XXX.

Een verlies.

Dienzelfden avond nog stapte ik aan de herberg te Yarmouth af. Ik wist

dat Peggotty's kleine kamertje—mijn kamertje—waarschijnlijk al heel

spoedig in gebruik zou moeten worden genomen, wanneer de groote Gast,

voor wien al wat leeft moet plaats maken, zijn intrek in de woning

nemen zou; ik ging dus naar de herberg en bestelde daar een kamer.

Te tien uur 's avonds ging ik uit. Reeds waren vele winkels gesloten en

de straten eenzaam en verlaten. Toen ik bij Omer en Joram kwam, waren

de luiken reeds voor de ramen, maar de deur stond nog open. Ik zag

mijnheer Omer met de pijp in den mond bij de kamerdeur zitten, ging den

winkel binnen en vroeg hoe hij het maakte.

„Wel, heb ik nu ooit van mijn leven!” riep mijnheer Omer, „hoe staat

het met uw eigen gezondheid? Ga zitten. De rook hindert u immers niet?”

„Volstrekt niet,” antwoordde ik. „Ik houd er veel van—uit de pijp van

een ander tenminste.”

„Wat, rookt gij zelf niet?” vroeg mijnheer Omer lachend. „Zooveel te

beter, mijnheer. Een slechte gewoonte voor jonge menschen. Ga zitten.

Ik _moet_ wel rooken—tegen het asthma.”

Mijnheer Omer was opgestaan om mij een stoel aan te bieden. Thans zat

hij weer geheel buiten adem, terwijl hij aan zijn pijp trok, alsof

daarin het heulsap verborgen was, dat hem in het leven moest houden.

„Het spijt mij, dat ik zulke slechte tijding omtrent Barkis gekregen

heb,” zei ik.

Mijnheer Omer keek mij strak aan en schudde het hoofd.

„Hebt gij van avond ook iets omtrent hem gehoord?” vroeg ik.

„Ik had u dezelfde vraag willen doen, mijnheer,” antwoordde mijnheer

Omer, „maar ik heb het uit kieschheid nagelaten. Het is de schaduwzijde

van ons vak. Als iemand ziek is, durven wij bijna niet naar zijn

toestand informeeren.”

Dit bezwaar was niet in mij opgekomen, hoewel ik, binnengaande, wel

gevreesd had het oude deuntje te zullen hooren. Nu er over gesproken

werd moest ik het echter erkennen en deed dit ook.

„Ja, ja, gij begrijpt het wel,” zei mijnheer Omer hoofdschuddend. „Wij

kunnen dat niet doen. Goede Hemel, de meeste zieken zouden den schok

niet te boven komen, wanneer men hun zei: „compliment van Omer en Joram

en hoe het van morgen—of van avond—met u is?””

Wij knikten elkander toe en mijnheer Omer riep zijn pijp te hulp om

weder bij adem te komen.

„Ons beroep houdt ons daarom terug van beleefdheden, die wij anders

gaarne zouden bewijzen,” hervatte hij. „Al heb ik Barkis wellicht

veertig jaar lang zien voorbijrijden, kan ik nu toch niet naar zijne

vrouw gaan en vragen: Hoe gaat 't met hem?”

Ik voelde dat het hard was voor mijnheer Omer en zei hem dat.

„Ik geloof niet, dat ik baatzuchtiger ben dan andere menschen,”

vervolgde hij. „Kijk mij maar eens aan! Ieder oogenblik kan mijn adem

mij begeven en het is niet waarschijnlijk, dat ik dan, bij mijn weten

namelijk, baatzuchtig zijn zal. Ik zeg ‚het is niet waarschijnlijk’

voor iemand, die weet, dat als eenmaal zijn adem hem begeeft, de

omstanders zullen meenen, dat er een blaasbalg knapt.... en die man is

nog wel grootvader.”

„Dat geloof ik ook niet,” zei ik.

