XXXIV.

Ik verbaas mij over mijne tante.

Zoodra Dora en ik verloofd waren, schreef ik aan Agnes. Ik schreef

haar een langen brief, waarin ik trachtte haar te doen begrijpen hoe

gelukkig ik was en welk een engel Dora was. Ik bezwoer Agnes deze

liefde niet te beschouwen als een onbezonnen hartstocht, die elk

oogenblik kon worden uitgebluscht, noch ze te vergelijken met de

kinderachtige grillen, waarmede wij samen den spot hadden gedreven. Ik

verzekerde haar dat mijne liefde onpeilbaar was, dat nooit iemand zoo

kon hebben liefgehad als ik.

Het was een mooie avond toen ik daar voor het open venster aan

Agnes zat te schrijven en, hoe het kwam weet ik niet, maar toen de

herinnering aan haar lief en kalm gezichtje en hare heldere, oprechte

oogen in mij opdoemde, had deze zulk een weldadigen invloed op mijne

zenuwachtige, onrustige stemming van de laatste dagen, dat men mij

wel in mijne tranen had kunnen wasschen. Ik herinner mij, dat ik met

de hand onder het hoofd bleef zitten toen de brief half af was, en

mij verdiepte in mijn geliefkoosd droombeeld; dat Agnes' tehuis ook

het mijne was. Het kwam mij voor, alsof Dora en ik in die voor mij

bijna gewijde woning gelukkiger moesten zijn dan ergens elders; alsof

mijn hart zich in liefde, vreugde, smart en teleurstelling, kortom in

alle gemoedsstemmingen daarheen moest wenden om een toevlucht en eene

oprechte vriendin te vinden.

Steerforth's naam noemde ik niet. Ik schreef haar alleen hoe diep

bedroefd men te Yarmouth was over Emily's verdwijnen en dat mij door

de omstandigheden, waaronder hare verdwijning had plaats gegrepen, een

dubbele wonde was toegebracht. Ik wist, hoe vlug zij was in het gissen

van de waarheid en dat zij zeker niet de eerste zijn zou om zijn naam

te noemen.

Op dezen brief ontving ik per keerende post antwoord. Toen ik haar

brief las, was het mij of ik haar hoorde spreken, of haar hartelijke

stem mij in de ooren klonk! Wat kan ik meer zeggen!

Aangezien ik in den laatsten tijd veel uit was geweest, had Traddles

twee of drie malen eene vergeefsche poging gedaan om mij te bezoeken.

Eenmaal had hij Peggotty op mijne kamer gevonden en vernemende, dat

zij mijne oude kindermeid was—Peggotty vertelde dit aan ieder, die het

hooren wilde—kennis met haar gemaakt en eenige uren met haar over mij

zitten praten. Zoo vertelde Peggotty ten minste; ik vermoed echter,

dat zij alleen aan het woord zal zijn geweest, want als zij eenmaal

over mij begonnen was, dan kende haar woordenrijkdom geen grenzen—God

zegene het goede mensch.

Dit herinnert mij niet alleen aan de omstandigheid, dat Traddles tegen

zekeren namiddag, die nu gekomen was, zijne komst had aangekondigd,

maar ook aan juffrouw Crupp, die van alles wat tot haar post

behoorde—de huurpenningen uitgezonderd—had afgezien tot Peggotty

haar bezoeken zou hebben gestaakt. Nadat juffrouw Crupp op de trap met

eene schelle stem eenige malen haar hart over Peggotty had uitgestort

tegen de eene of andere onzichtbare geest—zij was „lichamelijk” geheel

alleen—ontving ik een brief van haar, waarin zij hare inzichten

blootlegde. Beginnende met de verklaring, die blijkbaar bij alle

gelegenheden dienst moest doen om indruk te maken, met de verklaring

dat zij zelve ook moeder was, deelde zij mij verder mede, dat zij

vroeger geheel andere dagen gekend, maar in alle tijdperken van haar

leven een onoverwinlijken afkeer gehad had van spionnen, indringers en

aanbrengers. Zij wilde geen namen noemen, schreef zij; wie de schoen

paste mocht die aantrekken; maar spionnen, indringers en aanbrengers,

vooral wanneer zij in de weduwenrouw waren—deze woorden waren

onderstreept—had zij haar leven lang diep veracht. Wilde een

zekere heer het slachtoffer worden van spionnen, indringers en

aanbrengers—nog werden geen namen genoemd—dat was zijn eigen zaak.

