XLII.

De stokebrand.

Is het wel goed, zoo vraag ik mij meermalen af, dat ik, al behoeft

dit manuscript onder geen andere oogen te komen dan de mijne,

hier aanteeken hoe hard ik in dezen tijd heb moeten werken om dat

afschuwelijke snelschrift machtig te worden, opdat ik mij verantwoord

zou gevoelen tegenover Dora en de tantes? Bij hetgeen ik reeds schreef

over mijn volhardingsvermogen in dit tijdperk van mijn leven, over

mijn geduld en mijn ijver, die de hoofdtrekken van mijn karakter

waren, wil ik alleen nog voegen, dat ik, achterom ziende, daaraan

mijn succes te danken heb. Ik ben in wereldsche zaken zeer gelukkig

geweest; menigeen heeft veel harder gewerkt en veel minder succes gehad

dan ik; maar ik zou nooit zoo ver gekomen zijn zonder mijne gewoonte

om nauwkeurig, ordelijk en geregeld te werken, zonder den vasten wil

om mij bij één onderwerp te gelijk te bepalen, ongeacht het volgende

reeds op afdoening wachtte. De Hemel weet dat ik dit niet schrijf om

mij te verheffen. Iemand, die zijn eigen leven nagaat zooals ik het

mijne, van bladzijde tot bladzijde, moet wel deugdzaam geweest zijn,

wil hem het kwellend besef bespaard blijven van verwaarloosde talenten,

van verbeuzelden tijd, van menigen strijd tusschen zijn boozen en

zijn goeden engel, waarin de laatste het onderspit heeft gedolven.

Ik moet bekennen, dat ik geen enkele aangeboren gave bezit, die ik

niet eens misbruikt heb; alleen kan ik zeggen, dat ik bij alles wat

ik getracht heb te doen, met hart en ziel getracht heb het goed te

doen; dat, waaraan ik mij ook heb gewijd, ik mij geheel heb gegeven;

dat ik, zoowel in het groote en in het kleine, altijd den ernst op den

voorgrond gesteld heb. Ik heb het nooit mogelijk geacht, dat men met

eenige aangeboren of aangeleerde bekwaamheid zijn doel kan bereiken

zonder de hulp van onverpoosden ijver en volharding. Er is niets op

de wereld, waarmede men zekerder zijn doel bereikt. Een heerlijk

talent, een gelukkig toeval mogen de beide zijden van de ladder vormen,

waarlangs sommige menschen opklimmen, de sporten moeten vervaardigd

zijn van een stof, die tegen invloeden van buiten bestand is; vurige,

doortastende, oprechte ernst kan onmogelijk falen. Nooit de hand uit te

strekken naar iets, waaraan ik mij met mijn gansche wezen kon wijden;

nooit minachting voorwenden voor mijn werk, wat het ook was—dat zijn

mijn gulden stelregels geweest.

Hoeveel van het goede, dat ik daar vermeld, ik aan Agnes te danken heb

gehad, zal ik niet herhalen. Met een dankbaar, liefhebbend hart breng

ik mijn verhaal op Agnes over.

Agnes kwam veertien dagen bij mevrouw Strong logeeren. Mijnheer

Wickfield was een oud vriend van den doctor en deze verlangde eens

rustig met hem te praten en, zoo mogelijk, van dienst te zijn. Bij het

laatste bezoek, dat Agnes in de stad had gebracht, was dit afgesproken

en nu zouden vader en dochter samen komen. Het verbaasde mij niets te

vernemen, dat zij in de buurt kamers gehuurd hadden voor juffrouw Heep,

wier rheumatiek verandering van lucht vereischte en die dit uitstapje

natuurlijk het aangenaamst vond in zulk lief gezelschap. Evenmin was ik

verbaasd den volgenden dag Uriah te zien, die als een trouwe zoon zijne

waardige moeder zelf kwam brengen.

„Gij ziet, jongeheer Copperfield,” zei hij, mij zijn gezelschap op

eene wandeling in den tuin van den doctor opdringende, „menschen, die

verliefd zijn, zijn altijd een weinig jaloersch, ten minste, zij houden

gaarne het voorwerp hunner genegenheid in het oog.”

„Op wien zijt gij jaloersch?” vroeg ik.

„Dank zij uwe vriendelijkheid om mij zoo gerust te stellen,” antwoordde

Uriah „op niemand in het bijzonder—ten minste op geen mannelijk

persoon.”

„Bedoelt gij dan, dat gij jaloersch zijt op eene vrouw?”

Hij keek mij met zijne afschuwelijke, roode oogen van ter zijde aan en

lachte.

„Waarlijk; jongeheer Copperfield—ik bedoel mijnheer Copperfield,

maar gij zult mij dat wel niet kwalijk nemen; ik zeg dat uit

gewoonte—waarlijk, gij knijpt mij uit als een citroen. Het was niet

mijn voornemen om daarover met u te spreken,” ging hij voort, terwijl

hij zijne vischachtige hand op de mijne legde, „ik heb in het algemeen

geen wit voetje bij de dames, mijnheer Copperfield, en bij mevrouw

Strong in het geheel niet.”

Zijne oogen waren allengs groen geworden, terwijl hij mij aanstaarde

met een blik, waarin list en boosaardigheid om den voorrang streden.

„Wat bedoelt gij?” vroeg ik.

„Wel, al ben ik een man van de wet,” antwoordde hij met een grijns, „ik

bedoel op dit oogenblik niets anders dan ik zeg.”

„En wat bedoelt gij dan met dien blik?” hernam ik bedaard.

„Met dien blik? Wel, Copperfield, nu vraagt gij toch ook alles! Wat ik

met dien blik bedoel?”

„Ja,” zei ik. „Met dien blik.”

Hij scheen dit zeer grappig te vinden en lachte zoo hartelijk als hij

gewoon was te lachen. Na zijne kin eenige malen met de hand gewreven te

hebben, ging hij met neergeslagen oogen op fluisterenden toon voort:

„Toen ik nog maar een nederige klerk was, keek zij altijd op mij neer.

Zij wilde Agnes altijd gaarne bij zich hebben en was ook eene vriendin

van u, jongeheer Copperfield; maar ik stond te ver beneden haar om mij

eenige aandacht te schenken.”

„Welnu,” zei ik, „aangenomen dat het zoo was?”

„En beneden hem ook,” vervolgde Uriah, wel is waar heel duidelijk, doch

met eene peinzende uitdrukking op zijn gelaat en voortdurend zijne kin

wrijvend.

„Kent gij den doctor niet beter?” vroeg ik; „meent gij dat hij zich

bewust is van uw bestaan, als gij niet vlak voor hem staat?” Weder keek

hij mij zoo van ter zijde aan en maakte daarbij zijn gezicht zoo lang

mogelijk, ten einde meer plaats te hebben om te wrijven, terwijl hij

antwoordde:

„Goede Hemel! Ik bedoel den doctor niet! O, neen, die arme man! Ik

bedoel mijnheer Maldon!” Mijn hart kromp ineen. Al mijne vroegere

twijfelingen en vermoedens aangaande dit punt, al het geluk, al den

vrede van den Doctor, het geheele net van onschuld en bedrog, dat ik

onmogelijk kon ontwarren, zag ik op eenmaal prijsgegeven aan dezen

ellendigen huichelaar.

