XXXVII.

Een koud bad.

Mijne nieuwe levenswijze had reeds langer dan eene week geduurd en ik

voelde mij sterker dan ooit om alle plannen, die ik met het oog op

de omstandigheden gevormd had, ten uitvoer te brengen. Ik bleef nog

altijd hard loopen en werd steeds vervolgd door het denkbeeld, dat

ik moest trachten vooruit te komen. Ik moest zooveel van mij zelven

vergen als mogelijk was en bij alles wat ik deed, maakte ik het mij

tot eene gewoonte al mijne krachten in te spannen. Ik wilde, ik moest

een slachtoffer worden van mijn plicht. Zelfs kwam de gedachte in mij

op mij op diëet te stellen en alleen van plantaardig voedsel te gaan

leven, overtuigd, dat ik daarmede een offer zou brengen aan Dora.

Tot nu toe was Dora onbewust van mijne wanhopende flinkheid, tenzij

zij daarvan iets uit mijne brieven had geraden. Maar op zekeren

Zaterdagavond zou zij bij juffrouw Mills komen en wanneer mijnheer

Mills naar zijn whistclub was—waarvan ik telegrafisch bericht zou

ontvangen door het plaatsen van een vogelkooi voor het middelste

venster van de voorkamer—zou ik komen theedrinken.

Wij woonden toen reeds eenigen tijd met ons drieën in

Buckingham-street, en mijnheer Dick genoot dagelijks meer van zijn

copiëerwerk, waaraan hij zich met onafgebroken ijver wijdde. Tante had

eene glansrijke overwinning behaald op juffrouw Crupp en haar hare

streken betaald gezet, door de eerste kruik of kan, die zij op de trap

vond staan, uit het raam te werpen en een meisje, dat zij gehuurd

had voor huishoudelijke bezigheden, in persoon de trap op en af te

brengen. Deze ingrijpende maatregelen vervulden juffrouw Crupp met

zooveel angst, dat zij zich in haar keuken schuil hield, meenende dat

tante niet goed meer bij haar verstand was. De meening van juffrouw

Crupp liet tante echter volslagen onverschillig, trouwens zij stoorde

zich aan niemand en gaf eerder voedsel aan juffrouw Crupp's meening,

dan dat zij trachten zou die weg te nemen; zoodat deze, eenige dagen

te voren nog zoo stoutmoedig, zich telkens, wanneer zij tante meende

te zullen ontmoeten, achter de eene of andere deur verborg, waarbij

de zoom van haar flanellen onderrok haar echter gewoonlijk verried.

Deze handelwijze schonk tante zulk eene voldoening, dat zij, telkens

wanneer zij vermoeden kon juffrouw Crupp te zullen ontmoeten, voor

haar genoegen de trap op- en neerliep met den hoed op de zonderlingste

wijzen boven op haar kruin.

Tante was buitengewoon netjes en handig en bracht dientengevolge

zooveel verbeteringen aan op mijne kamers, dat ik eer rijker dan armer

scheen te zijn geworden. Zoo herschiep zij het provisiekamertje in een

kleedkamer voor mij en kocht een ledikant voor mij, dat toegeslagen kon

worden en dan zoo zeer aan eene boekenkast deed denken als een ledikant

maar doen kan. Ik was het voorwerp van hare voortdurende zorgen; mijne

arme moeder zou mij niet meer bewijzen hebben kunnen geven van hare

liefde, noch meer gepeinsd kunnen hebben over de wijze, waarop zij mij

zoo gelukkig mogelijk kon maken.

Peggotty achtte het een groot voorrecht, dat zij tante bij dit alles

helpen mocht, en hoewel zij nog altijd iets van dat oude gevoel van

vrees en ontzag voor haar behouden had, ontving zij toch telkens zulke

doorslaande bewijzen van vertrouwen, dat zij de beste vriendinnen

waren. Maar nu was het tijdstip genaderd—het was dezelfde Zaterdag,

waarop ik bij juffrouw Mills zou theedrinken—dat Peggotty naar huis

zou terugkeeren, ten einde de plichten te vervullen, die zij ten

opzichte van Ham op zich genomen had. „Nu, vaarwel, Barkis,” zei tante,

„en houd u maar goed. Ik heb nooit gedacht dat het mij noch eens

spijten zou als ik u moest missen!”