Hij was vrij in zijn doen en laten en als _hij_ er dus plezier in

had, moest _hij_ dat zelf weten. Al wat zij, juffrouw Crupp namelijk,

bedong, was, dat zij met dergelijke menschen niet in aanraking wilde

gebracht worden. Zij verzocht daarom verschoond te mogen blijven van

de verdere bediening op de bovenverdieping tot de zaken weer waren

zooals ze vroeger geweest waren en zooals zij wenschte dat ze altijd

gebleven waren; het boekje zou elken Zaterdagmorgen op de ontbijttafel

te vinden zijn, terwijl zij onmiddellijk afdoening verzocht, met de

menschlievende bedoeling om alle partijen voor onaangenaamheden en

„displezier” te vrijwaren.

Toen dit schrijven niet hielp deed zij alle mogelijke moeite om

Peggotty de beenen te laten breken door emmers, kannen en dergelijke

voorwerpen op de donkerste hoekjes van de trap te laten staan. Ik

verkeerde bijna in staat van beleg en vond dien toestand hoogst

onaangenaam, maar ik was toch te bang voor juffrouw Crupp om er een

einde aan te maken.

„Wel, beste Copperfield,” riep Traddles, die alle hindernissen ten

spijt, prompt op het afgesproken uur aanklopte, „hoe maakt gij het?

Leeft gij nog?”

„Goede Traddles,” antwoordde ik, „wat ben ik blij u eindelijk eens te

zien en wat spijt het mij, dat ik telkens uit was. Ik heb het echter

zoo druk—”

„Ja, ja, dat weet ik,” zei Traddles, „natuurlijk, uw meisje woont in

Londen, nietwaar?”

„Wat bedoelt... gij?”

„Zij.... pardon... juffrouw D. bedoel ik,” hernam Traddles met een

kleur van verlegenheid, „juffrouw D. woont immers in Londen?”

„Jawel, dicht bij Londen.”

„Mijn meisje—misschien herinnert gij u dat—woont in Devonshire....

zij is een van tien. Bij gevolg heb ik het niet zoo druk als gij—wat

dat betreft ten minste.”

„Het verbaast mij hoe gij het kunt uithouden haar zoo weinig te zien,”

antwoordde ik.

„Ja,” zei hij nadenkend. „Dat schijnt een wonder. Ik denk echter,

Copperfield, dat het kan omdat het moet.”

„Dat denk ik ook,” antwoordde ik glimlachend, doch tevens eenige

schaamte voelende, „maar ook omdat gij zoo standvastig zijt en zooveel

geduld kunt oefenen, Traddles.”

„Goede Hemel,” riep hij uit, „hebt gij zulke gedachten van mij,

Copperfield? Ik wist waarlijk zelf niet dat ik zoo ben! Maar zij is

zulk een buitengewoon lief meisje, dat zij mij mogelijk iets van deze

deugden heeft meegedeeld. Nu gij dat zegt, Copperfield, zou mij dat

volstrekt niet verwonderen. Ik verzeker u, dat zij nooit aan zich zelve

denkt, maar altijd voor de negen zusters zorgt.”

„Is zij de oudste van het tiental?” vroeg ik.

„O, Hemel, neen! De oudste is eene bekende schoonheid.”

Hij zag, onderstel ik, dat ik niet kon nalaten te glimlachen over de

eenvoudigheid van dit antwoord; en voegde er, ook met een glimlach op

zijn eerlijk gezicht, bij: „Natuurlijk is mijne Sophie—een lieve naam,

vindt gij niet, Copperfield?”

„Heel lief,” antwoordde ik.

„Natuurlijk is mijne Sophie in mijne oogen ook mooi en is zij zonder

twijfel in ieders oogen een van de liefste meisjes, die ooit bestonden.

Maar als ik zeg, de oudste is eene bekende schoonheid, dan bedoel ik

dat zij”—hij maakte met beide handen eene beweging alsof hij een wolk

beschreef—„prachtig is, Copperfield, dat zij iets buitengewoons is.”

„Waarlijk?”

„O, ik verzeker het u,” hernam hij, „bepaald iets heel buitengewoons!

