XXXI.

Een grooter verlies.

Het viel mij niet moeilijk op Peggotty's verzoek te blijven tot het

overschot van den armen vrachtrijder te Blunderstone aan den schoot

der aarde was toevertrouwd. Lang geleden reeds had zij van haar eigen

spaarpenningen een stukje grond gekocht op het oude kerkhof dichtbij

het graf van „hare lieveling”, zooals zij mijne moeder altijd noemde;

dáár zouden zij beiden rusten.

Terwijl ik Peggotty gezelschap hield en haar hielp in alles wat ik

kon—weinig genoeg—was ik zoo gelukkig als ik maar wezen kon; met

genoegen herdenk ik thans nog dien tijd. Ik vrees echter, dat het

grootste genoegen veroorzaakt werd door het testament van den braven

Barkis, dat ik als „man van het vak” voor Peggotty in bewaring nam

en haar verklaarde. Ik mag er op bogen het eerst op het denkbeeld te

zijn gekomen, dat zijn uiterste wil in den bewusten koffer zou worden

gevonden.

Na een oogenblik gezocht te hebben, vonden wij het stuk ook, in een

voederzak, waaruit, behalve eenig hooi nog een ouderwetsch gouden

horloge met ketting, cachet en signetten te voorschijn kwam, dat Barkis

op zijn trouwdag gedragen had, doch na dien dag nooit meer door iemand

gezien was; benevens een zilveren pijpenuithaler in den vorm van een

hazensprong; een houten citroen vol kleine kopjes en schoteltjes,

die—dat verbeeld ik mij ten minste—Barkis gekocht had om mij present

te geven toen ik nog een kind was, en waarvan hij later niet had kunnen

scheiden; zevenentachtig en een halve guinje in guinjes en halve

guinjes; tweehonderd en tien pond sterling in ongebruikte Engelsche

banknoten; eenige acceptatiën op de Engelsche Bank; een oud hoefijzer,

een valsche shilling, een stuk kamfer en een oesterschelp. Uit de

omstandigheid dat dit laatste voorwerp dikwijls geschuurd was en aan

de binnenzijde allerlei kleuren vertoonde, maakte ik de gevolgtrekking

dat Barkis veel over parelen had hooren spreken, maar zich daarvan toch

geen bepaalde voorstelling had kunnen maken.

Jaar op jaar, dag aan dag had Barkis dezen koffer medegesleept op

al zijn tochten. Opdat zijn schat aan de opmerkzaamheid van anderen

zou ontgaan, had hij de slimheid gehad om er met letters, die thans

nauwelijks meer leesbaar waren, op te vermelden dat de kist behoorde

aan een zekeren „Mijnheer Blackboy” en moest blijven staan tot Barkis

haar afhaalde.

Hij had al die jaren niet te vergeefs gespaard, want het bijeengegaarde

kapitaal bedroeg ongeveer drie duizend pond. Van duizend pond zou

baas Peggotty, zoo lang hij leefde, den interest genieten; na zijn

overlijden moest het kapitaal verdeeld worden tusschen Peggotty—ik

bedoel mijne Peggotty—kleine Emily en mij of tusschen onze

nakomelingen. Alles, wat hij verder naliet, vermaakte hij aan Peggotty,

die tevens tot executrice was benoemd van zijn testament en zijn

laatsten wil.

Ik voelde mij zelf een volmaakte proctor, toen ik dit document met de

grootst mogelijke plechtigheid voorlas en tallooze malen aan allen,

die het aangingen, uitlegde. Ik begon nu toch te onderstellen dat er

meer achter de Commons verborgen was dan ik gemeend had. Ik onderzocht

het testament met de grootste aandacht, verklaarde dat het in alle

opzichten wettig was, maakte eenige potloodaanteekeningen op den

rand en vond mij zelf vreeselijk geleerd. Ik maakte met Peggotty een

inventaris van alles wat er was, regelde alles met haar en was tot ons

wederzijdsch genoegen in alle opzichten haar raadsman en haar steun

gedurende de geheele week, die aan de begrafenis voorafging. Emily zag

ik in die dagen niet, maar men vertelde mij dat zij binnen veertien

dagen getrouwd zou zijn.

Ik woonde de begrafenis niet officiëel bij, als ik het zoo eens mag

uitdrukken. Ik bedoel daarmede dat ik niet was uitgedost als een

vogelverschrikker met een zwarten mantel en een lamfer; ik wandelde

in den vroegen morgen naar Blunderstone en was op het kerkhof, toen

de lijkkoets, door Peggotty en haar broeder gevolgd, daar aankwam.