„Hij kwam nooit op het kantoor zonder mij iets te bevelen of een duw te

geven,” zei Uriah. „O, hij was zoo'n net heer en ik was heel nederig en

gedwee—en dat ben ik nog. Maar ik hield niet van zulke dingen—en dat

doe ik nog niet!”

Hij hield nu op met wrijven en zoog zijn wangen in, zoodat ze elkaar

van binnen moesten aanraken, terwijl hij mij voortdurend met dien

zelfden loerenden blik bleef aanstaren.

„Zij is zoo'n echt mooi, bekoorlijk dametje”, hernam hij, toen zijn

gelaat weder den natuurlijken vorm had aangenomen, „zoo een, die

niet houdt van menschen als ik. Zij is juist een persoon om Agnes

hoogere wenschen te doen koesteren. Nu weet ik wel, dat ik weinig

aantrekkelijkheden heb voor dametjes, maar ik heb oogen in mijn hoofd

gehad, jongeheer Copperfield, jaren lang. Wij, nederige menschen,

hebben gewoonlijk oogen in het hoofd—en daarmee kijken wij rond.”

Ik trachtte den schijn aan te nemen alsof ik hem niet begreep en de

zaak mij onverschillig liet, maar ik zag aan zijn gezicht, dat mij dit

niet gelukte.

„Nu ben ik niet van plan mij van de baan te laten schuiven,

Copperfield,” ging hij voort, terwijl hij dat gedeelte van zijn

gezicht, waar zijne wenkbrauwen hadden moeten zijn, hoog optrok,—o,

wat zag hij er nu gluiperig uit!—„en ik zal doen wat ik kan om een

einde te maken aan die vriendschap. Ik kan die niet goedkeuren. Ik wil

u wel bekennen, dat ik wat achterdochtig ben; het is dus noodig, dat ik

aan alle geheime vijanden den pas afsnijd. Ik zal zorgen niet achter

het net te visschen.”

„Gij schijnt iedereen te verdenken van kuiperijen, omdat gij zelf

altijd aan het plannen smeden zijt, geloof ik.”

„Dat is wel mogelijk, jongeheer Copperfield,” antwoordde hij. „Maar

ik heb een beweegreden, zooals mijn compagnon gewoon was te zeggen;

en daarvoor zal ik strijden met hand en tand. Ik zal mij niet laten

verdrukken, omdat ik nu eenmaal nederig ben. Ik kan mijn plannen niet

door andere menschen laten dwarsboomen. Dan moeten ze maar liever uit

den weg worden geruimd.”

„Ik begrijp u niet,” zei ik.

„Begrijpt gij mij werkelijk niet?” vroeg hij zich kronkelend als een

slang. „Dat verbaast mij van u; gij zijt anders zoo vlug van begrip.

Een andermaal zal ik trachten duidelijker te zijn.—Is dat niet

mijnheer Maldon te paard, die daar aanschelt, mijnheer?”

„Ik geloof het wel,” antwoordde ik, zoo onverschillig mogelijk.

Uriah bleef staan, sloeg de handen op zijne groote, knokige knieën

en viel bijna dubbel van het lachen. Maar het was een onhoorbare

lach; geen geluid ontsnapte hem. Ik was zoo verontwaardigd over

zijn onhebbelijk gedrag, voornamelijk over deze laatste minachtende

houding, dat ik zonder een woord te spreken heenging en hem als een

ineengezakte vogelverschrikker midden in den tuin liet staan.

Niet op den avond van dezen dag, maar, indien mijn geheugen mij niet

bedriegt, twee dagen daarna, op een Zaterdag nam ik Agnes mede om

kennis te maken met Dora. Ik had dit bezoek vooraf met juffrouw Lavinia

geregeld, zoodat Agnes op de thee gewacht werd.

Ik werd geslingerd tusschen trots en verlangen; ik wist dat ik trotsch

kon zijn op mijn lief, bekoorlijk meisje, en verlangde te weten hoe

Agnes haar vond. Gedurende den geheelen rit naar Putney—Agnes zat

binnen in en ik boven op de diligence—zag ik Dora voor mij, nu eens

zoo, dan eens zus kijkende; want o! zij kon er zoo verschillend

uitzien, al bleef zij altijd bekoorlijk! Ik was het niet met mij zelven

eens hoe ik haar het liefst zou zien bij deze voor mij zoo gewichtige

gelegenheid en peinsde er mij moe over. Ik twijfelde geen oogenblik of

zij zou er wel lief uitzien, en waarlijk, zoo bekoorlijk als op dezen

avond, had ik haar nog nooit gevonden. Zij was niet in het salon,

toen ik Agnes aan de tantetjes voorstelde, maar was uit bedeesdheid

weggebleven. Ik wist wel waar ik haar vinden kon, en vond haar ook met

de handen op de ooren achter dezelfde oude deur, als bij mijn eerste

bezoek.

Eerst wilde zij volstrekt niet binnenkomen, en daarna vroeg zij vijf

minuten uitstel. Toen zij eindelijk haar arm door den mijne stak, en ik

haar naar het salon geleidde, was haar lief gezichtje, met een donkeren

blos overtogen en had zij er nog nooit zoo bekoorlijk uitgezien. En

toen wij het salon binnentraden en zij plotseling bleek werd, was zij

nog veel mooier.

Dora had tegen eene ontmoeting met Agnes opgezien. Zij wist, zeide zij,

dat Agnes zoo verstandig was. Maar toen zij Agnes' opgewekt en toch zoo

ernstig, peinzend en toch zoo vriendelijk gezichtje zag, uitte zij een

kreet van verrassing, sloeg hare zachte armen om Agnes' hals en legde

haar donzen wang tegen Agnes' gelaat.

Nooit had ik mij zoo gelukkig gevoeld. Nooit had ik zoo genoten als

toen ik deze twee daar naast elkander zag zitten, als toen ik mijn

kleine lieveling zoo vertrouwelijk in Agnes' lieve oogen zag kijken;

als toen ik den teederen, vriendelijken blik zag, dien Agnes haar

toewierp.

Juffrouw Lavinia en juffrouw Clarissa deelden op hare wijze in mijne

vreugde. Zeker was er nergens op de geheele wereld genoegelijker

theeuurtje. Juffrouw Clarissa presideerde de tafel. Ik sneed en

bediende de anijs-koek—de tantetjes hadden eene voorliefde voor alles

wat klein was en als twee kleine vogeltjes pikten zij gaarne zaadjes

of knabbelden zij suiker; juffrouw Lavinia keek daarbij met een

beschermenden blik rond, alsof ons geluk geheel en al haar werk was;

het was, in één woord, een harmonisch geheel.

Agnes won aller harten door hare zachtheid en opgewektheid. Hare

hartelijke belangstelling in alles wat Dora betrof; de wijze, waarop

zij kennis maakte met Jip, die onmiddellijk bevriend met haar was;

de wijze, waarop zij Dora plaagde toen deze uit verlegenheid niet op

haar gewone plaatsje naast mij durfde gaan zitten; hare bescheidenheid

en vrijmoedigheid tevens, die Dora aanleiding gaven, haar nu en dan

blozend en vertrouwelijk toe te knikken, dat alles scheen tot nu toe in

ons kringetje ontbroken te hebben.

„Ik ben zoo blij,” zei Dora na de thee, „dat gij van mij houden wilt.

Ik dacht niet dat gij het zoudt willen en toch heb ik meer dan ooit

behoefte aan eene vriendin, nu Julia Mills weg is.”

