XXXII.

Het begin van een lange reis.

Hetgeen in mij natuurlijk is, is het bij vele andere menschen ook,

naar ik vermoed; daarom aarzel ik niet neer te schrijven, dat ik nooit

zooveel van Steerforth gehouden had, als toen de band tusschen ons

voor eeuwig verbroken was. In mijne bittere droefheid na de ontdekking

van zijn onwaardig gedrag dacht ik meer dan ooit aan hetgeen, waardoor

hij boven anderen uitblonk, aan al zijne goede eigenschappen, ik deed

meer recht aan de hoedanigheden, die een man met een edel karakter en

een grooten naam van hem gemaakt zouden hebben, dan ik ooit gedaan had

in den tijd, toen ik de grootste vereering voor hem koesterde. Hoe diep

ik ook gevoelde welk een, hoewel onwillekeurig, aandeel ik gehad had

in zijn misdrijf, waardoor hij den eerlijken naam van deze gastvrije

woning had geschandvlekt, ik geloof toch, dat ik hem geen enkel verwijt

zou hebben kunnen doen, wanneer ik tegenover hem gestaan had. Hoewel

hij niet meer dien zekeren betooverenden invloed op mij had, zou ik

toch van hem gehouden hebben; de herinnering aan zijne vriendschap kon

niet zoo spoedig worden uitgewischt. Ik vermoed dat ik zoo weekhartig

zou gestemd zijn geweest als een bedroefd kind, maar nooit zou de

gedachte in mij zijn opgekomen dat wij weder vrienden zouden kunnen

worden. Ik herhaal dat die gedachte nooit in mij is opgekomen. Ik

voelde het, evenals hij het gevoeld had, dat alles uit was tusschen

ons beiden. Ik heb nooit geweten welke herinnering hij van mij bewaard

heeft—och, die is misschien vaag genoeg geweest om spoedig uitgewischt

te zijn—maar de mijne van hem was die van een dierbaren vriend die

gestorven was.

Ja, Steerforth moge reeds lang van het wereldtooneel zijn afgetreden,

de smart, die hij mij en, veel meer nog, dien anderen heeft aangedaan,

moge voor den troon des Eeuwigen Rechters getuigenis tegen hem hebben

afgelegd, geen toornige gedachte, geen verwijt van mij zullen hem

treffen.

Het nieuwtje was spoedig genoeg door de stad verspreid; zoo zelfs dat,

toen ik den volgenden morgen de straten doorliep, de menschen er op den

stoep hunner woning over stonden te praten.

Over haar oordeelden velen zeer hard, over hem minder, maar haar

tweede vader en haar verloofde wekten de algemeene deelneming op.

Onder alle klassen werd met den grootsten eerbied over hen gesproken

en de droevige geschiedenis met zachtheid en kieschheid behandeld. De

schippers bleven op een afstand, toen zij hen te zamen in den vroegen

morgen langs het strand zagen wandelen en bleven onder elkander praten,

vol medelijden over het ongeluk, dat hen getroffen had.

Ik vond hen aan het strand, dicht bij de zee. Het was hen aan te zien

dat zij dien nacht niet geslapen hadden; ik zou dit ook opgemerkt

hebben al had Peggotty mij niet verteld, dat zij des morgens nog op

dezelfde plek zaten als waarop ik hen den vorigen avond verlaten had.

Zij zagen er afgemat uit en, naar het mij voorkwam, was baas Peggotty's

gestalte meer gebogen in dezen éénen nacht dan in al den tijd, dien ik

hem gekend had. Zij waren echter beiden even ernstig en zwijgend als de

zee zelve, die op dit oogenblik zoo glad was als een spiegel onder den

donkergrijzen hemel; hoewel er toch eenige deining was alsof zij ook in

haar rust nog ademhaalde, terwijl de horizon door een breede, lichtende

streep was aangegeven.

„Wij hebben lang en breed gesproken over hetgeen ons te doen staat,”

zei baas Peggotty nadat wij met ons drieën eenigen tijd zwijgend langs

het strand hadden gewandeld. „Wij weten echter nog niet welken koers

wij uit moeten.”

Ik wierp toevallig een blik op Ham's gelaat, die naar het licht in

de verte stond te turen, en op dit oogenblik kwam er eene vreeslijke

gedachte in mij op; wel lag er geen toornige uitdrukking op zijn

gelaat, maar het verried zooveel kalme vastberadenheid, dat ik niet

kon nalaten te denken: „Indien hij ooit Steerforth ontmoet zal hij hem

dooden.”

„Mijn plicht is hier afgedaan, mijnheer,” hernam baas Peggotty, „ik

ga heen om mijn—,” hij hield even op en ging toen met vaster stem

voort, „ik ga heen om mijn nichtje te zoeken; dat is mijn eerste

plicht.” Hij schudde het hoofd, toen ik vroeg waar hij haar wilde

zoeken, en informeerde of ik den volgenden dag naar Londen terugging.

Ik antwoordde dat ik dienzelfden dag reeds zou zijn vertrokken, indien

ik niet gevreesd had de gelegenheid te zullen missen om hem op de eene

of andere wijze van dienst te kunnen zijn, maar dat ik ieder oogenblik

gereed was om met hem te vertrekken.

„Indien het u schikt zal ik morgen met u medegaan, mijnheer,” besloot

hij.

Nogmaals wandelden wij zwijgend eenigen tijd rond.

„Ham,” hernam hij een oogenblik later, „zal aan zijn werk blijven en

bij mijne zuster wonen. De oude boot ginds....”

„Wilt gij de oude boot verlaten, baas Peggotty?” vroeg ik vriendelijk.

„Mijn post, jongeheer Davy,” antwoordde hij, „is niet langer daar

ginds, maar ik wil niet dat de boot verlaten zal worden. Ver van daar!”

Wij wandelden nog eenigen tijd heen en weer, evenals te voren, tot hij

voortging:

„Ik verlang, mijnheer, dat de boot er dag en nacht, winter en zomer,

zal uitzien zooals ze er altijd heeft uitgezien, zoolang zij er gewoond

heeft. Mocht zij ooit terugkeeren, dan moet zij de oude woning nog

kunnen vinden, begrijpt gij? Dan moet die haar hoe langer hoe meer

tot zich trekken, en haar toelachen te midden van wind en regen en

haar naar haar oude plekje aan den haard lokken. En wanneer zij daar

dan niemand vindt dan juffrouw Gummidge, dan zal zij moed vatten en

binnenkomen en haar oude bedje opzoeken, om haar vermoeid hoofdje te

laten rusten.”

