Ik verbaas mij over mijne tante.
Zoodra Dora en ik verloofd waren, schreef ik aan Agnes. Ik schreef
haar een langen brief, waarin ik trachtte haar te doen begrijpen hoe
gelukkig ik was en welk een engel Dora was. Ik bezwoer Agnes deze
liefde niet te beschouwen als een onbezonnen hartstocht, die elk
oogenblik kon worden uitgebluscht, noch ze te vergelijken met de
kinderachtige grillen, waarmede wij samen den spot hadden gedreven. Ik
verzekerde haar dat mijne liefde onpeilbaar was, dat nooit iemand zoo
kon hebben liefgehad als ik.
Het was een mooie avond toen ik daar voor het open venster aan
Agnes zat te schrijven en, hoe het kwam weet ik niet, maar toen de
herinnering aan haar lief en kalm gezichtje en hare heldere, oprechte
oogen in mij opdoemde, had deze zulk een weldadigen invloed op mijne
zenuwachtige, onrustige stemming van de laatste dagen, dat men mij
wel in mijne tranen had kunnen wasschen. Ik herinner mij, dat ik met
de hand onder het hoofd bleef zitten toen de brief half af was, en
mij verdiepte in mijn geliefkoosd droombeeld; dat Agnes' tehuis ook
het mijne was. Het kwam mij voor, alsof Dora en ik in die voor mij
bijna gewijde woning gelukkiger moesten zijn dan ergens elders; alsof
mijn hart zich in liefde, vreugde, smart en teleurstelling, kortom in
alle gemoedsstemmingen daarheen moest wenden om een toevlucht en eene
oprechte vriendin te vinden.
Steerforth's naam noemde ik niet. Ik schreef haar alleen hoe diep
bedroefd men te Yarmouth was over Emily's verdwijnen en dat mij door
de omstandigheden, waaronder hare verdwijning had plaats gegrepen, een
dubbele wonde was toegebracht. Ik wist, hoe vlug zij was in het gissen
van de waarheid en dat zij zeker niet de eerste zijn zou om zijn naam
te noemen.
Op dezen brief ontving ik per keerende post antwoord. Toen ik haar
brief las, was het mij of ik haar hoorde spreken, of haar hartelijke
stem mij in de ooren klonk! Wat kan ik meer zeggen!
Aangezien ik in den laatsten tijd veel uit was geweest, had Traddles
twee of drie malen eene vergeefsche poging gedaan om mij te bezoeken.
Eenmaal had hij Peggotty op mijne kamer gevonden en vernemende, dat
zij mijne oude kindermeid was—Peggotty vertelde dit aan ieder, die het
hooren wilde—kennis met haar gemaakt en eenige uren met haar over mij
zitten praten. Zoo vertelde Peggotty ten minste; ik vermoed echter,
dat zij alleen aan het woord zal zijn geweest, want als zij eenmaal
over mij begonnen was, dan kende haar woordenrijkdom geen grenzen—God
zegene het goede mensch.
Dit herinnert mij niet alleen aan de omstandigheid, dat Traddles tegen
zekeren namiddag, die nu gekomen was, zijne komst had aangekondigd,
maar ook aan juffrouw Crupp, die van alles wat tot haar post
behoorde—de huurpenningen uitgezonderd—had afgezien tot Peggotty
haar bezoeken zou hebben gestaakt. Nadat juffrouw Crupp op de trap met
eene schelle stem eenige malen haar hart over Peggotty had uitgestort
tegen de eene of andere onzichtbare geest—zij was „lichamelijk” geheel
alleen—ontving ik een brief van haar, waarin zij hare inzichten
blootlegde. Beginnende met de verklaring, die blijkbaar bij alle
gelegenheden dienst moest doen om indruk te maken, met de verklaring
dat zij zelve ook moeder was, deelde zij mij verder mede, dat zij
vroeger geheel andere dagen gekend, maar in alle tijdperken van haar
leven een onoverwinlijken afkeer gehad had van spionnen, indringers en
aanbrengers. Zij wilde geen namen noemen, schreef zij; wie de schoen
paste mocht die aantrekken; maar spionnen, indringers en aanbrengers,
vooral wanneer zij in de weduwenrouw waren—deze woorden waren
onderstreept—had zij haar leven lang diep veracht. Wilde een
zekere heer het slachtoffer worden van spionnen, indringers en
aanbrengers—nog werden geen namen genoemd—dat was zijn eigen zaak.