Ik heb dit vergeten mede te deelen. Juffrouw Mills was uitgezeild

en Dora en ik hadden haar naar Gravesend aan boord van een grooten

Oost-Indievaarder gebracht; wij hadden daar ontbeten met gember en

guava en meer dergelijke versnaperingen en juffrouw Mills het laatst

gezien op een vouwstoeltje op het achterdek, schreiende en met een

groot, nieuw dagboek onder den arm, waarin de bespiegelingen, door den

Oceaan opgewekt, veilig zouden worden bewaard.

Agnes zeide te vreezen, dat ik niet veel goeds van haar verteld zou

hebben, maar Dora koos onmiddellijk mijne partij.

„O, neen!” zeide zij, terwijl hare krullen heftig in beweging waren,

„o, neen hij heeft niets dan lof van u verkondigd; hij hecht zoo zeer

aan uwe opinie, dat ik een beetje bang voor u was.”

„Mijne opinie kan toch zijne liefde voor menschen, die hij alleen kent,

niet vergrooten,” zei Agnes glimlachend; „ze is dus niet veel waard.”

„O, maar ik hecht er toch ook aan,” antwoordde Dora; „gij moet ons die

niet onthouden.”

Wij maakten ons een weinig vroolijk over Dora, die zoo gaarne wenschte

dat iedereen van haar hield en zeide dat ik eigenlijk zoo dom was als

een gans, want dat zij mij heelemaal niet liefhad. De avond vloog om.

Toen het oogenblik naderde dat de diligence ons zou komen afhalen,

stond ik alleen bij den haard en kwam Dora zachtjes naar mij toe om mij

dat zekere heerlijke kusje te geven eer ik heenging.

„Meent gij niet, Doady,” vroeg zij, terwijl zij mij met hare

schitterende oogjes aankeek en hare hand speelde met de knoopen van

mijn jas, „meent gij niet, dat ik veel verstandiger zou geweest zijn

als ik Agnes vroeger gekend had?”

„Welk een dwaze vraag, lieveling!” antwoordde ik.

„Meent gij werkelijk dat het eene dwaze vraag is?” hernam Dora, zonder

mij aan te kijken. „Zijt gij daar wel zeker van?”

„Natuurlijk ben ik daar zeker van.”

„Ik ben vergeten,” sprak zij, al draaiende aan den knoop, „in welke

familiebetrekking Agnes tot u staat, beste jongen.”

„Zij is geen familie van mij,” antwoordde ik, „wij zijn samen opgevoed

als broer en zuster.”

„Dan verbaast het mij, dat gij niet op haar verliefd zijt geworden,”

zei Dora, aan een anderen knoop beginnende.

„Misschien wel omdat ik u niet kon zien zonder verliefd op u te worden,

Dora!”

„Neem eens aan dat gij mij nooit ontmoet hadt,” hernam zij.

„Neem eens aan dat wij nooit geboren waren,” zei ik schertsend.

Ik vroeg mij met verbazing af, wat er in haar hoofdje omging, terwijl

ik in stilte dat poezele handje gadesloeg aan de knoopen van mijn jas,

en de zachte krullen tegen mijne borst, en de lange wimpers aan hare

mooie oogen, die de beweging van hare vingertjes volgden. Eindelijk

sloeg zij de oogen naar mij op en ging op de teenen staan om mij een-

twee- drie malen een afscheidskus te geven. Daarna verliet zij met een

peinzende uitdrukking op haar gelaat de kamer.

Vijf minuten later kwamen allen te zamen terug en was die peinzende

uitdrukking reeds verdwenen. Lachend wilde zij Jip, eer de diligence

kwam, nog eens al zijn kunststukken laten vertoonen. Dit kostte nogal

eenigen tijd, niet omdat het aantal zoo groot was, maar omdat Jip niet

veel zin had in kunstjes, zoodat ze nog niet alle vertoond waren, toen

wij den postiljon reeds hoorden. Het afscheid tusschen Dora en Agnes

was haastig doch hartelijk. Dora zou Agnes schrijven—als zij hare

brieven niet al te dwaas vond—en Agnes zou Dora schrijven; aan het

portier werd voor de tweede maal afscheid genomen, en eindelijk voor de

derde maal, toen Dora, in weerwil van juffrouw Lavinia's waarschuwing,

blootshoofds naar buiten liep, om Agnes aan haar brief te herinneren en

tegen mij, die op den bok zat, hare krullen te schudden.

De diligence bracht ons tot Covent Garden, waar wij eene andere

moesten nemen, die ons naar Highgate brengen zou. Ik zag met ongeduld

het kleine wandelingetje te gemoet, dat wij doen moesten om van de eene

diligence naar de andere te komen. Ik verlangde Agnes' oordeel over

Dora te vernemen, en.... zij had niets dan lof voor haar. Hoe warm en

teeder beval zij het lieve schepseltje, wier hart ik gewonnen had en

wier natuurlijkheid haar zoo had aangetrokken, aan mijne nauwlettendste

zorg aan! Hoe liefdevol herinnerde zij mij, zonder te verraden dat zij

het met opzet deed, aan de verantwoording, die ik tegenover die jonge

weeze op mij had genomen!

Nooit heb ik Dora zoo teeder, zoo oprecht liefgehad als dien avond.

Toen wij waren uitgestapt en bij het licht der sterren den korten

afstand aflegden, die ons van doctor Strong's woning scheidde, vertelde

ik Agnes, dat zij daarvan de oorzaak was. „Toen gij naast haar zat,”

zei ik, „had ik een gevoel, alsof gij niet minder haar beschermengel

waart dan de mijne. En dit gevoel heb ik nog, Agnes.”

„Een arme engel,” antwoordde zij, „maar trouw.”

De heldere klank harer stem, die tot mijn hart doordrong, gaf mij

aanleiding te zeggen:

„De u eigen blijmoedigheid, Agnes, die ik nooit bij iemand anders heb

ontwaard, is, zooals ik vandaag heb opgemerkt, teruggekeerd. Mag ik

daaruit opmaken dat gij u thuis wat gelukkiger voelt?”

„Ik voel mij zelve veel gelukkiger,” antwoordde zij, „ik ben zoo

opgewekt als ik in langen tijd niet geweest ben.”

Toen zij bij deze woorden haar lief gelaat naar mij ophief, meende ik,

dat de sterren er zulk een hemelschen glans op wierpen.

„In huis is niets veranderd,” sprak zij, na eenige oogenblikken

gezwegen te hebben.

„Hebt gij mij niets nieuws mede te deelen aangaande.... ik wil u

geen verdriet doen, Agnes, maar ik kan niet helpen, dat ik het vragen

moet.... aangaande.... gij weet wel, waarover wij hebben gesproken,

toen ik u het laatst heb gezien?”

„Neen, niets,” antwoordde zij.

„Ik heb er zooveel over gedacht.”

„Dat moet gij niet doen. Bedenk toch dat liefde en waarheid ten laatste

zullen zegepralen. Maak u niet beangst voor mij, Trotwood,” voegde zij

er bij, „hetgeen gij vreest, zal nimmer gebeuren.”

Hoewel ik kalm nadenkende nooit gevreesd had, dat zij het doen zou,

was het mij toch eene onuitsprekelijke verademing, toen ik deze

geruststellende verzekering van haar eigen trouwe lippen ontving. Ik

zei haar dat zoo ernstig mogelijk.

„En wanneer nu deze veertien dagen om zijn, Agnes.... wij mochten

misschien niet meer in de gelegenheid zijn om zoo vertrouwelijk te

spreken.... hoe lang zal het dan duren, voor gij weder te Londen komt?”