„Ik kan volstrekt niet klagen over mijn beroep,” ging hij voort.

„Volstrekt niet. Elk beroep heeft zijn voor- en nadeelen. Ik zou echter

wel wenschen, dat men in het algemeen wat minder bevooroordeeld was.”

Met een gezicht, dat blonk van vergenoegdheid, blies hij na deze

woorden zwijgend eenige rookwolken na elkander uit en daarna zei hij,

op het begin van ons gesprek terugkomende: „Willen wij daarom weten

hoe het met Barkis gaat, dan moeten wij ons bepalen tot de berichten,

die de kleine Emily medebrengt. Zij weet wel wat de reden is waarom

wij het zelf niet vragen en koestert even weinig achterdocht omtrent

ons, alsof wij allen lammeren waren. Minnie en Joram zijn juist naar

haar toegegaan—zij is des avonds bij hare tante om te helpen—om te

vragen hoe het van avond met den zieke is; zoo gij dus wilt wachten tot

zij terugkomen, kunt gij alle bijzonderheden vernemen. Wilt gij niet

wat gebruiken? Een glas rumgrog bijvoorbeeld? Ik gebruik dat zelf ook

bij mijne pijp, omdat men beweert, dat het de wegen verzacht, waar die

lastige adem langs moet gaan. Maar, goede Hemel!” voegde hij er bij:

„het zijn de wegen niet die ziek zijn! ‚Geef mij maar adem genoeg’ zeg

ik dikwijls tegen mijn dochter Minnie, ‚dan zal _ik_ er de wegen wel

voor vinden, beste meid.’”

Hij kon op dit oogenblik volstrekt geen adem krijgen en het was

angstverwekkend hem te zien lachen. Toen hij weder zoo ver was, dat ik

met hem kon spreken, bedankte ik voor de aangeboden verfrissching, die

ik afsloeg omdat ik pas gegeten had; ik verklaarde echter gaarne te

willen wachten, zooals hij de goedheid gehad had mij aan te bieden, tot

zijne dochter en zijn schoonzoon terugkwamen. Intusschen vroeg ik hoe

de kleine Emily het maakte.

„Wel, mijnheer,” antwoordde mijnheer Omer, de pijp uit den mond nemende

ten einde zijne kin te wrijven, „als ik u de waarheid mag zeggen .....

ik zal blijde zijn als zij goed en wel getrouwd is.”

„Hoe zoo?” vroeg ik.

„Zij is zoo wonderlijk tegenwoordig. Niet dat zij niet zoo lief is als

vroeger, neen, zij is liever ... ik verzeker u dat zij liever is. Ook

is het niet omdat zij niet zoo goed werkt als vroeger, volstrekt niet,

want dat doet zij wel. Zij _was_ zoo goed als zes anderen en _is_ zoo

goed als zes anderen. Maar, als ik het zoo eens zeggen mag: het is met

haar hart niet in orde. Ik weet niet of gij begrijpt wat ik in het

algemeen met deze woorden bedoel,” vervolgde mijnheer Omer, na nogmaals

zijne kin gewreven en eenige trekjes aan zijne pijp gedaan te hebben.

„Als ik zeg: ‚Allo mannen, nog één ruk, en nog een fikschen ruk,

hoera!’ dan geloofde ik dat ik zoo ongeveer uitdruk wat ik in Emily

mis.”

Mijnheer Omer's gezicht en zijne gebaren waren zoo welsprekend, dat ik

met een gerust geweten kon knikken alsof ik zijne bedoeling begreep.

