XXXVI.

Enthousiasme.

Ik begon den volgenden morgen met een bad te nemen in het

Romeinsche badhuis en begaf mij daarna op weg naar Highgate. Mijne

neerslachtigheid was nu geheel geweken. Ik dacht niet meer aan den

versleten rok en treurde niet meer over het gemis van mijn vurigen

appelschimmel. Ik dacht geheel anders over den slag, die ons getroffen

had, want ik zag den weg, dien ik te volgen had, duidelijk voor mij;

ik moest tante toonen, dat al hare goedheden niet aan een ondankbare

besteed waren. Ik moest mij de tucht, die ik in mijne jonge jaren

geleerd had, ten nutte maken en moedig aan het werk gaan. Ik moest met

de bijl in de hand mij een weg banen door het woud van moeilijkheden,

dat voor mij lag, en alles wat mij in den weg stond omhouwen tot ik

Dora de mijne mocht noemen. Terwijl ik dit alles overpeinsde, stapte ik

zoo stevig door, dat het scheen alsof ik, al wandelende, reeds tal van

moeilijkheden overwon.

Toen ik mij op den welbekenden weg naar Highgate bevond, met zulk een

geheel ander doel voor oogen dan wanneer ik eenigen tijd geleden dien

weg volgde, scheen het mij toe dat er eene geheele verandering in mijn

leven gekomen was. Deze gedachte ontmoedigde mij echter niet. Met dat

nieuwe leven waren ook nieuwe voornemens, nieuwe lichtpunten geboren.

Er zou hard gewerkt moeten worden, maar de belooning zou daarnaar

geëvenredigd zijn. Dora was de prijs, die gewonnen moest worden.

Ik geraakte in zulk een opgewonden stemming, dat het mij speet niet

reeds een versleten jas te dragen. Ik verlangde naar het hakken in

dat woud van moeilijkheden, ten einde te toonen over welke krachten

ik kon beschikken. Ik voelde den lust in mij opkomen om aan een ouden

man, die met een klep voor de oogen steenen zat te breken aan den weg,

den hamer te leen te vragen, ten einde een begin te maken van een pad

in de richting van Dora. Ik maakte mij zelf zoo warm en geraakte zoo

buiten adem, dat het mij toescheen alsof ik nu reeds, ik weet zelf

niet hoeveel, verdiend had. Zelfs ging ik een klein huisje binnen, dat

te huur stond en bekeek het van onder tot boven; want ik achtte het

noodzakelijk allereerst heel practisch te zijn. Het zou uitmuntend

geschikt geweest zijn voor Dora en mij, want er was een klein tuintje

voor, waarin Jip kon rondloopen en een hek, waarachter hij de reizende

kooplui kon aanblaffen en op de eerste verdieping een mooie kamer voor

tante. Toen ik er uitkwam was ik nog warmer en vermoeider dan zoo

straks en wandelde toen verder door met zulk eene snelheid, dat ik meer

dan een uur te vroeg in Highgate was; maar al ware ik later aangekomen,

ik zou toch minstens een half uur hebben moeten rondslenteren, ten

einde wat af te koelen en er eenigszins toonbaar uit te zien.

Nadat ik mij aan deze noodzakelijke voorbereiding had onderworpen, was

mijn eerste werk de woning van doctor Strong op te zoeken. Ik vond

die aan de tegenovergestelde zijde van mevrouw Steerforth's woning in

het kleine stadje. Toen ik tot deze ontdekking gekomen was, wandelde

ik, gedreven door eene onweerstaanbare neiging, naar eene laan, die

langs mevrouw Steerforth's tuin liep, en keek even over den muur. De

blinden in zijne kamer waren gesloten. De deuren van de serre stonden

open en Rosa Dartle liep daar met een haastigen, driftigen tred,

blootshoofds, op en neer. Zij deed mij denken aan een wild dier, dat

zonder ophouden hetzelfde pad op- en neerloopt, zoolang de keten reikt,

en intusschen van ongeduld vergaat.

Ik verliet ongemerkt mijn observatiepost en bleef nog tot tien uur

rondwandelen, waarbij ik echter den omtrek van mevrouw Steerforth's

woning vermeed. De kerk met het slanke torentje op den kam van den

heuvel was er toen nog niet, om mij te zeggen hoe laat het was. Daar

stond toenmaals een groot huis van rooden baksteen, dat tot school

diende; en menigmaal had ik gedacht, dat het wel heerlijk zijn moest in

zulk een mooi huis op school te gaan.

De woning van doctor Strong zag er lief en netjes uit; blijkbaar

was het huis oud en had hij eenig geld besteed om het geheel wat op

te knappen, want een aantal verfraaiingen en vertimmeringen waren

nog geheel nieuw. Toen ik aankwam, zag ik hem, met slobkousen aan,

in den tuin wandelen, alsof hij, sinds ik de school verlaten had,

altijd had doorgewandeld. Ook waren zijn oude metgezellen daar weder

vertegenwoordigd; want er stonden een aantal hooge boomen in den omtrek

en twee of drie kraaien zaten op het gras en keken hem na, alsof de

zwarte broeders uit Canterbury hun geschreven hadden, dat zij den ouden

professor in het oog moesten houden.

Wetende hoe hopeloos elke poging, om van verre zijn aandacht te wekken,

geweest zou zijn, nam ik een kloek besluit, opende het tuinhek en bleef

achter hem, zoodat hij mij zien moest, wanneer hij omkeerde. Toen

hij dit deed kwam hij oogenblikkelijk naar mij toe, keek mij eenige

seconden peinzend aan—vermoedelijk zonder aan mij te denken—en daarna

nam hij met een gelaat, dat straalde van innig welgevallen, mijne beide

handen en schudde ze hartelijk.

„Wel, mijn beste Copperfield,” sprak hij, „gij zijt een man geworden in

dien tijd! Hoe vaart gij? Ik ben heel blijde u te zien. Wat een kerel

zijt gij geworden! Gij zijt geheel... ja... lieve Hemel!...”

Ik informeerde naar zijne gezondheid en naar die van mevrouw Strong.

„O, zeker, ja!” antwoordde hij, „Annie is heel wel en zal ook blijde

zijn u te zien. Gij hadt altijd een wit voetje bij haar. Zij zeide

dit nog gisteren avond, toen ik haar uw brief liet lezen. En... ja...

zeker... gij herinnert u Jack Maldon nog wel, Copperfield?”