De krankzinnige heer zat uit het raampje van mijne oude kamer te

kijken; het kindje van dokter Chillip zat over den schouder van het

kindermeisje heen, met zijn logge hoofdje te knikkebollen en keek met

zijn uitpuilende oogjes voortdurend naar den predikant; mijnheer Omer

stond een weinig achteraf naar adem te hijgen; andere belangstellenden

waren er niet. Wij bleven ongeveer een uur lang op het kerkhof

wandelen, nadat de plechtigheid was afgeloopen, en plukten eenig jong

groen van den boom boven mijn moeders graf.

Een gevoel van angst bekruipt me, terwijl ik nu met mijn verhaal

voortga. Er schijnt een dreigende wolk te hangen boven de stad,

waarheen ik na de begrafenis alleen terugkeerde. Ik huiver bij de

herinneringen aan hetgeen dien zelfden noodlottigen avond voorviel,

alsof het zich zal herhalen indien ik het neerschrijf. En toch, het is

geschied; mijn schrijven kan er niets aan veranderen; zelfs al liet ik

die onwillige hand op mijn papier vastspijkeren—er zou niets meer aan

te veranderen zijn.

Er was afgesproken dat Peggotty den volgenden dag met mij naar Londen

zou gaan, ten einde de zaken van het testament te regelen. Kleine Emily

had den dag van de begrafenis bij de Omers doorgebracht en des avonds

zouden wij allen bijeenkomen in baas Peggotty's woning. Ham zou Emily

op het gewone uur daar brengen.

Terwijl Peggotty en haar broeder op dezelfde wijze als zij gekomen

waren terugkeerden, en ons des avonds bij den haard zouden opwachten,

nam ik aan het hek van het kerkhof afscheid van hen, waar in vroegere

dagen een denkbeeldige Straps met Roderick Random's knapzak had staan

rusten. In plaats van den kortsten weg te kiezen, sloeg ik dien naar

Lowestoft in en keerde van daar naar Yarmouth terug. Ik gebruikte

het middagmaal in een eenvoudige herberg op een paar mijlen afstands

van de overvaart, waarvan ik vroeger heb melding gemaakt; toen ik

daar aankwam, was de avond reeds ingevallen. Het regende hevig, maar

aangezien de maan nu en dan achter de wolken te voorschijn kwam, was

het niet donker.

Al heel spoedig kreeg ik het licht van baas Peggotty's woning in het

gezicht en na nog een eind door het mulle zand gebaggerd te hebben,

stond ik voor de deur en ging binnen.

Het zag er daar buitengewoon gezellig uit. Baas Peggotty had zijn

avondpijpje gerookt en er waren reeds eenige toebereidselen gemaakt

voor het souper. Het vuur brandde helder, de asch was aangeveegd

en het kleine bankje voor Emily stond op de gewone plaats gereed.

Peggotty zat ook weder op haar oude plaatsje en keek rond alsof zij het

nooit verlaten had. De naaidoos met de St. Paulskerk op het deksel,

het elletje in het huisje, het stukje waskaars om den draad door te

halen—niets van dit alles scheen ooit van de plaats te zijn geweest.

Juffrouw Gummidge zat in haar oude hoekje een weinig te kniezen en keek

bijgevolg heel strak.

„Gij zijt de eerste, jongeheer Davy!” zei baas Peggotty, met een

gelaat, dat straalde van opgeruimdheid. „Gij zult die natte jas toch

niet aanhouden, mijnheer?”

„Dank u, baas Peggotty,” antwoordde ik, hem mijn overjas gevende om op

te hangen. „Mijn jas is droog.”

„Ja, dat is waar!” hernam hij, de hand op mijn schouder leggende. „Zoo

droog als kurk. Ga zitten, mijnheer. Het is niet noodig u nog welkom

te heeten, want gij weet, dat gij 't steeds zijt, van ganscher harte

welkom.”

„Dank u voor deze woorden, baas Peggotty; ik ben daarvan overtuigd.

Wel, Peggotty, hoe gaat het?” vroeg ik, haar een kus gevende. „En hoe

is 't met uwe gezondheid, moedertje?”

