die ik tegenover die jonge
weeze op mij had genomen!
Nooit heb ik Dora zoo teeder, zoo oprecht liefgehad als dien avond.
Toen wij waren uitgestapt en bij het licht der sterren den korten
afstand aflegden, die ons van doctor Strong's woning scheidde, vertelde
ik Agnes, dat zij daarvan de oorzaak was. „Toen gij naast haar zat,”
zei ik, „had ik een gevoel, alsof gij niet minder haar beschermengel
waart dan de mijne. En dit gevoel heb ik nog, Agnes.”
„Een arme engel,” antwoordde zij, „maar trouw.”
De heldere klank harer stem, die tot mijn hart doordrong, gaf mij
aanleiding te zeggen:
„De u eigen blijmoedigheid, Agnes, die ik nooit bij iemand anders heb
ontwaard, is, zooals ik vandaag heb opgemerkt, teruggekeerd. Mag ik
daaruit opmaken dat gij u thuis wat gelukkiger voelt?”
„Ik voel mij zelve veel gelukkiger,” antwoordde zij, „ik ben zoo
opgewekt als ik in langen tijd niet geweest ben.”
Toen zij bij deze woorden haar lief gelaat naar mij ophief, meende ik,
dat de sterren er zulk een hemelschen glans op wierpen.
„In huis is niets veranderd,” sprak zij, na eenige oogenblikken
gezwegen te hebben.
„Hebt gij mij niets nieuws mede te deelen aangaande.... ik wil u
geen verdriet doen, Agnes, maar ik kan niet helpen, dat ik het vragen
moet.... aangaande.... gij weet wel, waarover wij hebben gesproken,
toen ik u het laatst heb gezien?”
„Neen, niets,” antwoordde zij.
„Ik heb er zooveel over gedacht.”
„Dat moet gij niet doen. Bedenk toch dat liefde en waarheid ten laatste
zullen zegepralen. Maak u niet beangst voor mij, Trotwood,” voegde zij
er bij, „hetgeen gij vreest, zal nimmer gebeuren.”
Hoewel ik kalm nadenkende nooit gevreesd had, dat zij het doen zou,
was het mij toch eene onuitsprekelijke verademing, toen ik deze
geruststellende verzekering van haar eigen trouwe lippen ontving. Ik
zei haar dat zoo ernstig mogelijk.
„En wanneer nu deze veertien dagen om zijn, Agnes.... wij mochten
misschien niet meer in de gelegenheid zijn om zoo vertrouwelijk te
spreken.... hoe lang zal het dan duren, voor gij weder te Londen komt?”
„Waarschijnlijk heel lang,” antwoordde zij, „ter wille van papa kan ik
nergens beter zijn dan thuis. Vermoedelijk zullen wij elkander dus niet
veel zien, maar ik zal trouw aan Dora schrijven, dan zullen wij toch
dikwijls van elkander hooren.”
Wij waren intusschen de woning van den doctor genaderd en het was al
laat. In mevrouw Strong's kamer was nog licht en Agnes wenschte mij, na
tegen het venster geklopt te hebben, goeden nacht.
„Gij moet u niet zoo laten terneerslaan omdat het ons wat tegenloopt,”
sprak zij, met haar handje in de mijne.
„Ik kan niet gelukkiger zijn, dan wanneer ik u gelukkig zie. Indien gij
mij ooit helpen kunt, vertrouw dan op mij; ik zal uwe hulp inroepen.
God zegen' u.”
Onder den indruk van haar stralend gezichtje en van den blijmoedigen
toon, waarop zij gesproken had, bleef ik nog een oogenblik staan en
nam toen langzaam den terugweg aan. Ik had logies besteld in eene
naastbijzijnde herberg, de eenige in de buurt, en had geen ander
voornemen dan mijn bed op te zoeken, toen ik, mij omkeerende, licht
gewaar werd in de studeerkamer van doctor Strong. Een gevoel van
zelfverwijt kwam in mij op, dat hij zonder mij aan zijn woordenboek
zat te werken. Met de bedoeling om mij daarvan te overtuigen en hem in
elk geval goeden nacht te wenschen, als hij nog tusschen zijne boeken
zat, keerde ik zachtjes door den tuin terug en opende de deur van de
studeerkamer. De eerste persoon, dien ik zag, was, tot mijne groote
verbazing, Uriah. Hij stond in de schaduw van de lamp, met een van
zijne skeletachtige handen voor den mond en de andere op de tafel van
den doctor. Deze zat in zijn studeerstoel, het gelaat met beide handen
bedekt, terwijl mijnheer Wickfield met een ontsteld gelaat voorover
leunde en aarzelend den arm van den doctor aanraakte.
In het eerste oogenblik meende ik dat mijnheer Strong ziek was. Haastig
deed ik onder dien indruk eenige schreden vooruit, maar toen ik
Uriah's blik ontmoette, begreep ik wat er gebeurd moest zijn. Ik wilde
heengaan, maar de doctor gaf mij een wenk om te blijven.
