Neerslachtigheid.
Zoodra ik mijne tegenwoordigheid van geest, die mij in het eerste
oogenblik na tante's overweldigend bericht geheel verlaten had,
terug had gekregen, stelde ik mijnheer Dick voor met mij naar den
kruidenierswinkel te wandelen en daar bezit te nemen van het bed van
baas Peggotty, dat beschikbaar was. De winkel was op Hungerford Market,
waar het er toenmaals geheel anders uitzag dan tegenwoordig; voor de
deur bevond zich bijvoorbeeld een laag houten uitbouwsel, op zuilen
rustende,—niet ongelijk aan de woonplaats van het oude mannetje en
vrouwtje in de eerste weerglazen—dat mijnheer Dick bijzonder aardig
vond. Het genot, om boven zulk een fraai uitbouwsel te logeeren,
deed hem alle ongemakken vergeten; en aangezien er weinig ongemakken
waren, behalve de geur van de verschillende door mij reeds opgesomde
koopwaren, en wellicht de ruimte niet al te groot was, voelde
mijnheer Dick zich zeer op zijn gemak. Juffrouw Crupp had hem op
verontwaardigden toon verzekerd, dat het een kamer was, waar men zelfs
geen kat kon houden; maar, zooals mijnheer Dick mij, op het voeteneinde
van het bed zittende, verzekerde, hield hij niet van katten en was
juffrouw Crupp's waarschuwing dus geheel overbodig.
Ik deed eene poging om te weten te komen, of mijnheer Dick iets
begrepen had van de plotselinge verandering in tante's omstandigheden.
Zooals ik verwacht had, was alles een gesloten boek voor hem gebleven.
Het eenige dat hij wist te vertellen, was, dat tante hem twee dagen
geleden gevraagd had: „Zeg eens, Dick, zijt gij werkelijk zoo
verstandig als ik altijd gemeend heb?” Hij had daarop geantwoord: „Ja,
dat hoop ik ten minste.” Daarna had tante gezegd: „Ik ben geruïneerd,
Dick”, waarop hij geantwoord had: „Zoo, inderdaad!” Tante had hem om
dit antwoord zeer geprezen en hij was blijde geweest met dien lof. En
toen waren zij naar Londen gegaan en hadden onderweg porter en broodjes
gekocht.
Mijnheer Dick was zoo welgemoed, terwijl hij op den rand van het
bed zijne beenen zat te wrijven en mij dat alles met wijd geopende
oogen glimlachend vertelde, dat ik tot mijn spijt een weinig uit
mijn humeur raakte en hem uitlegde, dat „geruïneerd zijn” beteekent
armoede, gebrek en honger lijden. Terstond werd ik echter voor mijne
hardvochtigheid gestraft, want ik zag hem al bleeker en bleeker worden
en eindelijk liepen hem de tranen langs de wangen; terwijl hij mij zoo
bitter bedroefd aankeek, dat zelfs een harder gemoed dan het mijne
vermurwd zou zijn. Ik had veel meer moeite om hem zijne opgeruimdheid
terug te bezorgen, dan ik gehad had om hem ter neer te slaan en weldra
begreep ik—ik had dit terstond moeten begrijpen—dat hij alleen
daarom zoo gerust was geweest, omdat hij zulk een volkomen vertrouwen
stelde in de verstandigste en bewonderingswaardigste aller vrouwen en
bovendien meende, dat ik mij met mijne bekwaamheden zelf door de wereld
kon helpen. Ik vermoed, dat hij deze bekwaamheden als een geneesmiddel
beschouwde tegen alle kwalen, die niet bepaald doodelijk waren.
„Wat kunnen wij doen, Trotwood?” zei mijnheer Dick. „Daar is nog de
memorie....”
„Ja, zeker, die is er nog,” antwoordde ik. „Maar alles wat wij op het
oogenblik kunnen doen is vroolijk kijken en mijne tante niet laten
bespeuren, dat wij er over denken.”
Hij stemde dit toe met een hoogst ernstig gelaat en smeekte mij
letterlijk hem, wanneer ik hem ook maar een duim van den rechten
weg zag afdwalen, op de wijze, zooals ik het best achtte, terug te
roepen. Het spijt mij te moeten bekennen dat de schrik, dien ik hem
had aangejaagd, in weerwil van al zijne pogingen, niet van hem wilde
wijken. Den geheelen avond dwaalden zijne oogen telkens naar tante's
gelaat, en er lag zulk eene angstige uitdrukking in alsof hij haar nu
reeds zag vermageren. Hij was zich hiervan wel bewust en deed zijn
best om zijn hoofd in bedwang te houden; maar aangezien zijne oogen
regelmatig door hunne kassen bleven rollen, alsof er een uurwerk in
zijn hoofd verborgen was, maakte hij de zaak daarmede niet beter.
Ik zag hem naar het brood kijken, waarmede wij ons souper moesten
doen—het was toevallig heel klein—alsof dit ons nog alleen van den
hongersnood scheidde, en toen tante hem aanmoedigde om zich als naar
gewoonte te bedienen, betrapte ik hem op het wegnemen van eenige
stukken brood en kaas. Hij stak die in zijn zak, zonder twijfel met het
doel ons met dien overgespaarden schat te verrassen, wanneer wij op het
punt waren van den geeuwhonger te krijgen.
Tante, daarentegen, was zoo kalm, zoo welgemoed, dat zij voor ons
allen, voor mij vooral, een voorbeeld was. Voor Peggotty was zij
buitengewoon vriendelijk, behalve wanneer ik haar met dezen naam
aansprak; zij scheen zich geheel thuis te gevoelen, hoewel ik wist
dat Londen niets aantrekkelijks voor haar had. Zij zou in mijn bed
slapen en ik op de sofa in mijne zitkamer, ten einde de wacht bij
haar te houden. Het scheen wel dat de nabijheid van de rivier eene
geruststelling voor haar was in geval van brand, want zij roerde dit
onderwerp niet aan.
„Trot, beste jongen,” sprak zij, toen zij mij toebereidselen zag maken
voor haar gewonen avonddrank, „niet doen.”
„Niet, tante? Zult u dan niets drinken?”
„Geen wijn, beste jongen, bier.”
„Maar ik heb hier wijn, tante. Gij drinkt immers elken avond wijn?”
„Bewaar den wijn voor het geval wij een van allen ziek worden,” zei
tante. „Wij mogen er niet zoo zorgeloos mede omspringen. Trot! Geef mij
maar bier. Een half pintje.”
Ik meende een oogenblik, dat mijnheer Dick in zwijm zou vallen. Tante
bleef bij haar besluit en zoo ging ik het bier zelf halen, terwijl
Peggotty en mijnheer Dick den kruidenierswinkel opzochten, want het
was laat geworden. De arme kerel! Ik nam afscheid van hem op den hoek
van de straat en daar ging hij heen, met den grooten vlieger op den
rug—een toonbeeld van menschelijke ellende!
Toen ik terugkwam vond ik tante de kamer op en neerloopende, terwijl
zij de kanten van hare nachtmuts met haar vingers in de plooi bracht.
Ik warmde het bier en maakte het geroosterde brood gereed, geheel
zooals zij dat jaren lang gewend was geweest. Toen ik daarmede gereed
was, was zij gereed om het te gebruiken, had de muts opgezet en de
japon over hare knieën geslagen.
„Beste jongen,” sprak zij, na eene teug van het warme bier genomen te
hebben, „het is veel beter dan wijn. Veel minder slecht voor de gal.”
Het schijnt dat er eene uitdrukking van twijfel op mijn gelaat te lezen
was, want zij voegde er bij:
„Tut, tut, mijn kind. Als ons niets ergers overkomt dan bier in plaats
van wijn te moeten drinken, mogen wij van geluk spreken.”
„Dat zou ik zelf ook denken, tante,” antwoordde ik.