„Waarschijnlijk heel lang,” antwoordde zij, „ter wille van papa kan ik

nergens beter zijn dan thuis. Vermoedelijk zullen wij elkander dus niet

veel zien, maar ik zal trouw aan Dora schrijven, dan zullen wij toch

dikwijls van elkander hooren.”

Wij waren intusschen de woning van den doctor genaderd en het was al

laat. In mevrouw Strong's kamer was nog licht en Agnes wenschte mij, na

tegen het venster geklopt te hebben, goeden nacht.

„Gij moet u niet zoo laten terneerslaan omdat het ons wat tegenloopt,”

sprak zij, met haar handje in de mijne.

„Ik kan niet gelukkiger zijn, dan wanneer ik u gelukkig zie. Indien gij

mij ooit helpen kunt, vertrouw dan op mij; ik zal uwe hulp inroepen.

God zegen' u.”

Onder den indruk van haar stralend gezichtje en van den blijmoedigen

toon, waarop zij gesproken had, bleef ik nog een oogenblik staan en

nam toen langzaam den terugweg aan. Ik had logies besteld in eene

naastbijzijnde herberg, de eenige in de buurt, en had geen ander

voornemen dan mijn bed op te zoeken, toen ik, mij omkeerende, licht

gewaar werd in de studeerkamer van doctor Strong. Een gevoel van

zelfverwijt kwam in mij op, dat hij zonder mij aan zijn woordenboek

zat te werken. Met de bedoeling om mij daarvan te overtuigen en hem in

elk geval goeden nacht te wenschen, als hij nog tusschen zijne boeken

zat, keerde ik zachtjes door den tuin terug en opende de deur van de

studeerkamer. De eerste persoon, dien ik zag, was, tot mijne groote

verbazing, Uriah. Hij stond in de schaduw van de lamp, met een van

zijne skeletachtige handen voor den mond en de andere op de tafel van

den doctor. Deze zat in zijn studeerstoel, het gelaat met beide handen

bedekt, terwijl mijnheer Wickfield met een ontsteld gelaat voorover

leunde en aarzelend den arm van den doctor aanraakte.

In het eerste oogenblik meende ik dat mijnheer Strong ziek was. Haastig

deed ik onder dien indruk eenige schreden vooruit, maar toen ik

Uriah's blik ontmoette, begreep ik wat er gebeurd moest zijn. Ik wilde

heengaan, maar de doctor gaf mij een wenk om te blijven.

„In elk geval,” zei Uriah, die zich op de afzichtelijkste wijzen stond

te wringen, „kunnen wij de deur gesloten houden. De geheele stad

behoeft het niet te weten.”

Dit zeggende, sloop hij op de teenen naar de deur, die ik had

opengelaten, en sloot die zorgvuldig. Daarna nam hij dezelfde plaats

en dezelfde houding weder in. In zijne stem en zijne bewegingen lag

gehuicheld medelijden, een zeker vertoon van welwillendheid, hetgeen

hem—in _mijn_ oogen tenminste—nog onverdragelijker maakte dan welke

andere houding ook.

„Ik heb mij genoopt gevoeld, jongeheer Copperfield,” zei Uriah, „doctor

Strong te wijzen op hetgeen waarover wij gesproken hebben. Gij hebt mij

echter toen niet geheel begrepen, nietwaar?”

Ik keek hem aan, maar gaf geen antwoord en naar mijn goeden, ouden

meester gaande, trachtte ik dezen eenige woorden van troost en

bemoediging toe te spreken. Hij legde de hand op mijn schouder, zooals

hij gedaan had toen ik nog een kleine jongen was, maar lichtte het

grijze hoofd niet op.

„Aangezien gij mij toen niet begrepen hebt, jongeheer Copperfield,”

hernam Uriah op walgelijk beleefden toon, „mag ik zeker wel zoo vrij

wezen u, daar wij toch onder vrienden zijn, mede te deelen, dat ik

zoo nederig mogelijk doctor Strong's aandacht gevestigd heb op de

handelingen van mevrouw Strong. Ik kan u verzekeren, Copperfield, dat

het mij eene overwinning op mij zelven gekost heeft, eer ik er toe kon

overgaan zulk een onaangenaam onderwerp aan te roeren; maar nu het

eenmaal zoo is, zijn wij allen min of meer schuldig, indien wij iets,

wat niet in den haak is, verzwijgen. Dat was hetgeen ik bedoelde, toen

gij mij niet begreept, jongeheer Copperfield.”

Het verbaast mij nog altijd, dat ik den gluiper op dat oogenblik niet

bij den strot gepakt en den nek omgedraaid heb!

„Ik moet bekennen,” ging hij voort, „dat ik mij toen niet duidelijk

heb uitgedrukt, evenmin als gij. Natuurlijk wilden wij beiden liever

dat onderwerp laten rusten. Eindelijk ben ik echter tot de overtuiging

gekomen, dat het beter was ronduit te spreken en aan doctor Strong mede

te deelen, dat.... zegt gij iets, mijnheer?”

Deze vraag was tot den doctor gericht, die een angstigen zucht had

geslaakt. Dit geluid had ieders hart moeten treffen, naar ik meende,

maar het liet Uriah koud.

„...... aan doctor Strong mede te deelen,” ging hij onverbiddelijk

voort, „dat iedereen zien kan hoe vriendelijk mijnheer Maldon en de

mooie, lieve dame, die doctor Strong's vrouw is, voor elkander zijn.

Waarlijk, die tijd is gekomen—willen wij niet allen min of meer

schuldig zijn door iets, wat niet in den haak is, te verzwijgen—dat

doctor Strong weten moet, hoe duidelijk dit reeds voor iedereen was eer

mijnheer Maldon naar Indië vertrok. Om geen andere reden is mijnheer

Maldon uit Indië teruggekeerd en om geen andere reden is mijnheer

Maldon zoo dikwijls hier. Toen gij binnenkwaamt, mijnheer Copperfield,

wilde ik juist mijn compagnon verzoeken”—hij richtte zich nu tot

mijnheer Wickfield—„openhartig aan doctor Strong te verklaren, hoe

lang hij reeds dat zelfde vermoeden gekoesterd heeft. Kom, mijnheer

Wickfield! Wilt gij nu zoo goed zijn ons uwe opinie mede te deelen? Ja

of neen, mijnheer? Kom, compagnon!”

„Hecht in 's Hemels naam niet te veel waarde aan de vermoedens, die ik

gekoesterd mag hebben, beste doctor!” zei mijnheer Wickfield, terwijl

hij weder aarzelend zijne hand op mijnheer Strong's arm legde.

„Hoort nu eens welk eene dubbelzinnige verklaring!” riep Uriah

hoofdschuddend uit. „Is het soms niet waar? Hem, zulk een oud vriend!

Goede Hemel, toen ik nog maar een eenvoudige klerk was op zijn kantoor,

mijnheer Copperfield, heb ik hem wel twintig malen woedend gezien bij

de gedachte—voor een vader te vergeven—dat juffrouw Agnes betrokken

zou worden in dingen, die niet in den haak waren.”

„Beste Strong,” hernam mijnheer Wickfield met trillende stem, „goede

vriend, ik behoef u niet te zeggen dat mijn grootste gebrek is geweest,

bij iedereen altijd naar een geheime beweegreden te zoeken en al zijne

handelingen daaraan te toetsen. Wellicht heeft dit gebrek twijfel in

mij opgewekt.”