„In elk geval,” zei Uriah, die zich op de afzichtelijkste wijzen stond
te wringen, „kunnen wij de deur gesloten houden. De geheele stad
behoeft het niet te weten.”
Dit zeggende, sloop hij op de teenen naar de deur, die ik had
opengelaten, en sloot die zorgvuldig. Daarna nam hij dezelfde plaats
en dezelfde houding weder in. In zijne stem en zijne bewegingen lag
gehuicheld medelijden, een zeker vertoon van welwillendheid, hetgeen
hem—in _mijn_ oogen tenminste—nog onverdragelijker maakte dan welke
andere houding ook.
„Ik heb mij genoopt gevoeld, jongeheer Copperfield,” zei Uriah, „doctor
Strong te wijzen op hetgeen waarover wij gesproken hebben. Gij hebt mij
echter toen niet geheel begrepen, nietwaar?”
Ik keek hem aan, maar gaf geen antwoord en naar mijn goeden, ouden
meester gaande, trachtte ik dezen eenige woorden van troost en
bemoediging toe te spreken. Hij legde de hand op mijn schouder, zooals
hij gedaan had toen ik nog een kleine jongen was, maar lichtte het
grijze hoofd niet op.
„Aangezien gij mij toen niet begrepen hebt, jongeheer Copperfield,”
hernam Uriah op walgelijk beleefden toon, „mag ik zeker wel zoo vrij
wezen u, daar wij toch onder vrienden zijn, mede te deelen, dat ik
zoo nederig mogelijk doctor Strong's aandacht gevestigd heb op de
handelingen van mevrouw Strong. Ik kan u verzekeren, Copperfield, dat
het mij eene overwinning op mij zelven gekost heeft, eer ik er toe kon
overgaan zulk een onaangenaam onderwerp aan te roeren; maar nu het
eenmaal zoo is, zijn wij allen min of meer schuldig, indien wij iets,
wat niet in den haak is, verzwijgen. Dat was hetgeen ik bedoelde, toen
gij mij niet begreept, jongeheer Copperfield.”
Het verbaast mij nog altijd, dat ik den gluiper op dat oogenblik niet
bij den strot gepakt en den nek omgedraaid heb!
„Ik moet bekennen,” ging hij voort, „dat ik mij toen niet duidelijk
heb uitgedrukt, evenmin als gij. Natuurlijk wilden wij beiden liever
dat onderwerp laten rusten. Eindelijk ben ik echter tot de overtuiging
gekomen, dat het beter was ronduit te spreken en aan doctor Strong mede
te deelen, dat.... zegt gij iets, mijnheer?”
Deze vraag was tot den doctor gericht, die een angstigen zucht had
geslaakt. Dit geluid had ieders hart moeten treffen, naar ik meende,
maar het liet Uriah koud.
„...... aan doctor Strong mede te deelen,” ging hij onverbiddelijk
voort, „dat iedereen zien kan hoe vriendelijk mijnheer Maldon en de
mooie, lieve dame, die doctor Strong's vrouw is, voor elkander zijn.
Waarlijk, die tijd is gekomen—willen wij niet allen min of meer
schuldig zijn door iets, wat niet in den haak is, te verzwijgen—dat
doctor Strong weten moet, hoe duidelijk dit reeds voor iedereen was eer
mijnheer Maldon naar Indië vertrok. Om geen andere reden is mijnheer
Maldon uit Indië teruggekeerd en om geen andere reden is mijnheer
Maldon zoo dikwijls hier. Toen gij binnenkwaamt, mijnheer Copperfield,
wilde ik juist mijn compagnon verzoeken”—hij richtte zich nu tot
mijnheer Wickfield—„openhartig aan doctor Strong te verklaren, hoe
lang hij reeds dat zelfde vermoeden gekoesterd heeft. Kom, mijnheer
Wickfield! Wilt gij nu zoo goed zijn ons uwe opinie mede te deelen? Ja
of neen, mijnheer? Kom, compagnon!”
„Hecht in 's Hemels naam niet te veel waarde aan de vermoedens, die ik
gekoesterd mag hebben, beste doctor!” zei mijnheer Wickfield, terwijl
hij weder aarzelend zijne hand op mijnheer Strong's arm legde.
„Hoort nu eens welk eene dubbelzinnige verklaring!” riep Uriah
hoofdschuddend uit. „Is het soms niet waar? Hem, zulk een oud vriend!
Goede Hemel, toen ik nog maar een eenvoudige klerk was op zijn kantoor,
mijnheer Copperfield, heb ik hem wel twintig malen woedend gezien bij
de gedachte—voor een vader te vergeven—dat juffrouw Agnes betrokken
zou worden in dingen, die niet in den haak waren.”
„Beste Strong,” hernam mijnheer Wickfield met trillende stem, „goede
vriend, ik behoef u niet te zeggen dat mijn grootste gebrek is geweest,
bij iedereen altijd naar een geheime beweegreden te zoeken en al zijne
handelingen daaraan te toetsen. Wellicht heeft dit gebrek twijfel in
mij opgewekt.”