Hij was vrij in zijn doen en laten en als _hij_ er dus plezier in
had, moest _hij_ dat zelf weten. Al wat zij, juffrouw Crupp namelijk,
bedong, was, dat zij met dergelijke menschen niet in aanraking wilde
gebracht worden. Zij verzocht daarom verschoond te mogen blijven van
de verdere bediening op de bovenverdieping tot de zaken weer waren
zooals ze vroeger geweest waren en zooals zij wenschte dat ze altijd
gebleven waren; het boekje zou elken Zaterdagmorgen op de ontbijttafel
te vinden zijn, terwijl zij onmiddellijk afdoening verzocht, met de
menschlievende bedoeling om alle partijen voor onaangenaamheden en
„displezier” te vrijwaren.
Toen dit schrijven niet hielp deed zij alle mogelijke moeite om
Peggotty de beenen te laten breken door emmers, kannen en dergelijke
voorwerpen op de donkerste hoekjes van de trap te laten staan. Ik
verkeerde bijna in staat van beleg en vond dien toestand hoogst
onaangenaam, maar ik was toch te bang voor juffrouw Crupp om er een
einde aan te maken.
„Wel, beste Copperfield,” riep Traddles, die alle hindernissen ten
spijt, prompt op het afgesproken uur aanklopte, „hoe maakt gij het?
Leeft gij nog?”
„Goede Traddles,” antwoordde ik, „wat ben ik blij u eindelijk eens te
zien en wat spijt het mij, dat ik telkens uit was. Ik heb het echter
zoo druk—”
„Ja, ja, dat weet ik,” zei Traddles, „natuurlijk, uw meisje woont in
Londen, nietwaar?”
„Wat bedoelt... gij?”
„Zij.... pardon... juffrouw D. bedoel ik,” hernam Traddles met een
kleur van verlegenheid, „juffrouw D. woont immers in Londen?”
„Jawel, dicht bij Londen.”
„Mijn meisje—misschien herinnert gij u dat—woont in Devonshire....
zij is een van tien. Bij gevolg heb ik het niet zoo druk als gij—wat
dat betreft ten minste.”
„Het verbaast mij hoe gij het kunt uithouden haar zoo weinig te zien,”
antwoordde ik.
„Ja,” zei hij nadenkend. „Dat schijnt een wonder. Ik denk echter,
Copperfield, dat het kan omdat het moet.”
„Dat denk ik ook,” antwoordde ik glimlachend, doch tevens eenige
schaamte voelende, „maar ook omdat gij zoo standvastig zijt en zooveel
geduld kunt oefenen, Traddles.”
„Goede Hemel,” riep hij uit, „hebt gij zulke gedachten van mij,
Copperfield? Ik wist waarlijk zelf niet dat ik zoo ben! Maar zij is
zulk een buitengewoon lief meisje, dat zij mij mogelijk iets van deze
deugden heeft meegedeeld. Nu gij dat zegt, Copperfield, zou mij dat
volstrekt niet verwonderen. Ik verzeker u, dat zij nooit aan zich zelve
denkt, maar altijd voor de negen zusters zorgt.”
„Is zij de oudste van het tiental?” vroeg ik.
„O, Hemel, neen! De oudste is eene bekende schoonheid.”
Hij zag, onderstel ik, dat ik niet kon nalaten te glimlachen over de
eenvoudigheid van dit antwoord; en voegde er, ook met een glimlach op
zijn eerlijk gezicht, bij: „Natuurlijk is mijne Sophie—een lieve naam,
vindt gij niet, Copperfield?”
„Heel lief,” antwoordde ik.
„Natuurlijk is mijne Sophie in mijne oogen ook mooi en is zij zonder
twijfel in ieders oogen een van de liefste meisjes, die ooit bestonden.
Maar als ik zeg, de oudste is eene bekende schoonheid, dan bedoel ik
dat zij”—hij maakte met beide handen eene beweging alsof hij een wolk
beschreef—„prachtig is, Copperfield, dat zij iets buitengewoons is.”
„Waarlijk?”
„O, ik verzeker het u,” hernam hij, „bepaald iets heel buitengewoons!