„O, zeer goed, Mijnheer.”

„Ja, natuurlijk.... HIJ is ook heel wel.”

„Is hij teruggekomen?” vroeg ik.

„Uit Indië? Ja, mijnheer Jack Maldon kon niet tegen het klimaat.

Mevrouw Markleham..... gij herinnert u toch mevrouw Markleham nog wel?”

Zou ik „de oude Overste” vergeten zijn? In zulk een korten tijd?

„Mevrouw Markleham,” ging de doctor voort, „maakte zich erg ongerust

over hem; wij hebben hem daarom hierheen laten komen en hem een postje

bezorgd, dat hem beter bevalt.”

Ik wist genoeg van Jack Maldon, om te vermoeden dat het een postje was,

dat hem weinig te doen gaf en goed betaald werd. Terwijl doctor Strong

met zijne hand op mijn schouder op en neer wandelde en mij met zijn

vriendelijk gezicht aanmoedigde om te spreken, ging hij zelf voort:

„En nu, Copperfield, uw voorstel. Het is zeer zeker hoogst vleiend

voor mij en aangenaam bovendien; maar zoudt gij niet iets beters

kunnen vinden? Gij waart een van mijn beste leerlingen, dat weet gij

wel; gij hebt grondslagen gelegd, waarop elk gebouw zou kunnen worden

opgetrokken. Is het dan niet jammer, den besten tijd van uw leven te

wijden aan zulk eene armzalige bezigheid, als ik u kan aanbieden?”

Ik begon weder in- en uitwendig te gloeien en vreesde in hoogdravende

taal gesproken te hebben, toen ik mijn verzoek herhaalde en den doctor

herinnerde, dat ik reeds eene betrekking had.

„Ja, dat is waar,” antwoordde de trouwhartige man. „Gij hebt u een

beroep gekozen en zoudt daarin kunnen voortstudeeren; dat maakt een

onderscheid. Maar, mijn beste, jonge vriend, wat beteekent zeventig

pond 's jaars?”

„Daarmede is ons inkomen verdubbeld, doctor Strong,” antwoordde ik.

„Goede Hemel!” riep de doctor. „Ik bedoel niet dat ik uw salaris zoo

zal afpassen tot zeventig pond 's jaars, neen, ik ben altijd gewoon

geweest jonge menschen, die ik op deze wijze eenige werkzaamheden

opdroeg, ook nog een cadeautje te geven. Zeker, zeker,” ging hij

voort, nog steeds met de hand op mijn schouder, „ik heb altijd op een

jaarlijksch cadeau gerekend.”

„Mijn beste leermeester,” antwoordde ik—nu zonder in zulke

hoogdravende uitdrukkingen te vervallen—„aan wien ik meer dank

schuldig ben dat ik ooit zal kunnen erkennen......”

„Tut, tut,” zei doctor Strong, „nu overdrijft ge......”

„Als gij mijn beschikbaren tijd voor lief wilt nemen, dat is 's morgens

en 's avonds, en mijn werk u zeventig pond 's jaars waard is, zult gij

mij een dienst bewijzen, zoo groot, dat ik u niet genoeg danken kan.”

„Lieve Hemel!” zei de doctor in zijn eenvoud. „Het is immers maar een

kleinigheid! En als gij uw tijd nuttiger kunt besteden, zult gij het

doen, nietwaar? Beloof mij dat op uw woord?”—Deze uitdrukking had hij

altijd gebezigd op de school, want hij deed zijn best om het eergevoel

op te wekken bij de jongens.

„Op mijn woord, mijnheer!” antwoordde ik op dezelfde wijze als ik op

school gedaan zou hebben.

„Dan blijft het afgesproken,” zei hij, mij nogmaals op den schouder

kloppende; hij liet zijne hand daar rusten, terwijl wij nog eenigen

tijd in den tuin bleven op- en neerloopen.

„Ik zal mij inderdaad hoogst gelukkig voelen,” zei ik na eene kleine

pauze, „indien ik mijn tijd aan het woordenboek mag besteden.” Het was

een klein vleierijtje, maar ik hoop—een onschuldig!

Doctor Strong bleef staan, klopte mij nogmaals lachend op den schouder

en riep op zegevierenden toon uit, alsof ik door dit gezegde het

grootste bewijs van menschelijke schranderheid gegeven had: „Mijn

beste, jonge vriend, gij hebt het geraden. Het is het woordenboek!”

Hoe zou het iets anders kunnen zijn! Zijne zakken waren even vol als

zijn hoofd. De papieren staken er aan alle kanten uit. Hij vertelde

mij, dat het Woordenboek, sinds hij het onderwijs had vaarwel gezegd,

met reuzenschreden vorderde; niets had hem aangenamer kunnen zijn dan

mijn voorstel om 's morgens en 's avonds, bij hem te komen werken,

want over dag maakte hij, al wandelende, zijne aanteekeningen. Zijne

papieren verkeerden eenigszins in wanorde, want mijnheer Jack Maldon,

die volstrekt niet gewoon was aan zulk werk, had in den laatsten

tijd als secretaris gefungeerd; „maar,” voegde hij er in zijne

goedhartigheid bij, „wij zouden wel spoedig orde op de zaken gesteld en

dan met een zevenmijlsvaart doorgewerkt hebben.” Toen ik goed en wel

aan het werk was, bemerkte ik, dat de pogingen van mijnheer Jack Maldon

mij meer last bezorgden dan ik gedacht had; want niet alleen had hij

zich herhaaldelijk vergist, maar zooveel soldaten en vrouwenkopjes in

het manuscript geteekend, dat ik nu en dan de grootste moeite had om

uit dien doolhof te geraken.

Het vooruitzicht om te zamen aan dezen gewichtigen arbeid te werken,

verheugde den doctor zeer en wij spraken af, dat wij den volgenden

morgen om zeven uur zouden beginnen. Elken morgen zouden wij twee,

elken avond twee of drie uur werken, behalve des Zaterdags—dan had ik

vacantie. En de Zondag was natuurlijk ook tot rustdag bestemd; zoodat

ik de voorwaarden al zeer aannemelijk vond.

Toen alles dus tot ons beider bevrediging was geregeld, nam de doctor

mij mede naar huis, opdat ik mijne opwachting zou kunnen maken aan

mevrouw Strong, die ik in de nieuwe studeerkamer bezig vond de boeken

af te stoffen—iets, dat de doctor aan niemand dan aan haar vergunde.