„Hebt gij dan werkelijk getwijfeld, Wickfield?” vroeg de doctor, zonder
van houding te veranderen. „Hebt gij werkelijk getwijfeld?”
„Zeg nu de waarheid, compagnon,” drong Uriah.
„Zeker, er is een tijd geweest, waarin ik twijfelde,” zei mijnheer
Wickfield. „Ik meende, de Hemel moge 't mij vergeven, dat gij zelf ook
twijfeldet!”
„Neen, neen, nooit, geen oogenblik!” antwoordde doctor Strong, diep
terneergeslagen.
„Ik heb gemeend,” hernam mijnheer Wickfield, „dat gij Maldon
buitenslands verlangdet te zenden, omdat gij eene scheiding wenschelijk
achtet.”
„Neen, neen!” antwoordde de doctor. „Niets anders dan de zucht om Annie
genoegen te doen heeft mij bewogen den speelgenoot harer jeugd aan eene
betrekking te helpen! Niets anders!”
„Dat bleek mij later ook,” zei mijnheer Wickfield. „Toen gij mij dat
verteldet, kon ik niet meer twijfelen. Ik meende echter—ik smeek u te
bedenken, dat ik mijn geheele leven het slachtoffer geweest ben van
mijne bekrompen denkwijze—dat met het oog op het bestaande groote
verschil in leeftijd.....”
„Dit is de ware manier om het voor te stellen, ziet ge, jongeheer
Copperfield!” zei Uriah op gehuicheld medelijdenden toon.
„...... zulk een jong, mooi meisje, hoeveel achting zij voor u
koesterde, meer door wereldsche overwegingen zou zijn geleid, eer
zij tot een huwelijk met u had besloten. Ik hield geen rekening met
de ontelbare neigingen en omstandigheden, die alles ten goede konden
keeren. Ik smeek u dat niet te vergeten.”
„Wat draagt hij het lief voor!” zei Uriah hoofdschuddend.
„Tengevolge van deze eenzijdige beschouwing,” ging mijnheer Wickfield
voort, „—maar ik smeek u, mijn oude vriend, bij alles wat u dierbaar
is, neem mijne eenzijdigheid in aanmerking,—ben ik nu genoodzaakt te
bekennen.....”
„Neen, er is geen uitweg meer, mijnheer Wickfield!” merkte Uriah aan,
„nu het eenmaal zoover gekomen is.”
„...... dat ik getwijfeld heb,” vervolgde mijnheer Wickfield met een
angstigen, half wanhopende blik naar zijn compagnon, „dat ik twijfelde
of zij haar plicht jegens u wel trouw nakwam; dat ik somtijds—als ik
alles moet zeggen—liever niet zag dat Agnes zoo familiaar met haar
omging en dingen zou zien, die ik zag of in mijne verbeelding zag. Ik
vertelde dat nooit aan iemand ter wereld. Ik meende ook dat niemand
het ooit had opgemerkt. En hoewel het voor u vreeselijk is het aan
te hooren,” eindigde hij, geheel van zijn stuk, „als gij wist, hoe
vreeselijk het voor mij is het te vertellen, zoudt gij medelijden met
mij hebben!”
Goedhartig als altijd bood de doctor hem de hand, die mijnheer
Wickfield eenigen tijd vasthield, terwijl hij met gebogen hoofd voor
mijnheer Strong bleef staan.
„Ik ben er zeker van,” zei Uriah, die zich al dien tijd had staan
kronkelen als een aal, „dat het onderwerp voor allen onaangenaam is.
Maar nu het zoover gekomen is, moet ik nog de vrijheid nemen te doen
opmerken, dat Copperfield het ook heeft vermoed.”
Ik keerde mij tot hem en vroeg hoe hij zich op mij durfde beroepen.
„O! Het is wel vriendelijk van u, Copperfield,” antwoordde hij al
kronkelend, „en wij weten allen, welk een beminnelijk karakter gij
hebt; maar gij weet wel, dat, toen ik er u laatst over sprak, gij
zeer goed begreept wat ik bedoelde. Gij weet, dat gij mij begreept,
Copperfield. Ontken het niet! Gij zoudt het met de beste bedoelingen
willen ontkennen, Copperfield, maar doe dat niet.”
Ik zag den goedhartigen blik van den doctor op mij gevestigd en
voelde, dat de bekentenis van mijn ouden argwaan op mijn gezicht te
lezen stond. Het was geheel onnoodig mij zoo boos te maken. Ik kon
mijn gezicht niet veranderen. Wat ik ook zou gezegd hebben, ik kon de
bekentenis niet herroepen.