„Ha, ha, ha!” zei baas Peggotty lachend, terwijl hij in de handen

wreef, alsof hij zich verlicht voelde na al de droefheid van de laatste

dagen en zijne goedhartigheid deed hem daarbij voegen: „daar is geen

vrouw in de wereld, mijnheer—en ik heb haar dat al zoo dikwijls

gezegd—die zich over haar geweten minder bezorgd behoeft te maken

dan zij! Zij heeft haar plicht gedaan jegens den overledene en de

overledene weet dat; de overledene heeft het goed met haar gemaakt,

evenals zij het met den overledene heeft gedaan en.... en.... alles is

in orde....”

Juffrouw Gummidge slaakte een diepen zucht.

„Wees toch vroolijk, moedertje!” zei baas Peggotty, maar tegelijkertijd

schudde hij het hoofd, alsof hij ons te kennen wilde geven, dat de

laatste gebeurtenissen haar zonder twijfel den oude in het geheugen

moesten hebben geroepen. „Zit toch niet zoo te kniezen. Wees

vroolijk.... ge zult zien, dat dan alles van zelf gaat!”

„Bij mij niet, Dan,” antwoordde juffrouw Gummidge. „Ik zou alleen maar

nog beter gewaar worden, dat ik een ongelukkig schepsel ben.”

„Neen, neen,” zei baas Peggotty, zijn best doende om haar te troosten.

„Ja, ja, Dan!” zei juffrouw Gummidge. „Ik ben niet iemand, die wonen

moet met menschen, die geld geërfd hebben. Ik veroorzaak toch niets dan

narigheid. Het zou veel beter wezen als ik maar in een hofje was.”

„Maar, hoe zou ik al dat geld kunnen verteeren zonder u?” vroeg baas

Peggotty met een ernstig gezicht. „Wat praat gij toch? Heb ik u nu niet

meer noodig dan ooit?”

„Ik weet heel goed, dat ik nooit noodig ben geweest!” riep juffrouw

Gummidge op klagenden toon uit, „en nu zegt gij mij dit ook nog! Hoe

kon ik verwachten ooit noodig te zullen zijn, terwijl ik altijd zooveel

narigheid heb en zulk een ongelukkig schepsel ben!”

Baas Peggotty scheen ontsteld bij de gedachte, dat hij in staat zou

zijn geweest om iets te zeggen waarin hij van zooveel ongevoeligheid

blijk zou geven; maar Peggotty, die hem bij de mouw trok en het hoofd

schudde, voorkwam, een antwoord. Nadat hij juffrouw Gummidge eenigen

tijd met een droeven blik had aangestaard, keek hij naar de Friesche

klok, stond op, snoot de kaars en zette die in het venster.

„Ziezoo,” sprak hij, „als naar gewoonte geïllumineerd, vrouwtje.”

Hij keek bij deze woorden naar juffrouw Gummidge, die niets deed dan

zuchten. „Dat is voor de kleine Emily, want het pad is nu zoo donker;

als ik aan wal ben, doe ik dat altijd, op het uur dat zij gewoonlijk

thuis komt. Ik heb daarvoor twee redenen,” ging hij opgeruimd voort.

„Emily zegt dan: ‚daar is ons huis.’ En dan zegt zij ook: ‚Daar is mijn

oom’; want als ik niet thuis ben, schijnt het licht niet.”

„Gij kunt doen als een kleine jongen,” zei Peggotty, hoewel zij zeer

ingenomen was met alles wat hij zeide en deed.

„Wel,” antwoordde baas Peggotty, terwijl hij met zijn beenen ver van

elkaar stond en vergenoegd in zijn handen wreef, nu eens naar ons dan

weder naar het vuur kijkende, „het is wel mogelijk dat ik het ben.

Niet, om te zien begrijpt ge!”

„Niet precies,” zei Peggotty.

„Neen,” hernam baas Peggotty lachend, „niet om te zien, maar in mijn

doen en laten, nietwaar? Ik kan het niet helpen en het kan mij ook

niet schelen, och Heere neen! Maar nu zal ik u eens wat vertellen. Als

ik naar dat mooie huisje van onze Emily ga kijken, dan... dan mag ik

gekielhaald worden... daar!” riep hij met klem uit, „meer kan ik niet

zeggen... dan heb ik het gevoel alsof al die kleine mooie dingen kleine

Em'ly zelve zijn. Ik durf er niets van aanraken en zou onmogelijk iets

van dat alles hard kunnen behandelen. En zoo is het ook met hare kleine

hoedjes en met alles. Ik durf ze nauwelijks opnemen en zet ze terstond

weder neer. Daar hebt gij nu een kleinen jongen in den vorm van een

grooten zeeëgel!” riep hij schaterlachend uit.