Ik vergezelde Peggotty naar het diligencekantoor en zag haar

vertrekken. Zij schreide bij het afscheid en beval, evenals Ham gedaan

had, haar broeder in mijne voortdurende vriendschap aan. Sinds hij dien

helderen achtermiddag vertrokken was, hadden wij taal noch teeken van

hem gehoord.

„En nu, luister nog eens, lieve Davy,” zei Peggotty, „mocht gij,

zoolang gij nog niet tot uwe bestemming zijt gekomen, of wanneer gij

klaar zijt met uwe studie, geld noodig hebben, hetzij om wat zakgeld te

hebben of om eene zaak te beginnen,—een van beide zal toch wel eens

voorkomen—wie heeft dan meer recht om het u te leenen dan uwe lieve

moeders eigen, domme, oude Peggotty?”

Ik beloofde haar, dat, indien ik ooit in de noodzakelijkheid zou komen

om geld te leenen, ik het aan haar zou vragen; maar ik ben er zeker

van, dat zij veel geruster naar huis zou zijn gegaan, als ik terstond

eene aanzienlijke som had te leen gevraagd.

„En, beste Davy,” fluisterde Peggotty, „zeg aan dat lieve, kleine

engeltje, dat ik haar zoo gaarne eens gezien zou hebben, al was het

maar eene minuut geweest. Vertel haar ook, dat ik, voor zij met mijn

besten jongen trouwt, zal overkomen en uw huisje zoo keurig in orde zal

maken.... als gij 't maar aan mij overlaat?”

Ik beloofde dat niemand anders er aan zou raken en deze belofte schonk

haar zooveel rust, dat zij blijmoedig vertrok.

In de Commons hield ik mij den ganschen dag onledig met het maken van

allerlei plannen en toen de avond gekomen was, bevond ik mij op het

afgesproken uur in de straat, waar mijnheer Mills woonde. Mijnheer

Mills had de vervelende gewoonte om na het middagmaal in slaap te

vallen en was nu nog niet uitgegaan, want de vogelkooi stond niet voor

het middelste raam. Hij liet mij zoolang wachten tot ik vurig hoopte,

dat hij in zijn club voor te laat komen boete zou oploopen. Eindelijk

ging hij uit en in het volgende oogenblik zag ik Dora eigenhandig de

vogelkooi verplaatsen en over het balcon naar mij kijken. Zoodra zij

mij gezien had, snelde zij naar binnen, terwijl Jip op het balcon bleef

staan blaffen tegen een reusachtigen slagershond, die hem wel als een

pil had kunnen inslikken.

Dora kwam mij aan de deur van de voorkamer tegemoet en Jip kwam naar

buiten vliegen, al brommende, in den waan dat ik een inbreker was, en

daarna gingen wij met ons drieën naar binnen, zoo gelukkig en zoo

blijde als wij maar konden zijn. Weldra verstoorde ik echter onze

vreugde—het was wel niet mijn plan, maar ik was zoo met mijne

gewijzigde omstandigheden vervuld, dat ik niet zwijgen kon en zonder

eenige voorbereiding aan Dora vroeg of zij een bedelaar zou kunnen

liefhebben?

O, hoe ontstelde mijn lieve, kleine Dora! Dat woord kon zij aan niets

verbinden dan aan een geel gezicht met een slaapmuts, een paar krukken

of een houten been en een hond met een flesschenbakje in den bek of

iets dergelijks; het verbaasde gezichtje, waarmede zij mij aankeek,

was verrukkelijk!

„Hoe kunt gij mij zulk eene dwaze vraag doen?” vroeg zij met een

pruilend lipje. „Een bedelaar liefhebben!”

„Liefste Dora!” antwoordde ik, „ik ben een bedelaar!”

„Hoe kunt gij zoo dwaas zijn om mij zulk een onzin te vertellen?” sprak

zij, terwijl zij mij een tik op mijne hand gaf. „Ik zal Jip tegen u

ophitsen!”