Wij bleven allen het stilzwijgen bewaren, tot de doctor eindelijk
opstond en twee of drie malen de kamer op- en neerliep. Nu keerde hij
naar zijn stoel terug, en met de hand op de leuning en den zakdoek
voor de oogen, met een eenvoud en oprechtheid, die hem meer tot eer
strekten dan, naar mijne overtuiging, het bemantelen van hetgeen in hem
omging zou gedaan hebben, zei hij:
„Ik ben zeer te laken geweest. Ik geloof, dat ik zeer te laken ben
geweest. Ik heb de vrouw, die ik innig liefhad, blootgesteld aan
besprekingen en lasteringen—ik noem het eene lastering, zelfs al is
het maar in iemand's gedachten opgekomen—waarvoor zij gespaard zou
zijn gebleven, indien ik niet had bestaan.”
Uriah Heep liet een soort gesnuif hooren; waarschijnlijk om zijn
medelijden uit te drukken.
„...... waaraan mijne Annie,” vervolgde de doctor, „nimmer zou zijn
blootgesteld geweest, als ik niet had bestaan. Mijne heeren, gij weet,
ik ben oud; ik voel van avond, dat ik niet veel meer van het leven
verlangen kan. Maar gaarne zou ik mijn leven.... mijn Leven, hoort
gij!.... geven voor de eer en de trouw van de lieve vrouw, die het
onderwerp heeft uitgemaakt van dit gesprek!”
Ik geloof niet, dat het origineel van het meest volmaakte beeld van
ridderlijkheid en trouw, ooit door eenig schilder op het doek gebracht,
deze woorden niet zooveel waardigheid en nadruk zou hebben uitgesproken
als de brave, oude doctor het deed.
„Ik wil niet ontkennen,” ging hij voort—„wellicht moet ik wel
eenigermate toestemmen—dat ik dat meisje onnadenkend tot een
ongelukkig huwelijk heb overgehaald. Ik bezit nu eenmaal weinig
opmerkingsgave en kan niet anders dan aannemen, dat de waarnemingen
van zooveel verschillende personen van uiteenloopende leeftijden en
positie, waarnemingen, die alle een zelfde richting uitgaan—en wel
zulk eene natuurlijke richting—beter zijn dan de mijne.”
Elders heb ik reeds beschreven, hoe ik den ouden man altijd bewonderde
om de hartelijke wijze, waarop hij met zijne jonge vrouw omging; maar
de achting en de teederheid, die hij thans voor haar aan den dag legde;
de bijna eerbiedige wijze, waarop hij zelfs den minsten twijfel aan
hare deugd afwees, deed hem, meer dan ik zeggen kon, in mijne achting
rijzen.
„Ik trouwde met haar,” ging hij voort, „toen zij nog heel jong was;
haar karakter had zich nauwelijks kunnen vormen en het is voor mij een
genot geweest aan die vorming iets te kunnen bijdragen. Ik heb haar
vader goed gekend, ik kende haar, ik had haar zelf onderwijs gegeven,
omdat ik zelden iemand ontmoet had, die zooveel schoone deugden in
zich vereenigde. Mocht ik haar onrecht hebben gedaan—ik vrees dat ik
het gedaan heb door gebruik te maken van hare dankbaarheid en hare
vriendschap—dan smeek ik haar mij dat te willen vergeven.”
Hij liep weder eenige malen de kamer op en neer en kwam terug bij den
stoel, waarvan hij de leuning vastgreep; zijne hand beefde, zijne stem
trilde van aandoening.
„Ik beschouwde mij zelven,” ging hij voort, „als eene toevlucht voor
haar; bij mij zou zij veilig zijn voor de gevaren en wisselvalligheden
des levens. Ik trachtte mij diets te maken dat, al verschilden wij veel
in leeftijd, zij kalm en tevreden bij mij zou kunnen leven. Ook zag ik
niet voorbij dat er een tijd zou komen, waarin zij weder vrij zal zijn
en, nog altijd jong en schoon, met een gerijpt oordeel een nieuw leven
zal kunnen beginnen.... neen, mijne heeren, op mijn woord, ik zag dat
niet voorbij!
„Mijn leven met deze vrouw is zeer gelukkig geweest. Tot op dezen avond
heb ik onafgebroken reden gehad om den dag te zegenen, waarop ik haar
zulk een groot onrecht aandeed.”
Zijne stem had gedurende het uitspreken van deze laatste woorden
gehaperd, zoodat hij eenige oogenblikken zweeg en toen voortging:
„Eenmaal uit mijn droom ontwaakt—ik ben in zekere mate altijd een
droomer geweest, mijn leven lang—zie ik in hoe natuurlijk het is
dat zij eenig berouw gevoelt ten opzichte van den speelmakker harer
jeugd; dat zij, hem aanziende, de onschuldige gedachte niet zal
kunnen onderdrukken, wat had kunnen zijn, indien ik niet bestaan had;
ja, ik vrees, dat dit maar al te waar is. Veel, dat ik gezien doch
niet opgemerkt heb, heeft in dit laatste, moeilijke uur eene andere
beteekenis voor mij gekregen. Maar, mijne heeren, verder mag ik niemand
toestaan te gaan in zijn twijfel, wanneer de naam van mijne vrouw
genoemd wordt.”