„En waarom denkt gij dan niet zoo?” vroeg zij.
„Omdat gij en ik zeer verschillende personen zijn, tante,” antwoordde
ik.
„Dwaasheid, praatjes, Trot,” antwoordde tante. Zij bleef met stil
genot, waarbij weinig, zoo al eenige gemaaktheid was, het warme bier
met een theelepeltje opslurpen, terwijl zij de reepjes geroosterd brood
er in sopte.
„Gij weet, Trot,” sprak zij middelerwijl, „dat ik niet veel houd van
vreemde gezichten, maar die Barkis bevalt mij wel.”
„Het is mij meer waard dan honderd pond dat ik u dit hoor zeggen,
tante,” antwoordde ik.
„Het is een wonderlijke wereld tegenwoordig,” ging zij, haar neus
wrijvende, voort, „maar hoe die vrouw er ooit met zoo'n naam is
ingekomen, blijft mij een raadsel. Het is toch veel gemakkelijker
geboren te worden als Jackson of iets dergelijks.”
„Misschien denkt zij dat zelve ook wel; maar zij kan het niet helpen.”
„Dat zal het ook wel niet,” stemde tante met eenigen weerzin toe,
„maar het is toch ergerlijk. Hoe het zij, zij heet nu Barkis. Dat is
wel zoo gemakkelijk uit te spreken. Barkis houdt veel van u, Trot.”
„Zij zou alles willen doen om daarvan het bewijs te leveren,” zei ik
met warmte.
„Alles,” herhaalde tante, „dat geloof ik ook. Die dwaze meid heeft mij
gebeden en gesmeekt om wat van haar geld aan te nemen—omdat zij te
veel heeft! Wat een onnoozele bloed!”
Er vielen tranen in het warme bier; dat zag ik duidelijk.
„Zij is het belachelijkste schepsel, dat ooit geboren is,” vervolgde
tante. „Van het eerste oogenblik af, dat ik haar bij uwe moeder, bij
dat arme, lieve kind-vrouwtje, gezien had, wist ik dat zij een dwaas
schepsel was. Maar zij heeft ook veel goeds, die Barkis!”
Zij deed alsof zij lachte en had daardoor gelegenheid om de hand voor
de oogen te houden. Toen zij zich op deze wijze geholpen had, ging zij
voort met eten en praten.
„Goede Hemel, Trot, ik heb alles gehoord,” sprak zij met een zucht.
„Barkis en ik hebben er heel wat afgepraat, toen gij met mijnheer Dick
op het pad waart. Ik begrijp niet wat die ongelukkige meisjes zich wel
voorstellen! Het verbaast mij altijd, dat zij zich het hoofd niet te
bersten loopen tegen.... tegen een schoorsteenmantel!” Vermoedelijk was
dit denkbeeld bij haar opgekomen omdat zij vlak tegenover den mijne zat.
„Arme Emily!” zei ik.
„Praat mij toch niet van arme!” antwoordde tante. „Zij moest dat
bedacht hebben eer zij zooveel ellende veroorzaakte. Geef mij een kus,
Trot. Het spijt mij dat gij zoo jong reeds zulk eene ervaring hebt
opgedaan.”
Toen ik mij vooroverboog, zette zij het bierglas op hare knie, opdat
zij mij zou kunnen vasthouden, en zei:
„O, Trot, Trot! Verbeeldt gij u werkelijk lief te hebben? Is het waar?”
„Verbeelden, tante?” riep ik uit, zoo rood als een kalkoen. „Ik aanbid
haar!”
„Zoo, Dora?” vroeg zij. „En meent gij waarlijk dat zij zoo bekoorlijk
is?”
„Lieve tante,” antwoordde ik. „Niemand is in staat om zich eene
voorstelling van haar te maken.”
„Zoo? En niet kinderachtig?”
„Kinderachtig, tante?”
Ik geloof in allen ernst dat de gedachte of zij al of niet kinderachtig
was, nooit in mij was opgekomen. Natuurlijk ergerde ik mij er aan, maar
ik was er toch door getroffen; ze was nieuw voor mij.
„Geen onbezonnen schepseltje?” vroeg tante.
„Onbezonnen, tante!” Ik kon niets doen dan het woord herhalen met
hetzelfde gevoel, waarmede ik de eerste vraag had herhaald.
„Zoo, zoo!” hernam tante. „Ik vraag het maar; ik spreek geen kwaad
van haar. Arm, jong paartje! En dus meent gij, dat gij voor elkaar
geschapen zijt en door het leven gaan zult als twee kleine stukjes
gebak op een soupétje? Nietwaar Trot?”
Zij deed deze vraag op zulk een vriendelijken toon en met zulk een
gemengde uitdrukking van blijdschap en bezorgdheid op haar gelaat, dat
ik er werkelijk door getroffen werd.
„Wij zijn jong en hebben nog weinig ondervinding, tante, dat weet
ik,” antwoordde ik, „en ik wil er zelfs bijvoegen dat wij de toekomst
misschien wel wat met een bevooroordeelden blik of door een rozenrooden
bril beschouwen; maar wij hebben elkander innig lief, dat kan ik u
verzekeren. Als de gedachte in mij opkwam, dat Dora ooit een ander zou
kunnen lief hebben of zou kunnen ophouden mij lief te hebben; of dat
ik een ander meisje zou kunnen liefhebben of zou kunnen ophouden haar
lief te hebben—ik weet niet wat ik dan doen zou.... ik geloof dat ik
krankzinnig zou worden!”
„O, Trot!” zei tante hoofdschuddend en met een ernstigen glimlach,
„blind, blind, blind!”
„Ik ken iemand, Trot,” vervolgde zij na een oogenblik gezwegen te
hebben, „ik ken iemand, die heel erg verliefd is, iemand, die mij
aan dat arme kind-vrouwtje herinnert. Die „iemand” moet zich ernstig
afvragen, of een andere iemand wel ernstig genoeg is om hem te steunen
en op den goeden weg te houden, Trot. Ernst..... oprechten, trouwen,
heiligen ernst moet hij zoeken.”
„O! Als gij eens wist, tante, hoe ernstig Dora zijn kan!” riep ik.
„Blindheid! Trot! Blindheid!” herhaalde zij en zonder te beseffen
waarom, maakte zich eene gewaarwording van mij meester of ik iets
verloren had, of dat ik iets miste. De gedachte aan Dora maakte mij
niet meer zóó gelukkig als ze tot nu toe gedaan had.
„Gij moet niet denken, Trot,” hernam tante, „dat het mijne bedoeling
is twee jonge menschen afkeerig van elkaar of ongelukkig te maken;
neen, ofschoon ik uwe zoogenaamde liefde nog beschouw als eene echte
kalverliefde en van kalverliefde gewoonlijk—let wel op, ik zeg niet
‚nooit’—niets komt, zullen wij er toch ernstig over praten en het zal
mij aangenaam zijn te kunnen hopen op een gelukkigen uitslag. Vooreerst
kan er toch niets van komen.”
Dit was nu niet zeer troostrijk voor iemand, die tot over de ooren
verliefd was; maar ik was blijde dat tante nu in vertrouwen was genomen
en vermoedde dat zij wat vermoeid zou zijn. Ik bedankte haar daarom
hartelijk voor dit blijk van hare genegenheid en voor alles, wat zij
reeds voor mij gedaan had, waarna ik haar goeden nacht wenschte en zij
met de nachtmuts over den arm in mijne slaapkamer verdween.
Maar o, wat voelde ik mij ellendig, toen ik mijne sofa had opgezocht!