Zij is geschapen om in gezelschappen uit te blinken en bewonderd te

worden, maar aangezien hunne beperkte middelen dat niet toelaten, is

zij wel eens wat prikkelbaar en verdrietig. Sophie moet haar dan altijd

weer in eene goede luim brengen.”

„Is Sophie de jongste?” waagde ik nog eens te vragen.

„O, Hemel, neen! De beide jongsten zijn pas negen en tien jaar. Zij

worden geheel door Sophie opgevoed.”

„De tweede dan?”

„Neen. De tweede heet Sarah en heeft een gebrek aan haar ruggegraat, het

arme meisje. Volgens de geneesheeren zal die kwaal wel langzamerhand

genezen, maar intusschen moet zij steeds liggen, Sophie past haar op.

Sophie is de vierde.”

„Leeft de moeder nog?”

„O, zeker, de moeder is nog in leven. Zij is eene zeer begaafde en

verstandige vrouw, maar de vochtige lucht heeft nadeelig op haar gestel

gewerkt, zoodat zij het gebruik mist van hare ledematen. Sophie neemt

hare plaats in, zij is bijna even goed eene moeder voor hare moeder,

als voor de andere negen.”

Ik was in ééne bewondering van al de deugden en voortreffelijke

eigenschappen van dit jonge meisje, en waarlijk, alleen om te verhoeden

dat de goedhartigheid van Traddles ten nadeele van hun beider

levensgeluk zou uitloopen, vroeg ik hoe mijnheer Micawber het maakte.

„Mijnheer Micawber is heel wel, Copperfield, dank u,” antwoordde

Traddles. „Maar ik woon tegenwoordig niet meer bij hen.”

„Niet?”

„Neen. Ziet gij, Copperfield, de waarheid is, dat mijnheer Micawber

den naam heeft aangenomen van Mortimer, ten gevolge van tijdelijke

ongelegenheden, waarin hij verkeert; hij gaat niet meer uit voor de

duisternis is ingevallen en dan nog met een bril op. Alles zou door

den deurwaarder verkocht worden wegens de achterstallige huishuur.

Mevrouw Micawber verkeerde in zulk een beklagenswaardige toestand, dat

ik niet kon weigeren, toen zij mij vroeg mijn naam ook onder die tweede

schuldvordering te plaatsen. Gij kunt u voorstellen, Copperfield, welk

een heerlijk gevoel het voor mij was toen ik zag, dat de zaak daarmede

uit de wereld was en mevrouw Micawber's opgeruimdheid terugkeerde.”

„Hm!” zei ik.

„Hun geluk was echter niet van langen duur,” vervolgde Traddles,

„want een week later volgde een tweede vonnis. Nu werd het huishouden

opgebroken en sedert heb ik op eene gemeubileerde kamer gewoond,

terwijl de Mortimers zich zoo goed, als het kon, hebben beholpen. Ik

hoop, dat gij mij niet van zelfzucht zult beschuldigen, Copperfield,

als ik u nog meedeel, dat de deurwaarder ook het ronde tafeltje met

marmeren blad en den bloemenstandaard van Sophie heeft medegenomen?”

„Hoe hard voor u,” riep ik verontwaardigd uit.

„Het heeft mij.... het heeft mij ook wel strijd gekost,” zei Traddles

met zijne gewone goedmoedigheid. „Ik vertel het u echter niet om

mijnheer Micawber iets te verwijten, maar om eene andere reden. De

zaak is deze, Copperfield. Toen zij die meubeltjes bij mij weghaalden

was ik niet in staat om ze terug te koopen, want de uitdrager, die ze

gekocht had, meende dat ik er bijzonder aan gehecht was en vroeg daarom

een buitensporig hoogen prijs; bovendien had ik op dat oogenblik geen

geld. Sinds dien tijd echter heb ik den winkel van dien uitdrager niet

uit het oog verloren,” ging hij voort, zich verheugende in zijn eigen

slimheid.

„Deze winkel is aan het einde van Tottenham Court Road en eindelijk,

vandaag, heb ik gezien, dat hij ze heeft uitgestald om ze te verkoopen.