Mijne vlugheid van begrip scheen hem te bevallen, want hij ging voort:

„Nu, ik beschouw dit als een gevolg van de onzekerheid, waarin zij

verkeert, begrijpt gij. Ik heb daarover lang en breed gepraat met haar

oom en haar aanstaanden man; maar ik voor mij blijf het beschouwen als

een gevolg van de onzekerheid waarin zij verkeert. Gij moet altijd

bedenken,” vervolgde hij, al met het hoofd schuddende, „dat zij een

buitengewoon gevoelig, hartelijk klein ding is. Het spreekwoord zegt:

‚Men kan uit een varkensoor geen zijden beursje maken,’ maar dat geef

ik nog niet zoo grif toe. Ik geloof dat men het wel kan, als men maar

vroeg begint. Zij heeft van die oude schuit een huis gemaakt, mijnheer,

waarbij menig ander van hardsteen en marmer niet te vergelijken is wat

gezelligheid betreft.”

„O, dat heeft zij zeker!” verklaarde ik.

„Het is een genot te zien hoe innig veel zij houdt van haar oom,”

vervolgde mijnheer Omer, „hare aanhankelijkheid wordt bij den dag

grooter. Nu, als dat het geval is moet er strijd gevoerd worden in haar

hartje, dat kan niet anders. Maar waarom moet die langer duren dan

noodig is?”

Ik luisterde met aandacht naar den goeden, ouden man en stemde van

ganscher harte in met hetgeen hij zeide.

„Ik heb hun daarom het volgende gezegd,” ging hij voort op een toon,

waarin eenige zelfvoldoening niet te miskennen was, „ik zeide: ‚Gij

behoeft Emily op geenerlei wijze gebonden te achten. Volstrekt niet.

Bepaal zelf maar den tijd. Zij heeft veel meer diensten bewezen dan ik

kon vermoeden; zij heeft ook veel vlugger geleerd dan ik kon vermoeden;

Omer en Joram kunnen een streep halen door hetgeen nog blijft staan en

zij is vrij, wanneer zij den wensch maar te kennen geeft. Wil zij een

schikking treffen om later nog eens een kleinigheid thuis voor ons te

doen, heel goed. Doet zij dat niet—ook goed. Wij zijn in geen enkel

opzicht bij haar te kort gekomen.’ Want, ziet ge,” vervolgde hij,

terwijl hij mij even met zijne pijp aanraakte, „een man met zoo weinig

adem als ik en dan nog wel een grootvader kan zulk een lief bloempje

met zulke heerlijke blauwe oogen den voet niet dwars zetten.”

„Neen, natuurlijk niet!” riep ik uit.

„Natuurlijk niet! Dat zegt gij goed! Welnu, mijnheer, haar neef—gij

weet dat zij met haar neef gaat trouwen?”—

„O, ja,” antwoordde ik. „Ik ken hem heel goed.”

„Ja, dat is waar ook, gij kent hem; welnu, haar neef schijnt goed werk

te hebben en ook een flink werkman te zijn; hij bedankte mij op zeer

manlijke wijze—over het geheel dwingt zijn gedrag eerbied af—en

huurde zulk een allerliefst klein huisje, als gij of ik ons maar zouden

kunnen wenschen. Dat kleine huisje is nu geheel gemeubileerd, zoo

keurig en gezellig als een poppenkamertje en als de ziekte van Barkis

niet een spaak in het wiel had gestoken, zouden zij al man en vrouw

zijn. Nu is het huwelijk echter uitgesteld.”

„En is Emily nu niet meer zoo ongedurig?” vroeg ik.

Hij wreef zijn kin weder met zijne pijp en antwoordde: „dat zou buiten

alle verwachting zijn. Het vooruitzicht van de verandering en de

scheiding, alles is nu zoowel nabij als veraf. De dood van Barkis zou

geen reden zijn tot uitstel, maar indien hij bleef sukkelen, zou het

huwelijk zeker uitgesteld worden. Hoe het zij, het is, zooals gij ziet,

een onzekere toestand voor haar.”

„Dat is zoo,” gaf ik toe.