Peggotty en ik lachten ook, doch niet zoo luid.

„Het komt zeker,” ging hij na eenigen tijd zijne knieën te hebben

gewreven, voort, „omdat ik zooveel met haar gespeeld heb; nu eens was

ik een Turk, dan weder een Franschman of een haai en zoo meer... goede

Hemel, ja... en leeuwen en walvisschen hebben wij samen voorgesteld en

wat niet al, toen zij nog niet hooger kwam dan mijne knieën. Ik was er

zoo aan gewend, begrijpt ge? En deze kaars! Ik weet zeker dat ik die

nog daar zal neerzetten als zij al lang getrouwd en van ons weggegaan

is. Ik weet zeker dat, wanneer ik 's avonds hier ben—en waar zal ik

anders gaan wonen al heb ik nu zooveel geld gekregen?—en zij niet hier

is en ik niet daar ben, ik de kaars voor het venster zal zetten en zelf

bij de kachel zal gaan zitten, alsof ik haar opwacht evenals nu. Zeg nu

maar dat ik doe als een kleine jongen!” riep hij lachend. „Wel, op dit

oogenblik, als ik de kaars zie opflikkeren, zeg ik tegen mij zelven:

„Zij kijkt er naar! Emily komt!” Een kleine jongen in den vorm van een

zeeëgel, hahaha! En toch heb ik gelijk.” Zoo eindigde hij wat minder

luidruchtig, „want daar komt zij aan!”

Ham kwam echter alleen. Het weer scheen ruwer te zijn geworden, want

hij had een grooten zuidwester op, die zijn gezicht half bedekte.

„Waar is Em'ly?” vroeg baas Peggotty. Ham maakte een beweging met het

hoofd, alsof hij wilde zeggen dat zij buiten stond. Baas Peggotty nam

de kaars van het venster, snoot die, zette den kandelaar op tafel en

ging het vuur wat opporren, terwijl Ham, die onbewegelijk op dezelfde

plek was blijven staan, zeide:

„Komt gij eens even buiten, jongeheer Davy? Gij moet eens zien wat

Em'ly en ik voor u hebben meegebracht.”

Wij gingen naar buiten, maar toen ik hem voorbijging zag ik, dat hij

doodsbleek was. Hij duwde mij snel de deur uit en sloot die achter ons.

Achter ons beiden, alleen.

„Wat scheelt u, Ham?”

„Jongeheer Davy!”—Hij kon niet spreken; hij schreide....

Ik stond eveneens sprakeloos bij het zien van zijne hartstochtelijke

droefheid. Ik weet niet wat ik op dat oogenblik dacht of vreesde. Ik

kon slechts kijken naar hem.

„Ham! Beste, arme kerel! Vertel mij in 's Hemels naam wat er gebeurd

is.”

„O, jongeheer Davy, mijn innig geliefd meisje, mijn trots, mijn hoop,

voor wie ik mijn leven zou gegeven hebben en nog geven wil—is weg!”

„Weg?”

„Em'ly is weg! O, jongeheer Davy en hoe! Denk eens, dat ik mijn goeden

en barmhartigen God bid, haar, die ik boven alles liefhad, te dooden,

ten einde haar voor onheil en schande te bewaren!”

Wanneer ik in mijne gedachten die groote eenzame vlakte voor mij zie,

komen mij altijd zijn door smart verwrongen gelaat, zijne smeekend

opgeheven handen, zijne ineengekrompen gestalte voor den geest. Het is

altijd nacht en ik zie niets dan Ham.

„Gij hebt veel geleerd,” zei hij haastig, „en zult dus wel weten wat

het beste is. Wat moet ik daar, binnen, zeggen? Hoe zal ik er ooit over

kunnen spreken tot hem, jongeheer Davy?” Ik zag de deur bewegen en deed

onwillekeurig een poging om de klink vast te houden, ten einde nog een

oogenblik tijd te winnen. Het was te laat. Baas Peggotty stak het hoofd

buiten de deur, maar nimmer, al word ik vijfhonderd jaar, zal ik de

verandering vergeten, die daar op zijn gelaat plaats had, toen hij ons

beiden zag staan.