Ik heb er alleen maar van den overkant der straat naar gekeken, want

als hij MIJ ziet, dan vraagt hij zeker het driedubbele! Aangezien ik nu

het geld er voor heb, is de gedachte bij mij opgekomen of gij misschien

die goede, oude kindermeid van u zoudt willen vragen met mij naar den

winkel te gaan—ik kan haar dien van den hoek van de eerste zijstraat

af aanwijzen—en den koop te sluiten alsof zij ze voor zich zelve

kocht!”

Het genoegen, waarmede Traddles dit plan opperde, en de overtuiging,

die hij bezat van zijn eigen slimheid, leven nog steeds in mijne

herinnering voort alsof zijn bezoek gisteren had plaats gehad. Ik zei

hem, dat mijne oude kindermeid blijde zou zijn als zij hem een dienst

kon bewijzen en dat wij er met ons drieën zouden heengaan—op ééne

voorwaarde. Hij moest mij plechtig beloven voortaan noch zijn naam,

noch wat ook aan mijnheer Micawber te leenen.

„Mijn beste Copperfield,” zei Traddles, „ik heb dit zelf ook begrepen;

ik heb ingezien dat ik niet alleen onbedachtzaam gehandeld heb, maar

ook eene onrechtvaardigheid heb begaan jegens Sophie. Ik heb mij zelven

reeds beloofd het niet meer te zullen doen; gij behoeft dus niets te

vreezen; ik wil echter gaarne dezelfde belofte aan u afleggen. Die

eerste ongelukkige schuldbekentenis is door mij betaald. Ik twijfel

niet, of mijnheer Micawber zou het zelf gedaan hebben, indien hij

het gekund had. Één ding moet ik u nog mededeelen, Copperfield; het

is iets, waarom ik mijnheer Micawber hoogacht. Het betreft de tweede

schuldbekentenis, die nog niet is betaald. Hij vertelde mij niet, dat

er voor gezorgd was, maar zeide dat er voor gezorgd _zou worden_. Vindt

gij dat niet eerlijk en oprecht van hem?”

Ik wilde mijn vriend zijn vertrouwen op de menschen niet ontnemen en

stemde daarom met zijne loftuiting in. Na nog wat gepraat te hebben,

gingen wij naar den kruidenierswinkel om Peggotty te halen; Traddles

sloeg mijn aanbod, om den avond bij mij door te brengen, af, zoowel

omdat hij vreesde dat iemand hem bij den koop van zijne schatten voor

zou zijn, als omdat het de avond was, waarop hij gewoon was aan het

liefste meisje van de wereld te schrijven.

Nooit zal ik vergeten hoe hij daar om den hoek van de straat te

Tottenham Court Road stond te loeren, terwijl Peggotty met den

uitdrager onderhandelde over zijne dierbaarste meubelstukken: noch

zijne zenuwachtigheid, toen Peggotty langzaam naar ons toekwam, na te

vergeefs een bod te hebben gedaan, en toen zij door den uitdrager werd

teruggeroepen en er nogmaals heenging. Het einde van de onderhandeling

was, dat zij beide meubeltjes voor een tamelijk lagen prijs opkocht en

dat Traddles uitgelaten was van blijdschap.

„Ik dank u hartelijk,” zei hij, toen hij vernam dat de kostbare stukken

nog dienzelfden avond aan zijne woning zouden worden bezorgd. „Mag ik

nu nog eene gunst vragen? Ik hoop, dat gij mijne vraag niet gek zult

vinden, Copperfield?”

„O, zeker niet,” antwoordde ik reeds bij voorbaat.

„Als gij dan zoo goed zoudt willen zijn,” vroeg hij aan Peggotty,

„den bloempot nu te halen, want ik zou dien—hij behoort aan Sophie,

Copperfield—gaarne zelf naar huis brengen.”

Peggotty was blijde hem dien dienst te kunnen bewijzen; hij overlaadde

haar met dankbetuigingen en ging naar huis met den bloempot onder den

arm en met zulk een vergenoegd gezicht, als ik zelden van hem gezien

had.

Peggotty en ik wandelden daarop naar huis terug, maar aangezien de

winkels eene aantrekkingskracht op haar oefenden, zooals ze op mij

nooit hebben gedaan, vorderden wij slechts langzaam; telkens moest

ik blijven staan om dit of dat te bekijken, zoodat het tamelijk lang

duurde eer wij de Adelphi bereikten. De trap opgaande, vestigde ik hare

aandacht op de plotselinge verdwijning van al de door juffrouw Crupp

gemaakte valstrikken en boven komende, waren wij beiden even verbaasd,

toen wij mijne kamerdeur geopend vonden—ik had die zelf gesloten—en

stemmen hoorden.