„Hebt gij dan werkelijk getwijfeld, Wickfield?” vroeg de doctor, zonder

van houding te veranderen. „Hebt gij werkelijk getwijfeld?”

„Zeg nu de waarheid, compagnon,” drong Uriah.

„Zeker, er is een tijd geweest, waarin ik twijfelde,” zei mijnheer

Wickfield. „Ik meende, de Hemel moge 't mij vergeven, dat gij zelf ook

twijfeldet!”

„Neen, neen, nooit, geen oogenblik!” antwoordde doctor Strong, diep

terneergeslagen.

„Ik heb gemeend,” hernam mijnheer Wickfield, „dat gij Maldon

buitenslands verlangdet te zenden, omdat gij eene scheiding wenschelijk

achtet.”

„Neen, neen!” antwoordde de doctor. „Niets anders dan de zucht om Annie

genoegen te doen heeft mij bewogen den speelgenoot harer jeugd aan eene

betrekking te helpen! Niets anders!”

„Dat bleek mij later ook,” zei mijnheer Wickfield. „Toen gij mij dat

verteldet, kon ik niet meer twijfelen. Ik meende echter—ik smeek u te

bedenken, dat ik mijn geheele leven het slachtoffer geweest ben van

mijne bekrompen denkwijze—dat met het oog op het bestaande groote

verschil in leeftijd.....”

„Dit is de ware manier om het voor te stellen, ziet ge, jongeheer

Copperfield!” zei Uriah op gehuicheld medelijdenden toon.

„...... zulk een jong, mooi meisje, hoeveel achting zij voor u

koesterde, meer door wereldsche overwegingen zou zijn geleid, eer

zij tot een huwelijk met u had besloten. Ik hield geen rekening met

de ontelbare neigingen en omstandigheden, die alles ten goede konden

keeren. Ik smeek u dat niet te vergeten.”

„Wat draagt hij het lief voor!” zei Uriah hoofdschuddend.

„Tengevolge van deze eenzijdige beschouwing,” ging mijnheer Wickfield

voort, „—maar ik smeek u, mijn oude vriend, bij alles wat u dierbaar

is, neem mijne eenzijdigheid in aanmerking,—ben ik nu genoodzaakt te

bekennen.....”

„Neen, er is geen uitweg meer, mijnheer Wickfield!” merkte Uriah aan,

„nu het eenmaal zoover gekomen is.”

„...... dat ik getwijfeld heb,” vervolgde mijnheer Wickfield met een

angstigen, half wanhopende blik naar zijn compagnon, „dat ik twijfelde

of zij haar plicht jegens u wel trouw nakwam; dat ik somtijds—als ik

alles moet zeggen—liever niet zag dat Agnes zoo familiaar met haar

omging en dingen zou zien, die ik zag of in mijne verbeelding zag. Ik

vertelde dat nooit aan iemand ter wereld. Ik meende ook dat niemand

het ooit had opgemerkt. En hoewel het voor u vreeselijk is het aan

te hooren,” eindigde hij, geheel van zijn stuk, „als gij wist, hoe

vreeselijk het voor mij is het te vertellen, zoudt gij medelijden met

mij hebben!”

Goedhartig als altijd bood de doctor hem de hand, die mijnheer

Wickfield eenigen tijd vasthield, terwijl hij met gebogen hoofd voor

mijnheer Strong bleef staan.

„Ik ben er zeker van,” zei Uriah, die zich al dien tijd had staan

kronkelen als een aal, „dat het onderwerp voor allen onaangenaam is.

Maar nu het zoover gekomen is, moet ik nog de vrijheid nemen te doen

opmerken, dat Copperfield het ook heeft vermoed.”

Ik keerde mij tot hem en vroeg hoe hij zich op mij durfde beroepen.

„O! Het is wel vriendelijk van u, Copperfield,” antwoordde hij al

kronkelend, „en wij weten allen, welk een beminnelijk karakter gij

hebt; maar gij weet wel, dat, toen ik er u laatst over sprak, gij

zeer goed begreept wat ik bedoelde. Gij weet, dat gij mij begreept,

Copperfield. Ontken het niet! Gij zoudt het met de beste bedoelingen

willen ontkennen, Copperfield, maar doe dat niet.”

Ik zag den goedhartigen blik van den doctor op mij gevestigd en

voelde, dat de bekentenis van mijn ouden argwaan op mijn gezicht te

lezen stond. Het was geheel onnoodig mij zoo boos te maken. Ik kon

mijn gezicht niet veranderen. Wat ik ook zou gezegd hebben, ik kon de

bekentenis niet herroepen.

Wij bleven allen het stilzwijgen bewaren, tot de doctor eindelijk

opstond en twee of drie malen de kamer op- en neerliep. Nu keerde hij

naar zijn stoel terug, en met de hand op de leuning en den zakdoek

voor de oogen, met een eenvoud en oprechtheid, die hem meer tot eer

strekten dan, naar mijne overtuiging, het bemantelen van hetgeen in hem

omging zou gedaan hebben, zei hij:

„Ik ben zeer te laken geweest. Ik geloof, dat ik zeer te laken ben

geweest. Ik heb de vrouw, die ik innig liefhad, blootgesteld aan

besprekingen en lasteringen—ik noem het eene lastering, zelfs al is

het maar in iemand's gedachten opgekomen—waarvoor zij gespaard zou

zijn gebleven, indien ik niet had bestaan.”

Uriah Heep liet een soort gesnuif hooren; waarschijnlijk om zijn

medelijden uit te drukken.

„...... waaraan mijne Annie,” vervolgde de doctor, „nimmer zou zijn

blootgesteld geweest, als ik niet had bestaan. Mijne heeren, gij weet,

ik ben oud; ik voel van avond, dat ik niet veel meer van het leven

verlangen kan. Maar gaarne zou ik mijn leven.... mijn Leven, hoort

gij!.... geven voor de eer en de trouw van de lieve vrouw, die het

onderwerp heeft uitgemaakt van dit gesprek!”

Ik geloof niet, dat het origineel van het meest volmaakte beeld van

ridderlijkheid en trouw, ooit door eenig schilder op het doek gebracht,

deze woorden niet zooveel waardigheid en nadruk zou hebben uitgesproken

als de brave, oude doctor het deed.

„Ik wil niet ontkennen,” ging hij voort—„wellicht moet ik wel

eenigermate toestemmen—dat ik dat meisje onnadenkend tot een

ongelukkig huwelijk heb overgehaald. Ik bezit nu eenmaal weinig

opmerkingsgave en kan niet anders dan aannemen, dat de waarnemingen

van zooveel verschillende personen van uiteenloopende leeftijden en

positie, waarnemingen, die alle een zelfde richting uitgaan—en wel

zulk eene natuurlijke richting—beter zijn dan de mijne.”

Elders heb ik reeds beschreven, hoe ik den ouden man altijd bewonderde

om de hartelijke wijze, waarop hij met zijne jonge vrouw omging; maar

de achting en de teederheid, die hij thans voor haar aan den dag legde;

de bijna eerbiedige wijze, waarop hij zelfs den minsten twijfel aan

hare deugd afwees, deed hem, meer dan ik zeggen kon, in mijne achting

rijzen.