Ik kon niets antwoorden, hoewel ik beproefde eenige woorden te zeggen.

„Elken avond,” vervolgde baas Peggotty, „even geregeld als de zon

ondergaat, moet de kaars op het oude plekje voor het venster staan,

opdat zij het pad kan vinden en het haar toeschijne, alsof haar reeds

van verre werd toegeroepen: ‚Kom terug, mijn kind, kom terug!’ En als

er ooit geklopt wordt, Ham,—zoo zachtjes—aan de deur van uwe tante,

doe dan niet open. Laat zij mijn gevallen kind opendoen—gij niet!”

Hij liep een weinig vooruit en bleef eenige oogenblikken vóór ons. Ik

sloeg een blik op Ham's gelaat en ziende, dat er nog steeds dezelfde

uitdrukking op lag en dat zijn oogen nog altijd op den horizon

gevestigd waren, raakte ik even zijn arm aan. Tweemaal riep ik hem

bij zijn naam, zooals men iemand uit den slaap zou gewekt hebben, eer

hij mij scheen te hooren. Toen ik eindelijk vroeg waaraan hij op dat

oogenblik zoo ernstig dacht, antwoordde hij: „Aan hetgeen voor mij

ligt, jongeheer Davy, en aan de overzij.”

„Aan het leven, dat voor u ligt, bedoelt gij?”—Hij had met een

droomerigen blik naar de zee gewezen.

„Ach, jongeheer Davy, ik weet niet goed hoe ik het met mij zelven heb,

maar van de overzij schijnt het tot mij te komen—het einde er van,

bedoel ik.” Hij keek mij aan als iemand, die plotseling wakker wordt,

doch met dezelfde vastberaden uitdrukking.

„Welk einde?” vroeg ik onder den indruk van hetzelfde angstige gevoel

als zoo even.

„Ik weet het niet,” zei hij peinzend; „ik dacht er aan, dat alles hier

op deze plek is begonnen..... en dat toen het einde is gekomen. Maar

het is voorbij, jongeheer Davy, alles!” voegde hij er bij, vermoedelijk

als antwoord op mijn angstigen blik, „gij behoeft u niet ongerust te

maken over mij, maar ik zie alles nog zoo in een nevel en kan er niet

goed uit wijs worden.” Hij bedoelde daarmede dat zijne gedachten nog

wat verward waren.

Toen baas Peggotty bleef staan opdat we hem zouden inhalen, deden wij

dit zwijgend.

De herinnering aan dezen morgen, in verband met de gedachten, waarmede

ik vervuld was, doemde later telkens bij mij op, tot het onverbiddelijk

einde op den bestemden tijd kwam.

Wij waren intusschen ongemerkt de oude boot genaderd en traden binnen.

Juffrouw Gummidge zat nu niet meer in haar oude hoekje te kniezen, maar

was druk bezig met het ontbijt in gereedheid te brengen. Zij nam baas

Peggotty den hoed af, zette een stoel voor hem gereed en sprak zoo

zacht en zoo vriendelijk, dat ik haar nauwelijks herkende.

„Daniël, beste man,” sprak zij, „gij moet wat gebruiken en uwe krachten

bewaren, want zonder deze kunt gij niets uitrichten. Probeer het maar

eens, brave man! En als ik u hinder met mijn gerammel,”—zij bedoelde

met haar gebabbel—„zeg het dan gerust, Dan.”

Toen zij ons alle drie bediend had, nam zij bij het venster plaats en

begon met grooten ijver eenige hemden en andere kleedingstukken van

baas Peggotty te verstellen, waarna zij alles netjes opvouwde en in een

zak van geolied zeildoek bijeenpakte, zooals de matrozen medenemen,

wanneer zij aan boord gaan. Zij praatte intusschen op dezelfde kalme

wijze voort:

„Gij weet, Dan, dat ik hier altijd te vinden zal zijn, al blijft gij

ook jaren weg, en alles doen zal overeenkomstig uw verlangen. Ik heb

wel weinig geleerd, maar ik zal u dikwijls schrijven en mijn brieven

aan jongeheer Davy zenden. Wellicht zult gij mij ook nu en dan eens

schrijven, Dan, en mij vertellen hoe gij 't hebt op uwe eenzame,

treurige reis.”

„Ik vrees dat gij 't hier ook heel eenzaam hebben zult,” zei baas

Peggotty.

„Neen, neen, Dan,” antwoordde zij, „dat zal ik niet. Denk niet aan

mij. Ik zal genoeg te doen hebben met het huis in orde te houden tot

gij terugkomt, met alles in orde te houden voor ieder, die zou willen

terugkomen, Dan. Als het mooi weer is, ga ik aan de deur staan, zooals

ik altijd placht te doen. Mocht zeker iemand hier aankloppen, dan zal

zij in de verte reeds zien, dat de oude weduwvrouw trouw op haar post

is.”

Welk een verandering had daar in weinige uren bij juffrouw Gummidge

plaats gegrepen! Zij was een ander mensch geworden. Zij was zoo vol

toewijding; zij wist zoo goed te onderscheiden wat zij zeggen kon en

wat zij moest zwijgen; zij vergat zich zelve zoo geheel en ging zoo op

in het verdriet van de anderen, dat ik haar zwijgend eene eerbiedige

hulde bracht. En wat deed zij dien dag al niet af! Allerlei dingen

moesten van het strand naar huis worden gebracht, zooals riemen,

netten, zeilen, touwwerk, boomen, potten met kreeften, zakken met

ballast, en zoo meer; en hoewel er hulp in overvloed was,—er waren

handen genoeg, die voor baas Peggotty wilden werken, zonder eenige

belooning dan de vraag om het te doen—bleef zij den ganschen dag

zwoegen onder vrachten, waarvoor zij niet berekend was en deed zij

allerlei onnoodige boodschappen. In stede van te jammeren over haar

eigen rampen, scheen zij vergeten te hebben dat zij ze had. Te midden

van haar droefenis spreidde zij eene opgewektheid ten toon, waarover ik

mij telkens moest verbazen. Geen spoor van de gewone wreveligheid. Den

geheelen dag haperde haar stem geen oogenblik, noch bespeurde ik een

enkelen traan; maar toen de schemering was ingevallen en zij met baas

Peggotty en mij alleen was en baas Peggotty van vermoeidheid in slaap

was gevallen, brak zij in snikken uit. Zij nam mij mede naar de deur

en zeide zij: „God zegen u, jongeheer Davy, wees den armen, besten man

altijd een vriend en een steun!” Daarna snelde zij het huis binnen om

haar gezicht te wasschen, opdat hij haar kalm aan haar werk zou vinden

als hij wakker werd. Kortom, toen ik dien avond heenging, wist ik dat

zij een steun en eene troost zou zijn voor baas Peggotty en ik kon niet

lang genoeg nadenken over de les, die juffrouw Gummidge mij gegeven en

de nieuwe ervaring, die ik door haar opgedaan had.