Hare kinderlijke maniertjes brachten mij in verrukking, maar het was

noodzakelijk mij duidelijker te verklaren en daarom antwoordde ik:

„Dora, lieveling, ik ben nog altijd uw David, maar ik ben zoo arm als

een kerkrat.”

„Pas op, hoor! Ik stuur Jip op u af!” hernam Dora, haar hoofdje

schuddend, „als gij zulke dwaze dingen vertelt!”

Ik keek echter zoo ernstig, dat Dora spoedig ophield met haar hoofdje

te schudden, haar bevend handje op mijn schouder legde, mij eerst

angstig aankeek en toen begon te schreien. Dat was niet uit te staan!

Ik viel voor de sofa op de knieën, liefkoosde haar en smeekte haar mijn

hart niet te verscheuren; maar gedurende eenige minuten deed de arme,

kleine Dora niets dan uitroepen: „Maar beste! Maar beste!” O, zij was

zoo vreeselijk geschrokken! En waar was Julia Mills toch? Zij wilde

naar Julia en ik moest heengaan, riep zij. Ik wist niet meer wat ik zei

of deed.

Eindelijk haalde ik haar toch over om mij aan te kijken, eerst met

een doodelijk verschrikt gezicht, dat langzamerhand kalmer werd, tot

ik hare zachte wang tegen de mijne voelde. Toen vertelde ik haar, met

mijn arm om haar heen, hoe lief ik haar had, hoe innig, innig lief; ik

zeide dat ik het mijn plicht achtte haar van haar woord te ontslaan,

omdat ik nu arm was; dat ik nimmer, nimmer meer gelukkig zou kunnen

zijn, indien ik haar moest verliezen; dat ik de armoede niet vreesde,

als zij het maar niet deed, want dat ik sterk was en werken kon, indien

ik het maar voor haar mocht doen; dat ik reeds aan het werk was met

een ijver zooals alleen iemand kan aan den dag leggen, die waarachtig

liefheeft; dat ik reeds begonnen was in de toekomst te zien; dat een

zuur verdiende korst brood beter smaakte dan een in den schoot geworpen

lekkernij.... en nog veel meer van dien aard. Ik sprak met een vuur en

een hartstochtelijkheid, waarover ik zelf verbaasd was, hoewel ik er

dag en nacht over gepeinsd had, van het oogenblik af, dat mijne tante

mij hare verrassende mededeeling had gedaan.

„Behoort uw hart mij nog toe, lieveling?” vroeg ik, hoewel ik wist, dat

mijne vraag overbodig was, want zij hield mij met groote teederheid

omklemd.

„O, zeker!” antwoordde Dora. „Zeker, geheel en al! Maar jaag mij toch

niet zoo'n angst aan!”

„Ik, Dora angst aanjagen!”

„Spreek toch niet over armoede en hard werken!” zei Dora, terwijl zij

zich nog dichter tegen mij aandrong. „Doe dat toch niet!”

„Lieve Dora!” begon ik weder, „de zuur verdiende korst brood....”

„O, ja, ja, maar ik wil nu niets meer over broodkorsten hooren!” zoo

viel Dora mij in de rede. „En Jip moet elken middag om twaalf uur een

schapeboutje hebben, anders gaat het arme dier zeker dood.”

Ik was verrukt over hare kinderlijke opvatting van de zaak en

verzekerde haar dat Jip op den gewonen tijd zijn schapeboutje hebben

zou; hing een tafereel op van onze eenvoudige woning, waar 't door

mijne arbeidzaamheid aan niets zou ontbreken; beschreef het kleine

huisje, dat ik te Highgate gezien had, en plaatste er tante reeds op de

bovenverdieping.

„Jaag ik nu nog angst aan, Dora?” vroeg ik op teederen toon.

„O, neen, neen!” riep Dora. „Maar ik hoop dat uwe tante veel op haar

eigen kamer blijven zal. En als zij maar geen knorrige, oude brompot

is!”