„Ik trouwde met haar,” ging hij voort, „toen zij nog heel jong was;

haar karakter had zich nauwelijks kunnen vormen en het is voor mij een

genot geweest aan die vorming iets te kunnen bijdragen. Ik heb haar

vader goed gekend, ik kende haar, ik had haar zelf onderwijs gegeven,

omdat ik zelden iemand ontmoet had, die zooveel schoone deugden in

zich vereenigde. Mocht ik haar onrecht hebben gedaan—ik vrees dat ik

het gedaan heb door gebruik te maken van hare dankbaarheid en hare

vriendschap—dan smeek ik haar mij dat te willen vergeven.”

Hij liep weder eenige malen de kamer op en neer en kwam terug bij den

stoel, waarvan hij de leuning vastgreep; zijne hand beefde, zijne stem

trilde van aandoening.

„Ik beschouwde mij zelven,” ging hij voort, „als eene toevlucht voor

haar; bij mij zou zij veilig zijn voor de gevaren en wisselvalligheden

des levens. Ik trachtte mij diets te maken dat, al verschilden wij veel

in leeftijd, zij kalm en tevreden bij mij zou kunnen leven. Ook zag ik

niet voorbij dat er een tijd zou komen, waarin zij weder vrij zal zijn

en, nog altijd jong en schoon, met een gerijpt oordeel een nieuw leven

zal kunnen beginnen.... neen, mijne heeren, op mijn woord, ik zag dat

niet voorbij!

„Mijn leven met deze vrouw is zeer gelukkig geweest. Tot op dezen avond

heb ik onafgebroken reden gehad om den dag te zegenen, waarop ik haar

zulk een groot onrecht aandeed.”

Zijne stem had gedurende het uitspreken van deze laatste woorden

gehaperd, zoodat hij eenige oogenblikken zweeg en toen voortging:

„Eenmaal uit mijn droom ontwaakt—ik ben in zekere mate altijd een

droomer geweest, mijn leven lang—zie ik in hoe natuurlijk het is

dat zij eenig berouw gevoelt ten opzichte van den speelmakker harer

jeugd; dat zij, hem aanziende, de onschuldige gedachte niet zal

kunnen onderdrukken, wat had kunnen zijn, indien ik niet bestaan had;

ja, ik vrees, dat dit maar al te waar is. Veel, dat ik gezien doch

niet opgemerkt heb, heeft in dit laatste, moeilijke uur eene andere

beteekenis voor mij gekregen. Maar, mijne heeren, verder mag ik niemand

toestaan te gaan in zijn twijfel, wanneer de naam van mijne vrouw

genoemd wordt.”

Gedurende een oogenblik schitterden zijne oogen en werd zijne stem

vast; daarna bleef hij even zwijgen en hernam toen:

„Er blijft mij niets anders over dan de kennis van het door mij

veroorzaakte verdriet met onderworpenheid te dragen. Zij is het, die

verwijten doen kan, niet ik. Het zal mijn plicht zijn haar te zuiveren

van verdenkingen, van wreede verdenkingen, die zelfs mijne vrienden

niet konden nalaten te koesteren. Hoe stiller en eenzamer wij leven,

hoe beter ik mij van deze taak zal kunnen kwijten. En komt eenmaal de

tijd—moge het den Hemel behagen dien spoedig te doen aanbreken—dat

mijn dood haar van den haar opgelegden dwang zal verlossen, dan zal

mijn laatste blik met onbegrensd vertrouwen en liefde gevestigd zijn

op haar oprecht gelaat; zonder spijt zal ik haar dan overlaten aan

gelukkiger en lichter dagen.”

Ik kon hem niet zien, want zijn ernst en zijne goedheid, zoo volkomen

passend bij zijn eenvoud, deden mij de tranen in de oogen springen. Hij

deed eene beweging naar de deur en voegde er nog bij:

„Mijne heeren, ik heb u mijn gansche hart blootgelegd; ik ben

overtuigd, dat gij dit eerbiedigen zult. Hetgeen dezen avond hier

gezegd is, mag nimmer herhaald worden. Wickfield, oude vriend, geef

mij een arm op de trap!”

Mijnheer Wickfield snelde op hem toe. Zonder een woord te wisselen,

gingen zij langzaam de kamer uit. Uriah keek hen na. „Wel, jongeheer

Copperfield!” zei hij, zich met een ootmoedig gezicht tot mij wendende,

„de dingen hebben niet de wending genomen, die ik verwacht had, want

de oude heer—een braaf man!—schijnt stekeblind te zijn. Eén ding is

echter zeker: _deze_ familie is uit den weg geruimd!”

Ik had niets noodig dan den klank van zijne stem te hooren, om zoo

razend nijdig te worden, als ik nooit te voren was, noch later ooit

geweest ben.

„Schurk, die je bent!” zei ik, „hoe durft gij mij in uwe plannen

wikkelen? Hoe durft gij u op mij beroepen, valsche ellendeling, alsof

wij eerst samen gesproken hadden!”

Toen wij daar tegenover elkander stonden, zag ik zoo duidelijk, dat

zijn gluiperig gezicht van heimelijke vreugde straalde; ik bedoel, dat

ik zoo duidelijk las, hoe hij door zijn aan mij opgedrongen vertrouwen

mij een strik had gespannen, dat ik mijn drift niet kon intoomen.

Zijne lange, breede wang was bovendien zoo uitlokkend, dat ik niet kon

nalaten er met de platte hand zulk een slag op te geven, dat mijne

vingers tintelden, alsof ik ze gebrand had.

Hij greep mijne hand en hield die bij het polsgewricht vast, en zoo

stonden wij elkander eenige oogenblikken aan te kijken, lang genoeg

echter voor mij, om te zien hoe de witte sporen van mijne vingers uit

het donkerrood van zijne wang opkwamen, en nog donkerder tint aannamen

dan deze.

„Copperfield,” zei hij eindelijk met ademlooze stem, „zijt gij uw

verstand kwijt?”

„Ik ben jou kwijt,” antwoordde ik, mijne hand losrukkende. „Ik wil je

niet meer kennen, hondsvot.”

„Niet?” zei hij met de hand op zijn wang, om de pijn te bedwingen.

„Misschien zult gij dat niet kunnen nalaten! Maar is het niet

ondankbaar van u?”

„Ik heb je dikwijls genoeg getoond, dat ik je veracht,” hernam ik. „En

nu heb ik je dat nog duidelijker getoond. Waarom zou ik bevreesd zijn

voor je? Ge doet immers niets dan kwaadstoken! Niemand is veilig voor

je!”

Hij begreep volkomen deze toespeling op de redenen, die mij tot nu toe

genoopt hadden hem te ontzien. En ik ben er zeker van dat ik noch den

slag gegeven, noch de toespeling gemaakt zou hebben, indien ik dien

avond niet Agnes' verzekering had ontvangen. Maar dat deed niets ter

zake.

Er volgde nu een vrij lange pauze. Terwijl hij mij aankeek schenen

zijne oogen elke kleurschakeering aan te nemen, die oogen leelijk

kunnen maken.

„Copperfield”, zei hij, zijn wang loslatende, „gij zijt altijd tegen

mij geweest. Ik weet dat gij ook bij de Wickfields altijd tegen mij

zijt geweest.”

„Gij kunt denken wat gij goedvindt”, zei ik, nog steeds kokende van

woede.

„En toch heb ik altijd veel van u gehouden, Copperfield”, hernam hij.

Ik verwaardigde mij niet hierop te antwoorden, nam mijn hoed en was

voornemens de herberg op te zoeken, toen hij zich tusschen mij en de

deur plaatste.