In een treurige stemming wandelde ik tusschen negen en tien uur door

Yarmouth's straten en bleef voor de deur van mijnheer Omer staan. Zijne

dochter vertelde mij, dat haar vader zich het voorgevallene zoo had

aangetrokken, dat hij den geheelen dag ongesteld was geweest en zonder

pijp naar bed was gegaan.

„Zij is eene valsche, laaghartige meid,” zei juffrouw Joram. „Zij is

altijd slecht geweest, altijd!”

„Zeg dat niet,” antwoordde ik. „Gij meent het toch niet.”

„Ja, dat doe ik wel!” riep juffrouw Joram toornig uit.

„Neen, neen,” zei ik kalm.

Juffrouw Joram wierp het hoofd in den nek en deed haar best om zoo boos

en zoo stuursch mogelijk te kijken, maar zij kon haar beter-ik niet

onderdrukken en begon te schreien. Ik was nog jong, dat is waar; maar

deze uiting van medelijden deed mij goed en ik verbeeldde mij, dat haar

die, als deugdzame vrouw en moeder, veel beter stond!

„Wat moet er van haar worden!” snikte zij. „Waarheen zal zij gaan? Wat

kan zij beginnen? O, hoe kon zij zoo wreed zijn voor zich zelve en voor

hem!”

Ik herinnerde mij den tijd toen Minnie zelve nog een jong en mooi

meisje was en het verheugde mij te zien, dat zij zich dat ook

herinnerde en zooveel medelijden toonde.

„Mijn kleine Minnie,” sprak zij, „is juist in slaap gevallen, maar in

haar slaap snikte zij nog omdat Emily weg is. Den geheelen dag heeft

zij geschreid en mij telkens en telkens weer gevraagd waarom Emily

ondeugend is. En wat kan ik haar antwoorden, als ik bedenk hoe Emily

den laatsten avond, dien zij hier doorbracht, nog een lint van haar

eigen hals om dien van het kind bond en naast haar op het kussen bleef

liggen totdat het in slaap was. Het kind draagt het lint nog; dat is

misschien wel niet zooals het behoort, maar wat kan ik er aan doen?

Emily heeft slecht gehandeld, maar zij hielden zooveel van elkander,

zij en het kind! En het kind weet er niets van!”

Juffrouw Joram was zoo van streek, dat haar man in den winkel kwam om

haar tot kalmte te brengen. Ik liet hen alleen en ging naar de woning

van Peggotty, zoo mogelijk nog treuriger gestemd dan te voren. Dat

goede schepsel—ik bedoel Peggotty—hoewel nog onder den indruk van

haar eigen treurigheid en van de vele slapelooze nachten, was naar haar

broeder gegaan, bij wien zij tot den volgenden morgen dacht te blijven.

Er was niemand in huis dan eene oude vrouw, die in den laatsten tijd

het werk gedaan had, toen Peggotty daartoe niet in staat was geweest.

Aangezien ik hare diensten niet noodig had, liet ik haar naar bed

gaan, waartoe zij zich volstrekt niet ongenegen betoonde, en bleef nog

eenigen tijd bij het keukenvuur zitten, ten einde al het voorgevallene

te overpeinzen. Ik haspelde alles dooreen, Emily's vertrek, het

sterfbed van Barkis en dreef in gedachten met het tij mede naar de

overzijde, waarheen Ham's blik dien morgen gewend was geweest, toen ik

plotseling uit mijne droomerijen werd opgewekt door geklop op de deur.

Er was een klopper op de buitendeur, maar deze had het geluid niet

veroorzaakt. Er was met de hand geklopt op het onderste gedeelte van

de deur, alsof een kind het gedaan had.

Ik sprong zoo verschrikt op, alsof de lakei van een of ander voornaam

persoon had aangeklopt; maar toen ik de deur opende en naar beneden

keek, zag ik in het eerste oogenblik niets dan een reusachtige paraplu,

die daar op en neer scheen te wandelen. Weldra ontdekte ik echter, dat

niemand anders dan juffrouw Mowcher de draagster was.

Vermoedelijk zou ik dit wonderlijk schepseltje niet heel vriendelijk

ontvangen hebben, indien zij, na vergeefsche pogingen in het werk

gesteld te hebben om de paraplu dicht te doen, dezelfde kluchtige

uitdrukking op haar gelaat had gehad, die mij bij onze eerste en

eenige ontmoeting zoo had getroffen. Maar toen ik haar met haar

regenscherm—die eerder voor een reusachtigen Ier dan voor haar bestemd

scheen—geholpen had, keek zij mij zoo ernstig aan en wrong zij hare

kleine handjes zoo wanhopend, dat ik onmiddellijk in eene welwillende

stemming geraakte.

„Juffrouw Mowcher,” vroeg ik, na de ledige straat te hebben afgekeken,

zonder te weten wat ik eigenlijk nog meer verwachtte te zien, „wat komt

gij hier doen? Wat scheelt er aan?”

Zij beduidde mij met haar korte rechter armpje, dat ik haar de paraplu

zou afnemen en ging mij daarna voorbij naar de keuken. Toen ik de deur

gesloten had, volgde ik haar met de paraplu in de hand en vond haar op

een hoekje van den haardrand zitten—het was een breede, lage rand,

die aan de hoeken breed uitliep, ten einde er borden op te kunnen

plaatsen—in de schaduw van een grooten, koperen ketel, terwijl zij

haar lichaam onophoudelijk vooruit en achteruit bewoog en met de handen

over hare knieën wreef als iemand, die hevige pijn lijdt.

Ik was er een weinig verlegen mede, dat ik alleen zulk ontijdig bezoek

ontvangen en van dit zonderling gedrag getuige zijn moest en riep

nogmaals uit: „Maar zeg mij dan toch, juffrouw Mowcher, wat u scheelt!

Zijt gij ziek?”

„Beste jongen,” antwoordde juffrouw Mowcher met de hand op het hart,

„ik ben ziek, hier, erg ziek. O, het is zoo vreeselijk te moeten

bedenken, dat het zoover gekomen is, terwijl ik het had kunnen

verhinderen, als ik niet zulk eene onbedachtzame zottin geweest was!”

