XXXVIII.

De compagnieschap verbroken.

Mijn ijver om mij op het snelschrijven toe te leggen en de debatten

van het Parlement te stenographeeren, was intusschen niet bekoeld.

Dit was een van de ijzers, die ik onmiddellijk gloeiend had gemaakt

en gloeiend hield en waarop ik met bewonderenswaardigen ijver bleef

hameren. Ik kocht een grondig onderricht in de edele kunst en de

geheimen der stenographie—het kostte mij tien shillings en zes

stuivers—en geraakte zoodanig er in verward, dat ik meende krankzinnig

te zullen worden. De verandering in beteekenis, wanneer een punt

zus of zoo was geplaatst; de wonderlijke grillen van de cirkeltjes

van verschillende grootte; de onnaspeurlijke gevolgen van teekens,

die op vliegenpooten geleken; de vreeselijke uitwerking van het

kleinste kromme lijntje op eene verkeerde plaats, dat alles hield mij

niet alleen den ganschen dag bezig, maar vervolgde mij ook in mijne

droomen. Toen ik, blindelings rondtastende mijn weg tusschen al deze

moeilijkheden door gevonden had en het alphabet kende, dat op zich zelf

al even geheimzinnig was als een Egyptische tempel, volgde er eene

nieuwe reeks verschrikkingen, de willekeurige teekenen genoemd; ja, wel

waren ze willekeurig, despotisch zelfs! Zoo zal een ding, dat op het

begin van een spinneweb lijkt, ‚verwachting’ en een met inkt geteekend

pijltje ‚nadeelig’ beduiden.

Toen ik mijn hoofd hiermede letterlijk had afgemarteld, kwam ik tot

het besef, dat al het andere er weder uitgedreven was; ik moest dus

opnieuw beginnen en vergat toen de ‚willekeurige’ weer en toen ik de

‚willekeurige’ weer onder de knie had, was ik het alphabet weer kwijt,

kortom, het was hartverscheurend.

Maar hoe zou het dan wel geweest zijn als ik Dora niet gehad had,

Dora, het plechtanker van mijn aan de golven prijs gegeven scheepje.

Elk krabbeltje in mijne handleiding was een knoestige eik in het woud

der moeilijkheden, en ik hakte den een voor, den ander na om met zulk

een ijver, dat ik na drie of vier maanden eene proef nam met een der

advocaten in de Commons, die heel duidelijk en langzaam sprak. Zal ik

het ooit vergeten dat die voortreffelijke spreker mij al vooruit was

eer ik begon, en hoe dat domme potlood hem over het papier nawaggelde,

alsof het dronken was!

Het ging niet, dat was duidelijk! Ik had een te hooge vlucht

genomen en zou op deze wijze nooit vooruit komen. Traddles moest

mij raad geven en de goede jongen was dadelijk bereid. Hij zou mij

redevoeringen voorlezen, zóó langzaam en zóó duidelijk en met zóóveel

tusschenpoozen, als mijne geringe ervarenheid eischte. Dankbaar nam ik

zijn vriendschappelijk voorstel aan en zoo hielden wij avond op avond,

ja, langen tijd achtereen, elken avond nadat ik van doctor Strong

thuiskwam, in Buckingham-street op onze manier Parlements-zitting.

Ik zou zulk eene zitting wel eens elders hebben willen zien! Tante

en mijnheer Dick representeerden de Regeering of, naar gelang van

het onderwerp, de rechter of linkerzijde en Traddles slingerde hen

met behulp van Enfield's Speaker of van een echt Parlementsverslag

de bitterste verwijten naar het hoofd. Bij de tafel staande, met

den wijsvinger bij de plaats waar hij was, geleek hij op Pitt, Fox,

Sheridan, Burke, Lord Castlereagh of Canning en stortte, gloeiend van

verontwaardiging over de verdorvenheid en losbandigheid van tante en

mijnheer Dick, de fiolen van zijn toorn over hen uit; terwijl ik, op

eenigen afstand met mijn aanteekenboekje op de knieën, al mijn krachten

inspande om hem woord voor woord te volgen. Zijne inconsequentie, zijn

dolzinnig doorslaan zou geen echt staatsman hem verbeterd hebben.

Binnen eene week veranderde hij herhaalde malen van stelsel en zeilde

onder alle mogelijke vlaggen. Tante zat gewoonlijk zoo onbewegelijk

als een kanselier van de schatkist en wierp er nu en dan eens een

„Hoort! Hoort!” of „Neen! Neen!” of „O, o!” tusschen, al naar mate de

inhoud dit vorderde; hetgeen voor mijnheer Dick, die zijne rol als

landheer volmaakt speelde, het teeken was om met luide stem dezelfde

kreten aan te heffen. Mijnheer Dick werd echter in zijne qualiteit van

Parlementslid van zulke dingen beschuldigd en voor zóóveel vreeselijke

gevolgen verantwoordelijk gesteld, dat het hem nu en dan angstig te

moede werd. Ik geloof, dat hij nu en dan werkelijk vreesde iets op zijn

geweten te hebben, waardoor Engeland's grondwet of Engeland's vrijheid

in gevaar was gebracht.

Meer dan eens zetten wij de debatten voort tot middernacht of tot

de kaarsen waren uitgebrand, en het resultaat van deze practische

oefeningen was, dat ik langzamerhand Traddles vrij wel kon volgen en

zeer tevreden zou zijn geweest, als ik uit hetgeen ik opgeschreven

had maar eenigszins had kunnen wijs worden. Maar ik zou even goed de

kaballistische teekens van eenige dozijnen Chineesche theekopjes of de

etiquetten van al de roode en groene flesschen in een apothekerswinkel

hebben kunnen copiëeren.... niemand kon er uit wijs worden en ik zelf

evenmin!

Er was niets aan te doen dan opnieuw te beginnen. Het was wel hard,

maar ik begon opnieuw, al was het met een bezwaard hart en legde met

ijver en stelselmatig nogmaals denzelfden weg in slakkengang af,

telkens stil staande om elk puntje, elk bochtje in den weg van alle

kanten te bekijken; terwijl ik de wanhopendste pogingen deed om die

onverstaanbare teekens, overal waar ik ze tegenkwam, op het eerste

gezicht te herkennen. Ik was altijd prompt op mijn tijd op het kantoor

en bij den doctor en werkte, zooals de algemeene uitdrukking luidt, als

een koetspaard.