Wij keken elkander aan, zonder te begrijpen wat wij daarvan moesten

denken, en gingen de zitkamer binnen. Hoe groot was mijne verbazing,

toen ik daar mijne tante vond met mijnheer Dick! Mijne tante zat op

haar bagage, met twee vogelkooien voor zich en haar kat op den schoot,

eene vrouwelijke Robinson gelijk. Juffrouw Crupp had reeds voor thee

gezorgd. Mijnheer Dick stond, in gepeins verzonken, op een grooten

vlieger te leunen, op een, zooals wij te zamen er meermalen een hadden

opgelaten; de rest van zijne bagage lag achter hem.

„Lieve tante! Gij hier!” riep ik. „Welk eene aangename verrassing!”

Wij omhelsden elkander hartelijk; mijnheer Dick en ik schudden elkander

vriendschappelijk de hand en juffrouw Crupp, die bezig was thee te

schenken en niet wist wat of zij doen zou om tante te believen, zei met

een vertrouwelijk knikje, dat zij wel geweten had hoe blij mijnheer

Copperfield zou zijn.

„Hola!” zei tante tegen Peggotty, die bedeesd was blijven staan. „Hoe

maakt gij het?”

„Herinnert gij u, tante, Peggotty?” vroeg ik.

„Groote goedheid, kind!” riep tante, „noem die vrouw toch niet bij

dien heidenschen naam. Als zij toch getrouwd en dien naam kwijt is

geweest—zij heeft heel verstandig gedaan, al was het alleen maar om

zich van dien naam af te maken—waarom haar dan ook niet het voordeel

van die verandering gegund? Hoe heet gij nu Pe......?” Zij wilde dien

gehaten naam niet uitspreken.

„Barkis, mevrouw,” antwoordde Peggotty met een buiging.

„Ziet ge wel! Dat is een menschelijke naam!” zei tante. „Dat klinkt

minder of gij nog bekeerd moest worden. Hoe gaat het u, Barkis? Ik hoop

dat uwe gezondheid goed is?”

Aangemoedigd door den vriendelijken toon en de uitgestoken hand

kwam Barkis wat naderbij, nam de aangeboden hand en bewees hare

erkentelijkheid door nogmaals een buiging te maken.

„Wij zijn wat ouder geworden, zie ik,” zei tante. „Wij hebben elkaar

vroeger maar eenmaal ontmoet, nietwaar? Dat was een gekke avond, hé!

Och, Trot, beste jongen, geef mij nog een kopje thee.”

Ik schonk haar gehoorzaam een kop thee in. Zij zat als altijd

kaarsrecht, maar ik waagde toch de opmerking te maken dat zij op een

koffer zat.

„Laat ik de sofa bij de tafel zetten, of een gemakkelijken stoel,

tante,” zei ik. „Waarom zoudt gij het u niet gemakkelijker maken?”

„Dank u, Trot,” antwoordde tante. „Ik blijf liever op mijn eigen koffer

zitten.” Bij deze woorden keek tante juffrouw Crupp doordringend aan en

vervolgde: „Gij behoeft om onzentwil niet te wachten, juffrouw.”

„Zal ik nog eens opschenken of nog wat thee op den pot doen, eer ik weg

ga, mevrouw?” vroeg juffrouw Crupp.

„Neen, dank u, juffrouw,” antwoordde tante.

„Zal ik nog wat boter halen, mevrouw? Of hebt gij ook lust in een

versch eitje? Of zal ik een stukje spek voor u bakken? Is er niets dat

ik voor uwe lieve tante doen kan, mijnheer Copperfield?” vroeg juffrouw

Crupp dringend.

„Niets, juffrouw,” antwoordde tante in mijne plaats, „ik heb niets

noodig, dank u.”

Juffrouw Crupp, die onophoudelijk had geglimlacht, om te toonen

welk een zacht humeur zij had; onophoudelijk haar hoofd op zijde

had gehouden, om blijk te geven van haar zwakke gezondheid; en

onophoudelijk in de handen gewreven had, om hare hulpvaardigheid te

toonen, ging glimlachend, met het hoofd op zijde en in de handen

wrijvend, heel langzaam de kamer uit.