Opnieuw begon haar groote hoed, die, op den rand gezet, bijna zoo groot

was als het geheele persoontje, voor- en achterwaarts te gaan evenals

haar bovenlichaam; terwijl een hoed van reusachtige afmetingen dezelfde

beweging op den muur maakte.

„Het verbaast mij,” begon ik, „u zoo ernstig en zoo wanhopend te

zien....” Zij viel mij terstond in de rede:

„Ja, zoo is het altijd,” sprak zij. „Al die onbedachtzame jonge

menschen zijn verbaasd, wanneer zij een weinig natuurlijk gevoel

ontdekken in zulk een klein ding als ik ben. Zij beschouwen mij als een

stuk speelgoed, vermaken zich met mij en smijten mij weg, wanneer zij

mij moe zijn; terwijl zij zich verbazen als ik meer gevoel heb dan een

houten paardje of een tinnen soldaatje. Ja, ja, zoo is het! Zoo gaat

het altijd!”

„Dat moge bij anderen zóo zijn,” antwoordde ik, „maar ik verzeker u,

dat het bij mij niet zoo is. Wellicht had ik niet verbaasd mogen zijn

toen ik u zoo zag, maar ik ken u nog zoo weinig. Ik sprak een weinig

onbedachtzaam uit, hetgeen ik dacht.”

„Wat kan ik doen?” hernam het kleine vrouwtje opstaande, terwijl zij

hare armpjes uitstak om te toonen, hoe klein zij was. „Zie! Wat ik ben,

is mijn vader geweest en zijn mijn broeder en mijne zuster ook. Ik heb

hard gewerkt voor mijn broeder en zuster, mijnheer Copperfield, jaren

achtereen. Ik moet leven en doe geen mensch onrecht aan. En indien er

sommige menschen zoo wreed, zoo onbarmhartig zijn om den spot met mij

te drijven, wat blijft mij dan over dan met mij zelve en met hen en met

alles den spot te drijven? Wiens schuld is het, als ik het nu en dan

doe? De mijne?”

„Neen, de uwe niet,” antwoordde ik.

„Had ik een gevoelig hart getoond aan uw valschen vriend,” vervolgde

zij, terwijl zij haar hoofd schudde en mij met een ernstigen, bijna

verwijtenden blik aankeek, „zou hij mij dan ooit geholpen hebben? Zou

ik dan ooit op zijn gunst hebben mogen rekenen? Als de kleine Mowcher,

die toch niet kan helpen, dat zij zoo mismaakt is, zich om haar

ongelukkigen toestand tot hem en zijns gelijken gewend had, zou haar

zwakke stem dan ooit zijn gehoord? En toch zou diezelfde kleine Mowcher

hebben moeten leven, al was zij de domste en ongenaakbaarste van alle

dwergen geweest. Zij zou naar haar brood hebben kunnen fluiten, tot zij

zich dood gefloten had. Neen, neen, dat kon niet!”

Juffrouw Mowcher nam opnieuw plaats op den haardrand, haalde haar

zakdoek te voorschijn en wischte haar oogen af.

„Verheug u met mij, indien gij het hart op de rechte plaats

hebt—waaraan ik niet twijfel—,” sprak zij, „dat ik vroolijk en

tevreden zijn kan, niettegenstaande ik weet wat ik ben. Ik ben in

elk geval blijde, dat ik mijn weg kan vinden door de wereld, zonder

van iemand afhankelijk te zijn; al wat mij uit spotternij of uit

onbedachtzaamheid naar het hoofd wordt geworpen, laat mij koud. Het is

voor mij zelve het best en tot niemand's nadeel, dat ik maar niet peins

of mok over hetgeen ik missen moet. Ik ben nu eenmaal voor u, reuzen,

een stuk speelgoed; het eenige wat ik vraag, is: behandel mij niet te

ruw.”

Juffrouw Mowcher stak den zakdoek in den zak en keek mij strak aan

terwijl zij vervolgde:

„Ik zag u juist voorbijkomen, maar ik kon u met mijn kleine beentjes

en mijne zwakke borst niet bijhouden, veel minder inhalen; ik giste

echter waar gij heengingt en liep u na. Ik ben vandaag al eenmaal hier

geweest, maar de goede vrouw was niet thuis.”

„Kent gij haar?” vroeg ik.

„Ik weet veel van haar,” antwoordde zij, „door Omer en Joram. Ik was

daar van morgen om zeven uur al. Herinnert gij u wat Steerforth zei

omtrent dat ongelukkige meisje, toen ik u beiden in het logement

bezocht?”

De groote hoed op het hoofd van juffrouw Mowcher en de nog grootere op

den muur hervatten hunne voor- en achterwaartsche bewegingen, toen zij

deze vraag deed.

Ik herinnerde mij zeer goed wat zij bedoelde, want ik had tallooze

malen aan dit gesprek gedacht.

„Moge zijne straf niet uitblijven,” zei het kleine vrouwtje, terwijl

zij haar voorsten vinger eenige oogenblikken tusschen mij en haar

schitterende oogjes hield, „maar die schurk van een knecht verdient

tienmaal meer straf. Ik meende toen dat gij zoo'n beetje kalverliefde

voor haar hadt opgevat?”

„Ik?”

„Kind, kind!” riep juffrouw Mowcher, terwijl zij, ongeduldig de handen

wringend, op den haardrand heen en weer zwaaide, „hoe is het mogelijk

dat gij haar zoo prijzen kondt, dat gij zoo verlegen werdt en zoo

bloosdet!”

Ik kon voor mij zelven niet verhelen dat ik dit gedaan had, hoewel de

aanleiding eene andere was dan ik vermoedde.

„Wat wist ik er van!” zei juffrouw Mowcher, terwijl zij nogmaals haar

zakdoek te voorschijn haalde en met haar kleine voetje op den grond

stampte, telkens wanneer zij den zakdoek naar de oogen bracht. „Hij

plaagde en vleide u en gij waart als was in zijne handen; dat zag ik

zeer goed. Ik was nog geen minuut de kamer uit, of die knecht vertelde

mij al, dat ‚die jeugdige onschuld’—zoo noemde hij u, maar gij moogt

_hem_ uw leven lang ‚oude schuld’ noemen—verliefd op haar was en dat

zij een wispelturig ding was en hem aanmoedigde, maar dat zijn heer

besloten had het te verhinderen—meer om uwentwil dan om haar—en dat

zij om die reden hier waren. Wat kon ik anders doen dan geloof slaan

aan zijn verhaal? Ik hoorde Steerforth haar lof verkondigen om u

genoegen te doen. Gij waart de eerste, die haar naam noemde, ja, gij

verteldet zelfs dat gij haar altijd bewonderd hadt. Gij werdt warm

en koud, rood en bleek, toen ik met u over haar sprak. Wat kon ik

denken—wat dacht ik anders, dan dat gij nog weinig ondervinding hadt

opgedaan en in handen waart gevallen van iemand, die ervaring genoeg

had en u, tot uw eigen bestwil, voor een dwazen stap zou behoeden. O!