Op zekeren dag, als naar gewoonte op het kantoor komende, vond

ik mijnheer Spenlow in de gang; hij keek zeer ernstig en praatte

voortdurend in zich zelven. Aangezien hij wel eens over hoofdpijn

klaagde—hij had een bijzonder korten hals en ik geloof nog dat er te

veel stijfsel in zijne boorden gedaan werd—meende ik dat er in dien

zin iets niet in orde was; maar hij verloste mij spoedig uit mijne

ongerustheid. In plaats van, zooals gewoonlijk, mijn „Goeden morgen” op

minzame wijze te beantwoorden, keek hij mij uit de hoogte zeer plechtig

aan, terwijl hij mij op ijskouden toon uitnoodigde hem te vergezellen

naar een zeker koffiehuis, dat in die dagen met de Commons gemeenschap

had door de overwelfde gang op het St. Paulskerkhof. Ik gehoorzaamde,

niets op mijn gemak en met een warm, prikkelend gevoel, alsof de vrees,

die mij bekroop, door mijn huid naar buiten drong. Toen ik hem eenige

schreden liet vooruitgaan, omdat het gangetje te nauw was om naast

elkander te loopen, merkte ik op, dat hij zijn hoofd droeg op eene

wijze, die weinig goeds beloofde, en bekroop mij de angst, dat hij iets

van mijne verhouding tot Dora ontdekt had.

Al had ik dit op weg naar het koffiehuis niet reeds vermoed, ik zou

zonder twijfel op dezelfde gedachte gekomen zijn, toen ik, hem naar

een opkamertje volgend, juffrouw Murdstone zag zitten met den rug

naar het buffet, waarop verscheidene omgekeerde bierglazen stonden,

met citroenen er op, benevens twee vreemdsoortige bakjes, met randen

en gleuven om messen en vorken in te steken, die, gelukkig voor de

menschheid, tegenwoordig uit de mode zijn.

Juffrouw Murdstone gaf mij één ijskouden vingertop en bleef kaarsrecht

zitten. Mijnheer Spenlow sloot de deur, verzocht mij een stoel te nemen

en ging zelf met den rug naar den haard staan.

„Heb de goedheid, juffrouw Murdstone, aan mijnheer Copperfield te laten

zien, wat gij in uw reticule hebt,” zei hij.

Ik geloof waarlijk, dat het dezelfde reticule met den stalen beugel

was, die mij in mijn jeugd zooveel angst had aangejaagd, die nijdige

reticule, die toeklapte als de muil van een wild dier. Met de lippen op

elkaar, in overeenstemming met den beugel, opende juffrouw Murdstone

eerst haar mond een weinig en toen den tasch geheel en—haalde er mijn

laatsten brief aan Dora uit te voorschijn, vol teedere betuigingen van

mijne onveranderlijke liefde.

„Ik meen dat dit uw schrift is, mijnheer Copperfield?” zei mijnheer

Spenlow.

Ik gloeide in- en uitwendig en de stem, die ik hoorde, toen ik

antwoordde: „Dat is het, mijnheer!” geleek niets op mijn gewoon

stemgeluid.

„Vergis ik mij niet,” hernam mijnheer Spenlow, toen juffrouw Murdstone

uit haar reticule een geheel pakje brieven te voorschijn haalde,

saamgebonden met het sierlijkste blauwe lintje, dat ik ooit gezien heb,

„vergis ik mij niet dan zijn ook deze van uwe hand?”

Ik nam ze met een wanhopend gevoel van haar aan en toen ik van eenige

den aanhef in het oog kreeg, als „Mijne innig geliefde en eenige Dora!

Liefste Engel! Mijn allerliefste vrouwtje!” en dergelijke, bloosde ik

als een schooljongen en boog het hoofd.

„Neen, dank u!” zei mijnheer Spenlow op ijskouden toon, toen ik hem

werktuigelijk het pakje wilde teruggeven, „ik zal er u niet van

berooven. Wees zoo goed voort te gaan, juffrouw Murdstone.”

Nadat dit beminnelijk wezen eenige oogenblikken peinzend op het

vloerkleed gestaard had, sprak zij op zalvenden toon.

„Ik moet bekennen, dat ik juffrouw Spenlow reeds eenigen tijd

verdacht heb van meer aandacht te schenken aan mijnheer Copperfield

dan mij gepast toescheen. Ik was tegenwoordig bij de eerste

ontmoeting van juffrouw Spenlow en mijnheer Copperfield en ontving

daarvan geen aangenamen indruk. De bedorvenheid van het menschelijk

hart is zulk....”

„Gij zult mij verplichten, juffrouw, u tot de zaak zelve te bepalen,”

zoo viel mijnheer Spenlow haar in de rede.

Juffrouw Murdstone sloeg de oogen neer, schudde het hoofd alsof zij

haar ongenoegen te kennen gaf over de onbetamelijke wijze, waarop

mijnheer Spenlow haar in de rede viel, en hernam met gefronst voorhoofd

en op nog plechtiger toon:

„Als ik mij dan alleen tot daadzaken bepalen moet, zal ik ze zoo droog

mogelijk vermelden. Wellicht zal eene dergelijke behandeling van de

feiten meer in den smaak vallen. Ik heb reeds gezegd, mijnheer Spenlow,

dat ik sinds eenigen tijd achterdocht koesterde. Meermalen heb ik

getracht onomstootelijke bewijzen te vinden voor de juistheid van mijne

vermoedens, doch te vergeefs. Ik heb het daarom nagelaten juffrouw

Spenlow's vader”—zij keek hem doordringend aan—„met mijne vermoedens

lastig te vallen, wel wetende hoe weinig bijval men gewoonlijk

ondervindt, wanneer men eenvoudig zijn plicht doet.”

Mijnheer Spenlow scheen verlegen te worden onder den stroeven,

ernstigen toon van juffrouw Murdstone en onder hare mannen-manieren,

zoodat hij, door met de hand te wuiven, haar tot wat zachtheid meende

te kunnen stemmen.

„Bij mijne terugkomst uit Norwood, waarheen het huwelijk van mijn

broeder mij gedurende eenigen tijd geroepen had,” ging juffrouw

Murdstone op minachtenden toon voort, „en bij den terugkeer van

juffrouw Spenlow van haar bezoek aan hare vriendin, mejuffrouw Mills,

meende ik uit juffrouw Spenlow's wijze van doen te moeten opmaken, dat

mijn achterdocht nog meer reden van bestaan had gekregen dan te voren.