Ik herinner mij niets meer dan groot gejammer en geschrei; ik zie nog

hoe die beide vrouwen zich aan hem vastklemden en hoe wij allen in de

kamer stonden; _ik_ met een papier in de hand, dat Ham mij gegeven had;

baas Peggotty met het vest losgerukt, de haren woest om het hoofd,

marmerbleek gelaat en vale lippen, bloed op zijne borst—het was

waarschijnlijk uit zijn mond gevloeid—en met den blik onafgewend op

mij gevestigd.

„Lees het voor, mijnheer,” zei hij met zachte, trillende stem.

„Langzaam als 't u belieft. Ik weet niet of ik het zal kunnen

begrijpen.” Te midden van de doodsche stilte las ik.

„Wanneer gij, die mij allen zoo liefhebt, veel meer dan ik ooit

heb verdiend, zelfs toen mijn hart nog rein was, dit leest, zal ik

reeds ver weg zijn.”

„Zal ik ver weg zijn”, herhaalde baas Peggotty langzaam. „Wacht even!

Em'ly ver weg. Goed!”

„Wanneer ik mijn dierbaar huis verlaat, mijn dierbaar huis

verlaat... o, dat innig geliefde huis.... wanneer ik het morgen

verlaat”—de brief was gedateerd op den vorigen avond—„zal het

zijn om er nimmer terug te keeren, tenzij hij mij terugbrengt

als zijne vrouw. Gij zult dezen brief morgen avond vinden, vele

uren nadat ik weg ben. O, als gij wist hoe deze daad mijn hart

verscheurt. O, als gij, wien ik zooveel onrecht heb aangedaan,

en die mij nimmer vergiffenis zult kunnen schenken, wist hoeveel

ik lijd. Ik ben te slecht om over mij zelve te kunnen schrijven.

Troost u met het denkbeeld, dat ik zoo slecht ben. Wees barmhartig

en zeg aan oom, dat ik nooit zooveel van hem hield als op dit

oogenblik. O, denk toch niet aan al uwe liefde en goedheid voor

mij.... vergeet dat wij man en vrouw zouden worden.... maar denk

aan mij, alsof ik heel klein gestorven en ergens begraven ware.

Smeek den Hemel, dien ik ontvluchten wil, dat Hij medelijden hebbe

met mijn oom. O, ik had hem nooit zoo lief als op dit oogenblik.

Wees hem tot troost. Mocht gij een lief meisje vinden, dat mijne

plaats kan innemen bij oom en dat u trouw en waardig is en zich

over niets kan te schamen hebben dan over mij. God zegen u allen!

Ik zal dikwijls op mijne knieën voor u allen bidden! Als hij mij

niet als zijne vrouw terugbrengt en ik niet meer voor mij zelven

bid, zal ik toch bidden voor u allen. Breng mijn laatsten groet,

mijne laatste tranen, mijn laatsten dank aan oom!”

Dat was alles. Nog lang, nadat ik geëindigd had, bleef baas Peggotty

mij zwijgend aanstaren. Eindelijk waagde ik het zijne hand te nemen

en, zoo goed als ik kon, hem te smeeken tot kalmte te komen. „Dank u,

mijnheer,” antwoordde hij, „dank u!” Hij bewoog zich echter niet.

Ham sprak hem aan en hij toonde zich in zoo ver gevoelig voor diens

smart, dat hij zijne hand nam, maar overigens bleef hij onbewegelijk

staan en niemand durfde hem storen.

Eindelijk wendde hij de oogen van mijn gelaat af, alsof hij uit een

droom ontwaakte, en keek de kamer rond. Daarna sprak hij met zachte

stem:

„Wie is die hij? Ik moet zijn naam weten.” Ham keek mij aan en

plotseling voer mij een schok door de leden, zoodat ik bijna achterover

tuimelde.

„Er wordt iemand verdacht,” hernam baas Peggotty. „Wie is het?”

„Jongeheer Davy!” smeekte Ham. „Ga een oogenblik naar buiten en laat

mij hem vertellen wat ik verplicht ben. Gij behoeft het niet te hooren.”

Opnieuw voelde ik dien schok. Ik zonk in een stoel neer en trachtte een

antwoord te vinden, maar mijne tong was verlamd en er lag een floers

voor mijn oogen.

„Ik moet zijn naam weten,” hoorde ik nogmaals zeggen.

„Eenigen tijd geleden,” stotterde Ham, „is hier nu en dan een knecht

geweest. Ook is er een heer geweest. Zij behoorden bij elkander.”

Baas Peggotty stond nog onbewegelijk op dezelfde plaats, maar staarde

nu Ham aan.