Zij is geschapen om in gezelschappen uit te blinken en bewonderd te
worden, maar aangezien hunne beperkte middelen dat niet toelaten, is
zij wel eens wat prikkelbaar en verdrietig. Sophie moet haar dan altijd
weer in eene goede luim brengen.”
„Is Sophie de jongste?” waagde ik nog eens te vragen.
„O, Hemel, neen! De beide jongsten zijn pas negen en tien jaar. Zij
worden geheel door Sophie opgevoed.”
„De tweede dan?”
„Neen. De tweede heet Sarah en heeft een gebrek aan haar ruggegraat, het
arme meisje. Volgens de geneesheeren zal die kwaal wel langzamerhand
genezen, maar intusschen moet zij steeds liggen, Sophie past haar op.
Sophie is de vierde.”
„Leeft de moeder nog?”
„O, zeker, de moeder is nog in leven. Zij is eene zeer begaafde en
verstandige vrouw, maar de vochtige lucht heeft nadeelig op haar gestel
gewerkt, zoodat zij het gebruik mist van hare ledematen. Sophie neemt
hare plaats in, zij is bijna even goed eene moeder voor hare moeder,
als voor de andere negen.”
Ik was in ééne bewondering van al de deugden en voortreffelijke
eigenschappen van dit jonge meisje, en waarlijk, alleen om te verhoeden
dat de goedhartigheid van Traddles ten nadeele van hun beider
levensgeluk zou uitloopen, vroeg ik hoe mijnheer Micawber het maakte.
„Mijnheer Micawber is heel wel, Copperfield, dank u,” antwoordde
Traddles. „Maar ik woon tegenwoordig niet meer bij hen.”
„Niet?”
„Neen. Ziet gij, Copperfield, de waarheid is, dat mijnheer Micawber
den naam heeft aangenomen van Mortimer, ten gevolge van tijdelijke
ongelegenheden, waarin hij verkeert; hij gaat niet meer uit voor de
duisternis is ingevallen en dan nog met een bril op. Alles zou door
den deurwaarder verkocht worden wegens de achterstallige huishuur.
Mevrouw Micawber verkeerde in zulk een beklagenswaardige toestand, dat
ik niet kon weigeren, toen zij mij vroeg mijn naam ook onder die tweede
schuldvordering te plaatsen. Gij kunt u voorstellen, Copperfield, welk
een heerlijk gevoel het voor mij was toen ik zag, dat de zaak daarmede
uit de wereld was en mevrouw Micawber's opgeruimdheid terugkeerde.”
„Hm!” zei ik.
„Hun geluk was echter niet van langen duur,” vervolgde Traddles,
„want een week later volgde een tweede vonnis. Nu werd het huishouden
opgebroken en sedert heb ik op eene gemeubileerde kamer gewoond,
terwijl de Mortimers zich zoo goed, als het kon, hebben beholpen. Ik
hoop, dat gij mij niet van zelfzucht zult beschuldigen, Copperfield,
als ik u nog meedeel, dat de deurwaarder ook het ronde tafeltje met
marmeren blad en den bloemenstandaard van Sophie heeft medegenomen?”
„Hoe hard voor u,” riep ik verontwaardigd uit.
„Het heeft mij.... het heeft mij ook wel strijd gekost,” zei Traddles
met zijne gewone goedmoedigheid. „Ik vertel het u echter niet om
mijnheer Micawber iets te verwijten, maar om eene andere reden. De
zaak is deze, Copperfield. Toen zij die meubeltjes bij mij weghaalden
was ik niet in staat om ze terug te koopen, want de uitdrager, die ze
gekocht had, meende dat ik er bijzonder aan gehecht was en vroeg daarom
een buitensporig hoogen prijs; bovendien had ik op dat oogenblik geen
geld. Sinds dien tijd echter heb ik den winkel van dien uitdrager niet
uit het oog verloren,” ging hij voort, zich verheugende in zijn eigen
slimheid.
„Deze winkel is aan het einde van Tottenham Court Road en eindelijk,
vandaag, heb ik gezien, dat hij ze heeft uitgestald om ze te verkoopen.