Ik bewaakte juffrouw Spenlow daarom met de grootste nauwgezetheid....”

Arme, lieve, zachte Dora! Argeloos onder de hoede van een draak!

„Toch,” hervatte juffrouw Murdstone, „vond ik geen bewijzen vóór

gisterenavond. Het kwam mij voor, dat juffrouw Spenlow te veel brieven

ontving van hare vriendin, juffrouw Mills; maar aangezien juffrouw

Mills met de volledige toestemming van mijnheer Spenlow als vriendin

van zijne dochter optrad,”—wederom een vinnigheid aan het adres van

mijnheer Spenlow—„kon ik moeilijk tusschen beiden treden. Indien het

mij niet veroorloofd is te wijzen op de aangeboren bedorvenheid van het

menschelijk hart, mag ik..... neen, moet ik toch de vrijheid nemen, te

spreken van misplaatst vertrouwen.”

Mijnheer Spenlow mompelde iets binnensmonds, dat op eene

verontschuldiging geleek.

„Gisterenavond na de thee,” vervolgde juffrouw Murdstone, „zag ik hoe

Jip opsprong en brommende met iets in den bek door de kamer rende. Ik

vroeg aan juffrouw Spenlow: ‚Dora, wat heeft de hond daar in den bek?

Het is een papier, als ik mij niet bedrieg.’ Juffrouw Spenlow bracht

daarop de hand naar hare japon, gaf een gil en snelde den hond na. Ik

kwam tusschen beiden en zei: ‚Lieve Dora, gij moet mij veroorloven dat

papier te bekijken.’”

„O, Jip, ellendig beest! Zoo is het dus uw werk!”

„Juffrouw Spenlow,” ging het mensch voort, „trachtte mij wel over te

halen met kussen en werkdoosjes en snuisterijen, maar.... 't spreekt

van zelf.... dat laat ik rusten. Het hondje nam de wijk onder de sofa,

toen ik naderkwam, en werd, na veel vergeefsche pogingen, met de tang

er onder uitgejaagd. Het dier bleef echter het papier vasthouden en

toen ik trachtte het hem af te nemen, op gevaar af dat hij mij bijten

zou, hield hij het zoo stevig met zijn tanden vast, dat hij zich er aan

liet ophalen. Eindelijk kreeg ik den brief echter in bezit en na dien

gelezen te hebben, gaf ik juffrouw Spenlow te kennen, dat het volstrekt

niet met haar rang en stand overeenkwam zulke brieven te ontvangen;

ook vroeg ik haar of zij er nog meer had, waarop ik het pakje, dat

David Copperfield op het oogenblik in zijne handen heeft, van haar in

ontvangst nam.” Nu zweeg zij, klapte de reticule dicht, te gelijk met

haar mond en keek alsof men haar wel breken, maar niet buigen kon.

„Gij hebt gehoord wat juffrouw Murdstone heeft gezegd,” sprak mijnheer

Spenlow, zich tot mij wendende. „Mag ik nu van u weten wat gij daarop

te antwoorden hebt?”

Het tafereel dat zich voor mijn geestesoog opdeed—mijn innig geliefd,

zacht meisje, den geheelen avond snikkend en schreiend, geheel alleen,

angstig en bedroefd; die meedoogenlooze vrouw smeekend en biddend om

het haar te vergeven; hare vergeefsche pogingen om dat steenen hart te

vermurwen met kussen, werkdoosjes en snuisterijen; haar wanhoop....

en dat alles ter wille van mij—dat tafereel joeg mijn weinigje

manhaftigheid geheel op de vlucht. Ik vrees zelfs dat ik gedurende een

of meer minuten stond te beven, ofschoon ik mijn best deed om het te

verbergen.

„Ik kan er niets op zeggen, mijnheer,” antwoordde ik, „dan dat ik

alleen de schuldige ben; Dora....”

„Juffrouw Spenlow, als ik u verzoeken mag,” zei haar vader uit de

hoogte.

„——is door mij overreed,” dat koele ‚mejuffrouw Spenlow’, wilde mij

niet over de lippen, „geheimhouding in acht te nemen; maar ik heb er

bitter berouw van.”

„Uwe handelwijze is hoogst laakbaar, mijnheer,” sprak mijnheer Spenlow,

op het haardkleed heen en weder loopende, terwijl hij met zijn geheele

lichaam nadruk legde op zijne woorden—met het hoofd alleen, was hem

onmogelijk tengevolge van zijne stijve, hooge boorden. „Gij hebt

heimelijk en zeer ongepast gehandeld, mijnheer Copperfield. Wanneer ik

een fatsoenlijk man bij mij ontvang, onverschillig of hij negentien of

negentig jaar is, moet ik onvoorwaardelijk op hem kunnen vertrouwen.

Schendt hij dat vertrouwen, dan pleegt hij eene oneerlijke handeling,

mijnheer Copperfield.”

„Ik verzeker u, mijnheer, dat ik dit zeer goed voel,” antwoordde ik.

„Ik heb dat vroeger niet zoo ingezien. Eerlijk, oprecht, inderdaad,

mijnheer Spenlow, ik heb dat vroeger niet zoo ingezien. Ik heb juffrouw

Spenlow zoo onuitsprekelijk lief....”

„Och wat! Dwaasheid!” antwoordde mijnheer Spenlow met eene hoogroode

kleur. „Vertel mij nu niet in mijn gezicht dat gij mijne dochter lief

hebt, mijnheer Copperfield!”

„Zou ik mijne handelwijze kunnen verdedigen, indien ik haar niet

liefhad, mijnheer?” antwoordde ik op nederigen toon.

„Kunt gij uwe handelwijze verdedigen, indien het wel zoo is, mijnheer?”

vroeg mijnheer Spenlow, terwijl hij op het haardkleed bleef staan.

„Hebt gij uw eigen leeftijd en dien van mijne dochter in aanmerking

genomen, mijnheer Copperfield? Hebt gij wel bedacht wat het zegt

het vertrouwen te schokken, dat tusschen mijne dochter en mij dient

te bestaan? Hebt gij bedacht welke positie mijne dochter in de

maatschappij bekleedt, welke plannen ik wellicht voor hare toekomst

hebben mag, welke testamentaire beschikkingen ik ten opzichte van mijne

dochter voornemens ben te nemen? Hebt gij wel iets daarvan overwogen,

mijnheer Copperfield?”