Allerlei kwellende gedachten hielden mij voortdurend bezig: Wat zou
mijnheer Spenlow zeggen nu ik arm was? Wat Dora, nu ik niet meer
zijn kon wat ik was, toen ik haar had gevraagd? Hoe moest ik haar
bekend maken met mijne veranderde positie en moest ik haar haar woord
teruggeven, indien zij dit wenschte? Waarvan moest ik leven gedurende
den langen tijd, waaraan ik door het eenmaal gesloten contract
verbonden was, als ik niets verdiende? Hoe zou ik iets kunnen doen
om mijne tante te ondersteunen? Zou ik nu voortaan, zonder een penny
op zak, in een versleten rok naar Norwood moeten gaan, in plaats van
keurig uitgedost, op een vurigen appelschimmel, met de fraaiste cadeaux
voor Dora in den zak? Ik wist dat deze gedachten zelfzuchtig, ja, bijna
laaghartig waren en ik deed mijn uiterste best om ze op de vlucht te
jagen, doch mijne liefde voor Dora was oorzaak, dat ze telkens weder
naar voren drongen. Ik wist dat het slecht van mij was, zoo weinig aan
tante en zooveel aan mij zelven te denken; maar zelfzucht en Dora waren
onafscheidelijk van elkander en ik kon Dora niet ter zijde stellen,
voor welk menschelijk wezen ook. O, wat bracht ik een ellendigen nacht
door!
Toen ik eenmaal in slaap was gevallen droomde ik van armoede in al hare
afschuwelijkste vormen, maar ik had het gevoel alsof ik droomde zonder
eerst in slaap gevallen te zijn. Nu eens was ik een havelooze bedelaar
en wilde Dora lucifers verkoopen—zes doosjes voor een halven stuiver;
dan weder kwam ik in een slaaprok en laarzen op het kantoor en werd
door mijnheer Spenlow berispt, omdat ik in een dergelijk toilet voor de
cliënten wilde verschijnen; een andermaal ving ik de kruimels op van
mijnheer Tiffey's beschuit, die hij elken dag, wanneer de klok van St.
Paul één uur sloeg, verorberde: hopelooze pogingen wendde ik aan om een
licentie te verkrijgen voor een huwelijk met Dora, terwijl ik niets in
ruil had dan een van Uriah Heep's handschoenen, die geen der leden van
de Commons hebben wilde; en toch bleef ik mij bewust dat ik in mijn
eigen kamer was en lag ik in een zee van beddegoed rond te woelen, als
een schip zonder masten op de onstuimige baren.
Tante was ook onrustig; ik hoorde haar telkens heen en weer wandelen.
Twee of drie malen kwam zij in den loop van den nacht mijne kamer
binnen en op de sofa toe, gehuld in een lange, flanellen nachtjapon,
waarin zij zeven voet lang scheen. De eerste maal sprong ik ontsteld
op, om te vernemen dat zij uit een eigenaardig schijnsel aan den hemel
afleidde, dat de Westminsterabdij in brand stond; zij verlangde te
weten of bij eene verandering in den wind Buckingham-street ook gevaar
zou loopen. De volgende maal bleef ik stil liggen en bemerkte dat zij
naast mij ging zitten, telkens fluisterend: „Arme jongen!” Het besef,
dat zij alleen aan mij dacht en dat ik zoo zelfzuchtig was, maakte mij
diep ellendig.
Het was moeilijk te gelooven dat een nacht, die voor mij zoo
onuitsprekelijk lang was geweest, aan iemand anders kort kon hebben
toegeschenen.
Deze overweging wekte een visioen in mij op; ik was op een danspartij,
waar de uren omvlogen; ik hoorde de muziek onophoudelijk dezelfde
melodie spelen, ik zag Dora voortdurend dansen, altijd denzelfden dans,
zonder eenige notitie van mij te nemen. Toen ik wakker werd, of laat ik
liever zeggen, toen ik mijne pogingen om in slaap te vallen staakte, en
de zon door het venster gluurde, was de man, die den geheelen nacht op
de harp gespeeld had, bezig deze eene buitengewoon groote slaapmuts op
te zetten, hetgeen hem maar niet wilde gelukken.
Aan het einde van een der van het strand komende straten bevond zich in
die dagen een Romeinsch badhuis—misschien is het er nog wel—waarvan
ik menigmaal gebruik heb gemaakt. Na mij zoo stil mogelijk aangekleed
te hebben, ging ik er ook dezen morgen heen—Peggotty zou voor tante
zorgen—en stortte mij hals over kop in het koele water; daarna deed
ik een wandeling naar Hampstead. Ik hoopte dat deze lichaamsbeweging
mij wat zou opfrisschen en ik meen ook dat die mij goed heeft gedaan,
want al heel spoedig kwam ik tot het besluit dat de eerste stap, dien
ik te doen had, was te trachten mijn contract te verbreken en de
gestorte som terug te krijgen. Ik ontbeet te Hampstead en wandelde toen
langs de reeds besproeide wegen naar Doctors' Commons; genietende van
de liefelijke geuren der bloemen in de tuinen langs den weg en op de
wagens der venters, die stadwaarts reden. Mijn voornemen was terstond
van mijn kant alles te doen om verbetering te brengen in onze zoo
veranderde omstandigheden.
Ik kwam, in weerwil van den veelbewogen morgen, nog veel te vroeg
aan het kantoor, zoodat ik meer dan een half uur kon rondslenteren
om de Commons, eer de oude Tiffey, die altijd de eerste was, met den
sleutel kwam. Ik ging toen in een hoekje zitten kijken naar het spelen
van de zonnestralen op de schoorsteenen aan de overzijde, terwijl
Dora voortdurend mijne gedachten bezig hield tot mijnheer Spenlow
binnenkwam, stijver en keuriger dan ooit.
„Zoo, Copperfield, hoe maakt gij het?” vroeg hij. „Mooi weer, van
morgen!”
„Een prachtige morgen, mijnheer!” antwoordde ik. „Kan ik een paar
woorden met u spreken eer gij naar het Hof gaat?”
„Zeker, zeker,” antwoordde hij. „Kom in mijn kamer.”
Ik volgde hem naar zijne kamer, waar hij begon met zijne jas uit te
trekken en zijn toilet te voltooien voor een klein spiegeltje, dat aan
den binnenkant van eene kastdeur was opgehangen.
„Het spijt mij u te moeten meedeelen,” begon ik, „dat ik van mijne
tante een bericht heb ontvangen, waardoor ik zeer ben teleurgesteld.”
„Zoo?” zei hij. „Goede Hemel! Toch geen beroerte, hoop ik!”
„Het betreft hare gezondheid volstrekt niet, mijnheer. Zij heeft
geldelijke verliezen geleden en maar zeer weinig overgehouden.”
„Maar, Copperfield, ik ben een en al verbazing!” riep mijnheer Spenlow
uit.
Ik schudde het hoofd.
„Het is zoo, mijnheer,” zei ik, „hare omstandigheden zijn in die mate
veranderd, dat ik u wilde vragen of het mogelijk zijn zou, natuurlijk
met opoffering van een gedeelte der gestorte som,”—ik voegde dit er
bij, omdat zijn gelaat reeds eene strakke uitdrukking aannam—„of het
mogelijk zou zijn mijn contract te verbreken?”
Wat het mij kostte om dit voorstel te doen, weet niemand. Het was
hetzelfde, alsof ik de gunst verzocht om van Dora afstand te doen.
„Uw contract te verbreken, Copperfield? Verbreken?”
Zoo kalm mogelijk zette ik hem uiteen, dat ik waarlijk niet wist
hoe aan den kost te moeten komen zonder zelf wat te verdienen. Ik
zag de toekomst niet donker in, zei ik en—ik legde daarop eenigen
nadruk, alsof ik hem wilde doen inzien, dat ik nog volstrekt niet
zulk een onaannemelijk schoonzoon was in die toekomst, maar voor het
tegenwoordige mij zelven door de wereld moest helpen.
„Het spijt mij ontzettend dit te vernemen, Copperfield,” zei mijnheer
Spenlow. „Het spijt mij ontzettend! Het is niet gebruikelijk een
contract om zulke redenen te verbreken. Het is volstrekt geen gebruik
in ons beroep. Ook is het geen zeer verkieslijk antecedent. Volstrekt
niet. Bovendien....”