„Copperfield”, zei hij, „in een twist behooren twee partijen. Ik wil de

eene niet zijn.”

„Gij kunt naar den duivel loopen!” beet ik hem toe.

„Zeg dat niet”, antwoordde hij. „Ik weet zeker dat het u later spijten

zal. Hoe kunt gij u zoo vernederen door zoo toornig te zijn? Kom, ik

zal het u vergeven!”

„Gij mij vergiffenis schenken!” riep ik op minachtenden toon uit.

„Ja, dat doe ik en dat kunt gij mij niet beletten”, antwoordde Uriah.

„Hoe is het mogelijk dat gij iemand, die altijd een vriend van u

geweest is, zoo kunt behandelen? Maar er kan geen twist bestaan of er

moeten twee partijen zijn. Ik wil de eene niet zijn. Ik blijf uw vriend

ook al wilt gij dat niet. Nu weet gij wat gij van mij te verwachten

hebt.”

De noodzakelijkheid om het twistgesprek—Uriah was kalm, maar ik

zeer opgewonden—op zachten toon te voeren, opdat de familie in dit

ongelegen uur niet gestoord zou worden, was niet geschikt om mijn

humeur te verbeteren, hoewel mijn drift toch langzamerhand bekoelde.

Ik vertelde hem eenvoudig dat ik van hem verwachten zou wat ik altijd

van hem verwacht had en waarin ik mij nooit teleurgesteld had gezien,

opende toen, niettegenstaande hij er nog voor stond, de deur alsof ik

hem als een groote noot wilde kraken, en verliet de woning. Maar hij

volgde mij, want hij moest naar zijne moeder, en nauwelijks had ik

eenige schreden afgelegd of hij had mij ingehaald.

„Gij weet, Copperfield”, zei hij in mijn oor,—ik draaide mijn hoofd

niet om—„dat gij in uw ongelijk zijt”—ik voelde dat hij waarheid

sprak en dit maakte mij nog toorniger.—

„Gij kunt dat nooit goed praten en ook kunt gij er niets aan doen, dat

ik u vergiffenis geschonken heb. Ik ben niet voornemens het aan mijne

moeder of aan wien ook te vertellen. Ik heb nu eenmaal besloten u te

vergeven. Toch moet ik nog eens zeggen, hoe het mij verbaasd heeft, dat

gij uwe hand hebt kunnen opheffen tegen iemand, die altijd zoo nederig

is!”

Ik was echter niet zoo'n lage kerel als hij. Hij kende mij beter dan

ik mij zelven kende. Had hij mij maar geantwoord, was hij maar woedend

geworden, dan zou ik eenigszins gerechtvaardigd geweest zijn; maar hij

had mij den halven avond op een zacht vuurtje gefolterd.

Toen ik den volgenden morgen buiten kwam, luidde de klok voor de

vroegkerk en wandelde Uriah met zijne moeder voor het kerkgebouw op

en neer. Hij sprak mij aan, alsof er niets gebeurd was en ik kon niet

anders doen dan antwoord geven. De slag was blijkbaar aangekomen, want

hij had een zwart zijden doek om het hoofd, die onder den hoed was

vastgeknoopt en hem _nog_ leelijker maakte dan gewoonlijk. Ik vernam

van hem, dat hij den volgenden morgen naar een tandendokter in Londen

zou gaan, omdat hij een tand kwijt was. Ik had een stille hoop, dat het

een kies mocht zijn.

Doctor Strong liet weten, dat hij niet heel wel was; zoo lang de logé's

bleven, bracht hij een groot gedeelte van den dag op zijne kamer door.

Agnes en haar vader waren reeds een week vertrokken, eer wij onze

gewone werkzaamheden hervatten. Den dag te voren had hij mij een

onverzegeld briefje gegeven. Het was aan mij geadresseerd en bevatte

niets dan een verzoek, op hartelijken toon, om het onderwerp, dat op

dien gewichtigen avond behandeld was, niet meer aan te roeren. Ik had

het voorgevallene aan mijne tante toevertrouwd, maar overigens aan

niemand. Met Agnes kon ik er niet over spreken en zij had ook niet het

geringste vermoeden van hetgeen was voorgevallen.

Ook mevrouw Strong vermoedde niets—daarvan was ik overtuigd.

Verscheidene weken gingen voorbij, eer ik eenige verandering in haar

bespeurde. En die verandering kwam langzaam, evenals eene wolk op een

stillen dag. In het eerst scheen zij zich eenigermate te verbazen

over de buitengewone teederheid, waarmede de doctor tot haar sprak,

en over zijn wensch om hare moeder te logeeren te vragen, omdat zij

zulk en eentonig leven had. Meermalen zat zij bij ons, terwijl wij aan

den arbeid waren; zij kon dan dikwijls haar werk laten rusten en voor

zich uit staren met eene uitdrukking op haar gelaat, die ik nooit zal

vergeten. Later zag ik haar nu en dan opstaan met tranen in de oogen

en uit de kamer gaan. Langzamerhand begon hare schoonheid er onder te

lijden. Mevrouw Markleham woonde toen voor goed bij haar schoonzoon en

praatte en praatte, maar zag niets.

Terwijl deze verandering in Annie, eenmaal het zonnetje in doctor

Strong's woning, plaats greep, zag ik den doctor dagelijks ouder en

ernstiger worden; de zachtheid van zijn humeur, de vriendelijkheid

van zijn toon, de bezorgdheid voor haar schenen echter, indien dat

mogelijk was, nog toe te nemen. Eens, het was op den morgen van haar

verjaardag, toen zij bij het venster plaats nam, waar zij kwam zitten,

terwijl wij aan het werk waren—zij had dit altijd gedaan, doch in

den laatsten tijd eenigszins schroomvallig—zag ik hoe hij haar hoofd

tusschen zijne handen nam en haar op het voorhoofd kuste, waarna hij

haastig heenging. Blijkbaar belette zijne aandoening hem te blijven. Ik

zag dat zij als een standbeeld bleef staan op de plek, waar hij haar

verlaten had, het hoofd boog en met de handen voor het gelaat begon te

schreien.... o, zoo innig droevig!

Na dien tijd verbeeldde ik mij nu en dan, dat zij, als wij alleen

waren, met mij wilde spreken; maar er kwam nooit een woord over

hare lippen. De doctor was onvermoeid in het bedenken van allerlei

gelegenheden, om haar buitenshuis afleiding te verschaffen en mevrouw

Markleham, die veel hield van uitgaan—alle andere dingen verveelden

haar spoedig—liet zich dat gaarne welgevallen en was niet uitgesproken

in haar lof over haar schoonzoon. Annie daarentegen liet zich

medenemen, zonder eenigen lust voor uitgaan te gevoelen, blijkbaar

onverschillig voor alles.

Ik wist niet wat ik van dit alles moest denken; tante evenmin. In

hare onzekerheid legde zij, op verschillende tijdstippen, te zamen

ongetwijfeld meer dan honderd mijlen af. Het vreemdste van dit alles

was, dat de eenige lichtstraal, die zich door dit geheimzinnige

waas van huiselijk leed een weg wist te banen, van mijnheer Dick

uitging. Wat hij er van dacht, welke verklaring hij er zich van

gaf, kan ik evenmin zeggen als hij in staat zou zijn geweest om het

mij te doen. Zooals ik reeds in het verhaal van mijn schooltijd heb

medegedeeld, was zijn eerbied voor den doctor grenzenloos. Nu gaat

ware gehechtheid, zelfs van het dier aan den mensch, gewoonlijk gepaard

met een vlugheid van begrip, waarop de verstandigste mensch zelfs niet

bogen kan. Dit „verstand van het hart”, als ik het zoo noemen mag, deed

mijnheer Dick een helderen straal van de waarheid opvangen.