„Ten gevolge daarvan,” ging mijnheer Omer voort, „is Em'ly niet zoo

opgewekt als vroeger en wat gejaagd. Het schijnt wel dat zij bij den

dag meer van haar oom gaat houden en het haar hoe langer hoe meer

moeite zal gaan kosten om van hem en ons te scheiden. Een vriendelijk

woord van mij brengt telkens tranen in haar oogen en als gij haar bezig

zaagt met Minnie's kleine meid, zoudt gij een tooneeltje zien dat gij

nimmer vergeet. Het is verbazend zooveel als zij van dat kind houdt!”

Nu de gelegenheid zoo gunstig was vroeg ik mijnheer Omer, eer ons

gesprek door de thuiskomst van zijne dochter en haar man werd

verstoord, of hij in den laatsten tijd ook iets van Martha gehoord had.

„Och,” antwoordde hij, hoofdschuddend en met een bedrukt gezicht, „niet

veel goeds. Dat is eene treurige geschiedenis, mijnheer, van welken

kant gij die ook bekijkt. Ik heb nooit gedacht dat er kwaad in dat

meisje stak en zou het ook nu nog niet in tegenwoordigheid van mijne

dochter durven uitspreken—zij zou mij dat niet vriendelijk afnemen.

Geen van ons heeft ooit iets kwaads achter haar gezocht.”

Mijnheer Omer hoorde zijne dochter aankomen en raakte mij daarom even

met zijne pijp aan, terwijl hij één oog waarschuwend dichtkneep. Zij

kwam in het volgende oogenblik met haar echtgenoot binnen.

De berichten, die zij van Barkis meebrachten, waren zoo slecht als ze

maar zijn konden; hij was voortdurend buiten kennis en dokter Chillip

had verklaard, dat, al kwamen alle professoren, doctoren en apothekers

er bij, de arme man niet meer kon geholpen worden.

Toen ik dit vernam en tevens hoorde dat baas Peggotty bij Barkis

was, besloot ik er heen te gaan. Ik zei mijnheer Omer en mijnheer

en juffrouw Joram goeden avond en begaf mij in eenigszins plechtige

stemming naar de woning van Barkis, die voor mijn gevoel een geheel

ander wezen was geworden.

Ik klopte zachtjes op de deur en werd door baas Peggotty open gedaan,

die niet zoo verbaasd was over mijne komst als ik gedacht had dat

hij zijn zou. Ook bij Peggotty maakte ik dezelfde opmerking, toen

zij beneden kwam, en sinds dien tijd heb ik dikwerf de ondervinding

opgedaan, dat men in afwachting van droeve gebeurtenissen niet vatbaar

is voor verrassingen.

Ik schudde baas Peggotty de hand en ging met hem naar de keuken, nadat

hij zachtkens de deur had gesloten. De kleine Emily zat bij de kachel

met de handen voor het gelaat en Ham stond bij haar. Wij spraken niet

dan op fluisterenden toon en luisterden intusschen naar alle geluiden

op de kamer boven ons. Toen ik den vorigen keer daar geweest was, had

ik er niet bij gedacht, hoe vreemd het was Barkis niet in de keuken te

zien; maar op dit oogenblik miste ik hem daar.

„Het is heel vriendelijk van u, jongeheer Davy”, zei baas Peggotty.

„Het is buitengewoon vriendelijk,” zei Ham.

„Emily, lieve,” riep baas Peggotty. „Zie eens hier! Jongeheer Davy is

gekomen! Kom, wees vroolijk! Hebt gij geen woord over voor jongeheer

Davy?”

Ik zie nu nog hoe zij zat te beven; ik voel nu nog haar koude handje in

de mijne. Het eenige teeken van leven, dat zij gaf, was dat zij hare

hand terugtrok; waarna zij opstond en naar haar oom sloop, om zich

zwijgend tegen hem aan te vlijen.