„Die knecht,” ging Ham voort, „is gisteren avond met ons....

arme meisje.... gezien. Hij heeft zich hier langer dan eene week

schuilgehouden. Men dacht dat hij weg was, maar hij hield zich schuil.

Blijf toch niet hier, jongeheer Davy, doe het toch niet!”

Ik voelde Peggotty's arm om mijn hals, maar ik zou mij niet hebben

kunnen bewegen al was het huis boven mij ingestort.

„Een vreemd rijtuig met vreemde paarden stond van morgen buiten de

stad, op den weg naar Norwich, even voor het aanbreken van den dag,”

ging Ham voort. „De knecht ging er heen en keerde terug en ging er

nogmaals heen. Toen hij er de laatste maal heenging was Em'ly bij hem.

En die andere zat in het rijtuig. Dat is die man.”

„In 's Hemelsnaam,” riep baas Peggotty, terwijl hij achteruit deinsde

en zijne hand uitstak, alsof hij iets van zich wilde afhouden, waarvoor

hij bevreesd was, „zeg in 's Hemelsnaam niet dat die man Steerforth

heet!”

„Jongeheer Davy,” riep Ham stotterend, uit, „ik beschuldig u geen

oogenblik.... gij zijt er geheel onschuldig aan.... maar zijn naam is

Steerforth en hij is een verdoemde schurk!”

Baas Peggotty sprak geen woord, stortte geen tranen en bewoog zich

niet, tot hij plotseling scheen te ontwaken en zijn overjas van den

spijker afrukte.

„Help eens een handje! Ik weet niet wat mij scheelt, maar ik kan het

niet doen!” sprak hij op ongeduldigen toon. „Help mij een handje! Goed

zoo!”—Een van allen had hem de jas helpen aantrekken.—„Geef mij nu

mijn hoed!”

Ham vroeg waar hij heenging.

„Ik ga mijn nichtje opzoeken. Ik ga Em'ly opzoeken. Eerst ga ik die

boot in elkaar trappen en laten zinken op dezelfde plek, waar ik

hem zou hebben laten verdrinken, zoo waar ik leef, zou hebben laten

verdrinken, indien ik geweten had welk een lange ziel in hem stak.

Toen hij daar zoo voor mij zat,” vervolgde hij woest, terwijl hij de

gebalde rechtervuist uitstak, „toen hij daar zoo voor mij zat... ik mag

gekielhaald worden, als ik hem niet had laten verdrinken en gemeend had

een goed werk te doen... Ik ga mijn nichtje opzoeken.”

„Waar?” riep Ham, terwijl hij zijn oom in den weg ging staan.

„Overal! Ik ga mijn nichtje opzoeken... door de geheele wereld! Ik ga

mijn nichtje opzoeken in hare schande en breng haar terug. Houdt mij

niet tegen! Ik zeg u, ik ga mijn nichtje opzoeken!”

„Neen, neen!” riep juffrouw Gummidge, terwijl zij luid schreiende voor

hem op de knieën viel. „Neen, neen, Dan, niet in dezen toestand. Ga

haar over eenige dagen opzoeken, mijn beste ongelukkige Daniël, dat

zal veel beter zijn! Maar niet in deze stemming! Ga zitten en schenk

mij vergiffenis omdat ik u altijd tot last ben geweest, Daniël! Wat

beteekenen mijne narigheden bij dit ongeluk! Laat ons praten over den

tijd, toen zij pas een weesje was en toen Ham pas een wees was en toen

gij mij, als arme, verlaten weduwe, in uw huis naamt, Dan. Dat zal

balsem zijn op uw arme hart,”—zij legde haar hoofd tegen hem aan, „dat

zal u troost schenken in uw bitter verdriet, want gij kent het woord,

Daniël: ‚Gelijk gij aan de minste van deze gedaan hebt, hebt gij aan

mij gedaan,’ dat kan nimmer falen onder dit dak, waaronder wij allen

zoo vele, vele jaren een schuilplaats hebben gevonden.”

Hij was kalm geworden door deze toespraak en toen ik hem hoorde

schreien, maakte de opwelling om voor hem op de knieën te vallen en hem

vergiffenis te smeeken voor de ellende, die ik over hen had gebracht,

en om Steerforth te vervloeken, plaats voor een beter gevoel. Mijn

overkropt gemoed vond dezelfde verlichting—ik barstte in tranen uit.

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 44 / 79 题