„Dick!” zei tante eensklaps. „Gij herinnert u wel wat ik u verteld heb

van huichelaars en aanbidders van het gouden kalf?”

Mijnheer Dick scheen het vergeten te zijn, maar gaf, blijkbaar door

deze vraag opgeschrikt, een bevestigend antwoord.

„Juffrouw Crupp behoort tot die soort,” hernam tante. „Och, Barkis, mag

ik u eens lastig vallen om nieuwe thee te zetten? Wat dat mensch mij

heeft opgedischt, smaakt mij niet.”

Ik kende mijne tante voldoende, om te weten dat zij iets op het hart

had; aan deze onverwachte komst lag een ernstiger reden ten grondslag,

dan een vreemde zou hebben kunnen vermoeden. Ik voelde telkens haar

oog op mij rusten, wanneer zij meende dat mijne aandacht door iets

anders getrokken werd; ik zag dat daar in haar binnenste iets was,

dat zij aarzelde uit te spreken, al zat zij nog zoo stijf en recht op

dien koffer; ja, ik begon zelfs te overpeinzen of ik ook iets gedaan

had, waardoor zij zich gekrenkt kon voelen en mijn geweten fluisterde

mij in, dat ik haar nog niets verteld had van Dora. Kon het _dat_ zijn?

Ik begreep dat zij wel zou beginnen te spreken, als zij den tijd

daartoe gekomen achtte, en praatte daarom tegen de vogeltjes en tegen

poes, die genoegelijk op haar schoot lag te spinnen, en deed alsof ik

bijzonder op mijn gemak was. Toch was ik ver van gerust en zou dit

ook niet geweest zijn, al had mijnheer Dick, die achter tante op zijn

vlieger stond te leunen, niet elke gunstige gelegenheid waargenomen, om

zoo geheimzinnig mogelijk het hoofd te schudden en op haar te wijzen.

„Trot,” begon tante eindelijk, toen zij hare thee verorberd en

zorgvuldig hare japon gladgestreken en hare lippen afgeveegd

had—„Trot,—neen, gij behoeft niet heen te gaan, Barkis!—Trot, hebt

gij nu al wat ondervinding en wat zelfkennis opgedaan?”

„Ik hoop het, tante.”

„Wat denkt gij?”

„Ik denk het wel, tante.”

„Welnu dan, mijn jongen,” vervolgde zij, terwijl zij mij met een

ernstig gelaat aankeek, „waarom denkt gij dat ik van avond liever op

mijn eigen koffer zit?”

Ik schudde het hoofd, want ik kon het onmogelijk raden.

„Omdat,” zei tante, „dit alles is wat ik bezit. Omdat ik geruïneerd

ben, beste jongen.”

Al ware het huis met ons en met alles wat er in was in de rivier

gestort, ik zou geen grooter schok hebben kunnen krijgen.

„Dick weet er alles van,” vervolgde tante, terwijl zij de hand op mijn

schouder legde. „Ik ben geruïneerd, beste Trot. Alles wat ik op de

wereld bezit is hier in deze kamer, behalve mijn huisje; ik heb Janet

achtergelaten om het te verhuren.—Barkis, ik moet voor dezen heer een

bed hebben. Ten einde onkosten te besparen, kunt gij misschien hier wel

wat vinden. Alles is goed genoeg. Het is maar voor één nacht. Morgen

praten wij verder.”

Terwijl ik nog stom van verbazing en met groote bezorgdheid voor

haar—ik ben er zeker van dat ik alleen om _haar_ dacht—voor mij

uitstaarde, werd ik uit mijn gepeins gewekt, omdat zij mij om den

hals viel en snikkend uitriep, dat haar verdriet alleen mij gold.

De omhelzing duurde slechts een oogenblik, want zij had terstond

hare aandoening onderdrukt en met een gelaat, waarop eerder eene

zegevierende dan eene neerslachtige uitdrukking lag, sprak zij: „Wij

moeten de zaak flink onder de oogen zien en ons niet laten ontmoedigen,

beste jongen. Wij moeten leeren ons spel uit te spelen. Wij moeten onze

rampen overwinnen door ze te overleven, Trot!”

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 47 / 79 题