„Gij zijt wel goed, Mijnheer,” mompelde ik in de meening, dat hij mijn
verzoek gunstig opnam.
„Volstrekt niet. Zeg dat niet,” hernam mijnheer Spenlow. „Bovendien,
wilde ik zeggen, is het nu eenmaal mijn lot met gebonden handen te
staan.... had ik geen compagnon.... mijnheer Jorkins.....”
In een oogenblik was al mijne hoop vervlogen, maar ik deed toch nog
eene poging.
„Meent gij, Mijnheer,” vroeg ik, „dat indien ik mijnheer Jorkins de
zaak blootleg.....?”
Mijnheer Spenlow schudde op zeer ontmoedigende wijze het hoofd. „De
Hemel verhoede, Copperfield,” antwoordde hij, „dat ik iemand onrecht
zal aandoen; mijnheer Jorkins het allerminst. Maar ik ken mijn
compagnon, Copperfield. Mijnheer Jorkins is niet iemand om op zulk een
eigenaardig voorstel in te gaan. Mijnheer Jorkins is zeer moeilijk van
den eenmaal gebaanden weg af te brengen. Gij kent hem trouwens?”
Ik kan op mijn woord van eer verklaren, dat ik niets van mijnheer
Jorkins wist dan dat hij eerst alleen in de zaak was geweest en nu
woonde in een huis dichtbij Montagu-square, dat noodzakelijk geverfd
moest worden; dat hij altijd laat kwam en vroeg heenging; dat hem nooit
over een of ander advies werd gevraagd, en dat hij een eigen kamertje
had, een achterkamertje, waar nooit zaken werden behandeld en waar
zijne schrijflessenaar stond, overdekt met een oud, geel kardoespapier
zonder een enkel inktspatje, hoewel men beweerde dat het reeds meer dan
vijfentwintig jaar oud was.
„Hebt gij er iets tegen, mijnheer, dat ik mijnheer Jorkins de zaak
blootleg?” vroeg ik.
„Volstrekt niet,” zei mijnheer Spenlow. „Maar ik heb ten opzichte
van mijnheer Jorkins al heel wat ondervinding opgedaan, Copperfield.
Ik wilde wel, dat ik andere ondervindingen had opgedaan, want ik zou
niets liever doen dan u in alle opzichten tegemoet komen. Maar ik
heb er volstrekt niets tegen, dat gij de zaken voor mijnheer Jorkins
blootlegt, Copperfield, als gij het de moeite waard acht.”
Met het vaste plan om gebruik te maken van deze toestemming, die mij
met een hartelijken handdruk gegeven was, bleef ik aan Dora zitten
denken en naar de zonnestralen kijken, die reeds van de schoorsteenen
tot op den muur van het huis aan de overzijde waren neergedaald. Toen
mijnheer Jorkins kwam, ging ik terstond naar zijne kamer; waar hij mij
met een uitroep van verbazing ontving.
„Kom binnen, Copperfield,” zei hij. „Kom binnen!”
Ik kwam binnen en ging zitten, waarna ik mijnheer Jorkins de zaak in
nagenoeg dezelfde bewoordingen voordroeg, als ik aan mijnheer Spenlow
gedaan had. Mijnheer Jorkins was volstrekt niet zulk eene vrees
inboezemende persoonlijkheid als men verwacht zou hebben; doch een
zwaarlijvig man met een vriendelijk gelaat en kalme manieren, ongeveer
zestig jaar oud; een man, die zooveel snuif gebruikte, dat hij, volgens
het in de Commons loopende gerucht, hoofdzakelijk daarvan leefde.
Toen hij mij geheel had laten uitspreken, zei hij: „Gij hebt zeker
mijnheer Spenlow ook reeds over deze zaak gesproken?”
„Ja,” antwoordde ik en voegde er bij, dat mijnheer Spenlow zijn naam
genoemd had.
„Mijnheer Spenlow heeft zeker gezegd dat ik bezwaren zou maken?” vroeg
mijnheer Jorkins.
Ik was verplicht om te bekennen, dat mijnheer Spenlow dit
waarschijnlijk achtte.
„Het spijt mij u te moeten zeggen, mijnheer Copperfield, dat ik uwe
plannen niet kan bevorderen,” zei hij zenuwachtig. „De zaak is....
maar ik word gewacht aan de Bank; gij wilt wel zoo goed zijn mij te
verontschuldigen.” Met deze woorden stond hij haastig op en ging de
kamer uit, terwijl ik nog vermetel genoeg was te zeggen, dat er dan,
naar ik vreesde, geen manier was om de zaak te schikken.
„Neen!” zei mijnheer Jorkins, terwijl hij hoofdschuddend in de deur
bleef staan. „O, neen! Ik ben er tegen, begrijpt gij.” Hij zei dit
haastig en ging toen heen. „Gij begrijpt, mijnheer Copperfield,” voegde
hij er bij, met een onrustigen blik naar de deur, „als mijnheer
Spenlow er tegen is....”
„Persoonlijk heeft hij er niet tegen, mijnheer,” zei ik.
„O, persoonlijk!” herhaalde mijnheer Jorkins ongeduldig. „Ik verzeker
u, dat er bezwaren bestaan, mijnheer Copperfield. Het is hopeloos!
Hetgeen gij wenscht kan niet gebeuren. Ik.... ik moet aan de Bank
zijn.” Nu rende hij letterlijk weg en, voor zoover ik weet, verscheen
hij in de eerste drie dagen niet in de Commons.
Aangezien ik geen enkele kans onbeproefd wilde laten, wachtte ik tot
mijnheer Spenlow terugkwam en deelde hem mijn gesprek met mijnheer
Jorkins mede; terwijl ik er bijvoegde, dat ik de hoop nog niet opgaf,
indien hij zelf wilde beproeven den onbuigzamen compagnon te vermurwen.
„Copperfield,” antwoordde mijnheer Spenlow met een minzaam lachje,
„gij kent mijn compagnon, mijnheer Jorkins, niet zoo lang en zoo goed
als ik. Niets ligt minder in mijne bedoeling dan mijnheer Jorkins op
de eene of andere wijze zwart te maken; maar mijnheer Jorkins heeft
eene manier om bezwaren te opperen, waarmede hij de menschen wat eens
misleidt. Neen, Copperfield, mijnheer Jorkins _is_ niet te vermurwen,
geloof mij,” eindigde hij hoofdschuddend.
Het duizelde mij. Ik wist niet meer wie nu eigenlijk de bezwaren
maakte, mijnheer Jorkins of mijnheer Spenlow? Ik zag echter met
onverbiddelijke duidelijkheid in, dat ik aan het terugkrijgen van
de duizend pond, door tante gestort, niet behoefde te denken.
Moedeloos—ik herinner mij dat altijd nog met spijt, want ik was mij
bewust, dat ik nog te veel aan mij zelven dacht, al was het steeds in
verband met Dora—moedeloos verliet ik het kantoor en ging naar huis.
Ik poogde mij gemeenzaam te maken met het ergste, mij de schikkingen
voor te stellen, die voor de toekomst, voor de zwartste toekomst,
gemaakt moesten worden; ik deed mijn best alles zooveel mogelijk van
den donkersten kant te bekijken, toen mij eene huurkoets achterop
reed en vlak bij mij bleef stilstaan. Ik keek op en ziet—een blank
handje werd mij toegestoken uit het portierraam en ik zag een lachend
gezichtje, een gezichtje, dat ik nooit had gezien zonder mij gelukkiger
en opgewekter te gevoelen, van het oogenblik af, dat het op de
eikenhouten trap met de breede leuning naar mij keek en het mij aan de
geschilderde vensters in de kerk deed denken.