„Ze is zulk een lief hartje,” zei baas Peggotty terwijl hij

haar weelderigen haardos met zijn groote, ruwe hand streelde,

„de treurigheid hier grijpt haar zoo aan. Het is natuurlijk bij

jongelieden, die nog weinig verdriet hebben bijgewoond, jongeheer Davy,

heel natuurlijk.”

Zij drong zich nog dichter tegen hem aan, maar lichtte haar hoofd niet

op en sprak geen woord.

„Het is al laat, liefje,” hernam baas Peggotty, „en hier is Ham om u

naar huis te brengen. Kom, ga met dien besten jongen mede. Wat zegt ge

Em'ly? Wat is het, liefje?”

Het geluid harer stem was niet tot mij doorgedrongen, maar hij boog

zich voorover alsof hij luisterde naar hetgeen zij zeide.

„Bij uw oom blijven?” vroeg hij. „Dat meent gij immers niet! Bij uw oom

blijven, popje? Terwijl uw aanstaande man hier is om u naar huis te

brengen? Wie zou dat nu kunnen denken als men dat fijne poppetje naast

zulk een verweerden zeebonk, als ik ben ziet staan,” zei hij, met een

trotschen blik rondkijkende, „maar er is niet meer zout in de zee dan

liefde voor mij in dat kleine hartje—die malle, kleine Em'ly!”

„En Em'ly heeft gelijk, jongeheer Davy,” grinnikte Ham. „Maar, luister

eens. Als Em'ly het wenscht en als zij wat angstig is, laat haar dan

tot morgen hier blijven. En dan blijf ik ook maar.”

„Neen, neen,” zei baas Peggotty. „Dat moogt gij niet doen, dat gaat

niet aan voor een getrouwd man—ten minste zoo goed als een getrouwd

man—om zoo maar een dag te verzuimen. En—waken en werken gaan niet

samen. Gij moet naar huis en naar bed gaan. Ik beloof u goed op kleine

Em'ly te zullen passen.”

Ham liet zich overreden en nam zijn hoed op om heen te gaan. Zelfs

toen hij haar een kus gaf—ik zag nooit dat hij haar aanhaalde, maar

ik voelde dat moeder Natuur hem de kieschheid van een gentleman had

geschonken—scheen zij nog dichter tegen haar oom aan te dringen,

ten einde zich aan de liefkoozing van haar uitverkoren echtgenoot te

onttrekken. Ik sloot de deur achter hem, opdat de stilte door het

dichtslaan niet verstoord zou worden, en toen ik terug kwam, stond baas

Peggotty zacht met haar te praten.

„Nu ga ik naar boven,” zei hij, „om uwe tante te vertellen dat

jongeheer Davy hier is; dat zal haar wat opvroolijken. Ga intusschen

wat bij het vuur zitten en warm uw koude handjes eens. Gij behoeft u

niet zoo angstig te maken en het u niet zoo aan te trekken. Wat? Wilt

gij met mij meegaan? Nu, toe dan maar!....”

„Al werd haar oom uit huis en hof verjaagd en aan den dijk gezet,

jongeheer Davy,” zei hij met niet minder trotschheid dan zoo even, „zij

zou met hem meegaan, daarvan ben ik overtuigd! Maar er komt gauw iemand

anders, gauw.... iemand anders, Em'ly!”

Toen ik later de trap opging en langs mijn oude kamertje kwam, waarin

het donker was, meende ik, hoewel onduidelijk, te zien dat zij daar

languit op den grond lag. Maar, of zij het werkelijk, dan wel de

schaduw van een of ander voorwerp in de kamer was, durf ik niet met

zekerheid zeggen.