Ter wille van mij was het ontbijt uitgesteld, zoodat wij gezamenlijk

aan tafel gingen. Wij zaten nog niet lang, toen ik aan mevrouw Strong's

gezicht opmerkte, dat er nog iemand in aantocht was, hoewel ik er

niets van hoorde. Een heer te paard hield bij het tuinhek stil, steeg

af, bracht zijn paard met de teugels over den arm, naar het ledige

koetshuis en kwam toen met de rijzweep in de hand de ontbijtkamer

binnen, alsof hij hier thuis was. Het was mijnheer Jack Maldon; en

mijnheer Jack Maldon was er, naar mijne meening niet op vooruitgegaan

in Indië. Ik was echter in eene bijzondere deugdzame stemming en

misschien een weinig bevooroordeeld ten opzichte van jonge lieden, die

geen boomen hakten in het woud van moeilijkheden; dit moet dus wel in

aanmerking worden genomen bij de beschrijving van den indruk, dien hij

op mij maakte.

„Mijnheer Jack Maldon,” zei de doctor, „mijnheer Copperfield!”

Maldon schudde mij de hand, doch niet bijzonder hartelijk, naar

het mij voorkwam; bovendien deed hij alsof hij zich mijn meerdere

voelde, hetgeen ik in het geheim als eene beleediging opnam. Zijne

lusteloosheid en onverschilligheid waren onuitstaanbaar; alleen dan,

wanneer hij het woord richtte tot zijn nichtje, mevrouw Strong, scheen

zijne belangstelling te zijn opgewekt.

„Hebt gij al ontbeten, Jack?” vroeg de doctor.

„Ik ontbijt zelden, mijnheer,” antwoordde hij, achterover liggende in

een luien stoel, „het bekomt mij slecht wanneer ik 's morgens iets

gebruik.”

„Is er ook nieuws?” vroeg doctor Strong.

„Neen, niets,” antwoordde Jack Maldon. „Er wordt verteld dat het volk

armoede en honger lijdt, daar ergens in het Noorden, maar er is altijd

ergens armoede en honger—dat zal wel eeuwig zoo blijven.”

Doctor Strong keek ernstig en zeide, alsof hij liever van dit onderwerp

afstappen wilde: „Dus er is geen nieuws; dan zullen wij maar zeggen:

geen tijding, goede tijding.”

„Er staat een lang verhaal in de krant over een moord,” hernam Jack

Maldon, „maar er wordt bijna elken dag iemand vermoord; ik heb het

daarom maar niet gelezen.”

Het aan den dag leggen van onverschilligheid voor alle menschelijke

handelingen en hartstochten werd in die dagen niet zulk eene

uitstekende eigenschap geacht als ik later wel eens meen opgemerkt te

hebben. Ik heb den tijd gekend, dat het bepaald in de mode was, om het

met groot succes vol te houden, ik heb jonge heeren en dames gekend,

die evengoed als rups hadden ter wereld kunnen komen. Waarschijnlijk

maakte het op mij zulk een grooten indruk, omdat het nieuw voor mij

was; maar zeker rees mijnheer Jack Maldon dientengevolge niet in mijne

achting, noch werd mijn vertrouwen in hem versterkt.

„Ik kwam eigenlijk vragen of Annie lust heeft om van avond mede naar

de opera te gaan,” zei Maldon, zich tot haar wendende. „Het is van

avond de laatste mooie voorstelling in dit seizoen en er is eene

chanteuse, die gij zeker moet hooren. Zij zingt prachtig en is

bovendien buitengewoon.... leelijk,” voegde hij er op lusteloozen toon

bij.

Doctor Strong, die altijd zeer ingenomen was met alles wat zijne

jonge vrouw genoegen kon doen, zeide: „Gij moet gaan, Annie, gij moet er

zeker heengaan.”

„Ik wil liever niet,” antwoordde Annie. „Ik blijf veel liever thuis...

veel liever.”

Na deze woorden, die tot haar echtgenoot gericht waren, wendde zij

zich tot mij en vroeg hoe Agnes het maakte, of zij ook te Highgate zou

komen en waarom zij eigenlijk vandaag niet kwam; zij had haar neef

zelfs niet aangezien en was zoo zenuwachtig, dat het mij nog verbaast

hoe de doctor, die kalmpjes een boterham zat te smeeren, blind kon zijn

voor iets dat zoo in het oogvallend was. Maar hij zag werkelijk niets.

Met zijne gewone goedhartigheid zei hij, dat zij jong was en zich eens

een genoegen moest gunnen en niet altijd bij haar ouden man blijven

zitten. Bovendien kon zij hem dan de nieuwe aria's voorzingen en hoe

zou zij dat kunnen, als zij er niet heen ging? De goede doctor drong

er bepaald op aan en noodigde zelfs Jack Maldon uit, het middagmaal

bij hen te komen gebruiken. Toen dit afgesproken was, ging Maldon

heen, vermoedelijk naar „zijn postje”; hoe het zij, hij reed weg,

onverschilliger en lusteloozer dan ooit.

Ik was zeer nieuwsgierig naar hetgeen ik den volgenden morgen zou

vernemen.—Zij was niet naar de opera geweest en had haar neef

afgezegd; 's namiddags was zij Agnes gaan bezoeken en had den doctor

overgehaald haar te vergezellen; samen waren zij toen naar huis

gewandeld en hadden een prettigen avond gehad, volgens zijn eigen

verklaring. Ik had toen wel eens willen weten waar zij zouden zijn

heengegaan, als Agnes niet thuis was geweest en of Agnes ook op haar

zulk een invloed ten goede oefende. Zij zag er dien morgen niet

bijzonder gelukkig uit, naar mij voorkwam; maar er lag toch zooveel

goedheid op haar lief gezichtje, tenzij zij huichelde, hetgeen ik

niet geloofde. Ik keek dikwijls naar haar, want zij zat voor het open

venster, terwijl wij werkten, en maakte ons ontbijt gereed, dat wij,

onder de hand gebruikten. Toen ik om negen uur wegging, lag zij op hare

knieën bij den doctor en maakte zijne schoenen en slobkousen vast.