Indien het mogelijk was dat ik nog meer van Dora hield dan vóór dezen

avond, dan ben ik overtuigd dat ik het deed. Toch voelde ik, dat zij

niet erg meegaand was. Mijn pas ontloken geestdrift werd een weinig

getemperd, nu het mij zoo moeielijk viel haar daarvan een weinig mede

te deelen. Ik deed daarom eene nieuwe poging. Toen zij geheel tot

kalmte was gekomen en bezig was Jip, die op haar schoot lag, aan de

ooren te draaien, hernam ik met een ernstig gezicht:

„Lieveling! Mag ik nog iets zeggen?”

„O, zeker, maar kijk toch niet zoo ernstig!” antwoordde Dora met een

vleiend stemmetje. „Dan jaagt gij mij weder zoo'n angst aan.”

„Lieveling!” hernam ik, „gij behoeft u voor niets angstig te maken.

Ik wil juist, dat gij er geheel anders over denkt. Ik wil u wat moed

geven, ik wil u kracht......”

„O, hoe vreeselijk!” riep zij uit.

„Neen, waarlijk, liefste. Kracht en volharding zullen ons in staat

stellen het zwaarste te dragen.”

„Maar ik ben volstrekt niet zoo sterk!” riep zij uit, terwijl zij mij

met hare zachte, glanzende krullen in het gezicht sloeg. „Ben ik wel,

Jip? Toe, kus Jip nu eens en wees nu eens gezellig!”

Het was onmogelijk Jip geen kus te geven, toen zij mij het diertje met

dat doel voorhield, terwijl zij zelve haar kleine mondje spitste om mij

te beduiden hoe ik het doen moest—precies midden op den neus. Ik deed

wat zij verzocht—mij later schadeloos stellende—en zoo deed zij mij,

voor ik weet niet hoe lang, mijne zwaarmoedigheid vergeten.

„Maar, Dora, lieveling!” zei ik, eindelijk weder ernstig, „ik wilde u

nog iets vertellen.”

De rechters in Prerogative Court zouden zeker verliefd op haar zijn

geworden, als zij haar op dit oogenblik gezien hadden, met de handen

gevouwen, mij smeekende haar toch niet weder zoo'n angst aan te jagen.

„Ik zal het heusch niet doen,” verzekerde ik. „Maar, Dora, lieveling,

als gij nu en dan eens wilt bedenken—niet om u moedeloos te maken—als

gij nu en dan eens wilt bedenken—juist om u zelve wat moed in te

boezemen—dat gij uwe hand beloofd hebt aan iemand, die arm......”

„O, begin er toch niet weer over! Ik smeek het u!” riep zij. „Gij jaagt

mij zoo'n angst aan!”

„Maar dat wil ik volstrekt niet!” zei ik op vroolijken toon. „Als

gij het nu en dan maar eens wilt bedenken en eens rondkijken in de

huishouding van uw papa en u wat wilt oefenen in.... het boekhouden en

zoo....”

Het lieve kind nam dezen raad aan met iets, dat half op een snik en

half op een gilletje geleek.

„Dat zou ons naderhand zoo te pas komen,” ging ik voort. „En als gij

mij eens zoudt willen beloven eens in een klein.... een klein kookboek,

dat ik u zenden zal, te lezen, zou dat voor ons beiden zoo goed zijn.

Want, Dora, ons levenspad”—ik werd weer warm—„ons levenspad zal

hobbelig en moeielijk begaanbaar zijn, wij moeten het zelve effenen.

Wij moeten dapper strijden voor ons dagelijksch brood. Er zullen

tallooze hinderpalen op onzen weg zijn, die wij moeten overwinnen.”

Ik had vlug achtereen gesproken met gesloten vuisten en een gezicht,

dat gloeide van geestdrift; maar het bleek mij geheel onnoodig om nog

voort te gaan. Ik had genoeg gezegd. Ik was nog even ver—ik had haar

opnieuw angst aangejaagd. „Waar is Julia toch? O, breng mij toch naar

Julia en ga dan heen, ik smeek het u!” Ik wist nu volstrekt niet meer

wat ik zeide of deed en liep als een waanzinnige door het salon.