Ik had, voor het keukenvuur zittende, gelegenheid genoeg om aan Emily's

vrees voor den dood te denken—die ik voor de oorzaak hield van hare

vreemde wijze van doen, vooral na hetgeen mijnheer Omer mij verteld

had—en vóór Peggotty beneden kwam, had ik ook gelegenheid genoeg

om tot een zachter oordeel te komen over hare zwakheid, terwijl ik

naar het tikken van de klok hoorde en de plechtige stilte om mij heen

hoe langer hoe dieperen indruk op mij begon te maken. Peggotty sloeg

de armen om mijn hals en zegende en dankte mij, omdat ik zulk een

troost—zij gebruikte dit zelfde woord—was in hare droefheid. Zij

noodigde mij daarna uit om boven te komen, terwijl zij er snikkend

bijvoegde dat Barkis altijd zooveel van mij gehouden en mij zoo

bewonderd had; dat hij meermalen mijn naam genoemd had eer hij buiten

kennis was geraakt en dat, als hij nog tot bewustzijn kwam, mijne

tegenwoordigheid hem zeker goed zou doen, indien er ten minste nog iets

op de wereld was, dat hem zou kunnen goed doen.

Toen ik hem zag achtte ik het niet waarschijnlijk, dat hij nog tot

bewustzijn zou komen. Hij lag met het hoofd en de schouders buiten het

bed, in eene allerongemakkelijkste houding, half over den koffer heen

gebogen, die hem gedurende zijn leven zooveel onrust had veroorzaakt.

Men vertelde mij, dat toen hij niet meer uit het bed kon kruipen om den

koffer te openen en zich niet meer met de wichelroede, die ik hem had

zien gebruiken, van de aanwezigheid kon overtuigen, hij verlangd had

dat de koffer op een stoel naast zijn bed zou worden geplaatst en van

dien tijd af had hij er dag en nacht de armen om heen geslagen. Op dit

oogenblik lag hij er met den arm op. Zijn leven vlood heen, maar de

kist bleef en de laatste woorden, die hij uitte, waren: „Oude kleeren.”

„Barkis, beste man!” zei Peggotty bijna op opgeruimden toon, terwijl

haar broeder en ik aan het voeteneinde stonden, „hier is mijn lieve

jongen...... mijn lieve jongen..... jongeheer Davy, die ons bij

elkander heeft gebracht, Barkis! Dien gij de boodschap opdroegt,

Barkis! Zegt gij niets meer tegen jongeheer Davy?” Hij was even stom en

gevoelloos als de koffer.

„Hij zal met het getij uitzeilen,” zei baas Peggotty achter zijne hand.

Mijne oogen waren vochtig evenals die van baas Peggotty; maar ik

herhaalde op fluisterenden toon: „Met het getij?”

„Hier aan de kust,” antwoordde baas Peggotty, „kunnen de menschen niet

sterven of de eb moet in aantocht zijn. Zij kunnen niet geboren worden

of de vloed moet haast opkomen. Hij zal heengaan met de eb. Om half

vier is het eb en een half uur speling. Overleeft hij de eb, dan blijft

hij leven tot een half uur na den vloed, en gaat met de volgende eb

heen.”

Wij bleven wachten, langen tijd—uren achtereen. Ik zal niet beweren,

dat mijne tegenwoordigheid een geheimzinnigen invloed op hem had, maar

toen hij eindelijk met zwakke stem begon te ijlen, was zijn geest

verplaatst naar den dag, toen hij mij naar school reed.

„Hij komt bij,” zei Peggotty.

Baas Peggotty raakte mij even aan en fluisterde vol ontzag en eerbied:

„De eb zal beginnen; het is gedaan.”

„Barkis, beste man!” riep Peggotty.

„C. P. Barkis!” zei hij met zwakke stem. „Geen betere vrouw op de

geheele wereld!”

„Kijk eens! Hier is jongeheer Davy!” zei Peggotty, toen hij even de

oogen opende.

Ik was op het punt om hem te vragen of hij mij herkende, toen hij den

arm uitstak en, bepaald tot mij, zeide, met een vriendelijken glimlach:

„Barkis is klaar.”

Het was eb; hij zeilde uit met het getij.

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 43 / 79 题