Gedurende een oogenblik schitterden zijne oogen en werd zijne stem
vast; daarna bleef hij even zwijgen en hernam toen:
„Er blijft mij niets anders over dan de kennis van het door mij
veroorzaakte verdriet met onderworpenheid te dragen. Zij is het, die
verwijten doen kan, niet ik. Het zal mijn plicht zijn haar te zuiveren
van verdenkingen, van wreede verdenkingen, die zelfs mijne vrienden
niet konden nalaten te koesteren. Hoe stiller en eenzamer wij leven,
hoe beter ik mij van deze taak zal kunnen kwijten. En komt eenmaal de
tijd—moge het den Hemel behagen dien spoedig te doen aanbreken—dat
mijn dood haar van den haar opgelegden dwang zal verlossen, dan zal
mijn laatste blik met onbegrensd vertrouwen en liefde gevestigd zijn
op haar oprecht gelaat; zonder spijt zal ik haar dan overlaten aan
gelukkiger en lichter dagen.”
Ik kon hem niet zien, want zijn ernst en zijne goedheid, zoo volkomen
passend bij zijn eenvoud, deden mij de tranen in de oogen springen. Hij
deed eene beweging naar de deur en voegde er nog bij:
„Mijne heeren, ik heb u mijn gansche hart blootgelegd; ik ben
overtuigd, dat gij dit eerbiedigen zult. Hetgeen dezen avond hier
gezegd is, mag nimmer herhaald worden. Wickfield, oude vriend, geef
mij een arm op de trap!”
Mijnheer Wickfield snelde op hem toe. Zonder een woord te wisselen,
gingen zij langzaam de kamer uit. Uriah keek hen na. „Wel, jongeheer
Copperfield!” zei hij, zich met een ootmoedig gezicht tot mij wendende,
„de dingen hebben niet de wending genomen, die ik verwacht had, want
de oude heer—een braaf man!—schijnt stekeblind te zijn. Eén ding is
echter zeker: _deze_ familie is uit den weg geruimd!”
Ik had niets noodig dan den klank van zijne stem te hooren, om zoo
razend nijdig te worden, als ik nooit te voren was, noch later ooit
geweest ben.
„Schurk, die je bent!” zei ik, „hoe durft gij mij in uwe plannen
wikkelen? Hoe durft gij u op mij beroepen, valsche ellendeling, alsof
wij eerst samen gesproken hadden!”
Toen wij daar tegenover elkander stonden, zag ik zoo duidelijk, dat
zijn gluiperig gezicht van heimelijke vreugde straalde; ik bedoel, dat
ik zoo duidelijk las, hoe hij door zijn aan mij opgedrongen vertrouwen
mij een strik had gespannen, dat ik mijn drift niet kon intoomen.
Zijne lange, breede wang was bovendien zoo uitlokkend, dat ik niet kon
nalaten er met de platte hand zulk een slag op te geven, dat mijne
vingers tintelden, alsof ik ze gebrand had.
Hij greep mijne hand en hield die bij het polsgewricht vast, en zoo
stonden wij elkander eenige oogenblikken aan te kijken, lang genoeg
echter voor mij, om te zien hoe de witte sporen van mijne vingers uit
het donkerrood van zijne wang opkwamen, en nog donkerder tint aannamen
dan deze.
„Copperfield,” zei hij eindelijk met ademlooze stem, „zijt gij uw
verstand kwijt?”
„Ik ben jou kwijt,” antwoordde ik, mijne hand losrukkende. „Ik wil je
niet meer kennen, hondsvot.”
„Niet?” zei hij met de hand op zijn wang, om de pijn te bedwingen.
„Misschien zult gij dat niet kunnen nalaten! Maar is het niet
ondankbaar van u?”
„Ik heb je dikwijls genoeg getoond, dat ik je veracht,” hernam ik. „En
nu heb ik je dat nog duidelijker getoond. Waarom zou ik bevreesd zijn
voor je? Ge doet immers niets dan kwaadstoken! Niemand is veilig voor
je!”
Hij begreep volkomen deze toespeling op de redenen, die mij tot nu toe
genoopt hadden hem te ontzien. En ik ben er zeker van dat ik noch den
slag gegeven, noch de toespeling gemaakt zou hebben, indien ik dien
avond niet Agnes' verzekering had ontvangen. Maar dat deed niets ter
zake.
Er volgde nu een vrij lange pauze. Terwijl hij mij aankeek schenen
zijne oogen elke kleurschakeering aan te nemen, die oogen leelijk
kunnen maken.
„Copperfield”, zei hij, zijn wang loslatende, „gij zijt altijd tegen
mij geweest. Ik weet dat gij ook bij de Wickfields altijd tegen mij
zijt geweest.”
„Gij kunt denken wat gij goedvindt”, zei ik, nog steeds kokende van
woede.
„En toch heb ik altijd veel van u gehouden, Copperfield”, hernam hij.
Ik verwaardigde mij niet hierop te antwoorden, nam mijn hoed en was
voornemens de herberg op te zoeken, toen hij zich tusschen mij en de
deur plaatste.