o! o! Gij waart bevreesd dat ik de waarheid zou ontdekken!” riep zij,

van den haardrand afstappende. Zij liep nu in de keuken op en neer en

hield als in wanhoop de kleine armpjes in de hoogte. „Ja,” vervolgde

zij, „gij waart bevreesd omdat ik zoo'n klein slim ding ben—dat moet

ik wel zijn, wil ik mij zelf door de wereld helpen—en zij bedrogen

mij, de een voor de ander na; en ik bezorgde het ongelukkige meisje

een brief, die—daarvan ben ik overtuigd—de oorzaak was dat zij ooit

met Littimer in aanraking is gekomen. Om die redenen is Littimer

achtergebleven—daar valt niet aan te twijfelen!”

Ik stond verbaasd over zulk eene opeenstapeling van valschheid en

trouweloosheid, terwijl ik voortdurend het oog gevestigd hield op

juffrouw Mowcher, die in de keuken bleef op- en neerloopen tot zij

geheel buiten adem was. Toen zij weder op den haardrand had plaats

genomen, haalde zij opnieuw haar zakdoek te voorschijn en schudde

langen tijd het hoofd, zonder een woord te spreken.

„Op mijn rondreis,” hernam zij ten laatste, „kwam ik ook te Norwich,

mijnheer Copperfield. Dat was eergisteren avond. Hetgeen ik daar

vernam van hun doen en laten gedurende de laatste dagen, scheen mij

verdacht toe. Nu gij niet bij hen waart vermoedde ik dat er iets achter

schuilde. Ik vertrok daarom gisterenavond met de diligence naar Londen

en kwam van morgen hier aan. Te laat, helaas!”

De arme, kleine Mowcher werd zoo rillerig van het schreien, dat zij

zich op den haardrand omkeerde en hare kleine voetjes in de asch stak

om ze te warmen en zooals zij daar in het vuur zat te staren, leek zij

een groote pop. Ik zat aan den anderen kant van den haard, verdiept in

allerlei sombere gedachten, en keek nu eens in het vuur, dan weder naar

mijne bezoekster.

„Ik moet weg,” sprak zij eindelijk opstaande. „Het is laat. Gij

wantrouwt mij immers niet?” voegde zij er bij.

Toen ik haar scherpen blik ontmoette, zoo scherp als ik dien nog nooit

gezien had, kon ik onmogelijk rondborstig „neen” antwoorden op hare

vraag.

„Komaan!” sprak zij, mijn aanbod om haar te helpen dankbaar aannemende,

„gij zoudt mij niet wantrouwen indien ik eene gewone vrouw was.” Zij

keek mij bij deze woorden strak aan.

Ik voelde dat er veel waarheid in dit gezegde was gelegen en keek een

weinig beschaamd voor mij.

„Gij zijt een jonge man,” vervolgde zij knikkende. „Neem een raad aan

van mij, al ben ik maar drie voet zonder meer. Doe uw best om in een

mismaakt lichaam niet altijd een mismaakte ziel te zoeken, tenzij gij

er uwe goede redenen voor hebt.”

Zij was intusschen over den haardrand heengestapt en ik over mijn

wantrouwen. Ik zei haar, dat ik vertrouwen stelde in de geschiedenis,

die zij mij over zich zelve had opgedischt, en dat wij beiden niet

anders dan werktuigen geweest waren in arglistige handen. Zij bedankte

mij voor deze woorden en noemde mij „een besten jongen.”

„Luister eens!” riep zij, terwijl zij zich op weg naar de deur omwendde

en mij met opgeheven vinger tegemoet kwam, „naar hetgeen ik hoorde

vertellen heb ik reden om te vermoeden—ik heb mijne ooren altijd

wijd geopend, want de vermogens, die mij gegeven zijn, mag ik niet

verwaarloozen—dat zij buitenslands zijn gegaan. Maar indien zij

ooit terugkeeren, of indien een van beiden terugkeert, is het wel

waarschijnlijk—ik kom overal—dat ik het spoedig vernemen zal. Wat

ik ooit moge vernemen, zal ik u laten weten. Indien ik dat bedrogen

schepseltje ooit den een of anderen dienst kan bewijzen, zal ik het

niet nalaten, dat weet de Hemel! En Littimer zal later wel zeggen, dat

hij liever een bloedhond achter zich had gehad dan de kleine Mowcher!”

Ik hechtte onvoorwaardelijk geloof aan deze laatste verklaring, toen ik

den blik zag, waarmede die vergezeld ging.

„Stel niet meer, doch ook niet minder vertrouwen in mij dan gij in

eene gewone vrouw zoudt stellen,” sprak zij op smeekenden toon,

terwijl zij haar handje op mijn arm legde. „Mocht gij mij ooit weder

ontmoeten en mocht ik mij dan weder voordoen zooals bij gelegenheid

van onze kennismaking, neem dan het gezelschap, waarin gij mij vindt,

in aanmerking. Bedenk dat ik een hulpeloos, klein schepsel ben, dat

zich niet kan verdedigen. Stel u mij voor zooals ik thuis ben met een

broeder en eene zuster, die op mij lijken. Wellicht zult gij dan geen

hard oordeel over mij vellen of verbaasd zijn, omdat ik ook in eene

droevige, ernstige stemming kan verkeeren. Goeden nacht!”

Ik gaf juffrouw Mowcher een hand en had eene geheel andere meening

omtrent haar dan ik tot nu toe gekoesterd had. Het opsteken van de

groote paraplu was geen gemakkelijke taak, maar eindelijk gelukte

het mij toch haar die, behoorlijk in balans, in de hand te geven;

en daar zag ik de paraplu, aan een halven luchtballon gelijk, de

straat afslingeren, zonder in het minst de onderstelling te wettigen,

dat er iemand onder liep, behalve wanneer een stroom water uit een

overloopende dakgoot haar naar een zijde deed overhellen en juffrouw

Mowcher wanhopende pogingen deed om er recht onder te blijven. Na twee

of driemaal de straat te zijn opgegaan om haar te helpen, hetgeen

nutteloos bleek, want de paraplu wipte telkens weder voort, nog eer ik

haar kon bereiken, ging ik naar binnen, zocht mijn bed op en sliep tot

den volgenden morgen.