„Heel weinig, naar ik vrees,” antwoordde ik zoo eerbiedig en berouwvol

als mij mogelijk was; „ik verzoek u echter vriendelijk mij te willen

gelooven, indien ik u zeg, dat ik mijn eigen wereldlijke positie wel

heb overwogen. Toen ik u die meedeelde, waren wij reeds geëngageerd....”

„Ik _verzoek_ u,” zei mijnheer Spenlow, die, zooals hij daar stond en

met de eene hand in de andere sloeg, sprekend op Punch geleek; zelfs in

mijne wanhoop moest ik deze vergelijking opmerken—„ik verzoek u niet

te spreken van _geëngageerd zijn_, mijnheer Copperfield!”

De anders zoo onverstoorbare juffrouw Murdstone kon niet nalaten even

een minachtend lachje te laten hooren.

„Toen ik u meedeelde, welke wijziging er in mijne omstandigheden

gekomen was,” hernam ik, een nieuwen vorm kiezende voor hetgeen ik

te zeggen had, „was de ongelukkige afspraak reeds gemaakt tusschen

juffrouw Spenlow en mij. Sinds deze wijziging in mijne omstandigheden

heb ik al mijne krachten ingespannen, alles wat mogelijk was gedaan

om ze te verbeteren. Mettertijd zullen ze beter worden, daarvan ben ik

overtuigd. Wilt gij een tijdstip bepalen, waarop ik u Dora.... juffrouw

Spenlow's hand mag komen vragen? Het doet er niet toe of het nog wat

ver verwijderd zij, want wij zijn beiden nog jong, mijnheer.”

„Gij hebt gelijk,” antwoordde mijnheer Spenlow, verscheidene malen met

zijn hoofd knikkende en met gefronste wenkbrauwen, „gij zijt beiden

nog erg jong. Laat de dwaasheid dan ook uit zijn. Neemt gij dat pakje

brieven mede en werp ze in het vuur. Geef mij de brieven van juffrouw

Spenlow om ze in het vuur te werpen en, hoewel onze omgang, zooals gij

wel begrijpen zult, zich voortaan bepalen moet tot de Commons, zullen

wij het verleden laten rusten. Kom, mijnheer Copperfield, gij hebt

gezond verstand genoeg en deze wijze van handelen is de verstandigste.”

Neen; ik kon dat onmogelijk toestemmen. Het speet mij wel, maar in dit

geval kon ik onmogelijk het verstand alleen aan het woord laten. De

liefde gaat boven alle aardsche bedenkingen en ik had Dora lief boven

alles en zij had mij lief. Ik zei dit niet ronduit, ik verzachtte het

zooveel mogelijk; maar ik gaf het toch duidelijk genoeg te kennen en

bleef standvastig. Ik geloof niet dat ik mij erg belachelijk aanstelde;

hoe het echter zij—ik bleef standvastig.

„Welnu, mijnheer Copperfield,” zei mijnheer Spenlow; „dan zal ik

beproeven welken invloed ik op mijne dochter kan oefenen.”

Juffrouw Murdstone gaf door een bijzonder geluid, of eene langgerekte

ademhaling, die zoowel aan een zucht als aan gekerm deed denken, te

kennen, dat hij hiermede had moeten beginnen—ten minste, dit kwam mij

zoo voor.

„Ik moet beproeven welken invloed ik op mijne dochter kan oefenen,”

herhaalde mijnheer Spenlow. „Zijt gij van plan die brieven mede te

nemen, mijnheer Copperfield?”—ik had ze naast mij op de tafel gelegd.

Ik zei hem dat hij dit, naar ik hoopte, niet euvel zou duiden, maar ik

kon ze onmogelijk aannemen van juffrouw Murdstone.

„Ook niet van mij?” vroeg mijnheer Spenlow.

„Neen,” antwoordde ik met eene diepe buiging, „ook niet van u.”

„Heel goed,” zei mijnheer Spenlow.

Er volgde nu eene pijnlijke stilte; ik wist niet of ik zou heengaan

of blijven. Eindelijk begon ik eene beweging te maken in de richting

van de deur, met het plan te zeggen, dat ik hem vermoedelijk het

meest genoegen zou doen met heen te gaan, toen hij, hoewel met

moeite, de handen in zijne rokzakken stak en met eene.... ik zal maar

zeggen—vrome stem zei:

„Het is u waarschijnlijk niet onbekend, mijnheer Copperfield, dat ik

niet geheel ontbloot ben van aardsche goederen en dat mijne dochter

mijne naaste en liefste bloedverwante is?”

Ik haastte mij hem hierop te antwoorden, dat ik overtuigd was

gedwaald te hebben, maar dat hij mij niet van baatzuchtigheid moest

beschuldigen. Mijne eenige drijfveer was waarachtige liefde geweest.

„Het is niet mijne bedoeling de zaak uit dat oogpunt te beschouwen,”

antwoordde mijnheer Spenlow. „Het zou voor u en voor ons allen

beter geweest zijn als gij uit baatzucht gehandeld hadt, mijnheer

Copperfield.... ik bedoel, als gij wat minder hadt toegegeven aan zulke

jeugdige dwaasheid. Neen, ik heb eene geheel andere bedoeling met de

vraag of het u bekend is, dat ik mijn kind eenig vermogen zal nalaten?”

„Zeker heb ik dat ondersteld.”

„Met de ondervinding, die wij in de Commons dagelijks opdoen, ten

aanzien van de achteloosheid en onverantwoordelijke onverschilligheid

van vele menschen, waar het testamentaire beschikkingen betreft, zult

gij ook begrijpen, dat mijn testament in volmaakte orde is.”

Ik boog toestemmend.

„Ik zou niet gaarne zien,” hernam mijnheer Spenlow, blijkbaar geheel

meegesleept door zijne vroomheid, met het hoofd knikkend en op teenen

en hielen balanceerend, „ik zou niet gaarne zien dat de voorzieningen,

door mij in het belang van mijn kind getroffen, ten gevolge van eene

jeugdige dwaasheid als deze, wijzigingen moesten ondergaan. Het is

louter dwaasheid. Over eenigen tijd zult gij die beiden vergeten zijn.