Met een gevoel van trots had hij zich weder van het voorrecht verzekerd

om in zijne vele ledige uren met den doctor den tuin op en neer te

wandelen, zooals vroeger in Canterbury het doctorspad. Zoodra had

hij echter niet bespeurd, dat er in de woning van den doctor eene

verandering had plaats gegrepen, die zijn geëerden ouden vriend tot

neerslachtigheid stemde, of hij besteedde er nog meer uren aan dan

vroeger en stond met dat doel zelfs voor dag en dauw op. Was hij

vroeger gelukkig geweest, wanneer de doctor hem voorlas uit dat

verbazingwekkende meesterwerk, het woordenboek, thans voelde hij zich

bepaald ongelukkig, tot de oude man het een of ander brokstuk uit

den zak te voorschijn haalde en met zijne voorlezing begon. Wanneer

de doctor en ik aan den arbeid waren, wandelde hij thans op en neer

met mevrouw Strong en hielp haar met het opbinden van de bloemen

of het wieden van de bedden. Ik geloof niet dat hij bij dergelijke

gelegenheden tien woorden sprak; maar zijne kalme belangstelling, zijn

ijver en zijn peinzend gelaat vonden weerklank in beider hart; beiden

wisten dat zij veel van elkander hielden en dat _hij_ veel van beiden

hield; zoo werd de arme mijnheer Dick, wat niemand anders worden kon,

een schakel in de keten, die beiden verbond.

Wanneer ik hem mij voorstel met zijn ondoorgrondelijk, verstandig

gezicht, op en neer wandelende met den doctor, blijde te mogen

luisteren naar al de onverstaanbare woorden uit de dictionnaire;

wanneer ik hem in gedachten de zware gieters met water zie dragen

of hem geknield zie liggen, en met dikke handschoenen aan, met het

grootste geduld de kleinste blaadjes zie verwijderen; beter dan de

grootste wijze, in alles wat hij deed zoo kiesch mogelijk te kennen

gevende dat hij haar vriend wilde zijn; uit elk gaatje van den gieter

medelijden, vertrouwen en vriendschap verspreidend; wanneer ik bedenk

dat die stemming, waarbij het ongeluk troost kon vinden, hem nooit

verliet; dat de ongelukkige koning Karel I geheel achterwege bleef;

dat niets hem ooit te veel was en hij nooit uit het oog verloor, dat

er iets niet in den haak was en hij moest trachten dit terecht te

brengen—dan schaam ik mij bijna, geweten te hebben, dat hij niet goed

bij zijn verstand was, als ik hetgeen ik met mijn goede verstand heb

gedaan daartegen in de schaal leg.

„Niemand dan ik, Trot, kent dien man,” zei tante niet zonder trots,

toen wij er over spraken. „Ik zal nog eer met hem inleggen.”

Eer ik dit hoofdstuk eindig moet ik nog een ander voorval vermelden.

Terwijl de doctor nog logé's had, ontwaarde ik dat de brievenbesteller

elken morgen een brief bracht voor Uriah Heep, die, zoo lang de familie

Wickfield op Highgate vertoefde, daar ook bleef, want het was nu de

stille tijd voor het kantoor. De adressen van deze brieven waren

altijd door mijnheer Micawber geschreven, die zich thans eene vrij

regelmatige, ronde hand had aangewend. Uit deze omstandigheid meende

ik te moeten opmaken dat het mijnheer Micawber goed ging, zoodat ik

ten hoogste verbaasd was den volgende brief van zijne hooggewaardeerde

echtgenoote te ontvangen.

„Canterbury, Maandagavond.

Zonder twijfel zult gij zeer verbaasd zijn, beste Copperfield, als

gij dezen brief ontvangt. De inhoud zal u echter nog meer verbazen.

In de eerste plaats moet ik u verzoeken stipt het stilzwijgen te

bewaren over hetgeen ik u schrijf. Ik moet echter als vrouw en

moeder aan mijn overkropt gemoed lucht geven en aangezien ik niet

mijne familie wensch te raadplegen, die mijnheer Micawber reeds zoo

menigmaal heeft gegriefd, weet ik niet tot wien ik mij beter zou

kunnen wenden dan tot mijn vriend en vroegeren huisgenoot.

Gij weet, beste Copperfield, dat tusschen mij en mijnheer Micawber,

dien ik nimmer zal verlaten, steeds een geest van onderling

vertrouwen heeft bestaan. Mijnheer Micawber mag eens een wisseltje

afgegeven hebben zonder mij daarin te kennen; hij mag mij eens

misleid hebben omtrent den datum van een vervaldag, zeker, dat

is wel eens voorgekomen. In het algemeen echter heeft mijnheer

Micawber geen geheimen gehad voor zijne trouwe levensgezellin, en

onveranderlijk elken avond, eer wij te rusten gingen, met mij de

gebeurtenissen van den dag besproken.

Gij zult u kunnen voorstellen, beste Copperfield, hoe zeer ik mij

gegriefd moet voelen, nu ik u moet meedeelen dat mijnheer Micawber

geheel veranderd is. Hij is achterhoudend, geheimzinnig. Zijn leven

is een mysterie voor de deelgenoote van zijne vreugde en zijn

leed—ik bedoel voor zijne vrouw—; behalve dat hij van den ochtend

tot den avond op het kantoor werkzaam is, weet ik evenveel van

zijn leven als van het mannetje in de maan. En dit is niet alles.

Mijnheer Micawber is somber en knorrig geworden; hij is geheel

vervreemd van onze beide oudste kinderen, is niet meer trotsch op

onze tweelingen; ja zelfs legt hij eene ongekende koelheid aan

den dag voor het onschuldig wicht, dat eenigen tijd geleden ons

kringetje is komen uitbreiden. De middelen om de onkosten van

het huishouden te bestrijden, dat op den eenvoudigsten voet is

teruggebracht, zijn slechts met moeite te verkrijgen, ja, zelfs

onder de vreeselijke bedreiging, dat hij zich van kant zal maken.

Onverbiddelijk weigert hij de geringste verklaring te geven van

deze verandering in zijn doen en laten.

Gij begrijpt, beste Copperfield, hoe hard mij dit valt. Ik kan

het bijna niet dragen. Gij, die mijne zwakke krachten kent, zult

mij wellicht raad kunnen geven hoe ik er in deze buitengewone

omstandigheden het beste gebruik van zou kunnen maken. Dit doende,

zoudt gij een nieuwe verplichting voegen bij de vele, die wij reeds

aan u hebben.

Met de vriendelijke groeten van de kinderen en een lachje van het

onschuldig wichtje, noem ik mij, beste Copperfield,

Uwe U toegenegene

Emma Micawber.”

Ik voelde mij niet gerechtigd aan eene vrouw van mevrouw Micawber's

ondervinding anderen raad te geven dan dat zij trachten moest—hetgeen

zij zonder mijn raad toch ook zou doen—haar echtgenoot door geduld en

toegevendheid tot rede te brengen. Toch hield de inhoud van mevrouw

Micawber's schrijven mij langen tijd bezig.

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 55 / 79 题