Baas Peggotty en zijne zuster haalden mij al heel vroeg af en te zamen

wandelden wij naar het diligencekantoor, waar juffrouw Gummidge en Ham

ons stonden te wachten.

„Jongeheer David,” fluisterde Ham, mij ter zijde nemende, terwijl baas

Peggotty voor zijne bagage zorgde, „hij is geheel in de war, hij weet

niet waar hij heengaat, hij weet niet wat hij eigenlijk zal doen; hij

begint eene reis, die hij, zoo lang hij leeft, zal voortzetten, geloof

mij, tenzij hij vindt wat hij zoekt. Ik kan er immers zeker van zijn,

dat gij een vriend voor hem blijven zult, jongeheer Davy?”

„Vertrouw gerust op mij,” antwoordde ik, terwijl ik hem met den

grootsten ernst de hand drukte.

„Dank u, dank u hartelijk, mijnheer. Nog iets. Gij weet, ik heb volop

werk en kan het geld, dat ik verdien, niet alleen opmaken. Voor mij

heeft het geen waarde. Indien gij het op de eene of andere wijze voor

hem zoudt kunnen besteden, zou ik met nog meer ijver mijn werk doen.

Hoewel, wat dat betreft, mijnheer”—hij sprak zacht doch op vasten

toon—„ik zal altijd werken als een man en alles doen wat in mijn

vermogen is.”

Ik zei hem, dat ik daarvan overtuigd was en sprak, hoewel aarzelend,

de hoop uit, dat er nog eens een tijd zou aanbreken, waarin hij het

eenzame leven, dat thans voor hem aanbrak, zou vaarwel zeggen.

„Neen, mijnheer,” zei hij hoofdschuddend, „dat is voorbij. Niemand

kan ooit de ledige plaats innemen. Maar gij zult denken aan het geld,

nietwaar? Ik zal zorgen, dat er altijd wat voor hem gereed ligt.”

Ik bracht hem in herinnering, dat baas Peggotty van het legaat van zijn

zwager een vast, zij het ook niet al te groot inkomen had en beloofde

hem aan zijn verlangen gevolg te zullen geven. Daarna namen wij

afscheid van elkander. Zelfs nu nog kan ik geen afscheid van hem nemen

zonder met weemoed te denken aan den eenvoudigen, jongen man, die zijn

groot leed met zooveel moed wist te dragen.

Indien ik beproefde te beschrijven hoe juffrouw Gummidge naast de

diligence de straat afliep, op niets anders lettende dan op baas

Peggotty, die bovenop zat, met tranen in de oogen, zoodat zij telkens

tegen de menschen aanliep, zou ik eene moeilijke taak hebben. Ik doe

dus beter haar maar op de stoep van een bakkerswinkel te laten zitten,

geheel buiten adem, met een hoed op, waaruit alle fatsoen verdwenen is,

terwijl een harer schoenen, een heel eind verder, midden op de straat

ligt.

Toen wij het doel van onze reis bereikt hadden, was ons eerste werk om

naar een kamer uit te zien voor Peggotty, waar tevens voor haar broeder

gelegenheid zou zijn om te slapen. Wij waren zoo gelukkig een paar

zindelijke kamers te vinden boven een kruidenierswinkel, niet ver van

mij af en tot een matigen huurprijs. Toen wij daar mede gereed waren,

kocht ik wat koud vleesch in een gaarkeuken en nam mijne reisgenooten

mede naar mijn kamer, hetgeen volstrekt niet de goedkeuring van

juffrouw Crupp kon wegdragen, integendeel. Ik moet hierbij echter

ter verklaring van juffrouw Crupp's gemoedstoestand doen opmerken,

dat zij ten hoogste beleedigd was, omdat Peggotty, nog voor zij tien

minuten in huis was, hare rouwjapon opsloeg en mijn slaapkamer begon

aan te stoffen. Juffrouw Crupp beschouwde dit als vrijpostigheid en

vrijpostigheid, zeide zij, kon zij niet gedogen.

Baas Peggotty had mij onderweg iets medegedeeld, waarop ik niet geheel

onvoorbereid was. Hij wilde namelijk allereerst mevrouw Steerforth

opzoeken. Aangezien ik mij verplicht achtte hem hierbij behulpzaam te

zijn en ook als bemiddelaar op te treden, ten einde haar moederlijk

gevoel zooveel mogelijk te sparen, schreef ik haar nog dienzelfden

avond een brief. Ik vertelde haar zoo verzachtend mogelijk welk leed

hem was aangedaan en welk aandeel ik persoonlijk daarin had gehad. Ik

schreef haar, dat hij een man was uit nederigen stand, maar dat hij een

open, eerlijk en rechtschapen karakter bezat, ik aarzelde niet de hoop

uit te spreken, dat zij hem in zijne bittere droefheid wel te woord

zou willen staan. Ik bereidde haar voor op onze komst, te twee uur in

den namiddag van den volgenden dag, en bracht zelf den brief naar het

postkantoor.

Op het aangeduide uur stonden wij voor de deur—de deur van hetzelfde

huis, waar ik eenige dagen geleden zooveel genoegen had gehad; waar ik

mijn geheele jonge, warme hart had blootgelegd en thans—thans was het

voor mij gesloten voor altijd; het was een ruïne, een verlaten hoop

steenen voor mij geworden.

Littimer verscheen niet. Hetzelfde meisje, dat mij bij mijn laatste

bezoek bediend had, deed open en ging ons voor naar het salon, waar

mevrouw Steerforth ons zat te wachten. Rosa Dartle sloop, toen wij

binnenkwamen, uit een anderen hoek van de kamer naderbij en ging achter

mevrouw Steerforth's stoel staan.

Het gezicht van de moeder verried mij terstond, dat zij van hem zelven

vernomen had wat hij had gedaan. Het was bleek en droeg de sporen van

diepere aandoening dan door mijn brief alleen kon zijn opgewekt, die

ten minste nog eenigen twijfel zou hebben kunnen achterlaten. Naar het

mij toescheen, geleek zij meer op haar zoon dan ooit, en ik voelde meer

dan ik zag, dat deze gelijkenis ook mijn reisgenoot had getroffen.