Mocht er echter aan deze dwaze geschiedenis niet spoedig een einde

komen, dan zou.... dan zou ik mij wel eens genoodzaakt kunnen voelen

maatregelen te nemen, opdat mijne dochter niet het slachtoffer zou

worden van een onbezonnen stap. Ik hoop, mijnheer Copperfield, dat gij

mij niet zult noodzaken die afgesloten bladzijde uit mijn levensboek

ook maar voor een kwartier nader in overweging te nemen.”

Hij zei dit alles met eene plechtigheid en eene kalmte, die mij wel

moesten treffen. Hij was zoo kalm en gelaten—blijkbaar waren zijne

zaken volgens eene bepaalde methode eens vooral geregeld—dat de

gedachte aan eene wijziging hem wel moest aandoen. Ik meende zelfs

tranen in zijne oogen te bespeuren. Maar, wat kon ik doen? Ik kon toch

Dora en mijn eigen hart niet verloochenen. Kon ik zeggen dat ik geen

bedenktijd wilde hebben, toen hij mij eene week aanbood, omdat ik wel

wist dat de tijd geene verandering zou brengen in mijne liefde voor

Dora?

„Bespreek intusschen de zaak eens met juffrouw Trotwood of met andere

personen, die wat meer levenservaring hebben dan gij,” hernam mijnheer

Spenlow, zijn das naar de hoogte trekkende. „Neem eene week bedenktijd,

mijnheer Copperfield.”

Ik zwichtte en verliet met een gelaat, waaraan ik eene uitdrukking

van wanhopige standvastigheid trachtte te geven, de kamer. Juffrouw

Murdstone's zware wenkbrauwen volgden mij tot de deur—ik spreek van

de wenkbrauwen in stede van de oogen, omdat de eersten in haar gelaat

de grootste rol speelden—en zag er zoo volkomen eender uit als in

dezelfde morgenuren in onze huiskamer te Blunderstone, dat mij weder

hetzelfde gevoel bekroop, als wanneer ik in mijn les was blijven

steken; ik meende dat de looden last, die mij drukte, niets anders was

dan dat afschuwelijke spelboek met de ovale houtsneefiguren, die in

mijne jeugdige verbeelding het meest op brilleglazen leken.

Toen ik het kantoor binnentrad en den ouden Tiffey en de overige

klerken met de hand groette, aan mijne schrijftafel plaats nam, in

het voor mij bestemde hoekje en nadacht over het voorgevallene, dat

even plotseling was opgekomen als een aardbeving, was mijn hart met

bitterheid vervuld tegen Jip en kwelde mij de gedachte, hoe Dora onder

dit alles zou lijden, zóó, dat het mij nog verbaast waarom ik mijn

hoed niet opgezet heb en in één adem door naar Norwood geloopen ben.

Het denkbeeld, dat men haar angst zou aanjagen en aan het schreien

brengen, en dat ik niet bij haar was om haar te troosten, was zoo

onuitstaanbaar, dat ik niet kon nalaten een hartstochtelijken brief aan

mijnheer Spenlow te schrijven, waarin ik hem in hartroerende woorden

smeekte haar in geenen deele voor mijne ondoordachte handelwijze

aansprakelijk te stellen. Ik smeekte hem haar te sparen—de teere

bloem niet te knakken—en schreef, voor zoover ik mij herinner, in het

algemeen alsof hij, in stede van haar vader, een menscheneter of een

draak was. Ik verzegelde den brief en legde dien op zijne tafel voor

hij terugkwam; en later zag ik door de half geopende deur, dat hij hem

opnam en las.

Hij sprak dien geheelen morgen geen woord, maar vóór hij dien namiddag

heenging, riep hij mij binnen en zei, dat ik mij volstrekt niet bezorgd

behoefde te maken voor het wel en wee van zijne dochter. Hij had mij

verzekerd, dat het een dwaasheid was en hij zou dit zijne dochter

ook verzekeren. Hij meende een toegevende vader te zijn—dit was hij

inderdaad—zoodat ik mij volstrekt niet ongerust behoefde te maken over

zijne dochter.

„Gij zoudt mij daartoe noodzaken, Copperfield, wanneer gij onverstandig

of koppig waart,” ging hij voort. „Ik zou mijne dochter voor eenigen

tijd buitenlands moeten zenden.... ik heb echter betere gedachten

van u; ik hoop dat gij verstandig zijn zult. Wat juffrouw Murdstone

betreft”—ik had in mijn brief ook haar naam genoemd—„ik heb groote

achting voor de waakzaamheid, die deze dame betoont, en ben haar zeer

veel verplicht; maar zij heeft den last ontvangen het onderwerp te

vermijden. Alles wat ik verlang, mijnheer Copperfield, is dat de zaak

vergeten worde. Alles wat gij te doen hebt, mijnheer Copperfield, is,

mejuffrouw Spenlow te vergeten.”

Alles! In het briefje, dat ik aan juffrouw Mills schreef, haalde ik

deze laatste woorden aan. Alles, wat ik te doen had, schreef ik, op

spottenden toon, was Dora te vergeten. Dat was alles en wat beteekende

dat? Ik verzocht haar dien avond een bezoek te mogen brengen. Kon dit

niet zonder mijnheer Mills' toestemming en medeweten, dan zou ik haar

gaarne even in het geheim spreken, in de achterkeuken, waar de mangel

stond. Ik schreef haar, dat ik op het punt was om mijn verstand te

verliezen en dat zij alleen redding kon aanbrengen. Ik teekende mij

„haar waanzinnige” en toen ik het epistel overlas, alvorens het door

den portier van de Commons te laten wegbrengen, meende ik er den stijl

van mijnheer Micawber in te herkennen. Toch zond ik het weg en des

avonds wandelde ik in de straat op en neer, tot ik door de dienstmeid

van juffrouw Mills binnengelaten en langs den kortsten weg naar de

achterkeuken gebracht werd. Ik heb reden om te gelooven, dat er

volstrekt geen aanleiding bestond om mij niet door de hoofddeur binnen

en in het salon te laten, behalve juffrouw Mills' zucht naar het

romantische en geheimzinnige.