„Copperfield”, zei hij, „in een twist behooren twee partijen. Ik wil de
eene niet zijn.”
„Gij kunt naar den duivel loopen!” beet ik hem toe.
„Zeg dat niet”, antwoordde hij. „Ik weet zeker dat het u later spijten
zal. Hoe kunt gij u zoo vernederen door zoo toornig te zijn? Kom, ik
zal het u vergeven!”
„Gij mij vergiffenis schenken!” riep ik op minachtenden toon uit.
„Ja, dat doe ik en dat kunt gij mij niet beletten”, antwoordde Uriah.
„Hoe is het mogelijk dat gij iemand, die altijd een vriend van u
geweest is, zoo kunt behandelen? Maar er kan geen twist bestaan of er
moeten twee partijen zijn. Ik wil de eene niet zijn. Ik blijf uw vriend
ook al wilt gij dat niet. Nu weet gij wat gij van mij te verwachten
hebt.”
De noodzakelijkheid om het twistgesprek—Uriah was kalm, maar ik
zeer opgewonden—op zachten toon te voeren, opdat de familie in dit
ongelegen uur niet gestoord zou worden, was niet geschikt om mijn
humeur te verbeteren, hoewel mijn drift toch langzamerhand bekoelde.
Ik vertelde hem eenvoudig dat ik van hem verwachten zou wat ik altijd
van hem verwacht had en waarin ik mij nooit teleurgesteld had gezien,
opende toen, niettegenstaande hij er nog voor stond, de deur alsof ik
hem als een groote noot wilde kraken, en verliet de woning. Maar hij
volgde mij, want hij moest naar zijne moeder, en nauwelijks had ik
eenige schreden afgelegd of hij had mij ingehaald.
„Gij weet, Copperfield”, zei hij in mijn oor,—ik draaide mijn hoofd
niet om—„dat gij in uw ongelijk zijt”—ik voelde dat hij waarheid
sprak en dit maakte mij nog toorniger.—
„Gij kunt dat nooit goed praten en ook kunt gij er niets aan doen, dat
ik u vergiffenis geschonken heb. Ik ben niet voornemens het aan mijne
moeder of aan wien ook te vertellen. Ik heb nu eenmaal besloten u te
vergeven. Toch moet ik nog eens zeggen, hoe het mij verbaasd heeft, dat
gij uwe hand hebt kunnen opheffen tegen iemand, die altijd zoo nederig
is!”
Ik was echter niet zoo'n lage kerel als hij. Hij kende mij beter dan
ik mij zelven kende. Had hij mij maar geantwoord, was hij maar woedend
geworden, dan zou ik eenigszins gerechtvaardigd geweest zijn; maar hij
had mij den halven avond op een zacht vuurtje gefolterd.
Toen ik den volgenden morgen buiten kwam, luidde de klok voor de
vroegkerk en wandelde Uriah met zijne moeder voor het kerkgebouw op
en neer. Hij sprak mij aan, alsof er niets gebeurd was en ik kon niet
anders doen dan antwoord geven. De slag was blijkbaar aangekomen, want
hij had een zwart zijden doek om het hoofd, die onder den hoed was
vastgeknoopt en hem _nog_ leelijker maakte dan gewoonlijk. Ik vernam
van hem, dat hij den volgenden morgen naar een tandendokter in Londen
zou gaan, omdat hij een tand kwijt was. Ik had een stille hoop, dat het
een kies mocht zijn.
Doctor Strong liet weten, dat hij niet heel wel was; zoo lang de logé's
bleven, bracht hij een groot gedeelte van den dag op zijne kamer door.
Agnes en haar vader waren reeds een week vertrokken, eer wij onze
gewone werkzaamheden hervatten. Den dag te voren had hij mij een
onverzegeld briefje gegeven. Het was aan mij geadresseerd en bevatte
niets dan een verzoek, op hartelijken toon, om het onderwerp, dat op
dien gewichtigen avond behandeld was, niet meer aan te roeren. Ik had
het voorgevallene aan mijne tante toevertrouwd, maar overigens aan
niemand. Met Agnes kon ik er niet over spreken en zij had ook niet het
geringste vermoeden van hetgeen was voorgevallen.
Ook mevrouw Strong vermoedde niets—daarvan was ik overtuigd.
Verscheidene weken gingen voorbij, eer ik eenige verandering in haar
bespeurde. En die verandering kwam langzaam, evenals eene wolk op een
stillen dag. In het eerst scheen zij zich eenigermate te verbazen
over de buitengewone teederheid, waarmede de doctor tot haar sprak,
en over zijn wensch om hare moeder te logeeren te vragen, omdat zij
zulk en eentonig leven had. Meermalen zat zij bij ons, terwijl wij aan
den arbeid waren; zij kon dan dikwijls haar werk laten rusten en voor
zich uit staren met eene uitdrukking op haar gelaat, die ik nooit zal
vergeten. Later zag ik haar nu en dan opstaan met tranen in de oogen
en uit de kamer gaan. Langzamerhand begon hare schoonheid er onder te
lijden. Mevrouw Markleham woonde toen voor goed bij haar schoonzoon en
praatte en praatte, maar zag niets.