Zij zat daar in haar leuningstoel, zoo deftig, zoo onbewegelijk, dat

het scheen alsof niets ter wereld haar zou kunnen verstoren. Toen baas

Peggotty voor haar stond, keek zij hem strak aan en Rosa Dartle's

scherpe blik was op ons allen tegelijk gericht. Gedurende eenige

oogenblikken sprak niemand een woord, waarna mevrouw Steerforth baas

Peggotty verzocht plaats te nemen. Hij antwoordde echter met zachte

stem: „Het zou onnatuurlijk zijn, mevrouw, indien, ik in dit huis ging

zitten. Ik zal liever blijven staan.” Hierop volgde weder stilzwijgen,

waarop mevrouw Steerforth zei:

„Ik heb tot mijn diep leedwezen vernomen, wat u hierheen heeft

gebracht. Wat wilt gij nu van mij? Wat wilt gij dat ik doen zal?”

Hij nam den hoed onder den arm haalde Emily's brief uit zijn jaszak te

voorschijn, vouwde dien open en reikte hem haar over.

„Wees zoo goed, mevrouw, dit te lezen. Mijn nichtje heeft dit zelve

geschreven.”

Zij las den brief in dezelfde deftige, onverstoorbare houding—voor

zoover ik kon opmerken, schokte de inhoud haar niet—en gaf hem aan

baas Peggotty terug.

„Tenzij hij mij terugbrengt als zijne vrouw,” zei baas Peggotty, met

den vinger deze woorden aanwijzende. „Ik ben hier gekomen, mevrouw, om

te weten of hij zijn woord zal houden?”

„Neen,” antwoordde zij.

„Hoe bedoelt gij dat?” vroeg baas Peggotty.

„Het is onmogelijk. Hij zou schande brengen over zichzelven. Gij moet

toch weten hoe ver zij beneden hem staat!”

„Hef haar dan op!” zei baas Peggotty.

„Zij is onopgevoed en heeft niets geleerd.”

„Het is mogelijk, maar het is ook mogelijk dat zij het niet is. Ik zou

meenen—maar ik kan die dingen niet zoo goed beoordeelen—laat haar dan

onderwijs geven.”

„Ik had het liever nagelaten, maar nu gij mij noodzaakt mij nader te

verklaren, moet ik u zeggen, dat haar lage afkomst zoo iets reeds

onmogelijk maakt.... wij zouden betrekkingen moeten aanknoopen met

menschen, die ver beneden ons staan....”

„Luister eens, mevrouw,” zoo viel baas Peggotty haar op zachten, kalmen

toon in de rede, „gij weet wat het zegt een kind lief te hebben—ik

ook. Al ware zij honderd malen mijn eigen kind, dan zou ik niet

meer van haar kunnen houden. Gij weet niet wat het zegt een kind te

verliezen—ik wel. Indien ik al de rijkdommen van de wereld bezat, zou

ik ze willen geven om haar terug te koopen! Red haar van de schande;

wij zullen nimmer schande over haar brengen. Geen van ons onder wie

zij is opgegroeid, geen van ons, bij wie zij altijd geleefd heeft en

die alles voor haar over hebben gehad, zal ooit moeite doen om haar

lief gezichtje terug te zien. Wij zullen tevreden zijn, als wij weten

waar zij is, als wij aan haar kunnen denken als ware zij ver, ver weg,

onder een anderen hemel; wij zullen tevreden zijn als wij haar aan haar

echtgenoot.... misschien aan haar kinderen kunnen overlaten, en den

tijd afwachten, waarin wij, allen in rang en stand gelijk, zullen staan

voor onzen Hemelschen Vader!”

Zijne eenigszins ruwe welsprekendheid maakte ontegenzeggelijk indruk.

Wel behield zij den trotschen toon van zoo even, maar er lag toch een

zweem van zachtheid in hare stem, toen zij antwoordde:

„Ik wil volstrekt niets rechtvaardigen, evenmin de andere partij

beschuldigen; maar het spijt mij te moeten herhalen, dat het onmogelijk

is. Zulk een huwelijk zou onvermijdelijk alle vooruitzichten van mijn

zoon den bodem inslaan, zijne toekomst verwoesten. Het kan en zal niet

plaats hebben, dat staat onherroepelijk vast. Mocht er op de eene of

andere wijze eenige.... vergoeding....”

„Ik zie een gelaat voor mij,” zoo viel baas Peggotty haar in de rede,

bedaard doch met oogen, die het vuur, dat hem inwendig verteerde,

weerkaatsten, „dat sprekend gelijkt op een, waarop mijn oog gerust

heeft in mijn eigen huis, aan mijn haard, in mijn boot—en waar al

niet?—een gelaat, dat steeds een vriendelijken glimlach vertoonde,

terwijl het toch zóó verradelijk was, dat ik moeielijk mijn drift kan

intoomen, wanneer ik er aan denk. Indien dat gelaat niet vlammend rood

wordt bij het denkbeeld, om mij geld aan te bieden voor de schande en

de ellende van mijn kind, dan verbergt het evenveel slechtheid als dat

andere. Ja, ik weet niet of het niet slechter is, omdat het aan eene

dame toebehoort.”

Nu was zij in een oogenblik veranderd. Een toornige blos verspreidde

zich over haar gelaat en, met de handen vast om de leuningen van haar

stoel, sprak zij op ongeduldigen toon: „Welke vergoeding kunt gij MIJ

geven voor de klove, die zou ontstaan tusschen mijn zoon en mij? Wat

beteekent uwe liefde tegenover de mijne? Wat uwe scheiding tegenover de

onze?”

Juffrouw Dartle raakte haar even zachtkens aan en boog het hoofd

voorover om haar iets in te fluisteren, maar zij wilde geen woord

hooren.

„Neen, Rosa, geen woord! Laat die man luisteren naar hetgeen ik te

zeggen heb! Is MIJ dan geen onrecht aangedaan? Mijn zoon, aan wien ik

mijn gansche leven heb gewijd, die nooit uit mijne gedachten is geweest

van zijne geboorte af, wiens minste wenschen ik steeds heb vervuld, van

wien ik nooit gescheiden heb geleefd—dat mijn zoon, herhaal ik, verzot

wordt op zoo'n ellendige meid en van mij wegloopt! Dat mijn zoon het

in hem gestelde vertrouwen moedwillig te leur stelt ter wille van dat

schepsel en mij laat achter staan bij haar! Dat hij eerder gehoor geeft

aan zulk een ellendige gril, dan aan zijn plicht, dan aan de liefde, de

achting, de dankbaarheid—aanspraken, die ik ieder uur, iederen dag van

zijn leven meende te mogen doen gelden! Ik herhaal het: Is MIJ dan geen

onrecht aangedaan?”

Nogmaals trachtte Rosa haar tot kalmte te brengen, doch zonder eenig

succes.