Er lag een schaduw over haar gelaat, te weeg gebracht door de groene

takken, die voor het geopende venster van de lage kamer hingen, en

gedurende mijne wandeling naar de Commons dacht ik telkens weder aan

dien avond, toen ik datzelfde gezichtje had zien staren op het gelaat

van haar echtgenoot, terwijl deze las.

Ik had een druk leven; des morgens om vijf uur op en des avonds om

negen of tien uur thuis. Het schonk mij echter groote voldoening

en nooit, of ik haast had of niet, liep ik langzaam; hoe meer ik

mij inspande, hoe meer ik immers Dora waardig zou worden! Ik had

Dora nog niets geschreven van de veranderingen, die met mij hadden

plaats gegrepen, omdat zij eerstdaags bij juffrouw Mills zou komen

logeeren. Ik wilde haar alles mondeling mededeelen en schreef haar

alleen—juffrouw Mills was de meest getrouwe postillon, die men zich

denken kon—dat ik haar veel, heel veel te vertellen had. Intusschen

stelde ik mij op rantsoen wat pommade, berenvet, welriekende zeep en

reukwatertjes betrof, en verkocht met groot verlies drie vesten, die

voor mijne tegenwoordige levenswijze veel te fijn waren.

Niet tevreden met deze resultaten, maar van verlangen brandende om

nog meer te doen, bracht ik een bezoek aan Traddles, die nu op een

dakkamertje in Castle street, Holborn, woonde. Mijnheer Dick, die al

tweemaal met mij naar Highgate geweest was en de wandelingen met den

doctor had hervat, ging met mij mede. Ik nam hem mede, omdat de goede

man, zeer begaan met den tegenspoed van de „bewonderenswaardigste vrouw

van de wereld” en meenende, dat geen galeislaaf of tuchthuisboef zoo

hard behoefde te werken als ik, voortdurend tobde en zelfs zijn eetlust

inboette, omdat hij zich op geenerlei wijze nuttig kon maken. In deze

omstandigheden voelde hij zich meer dan ooit onbekwaam om de memorie

af te maken; hoe harder hij er aan werkte, hoe vaker dat ongelukkige

hoofd van Koning Karel I hem parten speelde. De vrees bekroop ons dat

zijne ziekte op deze wijze zou verergeren, waarom wij besloten hem te

doen gelooven, dat hij zich nuttig maakte, of liever, omdat wij geen

kans zagen hem zich nuttig te laten maken, te zien of Traddles ons

helpen kon. Ik had Traddles een uitgebreid verslag gezonden van al

hetgeen met mij was voorgevallen en een antwoord van hem ontvangen,

waarin vriendschap en medelijden om den voorrang streden.

Wij vonden hem hard aan het werk, bij zijn inktkoker en zijn papieren,

terwijl de bloemenstandaard en het ronde tafeltje de eenige sieraden

waren in het armoedige vertrek. Hij ontving ons zeer hartelijk en had

in een oogenblik vriendschap gesloten met mijnheer Dick, die stijf en

strak volhield, dat hij Traddles vroeger ergens ontmoet moest hebben,

waarop wij beiden verklaarden, dat het volstrekt niet onmogelijk was.

Het eerste punt, waarover ik Traddles wilde raadplegen, was het

navolgende: Ik had wel eens gehoord, dat vele mannen, die later met

eere genoemd werden, hun loopbaan begonnen waren met het schrijven

van de verslagen der zittingen van het Parlement. Traddles had mij

bovendien verteld, dat hij zijne hoop vestigde op de nieuwsbladen en

deze beide omstandigheden bracht ik met elkander in verband. In mijn

brief had ik Traddles reeds gevraagd mij mede te deelen, hoe ik mij

voor deze werkzaamheden zou kunnen bekwamen en thans antwoordde hij

mij op mijne vraag, dat alleen reeds het aanleeren van het mechanische

gedeelte van het geheim van snelschrift even zooveel tijd vereischte

als de studie van minsten zes vreemde talen, dat ik er dus bij den

grootsten ijver minstens twee jaren voor zoo noodig hebben.

Natuurlijk onderstelde Traddles, dat de quaestie hiermede in eens zou

zijn afgedaan; maar ik begreep, dat hier nu juist groote, zware boomen

zouden zijn om te hakken en besloot daarom terstond den weg tot Dora

door dit woud te banen.

„Ik dank u zeer voor uwe inlichtingen, beste Traddles,” zei ik. „Morgen

begin ik er mede.”

Traddles keek zeer verbaasd, maar hij kon zich ook geen denkbeeld

vormen van de overdreven eischen, die ik mij zelven stelde.

„Ik ga een boek koopen,” zeide ik „een handboek over het snelschrijven

en zal er op de Commons in studeeren, waar ik tijd in overvloed heb.

Ten einde mij in de praktijk te oefenen, zal ik de pleidooien in ons

Hof opschrijven en dan, beste Traddles, zal ik het wel spoedig onder de

knie hebben.”

„Goede Hemel!” zei Traddles, nog steeds verbaasd en lachend voegde hij

er bij: „Ik heb nooit geweten, dat gij zoo voortvarend en doortastend

zijt, Copperfield!”

Hoe zou hij dit ook! Het was voor mij zelven nieuw! Ik stapte nu van

dit onderwerp af en bracht mijnheer Dick op het tapijt.

„Zie,” sprak hij op treurigen toon, „als ik maar iets doen kon,

mijnheer Traddles! Kon ik maar op de trom slaan of ergens op blazen!”

Arme drommel! Ik twijfel er niet aan, of hij zou aan eene dergelijke

bezigheid boven alle andere de voorkeur hebben gegeven.

Traddles, die voor al het geld van de wereld niet zou hebben willen

lachen, antwoordde bedaard:

„Maar gij schrijft zoo goed, mijnheer! Hebt gij mij dat niet verteld,

Copperfield?”

„O, uitmuntend!” antwoordde ik. En waarlijk, hij schreef zeer netjes en

correct.

„Zoudt gij niet stukken kunnen copiëeren, die ik u geef?” vroeg

Traddles.

Mijnheer Dick keek mij twijfelachtig aan. „Welnu, Copperfield?”

Ik schudde het hoofd en mijnheer Dick schudde het zijne en zuchtte.

„Vertel mijnheer Traddles dat ik aan mijne memorie bezig ben,” zei

mijnheer Dick.