Terwijl deze verandering in Annie, eenmaal het zonnetje in doctor
Strong's woning, plaats greep, zag ik den doctor dagelijks ouder en
ernstiger worden; de zachtheid van zijn humeur, de vriendelijkheid
van zijn toon, de bezorgdheid voor haar schenen echter, indien dat
mogelijk was, nog toe te nemen. Eens, het was op den morgen van haar
verjaardag, toen zij bij het venster plaats nam, waar zij kwam zitten,
terwijl wij aan het werk waren—zij had dit altijd gedaan, doch in
den laatsten tijd eenigszins schroomvallig—zag ik hoe hij haar hoofd
tusschen zijne handen nam en haar op het voorhoofd kuste, waarna hij
haastig heenging. Blijkbaar belette zijne aandoening hem te blijven. Ik
zag dat zij als een standbeeld bleef staan op de plek, waar hij haar
verlaten had, het hoofd boog en met de handen voor het gelaat begon te
schreien.... o, zoo innig droevig!
Na dien tijd verbeeldde ik mij nu en dan, dat zij, als wij alleen
waren, met mij wilde spreken; maar er kwam nooit een woord over
hare lippen. De doctor was onvermoeid in het bedenken van allerlei
gelegenheden, om haar buitenshuis afleiding te verschaffen en mevrouw
Markleham, die veel hield van uitgaan—alle andere dingen verveelden
haar spoedig—liet zich dat gaarne welgevallen en was niet uitgesproken
in haar lof over haar schoonzoon. Annie daarentegen liet zich
medenemen, zonder eenigen lust voor uitgaan te gevoelen, blijkbaar
onverschillig voor alles.
Ik wist niet wat ik van dit alles moest denken; tante evenmin. In
hare onzekerheid legde zij, op verschillende tijdstippen, te zamen
ongetwijfeld meer dan honderd mijlen af. Het vreemdste van dit alles
was, dat de eenige lichtstraal, die zich door dit geheimzinnige
waas van huiselijk leed een weg wist te banen, van mijnheer Dick
uitging. Wat hij er van dacht, welke verklaring hij er zich van
gaf, kan ik evenmin zeggen als hij in staat zou zijn geweest om het
mij te doen. Zooals ik reeds in het verhaal van mijn schooltijd heb
medegedeeld, was zijn eerbied voor den doctor grenzenloos. Nu gaat
ware gehechtheid, zelfs van het dier aan den mensch, gewoonlijk gepaard
met een vlugheid van begrip, waarop de verstandigste mensch zelfs niet
bogen kan. Dit „verstand van het hart”, als ik het zoo noemen mag, deed
mijnheer Dick een helderen straal van de waarheid opvangen.
Met een gevoel van trots had hij zich weder van het voorrecht verzekerd
om in zijne vele ledige uren met den doctor den tuin op en neer te
wandelen, zooals vroeger in Canterbury het doctorspad. Zoodra had
hij echter niet bespeurd, dat er in de woning van den doctor eene
verandering had plaats gegrepen, die zijn geëerden ouden vriend tot
neerslachtigheid stemde, of hij besteedde er nog meer uren aan dan
vroeger en stond met dat doel zelfs voor dag en dauw op. Was hij
vroeger gelukkig geweest, wanneer de doctor hem voorlas uit dat
verbazingwekkende meesterwerk, het woordenboek, thans voelde hij zich
bepaald ongelukkig, tot de oude man het een of ander brokstuk uit
den zak te voorschijn haalde en met zijne voorlezing begon. Wanneer
de doctor en ik aan den arbeid waren, wandelde hij thans op en neer
met mevrouw Strong en hielp haar met het opbinden van de bloemen
of het wieden van de bedden. Ik geloof niet dat hij bij dergelijke
gelegenheden tien woorden sprak; maar zijne kalme belangstelling, zijn
ijver en zijn peinzend gelaat vonden weerklank in beider hart; beiden
wisten dat zij veel van elkander hielden en dat _hij_ veel van beiden
hield; zoo werd de arme mijnheer Dick, wat niemand anders worden kon,
een schakel in de keten, die beiden verbond.
Wanneer ik hem mij voorstel met zijn ondoorgrondelijk, verstandig
gezicht, op en neer wandelende met den doctor, blijde te mogen
luisteren naar al de onverstaanbare woorden uit de dictionnaire;
wanneer ik hem in gedachten de zware gieters met water zie dragen
of hem geknield zie liggen, en met dikke handschoenen aan, met het
grootste geduld de kleinste blaadjes zie verwijderen; beter dan de
grootste wijze, in alles wat hij deed zoo kiesch mogelijk te kennen
gevende dat hij haar vriend wilde zijn; uit elk gaatje van den gieter
medelijden, vertrouwen en vriendschap verspreidend; wanneer ik bedenk
dat die stemming, waarbij het ongeluk troost kon vinden, hem nooit
verliet; dat de ongelukkige koning Karel I geheel achterwege bleef;
dat niets hem ooit te veel was en hij nooit uit het oog verloor, dat
er iets niet in den haak was en hij moest trachten dit terecht te
brengen—dan schaam ik mij bijna, geweten te hebben, dat hij niet goed
bij zijn verstand was, als ik hetgeen ik met mijn goede verstand heb
gedaan daartegen in de schaal leg.