„Agnes!” riep ik verheugd uit. „O, lieve Agnes, niemand kan mij op dit
oogenblik meer welkom zijn dan gij!”
„Zoo, waarlijk?” vroeg zij op den haar eigen hartelijken toon.
„Ik heb zooveel met u te bespreken!” ging ik voort. „Nu ik u maar zie,
is mijn hart al zooveel lichter! Had ik kunnen tooveren, ik zou niemand
liever hierheen getooverd hebben dan u!”
„Wat?”
„Ja, misschien toch Dora eerst!” voegde ik er met een blos bij.
„Natuurlijk, Dora eerst, dat hoop ik ten minste,” zei Agnes lachend.
„Maar dan u! Waar gaat gij heen?”
Zij was op weg naar Buckingham-street om tante een bezoek te
brengen. Het was mooi weer, zoodat zij blijde was het rijtuig te
kunnen verlaten—ik had al dien tijd mijn hoofd binnen het rijtuig
gehad, waarin een lucht was, die deed denken aan een stal onder een
broeiraam.—Ik gaf den koetsier zijn afscheid en zij stak haar arm door
den mijne en zoo wandelden wij naar mijne kamer. Zij vertegenwoordigde
voor mij de belichaamde Hoop. Welke eene verandering had zij in deze
enkele minuten reeds bij mij teweeggebracht! Arm in arm met Agnes!
Tante had haar een van die zonderlinge, korte briefjes geschreven—niet
veel langer dan een banknoot—waartoe zij gewoonlijk hare
correspondentie beperkte. Zij had daarin bericht, dat zij tegenspoed
gehad en Dover voor goed verlaten had; maar dat zij zich reeds
daarover heen had gezet en niemand zich dus om harentwil bezorgd
behoefde te maken. Agnes was daarop naar Londen gegaan om tante een
bezoek te brengen; want in de laatste jaren had tusschen tante en
haar eene wederkeerige genegenheid bestaan. Deze dagteekende van het
oogenblik, waarop zij mij bij de Wickfields had gebracht.
„Ik ben niet alleen in Londen,” sprak Agnes. „Papa is ook hier en....
Uriah Heep.”
„En zijn zij nu compagnons?” vroeg ik. „De duivel hale den kerel!”
„Ja,” zei Agnes. „Zij hebben zaken hier en ik heb de gelegenheid
waargenomen om met hen mede te gaan. Gij moet niet denken, Trotwood,
dat mijn bezoek geheel en al belangeloos of uit vriendschap is,
want.... ik ben bang, dat gij mij erg voorzichtig zult vinden....
ik laat papa niet gaarne alleen—met hem.”
„Oefent hij nog steeds denzelfden invloed op mijnheer Wickfield,
Agnes?” vroeg ik.
Agnes schudde het hoofd. „Er is zooveel veranderd in huis,” sprak zij,
„dat gij onze oude, gezellige woning bijna niet meer zoudt herkennen.
Zij wonen nu bij ons in.”
„Wie?” vroeg ik.
„Mijnheer Heep en zijne moeder. Hij slaapt op uw oude kamertje,”
vertelde Agnes, terwijl zij mij haar lief gezichtje toekeerde.
„O, kon ik zijne droomen beheerschen!” riep ik uit. „Dan zou hij daar
niet lang slapen!”
„Ik heb mijn oude kamertje behouden,” zei Agnes, „waar ik gewoon was
mijne lessen te leeren. Wat gaat de tijd toch snel voorbij! Herinnert
gij u dat kleine met hout beschoten kamertje? Het kwam in het salon
uit.”
„Of ik mij dat herinner, Agnes? Toen ik u voor de eerste maal zag,
kwaamt gij uit die deur met het kleine sleutelmandje aan den arm.”
„Juist, dat bedoel ik,” hernam Agnes met een vriendelijken glimlach.
Het doet mij genoegen, dat gij 't u zoo goed herinnert. Wat waren wij
toen gelukkig!
„Ja, waarlijk, dat moogt gij wel zeggen.”
„Ik heb dat kamertje voor mij zelve gehouden, maar ik kan juffrouw
Heep niet altijd alleen laten, dat begrijpt ge. Ik voel mij dikwijls
verplicht om haar gezelschap te houden, terwijl ik veel liever alleen
zou zijn. Overigens heb ik geen enkele reden om over haar te klagen.
Mocht zij mij nu en dan al eens vervelen met de loftuitingen over haar
zoon, dan denk ik maar dat dit zoo natuurlijk is in eene moeder. Hij is
een goed zoon voor haar.”
Ik keek Agnes aan, toen zij deze woorden gezegd had, maar kon niet
ontdekken of zij iets van zijne plannen vermoedde. Hare zachte,
ernstige oogen ontmoetten de mijne met dezelfde oprechtheid als altijd;
er was niet de minste ontroering te bespeuren in haar lief gezichtje.
„De hoofdoorzaak, waarom ik dit samenwonen betreur, is, dat ik nu niet
altijd zoo dicht bij papa kan zijn als ik wel zou wenschen—Uriah is nu
zoo dikwijls tusschen ons—; ik kan hem nu niet zoo nauwgezet bewaken,
bedoel ik—indien dit ten minste geen al te stoute bewering is. Mocht
hij voor een oogenblik het slachtoffer worden van eenig bedrog of
verraad, dan zullen, naar ik hoop, toch eindelijk liefde en waarheid
wel sterker blijken te zijn. Ik hoop dat ware liefde en waarheid
sterker zullen blijken te zijn, dan al het kwaad en al de boosheid op
de geheele wereld.”
Een heldere, zonnige glimlach, zooals ik nooit op een ander gelaat
gezien heb, verdween reeds, terwijl ik nog dacht hoe schoon die was en
hoe ik daarvan in ruime mate had kunnen genieten. Toen wij dicht bij
mijne kamers waren, vroeg zij mij, met eene plotselinge verandering
op haar gelaat, of ik iets wist van de oorzaak der veranderde
omstandigheden mijner tante. Ik antwoordde, dat zij mij nog niets
daarvan had verteld, waarna Agnes stil werd en het mij toescheen,
als voelde ik haar arm op den mijne beven.
Wij vonden tante alleen en in zenuwachtige stemming. Er was een
verschil van gevoelen gerezen tusschen haar en juffrouw Crupp,
over eene geheel op zichzelve staande quaestie, namelijk of het
voegzaam was voor leden der zwakkere sexe om alleen op kamers te
wonen; terwijl zij daarover aan het disputeeren waren had tante,
ongevoelig voor de zenuwen van juffrouw Crupp, plotseling verklaard,
dat deze naar brandewijn rook en beter deed maar heen te gaan. Deze
beide uitdrukkingen waren in de oogen van juffrouw Crupp in rechten
vervolgbaar, zoodat zij als haar voornemen had te kennen gegeven, een
klacht in te dienen bij de „Engelsche Judy”, waarmede zij vermoedelijk
het bolwerk onzer nationale vrijheid bedoelde.
Tante had echter reeds gelegenheid gehad om te bekoelen, want Peggotty
was uitgegaan om mijnheer Dick de Horse Guards te laten bewonderen;
bovendien was zij blijde Agnes te zien en volstrekt niet met het geval
verlegen, ja, eerder trotsch op de wijze, waarop zij „dat mensch”
de waarheid had gezegd, zoodat zij ons in eene bijzonder goede luim
ontving. Toen Agnes haar hoed op de tafel gelegd had, en ik haar daar
naast tante zag zitten met hare zachte oogen en haar hoog, blank
voorhoofd, kon ik niet nalaten te denken, hoe natuurlijk het was,
dat zij daar bij ons zat, hoe volkomen tante op haar vertrouwde,
niettegenstaande zij zooveel jonger was en zooveel minder ondervinding
had opgedaan; hoe sterk zij was in hare zucht naar liefde en waarheid.