Ik deed wat hij mij verzocht en voegde er bij, dat de eenige

moeielijkheid was koning Karel I er buiten te houden; want dat mijnheer

Dick telkens weder over hem moest schrijven, of hij wilde of niet.

Intusschen stond mijnheer Dick met een hoogst ernstig gezicht op zijn

duim te zuigen.

„Maar de stukken, waarover ik spreek, zijn reeds gesteld en

geschreven,” zei Traddles, na zich even bedacht te hebben. „Mijnheer

Dick heeft ze alleen over te schrijven. Zou dat geen verschil

opleveren, Copperfield? In elk geval zou hij het kunnen beproeven.”

Dit voorstel gaf ons opnieuw hoop. Traddles en ik staken de hoofden

bij elkaar en terwijl mijnheer Dick met een geleerd gezicht naar ons

zat te kijken, beraamden wij een plan, dat met den besten uitslag werd

bekroond.

Op eene tafel voor het venster in Buckinghamstreet legden wij het

werk gereed, dat Traddles voor hem gekregen had—het was een bewijs

van eigendomsrecht op een overweg, dat eenige malen moest worden

overgeschreven—en op eene andere tafel spreidden wij de memorie uit,

waaraan hij bezig was; waarna wij hem op het hart drukten hetgeen

voor hem lag over te schrijven, zonder ook maar in het minst af

te wijken van het origineel, en mocht hij behoefde gevoelen om de

eene of andere toespeling op koning Karel I te maken, dan moest hij

overwippen naar de memorie. Wij vermaanden hem op ernstigen toon

standvastig te blijven, en lieten tante bij hem om op te passen.

Tante vertelde later dat hij in den aanvang veel geleken had op

een paukenist en voortdurend van de eene naar de andere tafel was

gesprongen; maar aangezien hem dit vermoeide en in de war bracht,

terwijl hij zijn model zoo duidelijk voor oogen had, was hij

eindelijk stil en ijverig aan den arbeid gebleven en had het werken

aan de memorie tot een meer gelegen tijdstip uitgesteld. Kortom,

hoewel wij zorg droegen hem niet meer te laten werken dan goed voor

hem was en hij in het midden van de week begonnen was, had hij des

Zaterdagavonds tien shillingen en negen stuivers verdiend en nooit,

zoolang ik leef, zal ik het stralende gezicht vergeten, waarmede hij

alle winkels afliep om zijn schat in halve stuivers te wisselen, die

hij, thuis komende, op een presenteerblad, in den vorm van een hart,

met tranen van blijden trots in de oogen tante aanbood. Het scheen

alsof hij van het oogenblik af, waarop hij nuttige bezigheid had,

was aangeraakt door eene weldoende fee; want hij maakte den indruk

van den gelukkigsten man van de wereld en dacht in zijne overgroote

dankbaarheid aan niemand dan aan de bewonderenswaardigste vrouw en den

bewonderenswaardigsten jonkman—aan tante en mij.

„Nu zullen wij niet van honger omkomen Trotwood,” zei hij, terwijl hij

mij in een hoekje van de kamer de hand schudde. „Ik zal er wel voor

zorgen, mannetje!” Hij stak daarbij zijne tien vingers in de hoogte,

alsof hij ze voor even zooveel goudmijnen hield.

Ik weet niet wie blijder was, Traddles of ik!

„Ik zou waarlijk mijnheer Micawber geheel en al vergeten!” zei Traddles

op eens en haalde een brief te voorschijn, die aan mij gericht was en

luidde:

„Beste Copperfield!

Gij zult zonder twijfel wel niet geheel onvoorbereid het bericht

ontvangen, dat zich iets heeft opgedaan; ik meen ten minste u bij eene

vorige gelegenheid medegedeeld te hebben, dat ik in afwachting daarvan

leefde.

Ik ben op het punt om mij te vestigen in een provinciestadje van ons

geliefd eiland—welks bewoners gezegd kunnen worden zich gelukkig te

gevoelen bij hun landbouw en hun godsdienst, ten einde mij te wijden

aan een wetenschappelijk beroep.

Mevrouw Micawber en ons kroost zullen mij vergezellen. Vermoedelijk

zal onze asch verzameld worden op het kerkhof, dat een gebouw omringt,

welks eerbiedwaardigheid van Noord tot Zuid, van Oost tot West is

bekend.

Nu wij het moderne Babylon vaarwel zeggen, waar wij—ik vertrouw met

waardigheid—tallooze malen met de wisselvalligheden van het lot hebben

te kampen gehad, kunnen mevrouw Micawber en ik ons niet ontveinzen, dat

het ons leed doet voor jaren, wellicht voor eeuwig afscheid te moeten

nemen van iemand, die ons steeds zulk een dierbare vriend is geweest en

met onverbreekbare banden aan—hetgeen wij zouden kunnen noemen—het

altaar van ons huiselijk geluk verbonden is. Mocht gij op den avond

voor ons vertrek onzen gemeenschappelijken vriend, Mr. Thomas Traddles,

naar onze tegenwoordige woning willen vergezellen en aldaar eenige

toepasselijke woorden met ons wisselen, zult gij een weldaad bewijzen

aan

Iemand, die zich noemt,

Geheel de uwe

Wilkins Micawber.”

Het deed mij natuurlijk genoegen te vernemen dat mijnheer Micawber

eindelijk uit den brand was, dat zich werkelijk iets had opgedaan. Van

Traddles vernam ik dat de uitnoodiging bedoeld was voor dezen avond,

die reeds half voorbij was, en aangezien ik haar gaarne wilde aannemen,

besloten wij er onmiddellijk heen te gaan. Mijnheer en Mevrouw Micawber

woonden thans onder den naam Mortimer dicht bij Gray's Inn Road in

eene zeer bekrompen woning. De tweelingen, thans acht à negen jaar

oud, sliepen in eene bedstede in de huiskamer, waar mijnheer Micawber

in een waschkom een mengsel had gereed gemaakt van den aangenamen

drank waarmede hij zich eene zekere vermaardheid had verworven. Ik had

bij deze gelegenheid het genoegen de kennismaking te hernieuwen met

jongeheer Micawber, een veelbelovenden jongen van twaalf of dertien

jaar, onderhevig aan eene zekere beweeglijkheid, waaraan jongens op

dien leeftijd gewoonlijk lijdende zijn. Ook ontmoette ik weder de

dochter van mijnheer Micawber, die hem, zooals hij mij vertelde,

telkens deed denken aan mevrouw Micawber's jeugd.