„Niemand dan ik, Trot, kent dien man,” zei tante niet zonder trots,
toen wij er over spraken. „Ik zal nog eer met hem inleggen.”
Eer ik dit hoofdstuk eindig moet ik nog een ander voorval vermelden.
Terwijl de doctor nog logé's had, ontwaarde ik dat de brievenbesteller
elken morgen een brief bracht voor Uriah Heep, die, zoo lang de familie
Wickfield op Highgate vertoefde, daar ook bleef, want het was nu de
stille tijd voor het kantoor. De adressen van deze brieven waren
altijd door mijnheer Micawber geschreven, die zich thans eene vrij
regelmatige, ronde hand had aangewend. Uit deze omstandigheid meende
ik te moeten opmaken dat het mijnheer Micawber goed ging, zoodat ik
ten hoogste verbaasd was den volgende brief van zijne hooggewaardeerde
echtgenoote te ontvangen.
„Canterbury, Maandagavond.
Zonder twijfel zult gij zeer verbaasd zijn, beste Copperfield, als
gij dezen brief ontvangt. De inhoud zal u echter nog meer verbazen.
In de eerste plaats moet ik u verzoeken stipt het stilzwijgen te
bewaren over hetgeen ik u schrijf. Ik moet echter als vrouw en
moeder aan mijn overkropt gemoed lucht geven en aangezien ik niet
mijne familie wensch te raadplegen, die mijnheer Micawber reeds zoo
menigmaal heeft gegriefd, weet ik niet tot wien ik mij beter zou
kunnen wenden dan tot mijn vriend en vroegeren huisgenoot.
Gij weet, beste Copperfield, dat tusschen mij en mijnheer Micawber,
dien ik nimmer zal verlaten, steeds een geest van onderling
vertrouwen heeft bestaan. Mijnheer Micawber mag eens een wisseltje
afgegeven hebben zonder mij daarin te kennen; hij mag mij eens
misleid hebben omtrent den datum van een vervaldag, zeker, dat
is wel eens voorgekomen. In het algemeen echter heeft mijnheer
Micawber geen geheimen gehad voor zijne trouwe levensgezellin, en
onveranderlijk elken avond, eer wij te rusten gingen, met mij de
gebeurtenissen van den dag besproken.
Gij zult u kunnen voorstellen, beste Copperfield, hoe zeer ik mij
gegriefd moet voelen, nu ik u moet meedeelen dat mijnheer Micawber
geheel veranderd is. Hij is achterhoudend, geheimzinnig. Zijn leven
is een mysterie voor de deelgenoote van zijne vreugde en zijn
leed—ik bedoel voor zijne vrouw—; behalve dat hij van den ochtend
tot den avond op het kantoor werkzaam is, weet ik evenveel van
zijn leven als van het mannetje in de maan. En dit is niet alles.
Mijnheer Micawber is somber en knorrig geworden; hij is geheel
vervreemd van onze beide oudste kinderen, is niet meer trotsch op
onze tweelingen; ja zelfs legt hij eene ongekende koelheid aan
den dag voor het onschuldig wicht, dat eenigen tijd geleden ons
kringetje is komen uitbreiden. De middelen om de onkosten van
het huishouden te bestrijden, dat op den eenvoudigsten voet is
teruggebracht, zijn slechts met moeite te verkrijgen, ja, zelfs
onder de vreeselijke bedreiging, dat hij zich van kant zal maken.
Onverbiddelijk weigert hij de geringste verklaring te geven van
deze verandering in zijn doen en laten.
Gij begrijpt, beste Copperfield, hoe hard mij dit valt. Ik kan
het bijna niet dragen. Gij, die mijne zwakke krachten kent, zult
mij wellicht raad kunnen geven hoe ik er in deze buitengewone
omstandigheden het beste gebruik van zou kunnen maken. Dit doende,
zoudt gij een nieuwe verplichting voegen bij de vele, die wij reeds
aan u hebben.
Met de vriendelijke groeten van de kinderen en een lachje van het
onschuldig wichtje, noem ik mij, beste Copperfield,
Uwe U toegenegene
Emma Micawber.”
Ik voelde mij niet gerechtigd aan eene vrouw van mevrouw Micawber's
ondervinding anderen raad te geven dan dat zij trachten moest—hetgeen
zij zonder mijn raad toch ook zou doen—haar echtgenoot door geduld en
toegevendheid tot rede te brengen. Toch hield de inhoud van mevrouw
Micawber's schrijven mij langen tijd bezig.