In de achterkeuken stelde ik mij aan, alsof ik werkelijk waanzinnig

was. Ik geloof eigenlijk, dat ik er alleen met dat doel was heengegaan,

maar ik ben overtuigd, dat ik het deed. Juffrouw Mills had een haastig

geschreven briefje gekregen van Dora, waarin deze haar meedeelde dat

alles ontdekt was en dat eindigde met het verzoek: „O, Julia, kom bij

mij, kom bij mij!” Juffrouw Mills, niet wetende of haar komst wel in

den smaak zou vallen van de hoogere machten, was nog niet gegaan en zoo

doolden wij nu alle drie rond in de woestijn, de Sahara.

Juffrouw Mills beschikte over een verbazenden woordenvloed en scheen er

behagen in te scheppen dien over mij uit te storten. Ik kon het niet

helpen, maar, al vermengden zich hare tranen met de mijne, ik geloofde

toch dat onze tegenspoed haar genoegen deed; zij verkneuterde zich er

in en deed haar best om alles zoo breed mogelijk uit te meten. Een

afgrond had zich tusschen Dora en mij gevormd, die alleen de Liefde,

met haar regenboog, kon overspannen. Liefde is Lijden in deze harde

wereld; dat is altijd zoo geweest en zal altijd zoo blijven. Maar,

geen nood! De spinnewebben, die de harten gevangen hielden, zouden wel

breken en de Liefde zou eindelijk zegevieren.

Dit was eene schrale troost, maar juffrouw Mills wilde mij niet paaien

met ijdele hoop. Zij maakte mij nog veel ellendiger dan ik reeds was,

maar—zoo vertelde ik haar met innige dankbaarheid—ik voelde dat zij

eene ware vriendin voor mij was. Wij spraken af, dat zij den volgenden

morgen, zoo vroeg mogelijk, naar Dora zou gaan, haar door woorden of

gebaren de verzekering geven van mijne onveranderlijke genegenheid en

haar tevens doen weten, hoe diep ongelukkig ik mij voelde. Toen ik

afscheid nam, voelde ik mij rampzaliger dan ooit en ik geloofde dat

juffrouw Mills daarvan genoot.

Toen ik thuis kwam vertelde ik alles aan tante, en niettegenstaande

alles, wat zij zeide om mij te troosten, ging ik wanhopend naar bed,

stond wanhopend op en ging wanhopend uit. Het was Zaterdagmorgen,

zoodat ik eerst naar de Commons ging. Toen ik het kantoor naderde

verbaasde het mij, dat de loopers buiten met elkaar stonden te praten

en de voorbijgangers naar de vensters keken, die tegen de gewoonte

gesloten waren. Ik versnelde mijn pas en stapte naar binnen, nog

meer verbaasd over de wijze waarop zij mij en elkander aankeken toen

ik tusschen hen doorliep. De klerken waren op hunne plaats, maar

niemand voerde iets uit. De oude Tiffey zat, naar ik onderstel voor 't

eerst in zijn leven, op den stoel van een ander en had zijn hoed niet

opgehangen.

„Welk een vreeselijk ongeluk, mijnheer Copperfield!” riep hij mij toe.

„Wat is er gebeurd?” vroeg ik ontsteld. „Wat is er gebeurd?”

„Weet gij er nog niets van?” riep Tiffey en allen kwamen om mij heen

staan.

„Neen!” antwoordde ik en keek hen een voor een aan.

„Mijnheer Spenlow,” zei Tiffey.

„Wat is er met mijnheer Spenlow gebeurd?”

„Dood!”

Ik meende dat het kantoor waggelde en niet ik, toen een der klerken mij

bij den arm greep. Zij lieten mij op een stoel plaats nemen, maakten

mijn das los en brachten mij een glas water. Ik kan niet zeggen of

daarmede eenigen tijd verliep.

„Dood?” vroeg ik eindelijk.

„Hij gebruikte gisteren het middagmaal in de stad en reed alleen in den

phaëton naar huis,” vertelde Tiffey; „hij had den koetsier met de

diligence naar Norwood gezonden, zooals hij wel meer deed....”

„En toen?”

„De phaëton kwam thuis zonder hem; de paarden bleven voor den stal

stilstaan en toen de stalknecht met een lantaarn buiten kwam, was het

rijtuig ledig.”

„Waren de paarden op hol gegaan?”

„Zij waren niet warm,” antwoordde Tiffey, zijn bril opzettende, „ik

heb begrepen dat ze niet warmer waren dan wanneer zij in gewonen draf

geloopen hadden. De teugels waren gebroken en hadden over den grond

gesleept. Alles was in rep en roer, natuurlijk, en terstond gingen

drie mannen den weg op en vonden hem ongeveer op een mijl afstands van

Norwood...”

„Nog verder dan een mijl, mijnheer Tiffey,” zei een der jongste klerken.

„Zoo? Ja, ik geloof dat gij gelijk hebt,” antwoordde Tiffey—„nog

verder dan een mijl.... niet ver van de kerk lag hij met het aangezicht

voorover aan den kant van den weg. Of hij in het rijtuig een beroerte

heeft gekregen en er af is gevallen, of de beroerte heeft voelen

aankomen en er uit is gegaan..... ja, zelfs, of hij heelemaal dood

was of slechts bewusteloos—dat kan niemand zeggen. Hij mag nog

geademd hebben—gesproken heeft hij niet. Zoo spoedig mogelijk is er

geneeskundige hulp gehaald, maar die was overbodig.”

Ik kan onmogelijk de gewaarwordingen beschrijven, die door dit

bericht in mij werden opgewekt. De schok door zulk eene onverwachte

gebeurtenis veroorzaakt, door zulk een ongeval, overkomen aan iemand,

met wien ik den vorigen dag min of meer ongenoegen had gehad; de

akelige ledigheid van de kamer, waar hij gisteren nog gezeten had,

waar de tafel en de stoel op hem schenen te wachten, terwijl hetgeen

hij den vorigen dag geschreven had iets spookachtigs voor mij kreeg;

de onmogelijkheid om mij die plaats te denken zonder hem en om het

gevoel te verbannen, dat hij ieder oogenblik zou kunnen binnenkomen—de

stilte en ongewone traagheid op het kantoor en de onweerstaanbare lust

van allen om over het ongeval te praten—het in- en uitloopen van

allerlei menschen, die het naadje van de kous wilden weten—dat alles

kan men zich gemakkelijker voorstellen dan het mij mogelijk is het

te beschrijven. Wat ik ook niet kan beschrijven is het gevoel van

jalouzie, dat zich een plaatsje veroverde in den diepsten schuilhoek

van mijn hart, zelfs op den Dood, die mij thans ongetwijfeld geheel

verdrongen had uit Dora's gedachten. Ik was jaloersch op hare smart en

op allen, die haar mochten troosten en bij wie zij mocht schreien. Hoe

vurig wenschte ik niet haar voor mij alleen te hebben, alles voor haar

te mogen zijn in deze treurige dagen!