„Beste Copperfield,” zei hij, toen wij binnentraden, „gij en mijnheer

Traddles vindt ons aan den vooravond van eene verhuizing en zult dus de

vele ongeriefelijkheden, welke het natuurlijke gevolg zijn van zulk een

omstandigheid, wel over het hoofd willen zien.”

Terwijl ik een op deze verontschuldiging passend antwoord gaf, keek

ik eens rond en zag dat de bezittingen van de familie Micawber reeds

ingepakt waren. Toch scheen mij de hoeveelheid bagage niet overstelpend

toe.

Ik wenschte mevrouw Micawber met de aanstaande verandering geluk,

waarop zij antwoordde: „Beste mijnheer Copperfield, ik ben overtuigd

van uwe vriendelijke belangstelling. Mijne familie moge het beschouwen,

alsof wij in ballingschap gaan; ik ben vrouw en moeder, mijnheer

Copperfield, en zal mijnheer Micawber nooit, nooit verlaten.”

Traddles, door een wenk van mevrouw Micawber uitgenoodigd om tot ons te

komen, stemde niet zonder eenige aandoening hiermede in.

„Zoo, ten minste, is mijne opvatting, mijnheer Copperfield en mijnheer

Traddles, van de plechtige woorden, die ik eenmaal heb uitgesproken.

‚Ik, Emma, neem u, Wilkins Micawber, tot mijn wettigen echtgenoot’.

Gisteren avond heb ik het formulier nog eens bij eene kaars overgelezen

en de slotsom was: ‚Ik verlaat Micawber nooit!’ En,” voegde zij er bij,

„zelfs al mocht ik mij vergissen in de beteekenis van het formulier, ik

doe het toch niet!”

„Lieve vrouw,” viel mijnheer Micawber op eenigszins ongeduldigen toon

hierop in, „ik ben mij niet bewust dat iets dergelijks ooit van u

verwacht werd.”

„Ik weet, mijnheer Copperfield, dat het voortaan mijn lot zal zijn

onder vreemden te leven; ik weet ook dat de verschillende leden van

mijn familie, aan wie mijnheer Micawber in de beleefdste termen dit

feit heeft medegedeeld, niet de minste notitie hebben genomen van zijn

schrijven. Het mag misschien getuigen van bijgeloovigheid, maar het wil

mij voorkomen of mijnheer Micawber op het meerendeel van zijne brieven

geen antwoord ontvangt. Uit het stilzwijgen van mijne familie mag ik

wel opmaken, dat zij het besluit, waartoe wij gekomen zijn, afkeuren;

maar ik mag mij daardoor niet laten afbrengen van mijn plicht, mijnheer

Copperfield; zelfs mijn papa en mama zouden dat niet kunnen, indien zij

nog leefden.”

Ik gaf door te knikken mijne instemming met hare woorden te kennen.

„Het moge dan al eene opoffering voor mij zijn, mijnheer Copperfield,”

vervolgde mevrouw Micawber, „mij in dat bisschopsstadje te gaan

begraven, maar hoeveel grooter is de opoffering niet van een man met de

bekwaamheden van mijnheer Micawber?”

„Gaat gij naar een bisschopsstad?” vroeg ik, waarop mijnheer Micawber,

na ons allen uit de waschkom bediend te hebben, antwoordde: „Ja,

mijn beste Copperfield, wij gaan naar Canterbury. De zaak is, dat

ik na eenige onderhandelingen een contract gesloten heb met onzen

wederzijdschen vriend Heep, om hem te helpen en te dienen in de

betrekking van... en te zijn—zijn vertrouwde klerk.”

Ik staarde mijnheer Micawber verbaasd aan en hij vermaakte zich

blijkbaar met mijn verrast gezicht.

„Ik voel mij verplicht u mede te deelen,” ging mijnheer Micawber op

officiëelen toon voort, „dat de zaakkennis en de omzichtigheid van

mevrouw Micawber veel hebben toegebracht aan den goeden uitslag van de

onderhandelingen. De handschoen, waarover mevrouw Micawber bij eene

vorige gelegenheid sprak, in den vorm van eenige advertenties in het

strijdperk geworpen en door mijnheer Heep opgenomen, is de aanleiding

geweest tot het hernieuwen onzer kennismaking. Van mijn vriend Heep,

een man, begaafd met buitengewone schranderheid, kan ik niet anders dan

met de grootste achting spreken. Mijn vriend Heep heeft de positieve

belooning voor de door mij te bewijzen diensten wel niet op een te hoog

cijfer gesteld; maar van de waarde en groote dezer diensten afhankelijk

gemaakt de wijze, waarop hij zijne medewerking zal verleenen tot

mijne bevrijding uit eenige geldelijke ongelegenheden. Welnu, zooveel

bekwaamheid en doorzicht, als toevallig mijn deel is, zal aan de

diensten, welke mijnheer Heep van mij vergt, gewijd worden. Ik ben

reeds eenigszins bekend met de wetten, als verweerder in civiele zaken,

en zal onmiddellijk beginnen met het bestudeeren van de toelichtingen

en beschouwingen van een onzer bekwaamste rechtsgeleerden. Ik meen het

overbodig hierbij nog te voegen dat ik Mr. Blackstone op het oog heb.”

Hij, had op den gewonen deftigen toon gesproken met een gelaat, dat

glom van zelfvoldoening, en gedurende al dien tijd en eigenlijk den

geheelen avond werd mevrouw Micawber's aandacht afgeleid door jongeheer

Micawber, die nu eens op zijn schoenen zat, dan weder met het hoofd in

de handen, als vreesde hij, dat hij het zou verliezen; nu eens onder

de tafel Traddles zat te schoppen of met zijne voeten over elkander

te schuiven, dan weder zijne beenen onnatuurlijk ver buiten de tafel

uitstak of met zijn verwarde haren tusschen de punchglazen lag; in één

woord, op alle denkbare en ondenkbare wijzen zijn bewegelijken aard met

de belangen van de overige leden van het gezelschap in botsing deed

komen en de desbetreffende opmerkingen van den kant zijner moeder met

een ontevreden gezicht aanhoorde. Ik was intusschen nog niet geheel

bekomen van de verrassing over mijnheer Micawber's onthullingen en zat

daarover te peinzen, tot mevrouw Micawber weder het woord nam en mijne

aandacht vroeg.