Ik heb er alleen maar van den overkant der straat naar gekeken, want
als hij MIJ ziet, dan vraagt hij zeker het driedubbele! Aangezien ik nu
het geld er voor heb, is de gedachte bij mij opgekomen of gij misschien
die goede, oude kindermeid van u zoudt willen vragen met mij naar den
winkel te gaan—ik kan haar dien van den hoek van de eerste zijstraat
af aanwijzen—en den koop te sluiten alsof zij ze voor zich zelve
kocht!”
Het genoegen, waarmede Traddles dit plan opperde, en de overtuiging,
die hij bezat van zijn eigen slimheid, leven nog steeds in mijne
herinnering voort alsof zijn bezoek gisteren had plaats gehad. Ik zei
hem, dat mijne oude kindermeid blijde zou zijn als zij hem een dienst
kon bewijzen en dat wij er met ons drieën zouden heengaan—op ééne
voorwaarde. Hij moest mij plechtig beloven voortaan noch zijn naam,
noch wat ook aan mijnheer Micawber te leenen.
„Mijn beste Copperfield,” zei Traddles, „ik heb dit zelf ook begrepen;
ik heb ingezien dat ik niet alleen onbedachtzaam gehandeld heb, maar
ook eene onrechtvaardigheid heb begaan jegens Sophie. Ik heb mij zelven
reeds beloofd het niet meer te zullen doen; gij behoeft dus niets te
vreezen; ik wil echter gaarne dezelfde belofte aan u afleggen. Die
eerste ongelukkige schuldbekentenis is door mij betaald. Ik twijfel
niet, of mijnheer Micawber zou het zelf gedaan hebben, indien hij
het gekund had. Één ding moet ik u nog mededeelen, Copperfield; het
is iets, waarom ik mijnheer Micawber hoogacht. Het betreft de tweede
schuldbekentenis, die nog niet is betaald. Hij vertelde mij niet, dat
er voor gezorgd was, maar zeide dat er voor gezorgd _zou worden_. Vindt
gij dat niet eerlijk en oprecht van hem?”
Ik wilde mijn vriend zijn vertrouwen op de menschen niet ontnemen en
stemde daarom met zijne loftuiting in. Na nog wat gepraat te hebben,
gingen wij naar den kruidenierswinkel om Peggotty te halen; Traddles
sloeg mijn aanbod, om den avond bij mij door te brengen, af, zoowel
omdat hij vreesde dat iemand hem bij den koop van zijne schatten voor
zou zijn, als omdat het de avond was, waarop hij gewoon was aan het
liefste meisje van de wereld te schrijven.
Nooit zal ik vergeten hoe hij daar om den hoek van de straat te
Tottenham Court Road stond te loeren, terwijl Peggotty met den
uitdrager onderhandelde over zijne dierbaarste meubelstukken: noch
zijne zenuwachtigheid, toen Peggotty langzaam naar ons toekwam, na te
vergeefs een bod te hebben gedaan, en toen zij door den uitdrager werd
teruggeroepen en er nogmaals heenging. Het einde van de onderhandeling
was, dat zij beide meubeltjes voor een tamelijk lagen prijs opkocht en
dat Traddles uitgelaten was van blijdschap.
„Ik dank u hartelijk,” zei hij, toen hij vernam dat de kostbare stukken
nog dienzelfden avond aan zijne woning zouden worden bezorgd. „Mag ik
nu nog eene gunst vragen? Ik hoop, dat gij mijne vraag niet gek zult
vinden, Copperfield?”
„O, zeker niet,” antwoordde ik reeds bij voorbaat.
„Als gij dan zoo goed zoudt willen zijn,” vroeg hij aan Peggotty,
„den bloempot nu te halen, want ik zou dien—hij behoort aan Sophie,
Copperfield—gaarne zelf naar huis brengen.”
Peggotty was blijde hem dien dienst te kunnen bewijzen; hij overlaadde
haar met dankbetuigingen en ging naar huis met den bloempot onder den
arm en met zulk een vergenoegd gezicht, als ik zelden van hem gezien
had.
Peggotty en ik wandelden daarop naar huis terug, maar aangezien de
winkels eene aantrekkingskracht op haar oefenden, zooals ze op mij
nooit hebben gedaan, vorderden wij slechts langzaam; telkens moest
ik blijven staan om dit of dat te bekijken, zoodat het tamelijk lang
duurde eer wij de Adelphi bereikten. De trap opgaande, vestigde ik hare
aandacht op de plotselinge verdwijning van al de door juffrouw Crupp
gemaakte valstrikken en boven komende, waren wij beiden even verbaasd,
toen wij mijne kamerdeur geopend vonden—ik had die zelf gesloten—en
stemmen hoorden.