In dezen rusteloozen gemoedstoestand, naar ik hoop, ook aan anderen

bekend, wandelde ik dien avond naar Norwood en na van een der

dienstboden vernomen te hebben, dat juffrouw Mills bij Dora was, ging

ik naar huis terug en verzocht tante aan juffrouw Mills een briefje te

willen zenden, dat ik schreef. Ik betreurde daarin den plotselingen

dood van mijnheer Spenlow en verzocht haar aan Dora te willen zeggen,

indien Dora in staat was om er naar te luisteren, dat haar vader zoo

vriendelijk en verschoonend mogelijk over haar gesproken en haar naam

niet anders dan op de teederste wijze uitgesproken had, zonder een

enkel hard woord of verwijt. Ik weet dat ik schreef uit zelfzucht, ten

einde mijn naam onder hare oogen te brengen; maar ik deed mijn best

te gelooven, dat ik uit eerbied voor zijne nagedachtenis handelde.

Misschien geloofde ik 't ook wel.

Tante ontving den volgenden dag eenige regels tot antwoord, aan haar

geadresseerd, doch voor mij bestemd. Dora was diep bedroefd en toen

hare vriendin haar vroeg of zij ook iets aan mij te zeggen had, riep

zij niets dan: „O, die lieve papa! O, die arme papa!” Zij zei niet

„Neen!” dat was voor mij een grootte troost.

Eenige dagen na het voorgevallene kwam mijnheer Jorkins, die te Norwood

geweest was, op het kantoor. Hij en Tiffey bleven eenigen tijd samen

praten en daarna opende Tiffey de deur en wenkte mij om binnen te komen.

„O!” sprak mijnheer Jorkins. „Mijnheer Tiffey en ik, mijnheer

Copperfield, hebben de schrijftafel, de laden en alle verdere

bewaarplaatsen van belangrijke documenten nagezocht, ten einde de

particuliere eigendommen en papieren te verzegelen en naar het

testament te zoeken. Zoo gij wilt, kunt gij ons helpen.”

Ik had reeds met smart verlangd iets van de omstandigheden te weten te

komen, waaronder mijne Dora was achtergebleven—voornamelijk, onder

wiens voogdij zij zou komen—dit was dus een stap in de goede richting.

Wij begonnen onmiddellijk te zoeken: Mijnheer Jorkins opende de laden

en den lessenaar en wij namen de papieren er uit; legden de papieren,

die de zaak betroffen, aan één kant en de particuliere papieren,

die niet talrijk waren, aan den anderen. Wij waren in eene ernstige

stemming en wanneer wij een cachet, een potlood, een ring of een ander

voorwerp, dat hem had toebehoord, in de handen kregen, spraken wij heel

zachtjes. Wij hadden reeds heel wat pakken verzegeld en gingen er kalm

mede voort, toen mijnheer Jorkins van wijlen zijn compagnon hetzelfde

zei als wijlen zijn compagnon van hem altijd gezegd had:

„Mijnheer Spenlow was zeer moeilijk van een eenmaal opgevat denkbeeld

af te brengen. Gij hebt hem gekend! Ik begin tot de meening over te

hellen, dat hij geen testament heeft gemaakt.”

„O, zeker heeft hij er een gemaakt!” antwoordde ik. „Ik weet het zeker!”

Zij hielden beiden op en keken mij aan.

„Den dag van zijn dood,” vervolgde ik, „heeft hij mij nog verteld, dat

hij er een had en dat zijne zaken reeds sinds langen tijd geregeld

waren.”

Mijnheer Jorkins en de oude Tiffey schudden te gelijkertijd het hoofd.

„Dat zegt niet veel,” zei Tiffey.

„Heel weinig”, voegde mijnheer Jorkins er bij.

„Gij twijfelt er zeker toch niet aan...” begon ik.

„Beste mijnheer Copperfield!” hernam Tiffey, de hand op mijn arm

leggende, terwijl hij met dichtgeknepen oogen het hoofd schudde, „als

gij zoolang in de Commons geweest waart als ik, zoudt gij weten, dat er

niets is waarop de menschen onbedachtzamer en minder te vertrouwen zijn

dan op testamenten.”

„Wel, lieve Hemel, mijnheer Spenlow zei woordelijk hetzelfde!” riep ik

uit, ongeschokt in mijne overtuiging.

„Ik durf bijna beweren, dat daarmede alles gezegd is,” hernam Tiffey.

„Naar mijne overtuiging bestaat er geen testament.”

Het leek mij zoo wonderlijk toe, maar het kwam er toch op neer, dat

er geen testament was. Hij had er blijkbaar zelfs nooit aan gedacht

er een te maken, want er was geen enkele aanwijzing tusschen zijne

papieren te vinden, geen aanteekeningen, geen schema, niets, dat op een

testament betrekking had. Hetgeen mij eigenlijk nog minder verbaasde

was, dat zijne zaken in de grootste wanorde waren. Naar ik vernam was

het uiterst moeielijk te bepalen hoeveel schuld hij had, wat betaald

was, hoeveel hij op dit oogenblik van zijn overlijden eigenlijk bezat.

Het was duidelijk, dat hij het in de laatste jaren zelf niet geweten

had. Langzamerhand kwam aan het licht, dat hij, om mede te doen aan

den wedstrijd in „het ophouden van het fatsoen en het maken van veel

vertoon,” waarvoor de Commons in deze dagen bekend was, meer verteerd

had dan zijne betrekking hem opbracht, hetgeen niet veel was, zoodat

zijn vermogen, dat waarschijnlijk nooit heel groot geweest was,

langzamerhand was ingekrompen. Er had te Norwood eene verkooping plaats

van roerende en onroerende eigendommen, en Tiffey, niet wetende hoeveel

belang ik daarin stelde, fluisterde mij in, dat hij, na aftrek van al

de uitstaande schulden en van alle twijfelachtige en kwade posten van

de firma, geen duizend pond voor de geheele nalatenschap zou willen

geven.