„Het eenige, waarvoor ik bevreesd ben, mijnheer Copperfield, is, dat

mijnheer Micawber door zulk eene ondergeschikte betrekking aan te

nemen, niet in staat zal zijn eenmaal nog de hoogste sport van de

ladder te bereiken,” zei mevrouw Micawber. „Ik heb mijnheer Micawber

dan ook ernstig verzocht dat wel in het oog te houden, want ik ben

overtuigd, dat als hij zich met ijver toelegt op een vak, waarin zijne

aangeboren schranderheid en zijne welbespraaktheid zoo uitnemend kunnen

te pas komen, hij daarin ook _moet_ uitmunten. Ik meen, mijnheer

Traddles, dat hij gemakkelijk rechter of zelfs kanselier zou kunnen

worden en het zou toch bedroevend zijn, indien hij zich daarvoor den

weg afsneed door zulk eene ondergeschikte betrekking aan te nemen!”

„Lieve,” sprak mijnheer Micawber, waarbij hij Traddles onderzoekend

aankeek, „Lieve, wij zullen tijd te over hebben om over deze quaesties

in nadere beschouwing te treden.”

„Neen, Micawber!” antwoordde zij. „Neen! Gij hebt slechts één gebrek en

dat is, dat gij niet ver genoeg vooruit ziet. Gij zijt tegenover uwe

familie en tegenover u zelven niet gerechtvaardigd, zoo gij niet een

alles omvattenden blik werpt naar dat punt van den horizon, waarheen

uwe bekwaamheden u kunnen brengen.”

Mijnheer Micawber kuchte eens en dronk zijn glas punch ledig met een

uiterst tevreden gelaat, terwijl hij voortdurend naar Traddles keek,

wiens opinie hij blijkbaar wenschte te vernemen.

„Om u de waarheid te zeggen, mevrouw Micawber,” zeide Traddles, van

plan haar die waarheid zoo zacht mogelijk mede te deelen, „om u de

naakte, prozaïsche waarheid te zeggen, moet gij weten.....”

„Juist,” viel mevrouw Micawber hem in de rede, „juist, beste Traddles,

ik verlang niets dan de naakte, prozaïsche waarheid in zulk eene

gewichtige aangelegenheid.”

„Weet dan,” vervolgde Traddles, „dat deze tak van de rechten, zelfs al

ware mijnheer Micawber procureur in optima forma,.....”

„Juist, juist,” viel mevrouw Micawber weder in—„(Wilkins, gij kijkt

weer scheel; uwe oogen zullen nog eens zoo blijven staan!)”

„....... niets te maken heeft,” ging Traddles voort, „met rechters en

kanseliers. Alleen advocaten zijn voor deze betrekkingen verkiesbaar

en mijnheer Micawber kan geen advocaat worden, zonder vijf jaren in de

rechten gestudeerd te hebben aan een staatsacademie.”

„Begrijp ik u goed?” vroeg mevrouw Micawber met dat zekere ernstige

gelaat, waarmede zij gewoon was zaken te behandelen, „begrijp ik

u goed, dat mijnheer Micawber, na afloop van zulk een termijn

verkiesbaar zijn zou voor rechter of kanselier?”

„Hij zou _verkiesbaar_ zijn,” antwoordde Traddles, met grooten nadruk

op dit woord.

„Dank u,” zei mevrouw Micawber. „Dat is voldoende. Als dit het geval is

en mijnheer Micawber dus geenerlei kansen weggooit door deze betrekking

aan te nemen, ben ik gerust. Ik spreek natuurlijk als eene vrouw, maar

ik heb altijd gemeend dat mijnheer Micawber is, wat ik papa—toen ik

nog bij papa en mama thuis was—zoo dikwijls heb hooren noemen: een

rechtskundig genie; ik hoop daarom, dat mijnheer Micawber nu een veld

gaat betreden, waarop hij zich ten volle zal kunnen ontwikkelen en tot

eene hooge betrekking zal geraken.”

Ik geloof dat mijnheer Micawber zich in zijne verbeelding reeds op het

kussen zag. Innig vergenoegd streek hij zich met de hand over zijn

glimmend hoofd en zei met gekunstelde gelatenheid:

„Lieve, laat ons het geluk niet trachten te dwingen. Ben ik bestemd

om eenmaal een pruik te dragen, dan ben ik ten minste uitwendig”—hij

wees op zijn kalen kruin—„op die groote onderscheiding voorbereid. Ik

betreur het verlies van mijne haren niet,” vervolgde hij, „het is zelfs

zeer goed mogelijk dat ik met eene bijzondere bedoeling daarvan beroofd

ben. Dat kan ik niet zeggen. Ik ben van plan, mijnheer Copperfield,

mijn zoon op te leiden voor de Kerk; ik wil niet ontkennen, dat ik zeer

gelukkig zou zijn, om zijnentwil natuurlijk, indien ik hem zoo ver kan

brengen.”

„Voor de Kerk?” vroeg ik, nog telkens peinzend over Uriah Heep.

„Ja,” antwoordde mijnheer Micawber. „Hij heeft een zeer goede stem

en kan dus beginnen als koorzanger. Eenmaal te Canterbury, zullen de

betrekkingen, die wij daar aanknoopen, hem zonder twijfel behulpzaam

zijn om in het corps vooruit te komen, zoodra er vacatures zijn.”

Ik keek na deze lofspraak den zoon aan en bespeurde eene uitdrukking

op zijn gelaat, alsof zijne stem uit het bovenste gedeelte van zijn

neus zou komen en werkelijk bleek dit ook zoo te zijn, toen hij,

nadat hem de keus was gelaten tusschen „iets te zingen en naar bed

te gaan,” ons onthaalde op een lied, „De timmerman onder de vogels”

getiteld. Nadat wij allen onze tevredenheid daarover hadden betuigd,

werd het gesprek wat algemeener en aangezien ik te zeer vervuld was

met de verandering in mijn eigen omstandigheden, om daarover langen

tijd het zwijgen te bewaren, maakte ik er mijnheer en mevrouw Micawber

mede bekend. Ik kan niet zeggen hoe verheugd zij waren, dat mijne

tante zich ook in geldelijke ongelegenheid bevond, en hoe zeer hunne

vriendelijkheid en vertrouwelijkheid daardoor toenamen.