Wij keken elkander aan, zonder te begrijpen wat wij daarvan moesten
denken, en gingen de zitkamer binnen. Hoe groot was mijne verbazing,
toen ik daar mijne tante vond met mijnheer Dick! Mijne tante zat op
haar bagage, met twee vogelkooien voor zich en haar kat op den schoot,
eene vrouwelijke Robinson gelijk. Juffrouw Crupp had reeds voor thee
gezorgd. Mijnheer Dick stond, in gepeins verzonken, op een grooten
vlieger te leunen, op een, zooals wij te zamen er meermalen een hadden
opgelaten; de rest van zijne bagage lag achter hem.
„Lieve tante! Gij hier!” riep ik. „Welk eene aangename verrassing!”
Wij omhelsden elkander hartelijk; mijnheer Dick en ik schudden elkander
vriendschappelijk de hand en juffrouw Crupp, die bezig was thee te
schenken en niet wist wat of zij doen zou om tante te believen, zei met
een vertrouwelijk knikje, dat zij wel geweten had hoe blij mijnheer
Copperfield zou zijn.
„Hola!” zei tante tegen Peggotty, die bedeesd was blijven staan. „Hoe
maakt gij het?”
„Herinnert gij u, tante, Peggotty?” vroeg ik.
„Groote goedheid, kind!” riep tante, „noem die vrouw toch niet bij
dien heidenschen naam. Als zij toch getrouwd en dien naam kwijt is
geweest—zij heeft heel verstandig gedaan, al was het alleen maar om
zich van dien naam af te maken—waarom haar dan ook niet het voordeel
van die verandering gegund? Hoe heet gij nu Pe......?” Zij wilde dien
gehaten naam niet uitspreken.
„Barkis, mevrouw,” antwoordde Peggotty met een buiging.
„Ziet ge wel! Dat is een menschelijke naam!” zei tante. „Dat klinkt
minder of gij nog bekeerd moest worden. Hoe gaat het u, Barkis? Ik hoop
dat uwe gezondheid goed is?”
Aangemoedigd door den vriendelijken toon en de uitgestoken hand
kwam Barkis wat naderbij, nam de aangeboden hand en bewees hare
erkentelijkheid door nogmaals een buiging te maken.
„Wij zijn wat ouder geworden, zie ik,” zei tante. „Wij hebben elkaar
vroeger maar eenmaal ontmoet, nietwaar? Dat was een gekke avond, hé!
Och, Trot, beste jongen, geef mij nog een kopje thee.”
Ik schonk haar gehoorzaam een kop thee in. Zij zat als altijd
kaarsrecht, maar ik waagde toch de opmerking te maken dat zij op een
koffer zat.
„Laat ik de sofa bij de tafel zetten, of een gemakkelijken stoel,
tante,” zei ik. „Waarom zoudt gij het u niet gemakkelijker maken?”
„Dank u, Trot,” antwoordde tante. „Ik blijf liever op mijn eigen koffer
zitten.” Bij deze woorden keek tante juffrouw Crupp doordringend aan en
vervolgde: „Gij behoeft om onzentwil niet te wachten, juffrouw.”
„Zal ik nog eens opschenken of nog wat thee op den pot doen, eer ik weg
ga, mevrouw?” vroeg juffrouw Crupp.
„Neen, dank u, juffrouw,” antwoordde tante.
„Zal ik nog wat boter halen, mevrouw? Of hebt gij ook lust in een
versch eitje? Of zal ik een stukje spek voor u bakken? Is er niets dat
ik voor uwe lieve tante doen kan, mijnheer Copperfield?” vroeg juffrouw
Crupp dringend.
„Niets, juffrouw,” antwoordde tante in mijne plaats, „ik heb niets
noodig, dank u.”
Juffrouw Crupp, die onophoudelijk had geglimlacht, om te toonen
welk een zacht humeur zij had; onophoudelijk haar hoofd op zijde
had gehouden, om blijk te geven van haar zwakke gezondheid; en
onophoudelijk in de handen gewreven had, om hare hulpvaardigheid te
toonen, ging glimlachend, met het hoofd op zijde en in de handen
wrijvend, heel langzaam de kamer uit.