Het gesprek liep over de verliezen, die tante geleden had, en ik
vertelde haar wat ik dien morgen gepoogd had te doen.
„Dat was niet verstandig van u, Trot,” zei tante, „hoewel goed gemeend.
Gij zijt een jongen, die het hart op de rechte plaats heeft—ik moet
nu zeggen een jonge man—ik ben trotsch op u, beste. Tot zoover zijn
wij het dus eens, maar nu, Trot en Agnes, moeten wij de zaak van Betsey
Trotwood eens flink aanpakken en zien hoe die staat.”
Ik zag dat Agnes bleek werd, terwijl zij tante met de grootste
opmerkzaamheid gadesloeg. En tante keek, terwijl zij de kat streelde,
ook Agnes oplettend aan.
„Betsey Trotwood,” vervolgde tante, die altijd hare geldzaken zelve
behandeld had—„ik bedoel niet uwe zuster Trot, beste jongen; ik
bedoel mij zelve—bezat een zeker kapitaal. Hoeveel? Dat doet er niet
toe. Genoeg om van te leven; meer nog dan dat, want zij was spaarzaam
geweest en had overgehouden. Betsey had haar kapitaal in effecten
belegd, maar op raad van haar zaakwaarnemer nam zij hypotheek op
landerijen. Dit ging heel goed en gaf behoorlijke rente tot Betsey
werd afbetaald.—Ik spreek daar van Betsey alsof zij een matroos
was.—En toen moest Betsey uitkijken naar eene andere plaatsing voor
haar geld. Zij meende wijzer te zijn dan haar zaakwaarnemer, die
toenmaals de zaken niet meer zoo goed waarnam als vroeger—ik heb
het oog op uw vader, Agnes—en belegde haar geld zelve. Zij ging met
hare varkens naar eene andere markt en die markt bleek eene slechte
te zijn. Eerst verloor zij met mijnspeculatiën en toen verloor zij
met duikerspeculatiën—ik geloof om verloren schatten op te visschen
of eene dergelijke dwaasheid”—legde tante uit, terwijl zij haar neus
wreef; „en toen verloor zij nogmaals met de mijnen, en eindelijk, om
de kroon op alles te zetten, verloor zij met Bankspeculatiën. Ik weet
niet wat die aandeelen, een tijd geleden, waard waren,” vervolgde zij,
„ik geloof honderd procent; maar die Bank was aan het andere einde
van de wereld en sprong, voor zoover ik weet, van de wereld af in de
ruimte; hoe het zij, er komt geen halven shilling van terecht. Betsey's
shillings stonden er alle in en zijn nu alle weg. Hoe minder ik er van
zeg, hoe minder ik heb te verantwoorden.”
Tante besloot dit wijsgeerig verslag met Agnes, die langzamerhand hare
kleur had teruggekregen, met een zegevierenden blik aan te kijken.
„Is dat de geheele geschiedenis, lieve juffrouw Trotwood?” vroeg Agnes.
„Ik meen dat het genoeg is, mijn kind,” antwoordde tante. „Ware er meer
geld te verliezen geweest, dan zou het denzelfden weg zijn opgegaan,
dat weet ik zeker. Ik twijfel niet of Betsey zou wel een middel hebben
geweten om het de rest achterna te gooien en dan zou de geschiedenis
ook langer zijn geweest. Maar aangezien er geen geld meer was is de
geschiedenis uit.”
Agnes had in het eerst met ingehouden adem zitten luisteren en was
beurtelings rood en bleek geworden; maar thans ademde zij vrijer. Ik
meende de oorzaak daarvan te begrijpen. Zij had gevreesd dat haar toch
reeds zoo ongelukkige vader er op de eene of andere wijze in betrokken
was. Tante nam Agnes' hand in de hare en zei lachend: „Dat is nu alles,
behalve: ‚En later leefden zij heel gelukkig.’ Misschien mag ik dit nog
eens aan Betsey's geschiedenis toevoegen. En nu, Agnes, gij zijt altijd
zoo verstandig en gij ook, Trot, hoewel ik u niet in alle dingen dit
compliment kan maken,”—tante schudde op eene eigenaardig heftige wijze
het hoofd tegen mij—„wat moeten wij nu doen? Ik heb mijn huisje nog,
dat ongeveer zeventig pond in het jaar zal opbrengen—daarop mogen wij,
naar ik meen, wel rekenen—maar dat is ook alles.”—Tante had, evenals
sommige paarden, de dwaze eigenaardigheid om nu en dan plotseling op te
houden, terwijl zij nog een geheelen tijd scheen te zullen voortgaan.
Na eene kleine pauze vervolgde zij: „Dan hebben wij Dick. Hij betaalt
honderd pond 's jaars, maar gij begrijpt, dat die ook voor hem besteed
moeten worden. Liever zond ik hem weg—al weet ik dat ik de eenige
persoon ben, die hem naar waarde weet te schatten, dan hem te houden
om zijn geld. Hoe kunnen Trot en ik nu op de beste wijze ons leven
inrichten? Wat denkt gij daarvan, Agnes?”
„Ik zeg, tante,” viel ik in, „dat ik iets doen moet.”
„Soldaat worden of naar zee gaan? Bedoelt gij dat—met „iets doen?””
vroeg tante ongerust. „Ik wil er niets van hooren. Gij moet proctor
worden. Het is in ONZE familie niet de gewoonte zich naar lager wal te
laten sturen, onthoud dat goed, jongeheer.”
Ik was op het punt om te verklaren, dat ik geen plan had deze manier
van doen bij de familie in te voeren, toen Agnes vroeg of de kamers,
die ik bewoonde, voor langen tijd gehuurd waren.
„Gij slaat den spijker op den kop, lieve Agnes,” zei tante. „Wij
kunnen er in de eerste zes maanden niet afkomen, tenzij ze aan anderen
verhuurd konden worden, hetgeen ik betwijfel. De laatste bewoner
is hier gestorven. Vijf van de zes bewoners zouden hier natuurlijk
sterven—met die vrouw in het nanking en den flanellen onderrok. Ik
heb nog eenig contant geld en ik ben het met u eens, het beste is hier
te blijven, tot de huur om is, en voor mijnheer Dick eene kamer in de
buurt op te zoeken.”
Ik achtte het mijn plicht tante te wijzen op de onaangenaamheden,
waaraan zij zich zou blootstellen, wanneer zij in voortdurenden oorlog
moest leven met juffrouw Crupp, maar zij ruimde mijn bezwaar terstond
uit den weg door te verklaren, dat zij bij de eerste poging om de
vijandelijkheden te beginnen, juffrouw Crupp zulk een schrik op het
lijf zou jagen, dat zij, juffrouw Crupp, daaraan haar geheele verdere
leven genoeg zou hebben.
„Ik dacht, Trotwood,” zei Agnes een weinig aarzelend, „dat als gij tijd
over hadt....”
„O, ik heb veel tijd, Agnes. Ik ben om vier of vijf uur altijd vrij en
ook 's morgens heb ik tijd. In overvloed dus,” antwoordde ik, met een
gevoel van schaamte over al den tijd, dien ik verbeuzeld had met door
de stad en langs den weg naar Norwood te slenteren.
„Zoudt gij genegen zijn om eene betrekking als secretaris op u te
nemen?” vroeg zij, terwijl zij bij mij kwam staan en met zulk eene
zachte, lieve stem tot mij sprak, dat ik die telkens nog meen te hooren.
„Genegen zijn, lieve Agnes?”
„Gij moet weten,” hernam zij, „dat doctor Strong zijn plan, om de
school over te doen, eindelijk ten uitvoer gebracht en zich metterwoon
in Londen gevestigd heeft; en ik weet dat hij papa verzocht heeft hem
iemand aan te bevelen. Zoudt gij niet denken, dat hij niemand liever
bij zich zou willen hebben dan u, zijn oud-leerling, over wien hij
steeds met groote ingenomenheid spreekt?”