Toen de bodem van de waschkom zich aan onze oogen begon te vertoonen,

fluisterde ik Traddles in dat wij alvorens te scheiden onzen vrienden

eene goede reis, gezondheid en geluk in hunne nieuwe woonplaats moesten

toewenschen. Ik verzocht daarom mijnheer Micawber onze glazen nog

eens tot den rand te vullen en stelde daarna op plechtigen toon den

feestdronk in, waarna wij elkander allen de handen schudden en ik

mevrouw Micawber kuste. Traddles volgde in het eerste mijn voorbeeld,

doch voor het tweede vond hij zich nog niet genoeg „een oud vriend van

de familie.”

„Beste Copperfield,” sprak mijnheer Micawber met de duimen in

zijne vestzakken, „de metgezel uit vroegere dagen—indien het mij

veroorloofd is deze uitdrukking te bezigen—en mijn hooggeachte vriend

Traddles—indien ik hem zoo mag noemen—zullen mij wel willen toestaan,

ook uit naam van mevrouw Micawber en ons kroost, hun onzen warmen dank

te betuigen voor hunne goede wenschen. Het is te verwachten dat ik op

den vooravond van eene reis, die ons in een geheel anderen toestand

zal brengen”—hij sprak alsof hij minstens vijfhonderdduizend mijlen

ver ging—„tot twee zulke vrienden als gij voor ons geweest zijt,

eenige afscheidswoorden moet richten. Alles wat ik te zeggen heb

aangaande dit punt, heb ik echter reeds gezegd. Welke sport van de

ladder ik nog eens moge bereiken door tusschenkomst van het geleerde

vak, waaraan ik op het punt sta mij te gaan wijden, ik zal trachten de

betrekking, waarin ik alsdan geplaatst zal zijn, geen schande aan te

doen en mevrouw Micawber zal haar zeker tot sieraad strekken. Onder den

tijdelijken druk van geldelijke ongelegenheden en van verplichtingen,

aangegaan met het vooruitzicht op onmiddellijke afdoening, doch

uitgesteld tengevolge van een samenloop van omstandigheden, ben ik in

de noodzakelijkheid gekomen mij een voorkomen te geven, waartegen mijn

ingeschapen gevoel van eerlijkheid in opstand kwam—ik bedoel een bril

te dragen—en een naam aan te nemen, waarop ik geen aanspraak maken

kan. Al wat ik te dier zake zeggen kan is, dat de sombere wolk thans

is voorbij gedreven en de God des daags weder troont boven de toppen

der bergen. Aanstaanden Maandag, wanneer de diligence om vier uur 's

avonds te Canterbury aankomt, zal de voet van Wilkins Micawber den

vaderlandschen bodem weder drukken!”

Mijnheer Micawber ging na deze met vuur uitgesproken redevoering weder

zitten en dronk met bijna indrukwekkende deftigheid twee glazen punch

achtereen ledig. Daarna zei hij, zoo mogelijk op nog plechtiger toon:

„Alvorens wij voorgoed afscheid nemen, rust nog een plicht op mij.

Mijn vriend, mijnheer Thomas Traddles, heeft bij twee verschillende

gelegenheden te mijnen behoeve zijn naam geplaatst op een

schuldbekentenis of wissel. Bij de eerste gelegenheid werd mijnheer

Thomas Traddles—laat mij maar kortweg zeggen—in den steek gelaten.

De tweede is nog niet vervallen. Het bedrag van den eerste wissel

was, als ik mij niet bedrieg”—hij keek al pratende eenige papieren

na—„drieëntwintig pond, vier shillingen en negen en een halven

stuiver; van den tweede, volgens mijne aanteekening: achttien pond, zes

shillingen en twee stuivers, te zamen alzoo, indien mijne berekening

juist is: eenenveertig pond, tien shillingen, elf en een halven

stuiver. Wil mijn vriend Copperfield zoo goed zijn de berekening eens

na te zien?”

Ik voldeed aan dit verlangen en vond de berekening in orde.

„Deze wereldstad en mijnheer Thomas Traddles te verlaten, zonder mij

van het finantiëele gedeelte van mijn plicht gekweten te hebben,

zou eene daad zijn, die mij als een ondragelijke last zou blijven

drukken. Ik heb daarom voor mijn vriend Thomas Traddles een stuk in

gereedheid gebracht—ik heb dat op het oogenblik in de hand—waarmede

het gewenschte doel kan worden bereikt. Ik verzoek mijn vriend Thomas

Traddles eene schuldbekentenis van mij aan te nemen, groot eenenveertig

pond, tien shillings en elf en een halven stuiver; het verheugt mij

daarmede mijn gevoel van eigenwaarde te hebben terug gekregen en

te weten, dat ik mij thans weder met opgerichten hoofde aan mijne

medemenschen zal kunnen vertoonen!”

Met deze woorden, die hem blijkbaar hadden aangedaan, legde hij de

schuldbekentenis in handen van Traddles, er bijvoegende, dat hij hem

alles goeds toewenschte, in welke levensomstandigheden hij zich ook

nog eens mocht bevinden. Ik ben overtuigd, dat dit niet alleen voor

mijnheer Micawber hetzelfde was, alsof hij zijne schuld had betaald,

maar dat ook Traddles het onderscheid niet inzag voor hij den tijd had

gehad, om er eens kalm over na te denken.

Ten gevolge van deze vernuftige handelwijze vertoonde mijnheer Micawber

zich met zulk een hoog opgericht hoofd aan zijne medemenschen, dat,

toen hij ons voorlichtte bij het afgaan van de trap, zijne borst

tweemaal zoo breed scheen als gewoonlijk. Wij namen van weerszijden

hartelijk afscheid en toen ik Traddles naar zijne kamers had gebracht

en alleen huiswaarts ging, had ik vele en wonderlijke dingen om over te

peinzen. Ook dacht ik, dat, hoe weinig nauwgezet mijnheer Micawber ook

in geldzaken was, ik het waarschijnlijk aan de herinnering, die hij van

mij als kind en inwoner had, moest danken, dat hij mij nooit om geld

had gevraagd. Ik weet zeker, dat de zedelijke moed mij ontbroken zou

hebben, om het hem te weigeren en ik twijfel er niet aan of hij begreep

dit evengoed als ik zelf.

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 49 / 79 题