„Dick!” zei tante eensklaps. „Gij herinnert u wel wat ik u verteld heb
van huichelaars en aanbidders van het gouden kalf?”
Mijnheer Dick scheen het vergeten te zijn, maar gaf, blijkbaar door
deze vraag opgeschrikt, een bevestigend antwoord.
„Juffrouw Crupp behoort tot die soort,” hernam tante. „Och, Barkis, mag
ik u eens lastig vallen om nieuwe thee te zetten? Wat dat mensch mij
heeft opgedischt, smaakt mij niet.”
Ik kende mijne tante voldoende, om te weten dat zij iets op het hart
had; aan deze onverwachte komst lag een ernstiger reden ten grondslag,
dan een vreemde zou hebben kunnen vermoeden. Ik voelde telkens haar
oog op mij rusten, wanneer zij meende dat mijne aandacht door iets
anders getrokken werd; ik zag dat daar in haar binnenste iets was,
dat zij aarzelde uit te spreken, al zat zij nog zoo stijf en recht op
dien koffer; ja, ik begon zelfs te overpeinzen of ik ook iets gedaan
had, waardoor zij zich gekrenkt kon voelen en mijn geweten fluisterde
mij in, dat ik haar nog niets verteld had van Dora. Kon het _dat_ zijn?
Ik begreep dat zij wel zou beginnen te spreken, als zij den tijd
daartoe gekomen achtte, en praatte daarom tegen de vogeltjes en tegen
poes, die genoegelijk op haar schoot lag te spinnen, en deed alsof ik
bijzonder op mijn gemak was. Toch was ik ver van gerust en zou dit
ook niet geweest zijn, al had mijnheer Dick, die achter tante op zijn
vlieger stond te leunen, niet elke gunstige gelegenheid waargenomen, om
zoo geheimzinnig mogelijk het hoofd te schudden en op haar te wijzen.
„Trot,” begon tante eindelijk, toen zij hare thee verorberd en
zorgvuldig hare japon gladgestreken en hare lippen afgeveegd
had—„Trot,—neen, gij behoeft niet heen te gaan, Barkis!—Trot, hebt
gij nu al wat ondervinding en wat zelfkennis opgedaan?”
„Ik hoop het, tante.”
„Wat denkt gij?”
„Ik denk het wel, tante.”
„Welnu dan, mijn jongen,” vervolgde zij, terwijl zij mij met een
ernstig gelaat aankeek, „waarom denkt gij dat ik van avond liever op
mijn eigen koffer zit?”
Ik schudde het hoofd, want ik kon het onmogelijk raden.
„Omdat,” zei tante, „dit alles is wat ik bezit. Omdat ik geruïneerd
ben, beste jongen.”
Al ware het huis met ons en met alles wat er in was in de rivier
gestort, ik zou geen grooter schok hebben kunnen krijgen.
„Dick weet er alles van,” vervolgde tante, terwijl zij de hand op mijn
schouder legde. „Ik ben geruïneerd, beste Trot. Alles wat ik op de
wereld bezit is hier in deze kamer, behalve mijn huisje; ik heb Janet
achtergelaten om het te verhuren.—Barkis, ik moet voor dezen heer een
bed hebben. Ten einde onkosten te besparen, kunt gij misschien hier wel
wat vinden. Alles is goed genoeg. Het is maar voor één nacht. Morgen
praten wij verder.”
Terwijl ik nog stom van verbazing en met groote bezorgdheid voor
haar—ik ben er zeker van dat ik alleen om _haar_ dacht—voor mij
uitstaarde, werd ik uit mijn gepeins gewekt, omdat zij mij om den
hals viel en snikkend uitriep, dat haar verdriet alleen mij gold.
De omhelzing duurde slechts een oogenblik, want zij had terstond
hare aandoening onderdrukt en met een gelaat, waarop eerder eene
zegevierende dan eene neerslachtige uitdrukking lag, sprak zij: „Wij
moeten de zaak flink onder de oogen zien en ons niet laten ontmoedigen,
beste jongen. Wij moeten leeren ons spel uit te spelen. Wij moeten onze
rampen overwinnen door ze te overleven, Trot!”