„Lieve Agnes!” zei ik. „Wat moest ik toch beginnen zonder u? Gij zijt
altijd mijn goede engel. Ik heb u dat reeds meer gezegd. Ik denk nooit
anders aan u dan in dien zin.”
Agnes antwoordde met een vriendelijken glimlach, dat naar hare meening
één goede engel—zij bedoelde Dora—voldoende was en bracht mij toen
in herinnering, dat doctor Strong altijd 's morgens vroeg en 's avonds
in zijne studeerkamer doorbracht—mijne vrije uren zouden hem dus
waarschijnlijk goed kunnen te pas komen. De blijdschap, dat ik zelf
mijn brood zou kunnen verdienen, was grooter dan de hoop, dat ik het
onder leiding van mijn ouden meester zou kunnen doen; evenwel, ik nam
op raad van Agnes onmiddellijk pen en papier en schreef den doctor,
dat ik den volgenden morgen te tien uur precies bij hem zou zijn, om
met hem te spreken over de openstaande betrekking van secretaris. Ik
adresseerde dezen brief naar Highgate—want daar, in dat voor mij zoo
gedenkwaardige plaatsje woonde hij—en bracht hem zelf naar de post.
Waar Agnes ook was, overal was hare tegenwoordigheid weldadig, overal
liet zij sporen na, die iemand in eene aangename stemming brachten.
Toen ik terugkwam, vond ik tante's kooitjes opgehangen op dezelfde
wijze als ze in de huiskamer te Dover hadden gehangen; mijn leunstoel
stond bij het open venster op dezelfde wijze als de veel grootere van
tante te Dover voor het venster had gestaan, en zelfs de ronde, groene
waaier, die tante had medegebracht, prijkte op de vensterbank. Ik wist
wie dat alles had bewerkstelligd, omdat het zoo stil, zoo als van
zelf geschied was; ja, ik zou terstond geweten hebben wie mijne oude
schoolboeken had gerangschikt, zooals ze in vroegere dagen stonden,
al was Agnes mijlen ver weg geweest. Thans stond zij er voor en keek
glimlachend om, toen ik binnenkwam, terwijl zij bestraffend den vinger
opstak, omdat er zooveel wanorde onder heerschte.
Tante sprak hare tevredenheid uit over de Theems, die er, beschenen
door de morgenzon, waarlijk nog al aantrekkelijk uitzag, al was het
zeegezicht uit tante's huisje aan het strand veel mooier, maar met den
Londenschen mist kon zij zich niet verzoenen, omdat die, volgens hare
bewering, evenals peper overal doordrong. Deze peper had eene volslagen
revolutie in mijne kamers ten gevolge, waarbij Peggotty eene groote
rol speelde; en juist was ik bezig te overpeinzen, hoe weinig Peggotty
uitvoerde in verband met de drukte, die zij bij alles maakte, terwijl
Agnes zonder eenige drukte zooveel deed, toen er op de deur werd
geklopt.
Agnes werd bleek en zeide; „Ik onderstel dat het papa is. Hij heeft mij
beloofd te zullen aankomen.”
Ik opende en stond niet alleen tegenover mijnheer Wickfield, maar
ook tegenover Uriah Heep. Ik had mijnheer Wickfield in eenigen tijd
niet gezien en was, na hetgeen Agnes verteld had, er op voorbereid,
hem zeer veranderd te zullen vinden, maar toch trof mij zijn uitzicht
diep. Zeker, hij scheen vele jaren ouder te zijn geworden, hoewel zijn
toilet nog altijd onberispelijk was; zijn gelaat had eene ongezonde,
roode kleur, zijne oogen waren ontstoken en met bloed beloopen, zijne
handen beefden—maar daarvan kende ik de oorzaak; ik had die jaren
geleden aan het werk gezien. Ook maakte hij nog altijd den indruk van
een gentleman, maar wat mij trof was, dat niettegenstaande hij door
geboorte, stand en kennis zoo ver verheven was boven dien kruiper,
dien huichelaar, hij zich geheel door Uriah Heep had laten inpakken.
De omkeering, welke in hunne wederzijdsche verhouding had plaats
gegrepen—Uriah's macht en mijnheer Wickfield's afhankelijkheid—deed
mij pijnlijker aan dan ik in woorden kan beschrijven. Indien ik een man
had gezien in de macht van een aap, zou mij dit niet zoo vernederend
hebben toegeschenen als hetgeen, waarvan ik thans getuige zijn moest.
Mijnheer Wickfield scheen zich bovendien maar al te zeer daarvan bewust
te zijn. Toen hij binnenkwam bleef hij een oogenblik met gebogen hoofd
op den drempel staan; één oogenblik echter maar, want Agnes ging
naar hem toe en zei met hare zachte stem: „Papa! Hier is juffrouw
Trotwood—en Trotwood, dien gij in zoo'n langen tijd niet gezien
hebt.” Toen kwam hij naderbij, bood tante een weinig verlegen de
hand, maar schudde de mijne met meer hartelijkheid. In dat oogenblik
van aarzeling, waarvan ik zoo even sprak, zag ik een afschuwelijken
glimlach op Uriah's gezicht. Ook Agnes merkte dien op, naar ik meende,
want een rilling voer haar door de leden.
Wat mijne tante zag of niet zag, kon zelfs de grootste gelaatskenner
niet ontdekken, wanneer zij dat niet wilde. Ik geloof niet, dat er ooit
iemand geboren is, die het gelaat beter in de plooi kon houden dan zij.
Op dit oogenblik geleek het een blinde muur, zoo weinig verried hetgeen
in haar omging, tot zij plotseling de stilte verbrak.
„Wel, Wickfield,” sprak zij en nu keek hij haar voor de eerste maal
aan, „ik heb uwe dochter eens verteld hoe goed ik zelve voor mijn geld
heb gezorgd, toen ik het u niet meer kon toevertrouwen, omdat gij wat
oud begint te worden. Wij hebben hier met ons drieën raad gehouden en
zijn, de omstandigheden in aanmerking genomen, al een goed eind op weg.
Agnes is, naar mijn oordeel, zooveel waard als de geheele firma.”
„Als ik zoo vrij mag zijn de nederige opmerking te maken,” zei Uriah
Heep met een grijns, „dat ik het volkomen eens ben met mejuffrouw
Betsey Trotwood en dat ik maar al te gelukkig zou zijn als juffrouw
Agnes in de zaak wilde komen.”
„Gij zijt immers nu zelf compagnon,” viel tante in. „Is dat soms nog
niet genoeg? Hoe vaart u, mijnheer?”
Op deze vraag, die met buitengewone kortheid was gedaan, antwoordde
mijnheer Heep, den blauwen zak, dien hij droeg, angstig vastklemmende,
dat hij heel wel was en hoopte hetzelfde ook van tante te mogen
vernemen.
„En gij, jongeheer.... ik wil zeggen, mijnheer Copperfield?” vervolgde
Uriah. „Ik hoop dat gij wel zijt! Het verheugt mij u weer eens te zien,
mijnheer Copperfield, zelfs in de tegenwoordige omstandigheden.”—Ik
geloofde dit gaarne, want hij scheen er zich ook werkelijk in te
verheugen.—„Uwe vrienden zouden u gaarne in andere omstandigheden
zien, mijnheer Copperfield, maar het geld maakt den man niet: dat
moet... het gaat werkelijk boven mijn nederige krachten te zeggen wat
het wel doet, maar.... geld niet,” voegde hij er bij, terwijl hij zich
in allerlei bochten wrong.
Nu schudden wij elkander de hand niet op de gewone wijze, maar wij
stonden een goed eind van elkander af en hij lichtte mijne hand op en
liet die weer vallen, alsof hij aan den slinger van eene pomp trok.