Ik meende haar ditmaal gedood te hebben en begon haar water in het

gezicht te sprenkelen. Ik viel op mijne knieën; ik trok mij de haren

uit het hoofd; ik schold mij zelven een lomperd, een barbaar en smeekte

haar mij vergiffenis te schenken en mij aan te zien. Ik haalde

juffrouw Mills' werkdoosje door elkaar om een reukfleschje te zoeken en

vond in mijn zielsangst niets dan een ivoren naaldenkokertje waarvan ik

den inhoud over Dora uitstortte. Ik zette een vuist tegen Jip die zich

even dol aanstelde als ik. Ik bedreef alle mogelijke buitensporigheden

en toen juffrouw Mills eindelijk binnenkwam, was ik alles—behalve goed

bij mijn verstand.

„Wie heeft dat gedaan?” riep juffrouw Mills, terwijl zij hare vriendin

te hulp snelde.

„Ik, juffrouw Mills! Dat heb ik gedaan!” riep ik. „Ziehier den

moordenaar!” Te gelijkertijd verborg ik mijn gelaat in het canapékussen.

In het eerst meende juffrouw Mills, dat wij ongenoegen hadden gehad en

aan den zoom van de woestijn, de Sahara, waren genaderd; spoedig echter

was zij op de hoogte gebracht, want mijne innig geliefde Dora sloeg

de armen om haar heen en riep uit: „hij is een werkman!” Daarna begon

zij te schreien en omhelsde mij en vroeg mij of ik al het geld, dat zij

bezat, van haar wilde aannemen en toen viel zij juffrouw Mills weder om

den hals en snikte, alsof haar lieve hartje zou breken.

Juffrouw Mills moet geboren zijn—ons ten zegen. Zij liet mij in

enkele woorden vertellen, wat eigenlijk de aanleiding was, troostte

Dora, bracht haar aan het verstand, dat ik geen werkman was—uit

mijne manier van spreken scheen Dora opgemaakt te hebben, dat ik

polderjongen geworden was en den geheelen dag zware kruiwagens tegen

planken moest opkruien—en herstelde in een oogenblik den vrede. Toen

wij alle drie weder bedaard waren en Dora naar boven was gegaan, om

hare oogen met wat rozenwater te betten, schelde Julia voor de thee.

Intusschen bedankte ik haar voor hare hulp, verklaarde dat zij eeuwig

mijne vriendin zou blijven en dat ik de bewijzen van hare hartelijke

vriendschap niet zou vergeten vóór mijn hart had opgehouden te kloppen.

Daarna trachtte ik juffrouw Mills duidelijk te maken hetgeen ik

vergeefs gepoogd had Dora aan het verstand te brengen. Zij antwoordde

dat in het algemeen een hutje van klei, waarin men tevreden leefde, te

verkiezen was boven een paleis, hoe prachtig ook, wanneer de liefde

er ontbrak, hetgeen ik ten volle beaamde, er bijvoegende dat niemand

dit beter kon beseffen dan ik, omdat ik Dora liefhad zooals nog nooit

een sterveling had liefgehad. Juffrouw Mills antwoordde op moedeloozen

toon, dat het voor sommige personen heel gelukkig zou zijn, indien

hetgeen ik daar zeide waar was, waarop ik verzocht mijne opmerking niet

verder te mogen uitstrekken dan tot het mannelijk geslacht.

Ik drong er vervolgens bij juffrouw Mills op aan mij ruiterlijk te

willen bekennen, of mijn raad ten opzichte van het huishouden en het

kookboek naar hare meening practisch was of niet. Na eenig nadenken

antwoordde zij.

„Ik zal u eerlijk zeggen hoe ik daarover denk, mijnheer Copperfield.

Zielsverdriet en veelvuldige beproevingen vullen dikwijls aan, wat

men in leeftijd te kort komt; maar ik zal zoo onomwonden met u

spreken alsof ik eene abdis was. Neen, uw raad was voor onze Dora

niet geschikt. Onze lieve Dora is in alle opzichten door de natuur

begunstigd, vertroeteld zelfs. Zij heeft nog niets gekend dan licht en

vreugde. Ik wil niet ontkennen dat het goed zou zijn, als men er eens

met haar over kon spreken, maar .....” Juffrouw Mills schudde het hoofd.