Dit had plaats na verloop van zes weken. Gedurende al dien tijd had ik

als 't ware op de pijnbank gelegen en de gedachte was bij mij opgekomen

om de hand aan mij zelven te slaan, want juffrouw Mills berichtte

mij, dat Dora in hare droefheid, mijn naam hoorende, nog niets anders

geroepen had dan: „o, mijn beste papa! o, mijn arme papa!” Ook deelde

zij mij mede, dat Dora geen andere familie had dan twee tantes,

ongehuwde zusters van haar vader, die te Putney woonden en sinds vele

jaren bijna geen omgang hadden gehad met haar broeder. Wel is waar

had men nooit oneenigheid gehad, zoo schreef juffrouw Mills, maar

bij gelegenheid van Dora's doopfeest waren zij op de thee genoodigd

geweest, terwijl zij meenden recht te hebben om op het middagmaal

genoodigd te worden. Zij hadden toen schriftelijk bericht gezonden, dat

het vermoedelijk „voor het geluk van beide partijen” maar beter was dat

zij weg bleven. Sinds dien tijd waren zij haar eigen weg gegaan en haar

broeder den zijne.

Deze beide dames nu doken plotseling uit hare afzondering op en stelden

Dora voor te Putney te komen wonen. Dora viel hare tantes om den hals

en riep met tranen in de oogen uit: „O, ja, tantes! Neem Julia Mills en

mij en Jip mede naar Putney!” En weinige dagen na de begrafenis waren

zij reeds vertrokken.

Hoe ik tijd vond om naar Putney te gaan, kan ik niet met zekerheid

zeggen; een feit is het echter, dat ik mij de gelegenheid verschafte

en meer dan eens in de buurt ronddoolde. Ten einde hare plichten als

trouwe vriendin naar behooren na te komen, hield juffrouw Mills een

dagboek aan; nu en dan bracht zij mij op de Commons een bezoek en las

het mij voor, of—als zij daarvoor den tijd miste—leende zij het mij.

Welk een schat waren de korte aanteekeningen voor mij! Ik zal er eene

proeve van laten volgen:

„Maandag. Mijn lieve D. nog zeer neerslachtig. Hoofdpijn. Opmerkzaam

gemaakt op J.'s gladde vel. D. liefkoosde J. Herinneringen opgewekt.

Stroom van tranen. Geheel onder den indruk van smart. (Zijn tranen de

dauwdroppelen van het hart? J. M.).

„Dinsdag. D. slap en zenuwachtig. Allerliefst in hare bleekheid.

(Merken wij dit ook niet op in het maanlicht? J. M.). D., J. M. en J.

maakten een rijtoer. J. kijkt uit het portier, blaft vreeselijk tegen

een straatveger. D. glimlacht. (Uit zulke lichte schakels is de keten,

die leven heet, samengesteld! J. M.)

„Woensdag. D. tamelijk opgewekt. Voor haar gezongen, bij hare

gemoedsstemming passend. Avondklokken. Uitwerking niet als verwacht.

Vond haar later snikkend in eigen kamer. Verzen opgezegd. Zonder

uitwerking. J. M.

„Donderdag. D. zeer veel beter. Slaapt ook beter. Wangen lichten blos

overtogen. Besloten den naam te noemen van D. C. Voorzichtig gesprek

op hem gebracht gedurende wandeling. D. onmiddellijk in snikken

uitgebarsten. „O, lieve, beste Julia! O, ik ben een ongehoorzaam en

slecht kind geweest!” Tot kalmte gebracht en geliefkoosd. Tafereel

geschetst van D. C. op den rand van het graf. D. nogmaals snikken.

„O, wat moet ik doen, wat moet ik doen? O, breng mij ergens heen!”

Angstig geworden. D. in zwijm; glas water aan een herberg. (Poëtische

overeenkomst. Bont geschilderd uithangbord, bont als 't menschelijk

leven! Helaas! J. M.).

„Vrijdag. Woelige dag. Een man komt in de keuken met een blauwen zak,

vraagt naar de dameslaarsjes, om er hakjes onder te zetten. Keukenmeid

antwoordt: Weet van niets. Man houdt vol. Keukenmeid gaat heen om

te vragen, laat man alleen met J. Keukenmeid komt terug; man blijft

volhouden, verdwijnt eindelijk. J. vermist. D. wanhopend. Bericht

gezonden aan politie. Man beschreven met breeden neus en lange beenen.

Overal gezocht. Geen J.; D. schreit bittere tranen, is ontroostbaar.

Weder voor haar gezongen; toepasselijk maar vruchteloos. Tegen den

avond gebeld door vreemden jongen. In de spreekkamer gebracht. Breede

neus, maar korte beenen. Zegt dat hij een pond moet hebben en een

hond weet te vinden. Bereid nader te verklaren, maar heeft haast. D.

geeft een pond; keukenmeid met jongen mede naar een klein huisje, waar

J. aan tafelpoot vastgebonden ligt. Vreugde van D. die om J. heen

danst, terwijl J. zijn avondeten gebruikt. Aangemoedigd door gelukkige

wending, noem op de trap den naam van D. C.; D. opnieuw in tranen,

roept: „Och neen! Och neen! Niet doen! Het is zoo slecht aan iemand

anders te denken dan aan dien armen papa!”—Kust J. en snikt zich in

slaap. (Vertrouwt D. C. op den breeden wiekslag des Tijds? J. M.)”

Juffrouw Mills en haar dagboek waren in deze dagen mijn eenige troost.

Iemand te zien, die Dora nog zoo kort geleden gezien had—Dora's naam

op te sporen in de bladzijden van het dagboek, dat zij uit medelijden

met mij aanhield—mij door haar hoe langer hoe ongelukkiger te

maken—dat was mijn eenige troost. Ik had een gevoel, alsof ik gewoond

had in een kaartenhuis, dat was omgevallen, alsof ik met juffrouw

Mills alleen tusschen de puinhoopen was overgebleven; alsof een booze

toovenaar een tooverkring had getrokken om de reine godin van mijn

hart, dien ik alleen zou kunnen binnendringen op de sterke, breede

vleugels, die reeds zoo menigeen hebben gedragen.

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 51 / 79 题