„En hoe vindt gij dat wij eruitzien, jongeheer Copperfield—ik bedoel,
mijnheer Copperfield,” vroeg Uriah op zijn gewonen kruiperigen toon.
„Houdt mijnheer Wickfield zich niet goed, mijnheer? In onze firma
hebben de jaren geen invloed, jongeheer Copperfield; alleen doen zij de
nederigen opkomen—ik bedoel mijne moeder en mij—en,” voegde hij er
bij, alsof hem dit plotseling inviel, „de schoonheid ontwikkelen—in
juffrouw Agnes.”
Na dit complimentje rekte hij zich zoo uit en maakte hij zulke
ijzingwekkende grimassen, dat tante, die hem strak had zitten
aankijken, haar geduld verloor en riep:
„De Duivel hale dien man! Wat scheelt hem toch? Gij lijkt den
Vitus-dans wel te hebben, mijnheer!”
„Pardon, juffrouw Trotwood, ik begrijp, dat gij een weinig zenuwachtig
zijt.”
„Loop rond! Mijnheer!” riep tante, blijkbaar ontstemd. „Hoe durft gij
zoo iets zeggen? Ik ben verre van zenuwachtig! Als gij een man zijt,
gedraag u dan als een man en sta daar niet te kronkelen als een aal!
Groote goedheid!” ging zij op verontwaardigden toon voort, „gij zoudt
mij met uwe slangachtige en kurketrekkerachtige bewegingen van mijn
stuk brengen!”
Mijnheer Heep was, zooals de meeste menschen zouden geweest zijn, niet
weinig verbluft door dezen uitval, waarvan de uitwerking nog verhoogd
werd door de toornige wijze, waarop tante op haar stoel heen- en
weerschoof en haar hoofd schudde, alsof zij op hem wilde aanvliegen.
Intusschen zei hij binnensmonds tegen mij:
„Ik weet wel, jongeheer Copperfield, dat juffrouw Trotwood, hoewel eene
uitmuntende vrouw, soms wat driftig is—ik heb haar al gekend, toen
ik nog maar een eenvoudig klerkje was, langen tijd voor gij kennis
met haar maaktet, jongeheer Copperfield—en het is heel natuurlijk,
dat de tegenwoordige omstandigheden haar prikkelbaar hebben gemaakt.
Het verbaast mij, dat zij nog niet zenuwachtiger is. Ik ben alleen
medegekomen om te zeggen dat, als wij iets voor u kunnen doen, moeder
of ik, of de firma Wickfield en Heep, wij heel blijde zullen zijn. Ik
mag immers wel zoo ver gaan?” vroeg hij aan zijn compagnon met den
afschuwelijksten glimlach, dien ik ooit van hem gezien had.
„Uriah Heep,” antwoordde mijnheer Wickfield op gedwongen toon, „is
compagnon geworden in de zaak, Trotwood. Hetgeen hij zegt, zegt hij
ook namens mij. Gij weet dat ik altijd belang in u heb gesteld; maar
afgescheiden daarvan, hetgeen Uriah Heep zegt, zegt hij ook namens mij.”
„O, welk eene belooning zijn deze woorden voor mij!” zei Uriah, terwijl
hij één been optrok tot aan de kin, op gevaar af van zich een tweeden
uitval van tante op den hals te halen. „Zulk een groot vertrouwen
te genieten! Ik hoop maar iets te kunnen doen om hem van eenige
beslommeringen te ontheffen, jongeheer Copperfield!”
„Uriah Heep is mij een groote steun,” zei mijnheer Wickfield met
dezelfde eentonige stem. „Het is mij een pak van het hart, Trotwood,
zulk een compagnon te hebben.”
De sluwe vos liet hem dit alles zeggen, dat begreep ik zeer goed, opdat
hij zich tegenover mij in hetzelfde licht wilde geplaatst zien, dat
hij voor mij ontstoken had op den avond, toen hij mij mijne rust had
ontroofd. Ik zag denzelfden huichelachtigen glimlach weder om zijn
mond; ik zag hoe aandachtig hij mij gadesloeg.
„Gij gaat toch nog niet heen, papa?” vroeg Agnes op angstigen toon.
„Wilt gij niet onder geleide van Trotwood en mij gaan?”
Hij zou naar Uriah gekeken hebben om het antwoord van diens lippen te
lezen, daarvan ben ik overtuigd; maar de schurk voorkwam hem.
„Ik heb nog zaken af te doen,” zei Uriah, „anders zou ik gaarne
den avond met mijne vrienden doorbrengen. Ik verlaat echter mijn
compagnon, ten einde de firma te vertegenwoordigen. Juffrouw Agnes,
geheel de uwe! Goeden avond, jongeheer Copperfield; breng mijn nederige
groeten aan juffrouw Trotwood over.”
Met deze woorden ging hij heen, terwijl hij zijne groote hand kuste en
ons aankeek, alsof hij een masker voor had.
Wij bleven nog een paar uren gezellig praten over de goede dagen
in Canterbury. Nu mijnheer Wickfield aan de hoede van Agnes was
toevertrouwd, begon hij spoedig weder op den ouden mijnheer Wickfield
te lijken, hoewel hij toch den druk, waaronder hij gebukt ging, niet
geheel kon afschudden. Zijne oogen begonnen weder te schitteren, toen
wij allerlei kleine voorvallen uit ons leven ophaalden, voorvallen,
die hij zich zeer goed herinnerde. Hij vond het heerlijk om met Agnes
en mij weder eens samen te zijn. Ik ben overtuigd dat het kalme, lieve
gezichtje van Agnes en de zachte druk van haar handje op zijn arm een
invloed op hem oefenden, die wonderen zou hebben uitgewerkt.
Tante, die gedurende al dien tijd met Peggotty in de slaapkamer bezig
was geweest, wilde niet met ons medegaan naar de woning, waar zij
logeerden, maar drong er op aan, dat ik zou medegaan en—ik ging mede.
Den volgenden dag gebruikten wij te zamen het middagmaal en na afloop
zat Agnes naast hem als in den goeden, ouden tijd, en schonk hem zijn
wijn in. Hij dronk wat zij hem gaf—niet meer—als een kind, en met ons
drieën bleven wij voor het raam zitten tot de avond inviel. Toen het
donker werd ging hij op de sofa liggen en Agnes plaatste een kussen
onder zijn hoofd en toen zij naar het venster terugkeerde, was het niet
zóó duister of ik kon tranen in hare oogen zien glinsteren.
De Hemel geve, dat ik de liefde en oprechte trouw, die het lieve meisje
in dezen tijd van mijn leven heeft bewezen, nimmer moge vergeten; als
ik dat deed, zou het einde zeker zeer nabij moeten zijn en juist dan
zou ik het meest naar haar verlangen. Zij wekte de beste voornemens op
in mijn hart, schonk mij door haar voorbeeld kracht en gaf—hoe weet ik
niet, want zij was te bescheiden om veel raad te geven—eene richting
aan mijn besluiteloos karakter en mijn wankelmoedigen ijver, dat ik
meen het aan haar te moeten toeschrijven, indien ik nog iets goeds tot
stand gebracht en veel kwaad vermeden heb.
En hoe lief sprak zij niet met mij over Dora, terwijl zij daar met
mij bij het venster zat te luisteren naar mijne lofspraken over haar;
ongemerkt spreidde zij van haar eigen zuiver licht een krans over
die kleine feeëngestalte, waardoor deze mij nog begeerlijker, nog
onschuldiger toescheen! O, Agnes, zuster uit mijne jongelingsjaren, had
ik toen maar geweten, wat ik eerst langen tijd daarna gewaar werd!—
Toen ik naar huis ging stond er een bedelaar op straat en terwijl ik
nog even naar het venster opkeek, naar hare lieve, engelreine oogen,
klonk mij een echo in de ooren van hetgeen tante dien morgen had gezegd:
„Blind! Blind! Blind!”