Aangemoedigd door deze laatste woorden, waarin toch eenigszins eene

erkenning lag opgesloten van de waarde mijner opmerking, verzocht ik

juffrouw Mills bij voorkomende gelegenheden Dora's aandacht eens te

willen vestigen op de wijze, waarop zij zich tot een meer ernstig

leven zou kunnen voorbereiden. Juffrouw Mills beloofde dit terstond,

zoodat ik de vrijheid nam haar de zorg voor het kookboek op te dragen

met de verklaring, dat indien zij het eens onder Dora's aandacht wilde

brengen, zonder haar angst aan te jagen, zij mij een hoogst gewichtigen

dienst zou bewijzen. Juffrouw Mills nam ook deze taak op zich, maar

durfde mij niet veel hoop geven op een goeden uitslag.

Toen Dora terugkeerde zag zij er zoo bekoorlijk, zoo kinderlijk uit,

dat ik mij _moest_ afvragen waarom zulk een lief schepseltje met

dergelijke vervelende dingen moest lastig worden gevallen. En zij

had mij zoo lief en was zoo bekoorlijk—vooral toen zij Jip op de

achterpooten liet staan en hem een koekje voorhield, terwijl zij deed,

alsof zij hem tot straf voor zijn verzet met den neus tegen den warmen

trekpot wilde houden—dat ik mij zelven vergeleek bij een monster, dat

in het paleis van eene fee was binnengedrongen en de bewoonster een

schrik aangejaagd en aan het schreien gebracht had.

Na de thee werd de guitaar te voorschijn gehaald en zong Dora eenige

van die ouderwetsche Fransche liedjes, waarin dansen het grootste

levensgenot heet.... La ra la, La ra la.... en terwijl ik naar haar

zat te luisteren, werd het mij hoe langer hoe duidelijker, welk een

vreeselijk monster ik eigenlijk was.

Ons genoegen werd slechts éénmaal gestoord, even voordat ik afscheid

zou nemen, toen juffrouw Mills iets wilde afspreken voor den volgenden

ochtend en ik mij ongelukkig liet ontvallen, dat ik tegenwoordig alle

morgen om vijf uur opstond. Of Dora meende dat ik tot eene vereeniging

van vrijwillige nachtwakers behoorde, durf ik niet zeggen; maar het

maakte zulk een diepen indruk op haar, dat zij volstrekt niet meer

wilde zingen of spelen. Zij was er nog van onder den indruk, toen

ik afscheid van haar nam, en zei met haar lief, vleiend stemmetje:

„Nu niet om vijf uur opstaan, hoor, ondeugd! Dat is al te gek!”

„Liefste,” zei ik, „ik moet werken.”

„Maar waarom zoudt gij dat doen?” vroeg zij. „Laat het toch!”

Met dat lieve, kinderlijke, verbaasde gezichtje voor mij, was het mij

onmogelijk anders dan op schertsenden toon te antwoorden, dat wij allen

moesten werken om te leven.

„O, hoe vreeselijk dwaas!” riep zij uit.

„Maar hoe zouden wij dan moeten leven, Dora?” vroeg ik.

„Hoe? Ja, op de eene of andere manier, dat weet ik niet!” antwoordde

zij vroolijk.

Zij scheen te meenen dat zij de zaak nu in eens had uitgemaakt en

gaf mij met zulk een zegevierend gezichtje een afscheidskus, die

rechtstreeks uit haar onschuldig hartje kwam, dat ik voor al de

schatten der wereld haar antwoord niet zou hebben kunnen bestrijden.

Ik had haar lief en bleef haar lief hebben met mijn gansche hart; maar

ik bleef ook hard werken en smeedde het ijzer, dat nu heet was, met

den grootsten ijver; menigen avond zat ik tegenover tante in gepeins

verzonken over den angst, dien ik Dora had aangejaagd, en over de beste

wijze, waarop ik mij met de guitaarkist een weg zou kunnen banen door

het woud van moeilijkheden, dat voor mij lag, en ik verbeeldde mij, dat

mijne haren van al het peinzen grijs werden.

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 50 / 79 题