„Ik zeg u, Rosa, geen woord! Indien hij alles op het spel kan zetten

ter wille van de eerste de beste, dan kan ik het ter wille van een

grooter doel. Laat hem gaan waarheen hij wil met de middelen, die

mijne liefde hem verschaft heeft. Meent hij mij te zullen overhalen

door lang weg te blijven, dan kent hij zijne moeder slecht. Wil hij

thans van zijne gril afzien, dan zal hij mij welkom zijn; doet hij dat

niet, dan behoeft hij niet meer terug te komen, dan wil ik hem niet

terugzien, zelfs al kon ik door eene enkele beweging van mijne hand hem

aan mijn sterfbed krijgen—tenzij hij afstand van haar heeft gedaan en

mij nederig vergiffenis vraagt. Dit is mijn recht. Ik eisch dat van

hem. Zoo diep is de klove tusschen ons. En kan ik dan niet zeggen,”

herhaalde zij op denzelfden hoogmoedigen en ongeduldigen toon en haar

bezoeker trotsch aankijkende, „heb ik dan niet het recht te zeggen, dat

mij een onrecht is aan gedaan?”

Toen ik de moeder op deze wijze hoorde en zag spreken, meende ik den

uitdagenden toon van den zoon te hooren. Ik herkende in haar al de

eigenzinnigheid en onverzettelijkheid, waarvan hij zoo menigmaal de

bewijzen had gegeven. Ik begreep thans, wie zijn karakter zoo verkeerd

had geleid, want de grondslagen van dat der moeder waren aan het zijne

gelijk.

Zij wendde zich nu tot mij, even stijf en voornaam als straks, zeggende

dat het onnoodig scheen de zaak nog verder te bespreken en het haar

aangenaam zou zijn, indien hiermede het onderhoud als geëindigd kon

worden beschouwd. Tegelijkertijd stond zij op, maar baas Peggotty gaf

haar door een teeken te kennen, dat het onnoodig was.

„Vrees niet, mevrouw, dat ik u nog langer zal lastig vallen, ik heb u

niets meer te zeggen,” sprak hij, naar de deur gaande. „Ik kwam hier

zonder eenige hoop en ga heen zonder eenige hoop. Ik heb gedaan wat ik

meende te moeten doen, maar ik heb van dit bezoek niets goeds verwacht.

Dit huis heeft mij en de mijnen te veel leed berokkend, om er, zoo lang

ik mijn verstand nog bewaard heb, iets goeds uit te verwachten.”

Na deze woorden gingen wij heen, terwijl zij bij haar leunstoel bleef

staan als een fraai standbeeld, want geen spier in haar fijnbesneden

gelaat vertrok.

Op onzen terugweg moesten wij een met marmer geplaveide gang doorgaan,

met glazen dak en wanden, waartegen een wingerd was geleid. Ranken en

bladeren waren reeds groen en aangezien het een warme, zonnige dag was,

stonden eenige deuren, die op den tuin toegang gaven, open. Door een

van deze naderde Rosa Dartle ons met onhoorbare schreden en toen zij

dichtbij mij was, sprak zij:

„Gij hebt goed gedaan, waarlijk goed gedaan door dien man hier te

brengen.”

Nooit had ik dat gelaat in staat geacht om zooveel woede en verachting

uit te drukken, als er op dit oogenblik in hare koolzwarte oogen te

lezen was. Het litteeken door den hamer teweeggebracht was, zooals

gewoonlijk, wanneer zij in eene opgewonden stemming verkeerde,

duidelijk zichtbaar. En toen dat verraderlijke kloppen, waarvan ik

vroeger ook eens getuige was geweest, weder begon, gaf zij zich zelve

met de vlakke hand een klap op de wang.

„Is dat nu een kerel om in bescherming te nemen en hier heen te

brengen?” riep zij. „Gij zijt wel een trouw vriend!”

„Juffrouw Dartle,” gaf ik ten antwoord, „gij zult toch wel niet zoo

onrechtvaardig zijn om mij te veroordeelen?”

„Waarom brengt gij verdeeldheid tusschen deze twee dolle schepsels?”

vroeg zij. „Weet gij dan niet, dat zij beiden half krankzinnig zijn van

trots en eigenzinnigheid?”

„Is dat mijn schuld?” vroeg ik.

„Zeker is het uwe schuld!” hernam zij. „Waarom brengt gij dien kerel

hier?”

„Deze man is zwaar beleedigd, juffrouw Dartle; dat zeg ik u, zoo gij

het nog niet weten mocht.”

„Ik weet dat James Steerforth,” sprak zij met de hand op het hart alsof

zij den storm, die daar binnen woedde, wilde bezweren, „een valsch en

doortrapt gemeen hart heeft en een verrader is. Maar wat geef ik om

dien kerel en zijne gemeene nicht?”

„Juffrouw Dartle,” antwoordde ik. „Gij hoopt de eene beleediging op de

andere. Het is nu genoeg. Ik wil u alleen nog zeggen, dat gij dezen man

onrecht aandoet.”

„Ik doe hem geen onrecht aan!” antwoordde zij. „Het is een slechte,

ontaarde troep. Ik zou die meid wel willen geeselen!”

Baas Peggotty liep zonder een woord te zeggen naar de deur en verliet

de woning.

„Schaam u, juffrouw Dartle, schaam u toch!” riep ik verontwaardigd uit.

„Hoe is het mogelijk iemand, wien zoo onverdiend een ongeluk getroffen

heeft, nog bovendien te trappen!”

„Ik zou hen allen te zamen willen vertrappen,” antwoordde zij. „Ik zou

hun huis willen omverhalen. Ik zou haar gezicht willen brandmerken en

haar in lompen gehuld de straat opzenden om van honger te sterven. Kon

ik haar vonnis vellen dan zou het zoo luiden. Wat? Ik zou het zelve

ten uitvoer brengen! Ik heb een afschuw van haar! Wist ik maar waar ik

haar vinden kon, dan zou ik haar opzoeken en haar hare schande voor

de voeten werpen! Kon ik haar maar vervolgen tot in het graf, dan zou

ik het doen! Wanneer er een troostwoord was, dat haar verlichting kon

schenken in haar stervensuur, een woord, dat ik alleen kende, ik zou

het haar onthouden, al kostte het mij mijn leven!”

De nuchtere opsomming van al deze verwenschingen kan, dat voel ik

zeer goed, slechts een flauw begrip geven van de hartstochtelijkheid,

waarvan haar geheele voorkomen getuigde, ofschoon hare stem zachter

klonk dan gewoonlijk. Ik zou onmogelijk eene beschrijving van haar

kunnen geven, zoo als zij mij thans nog voor den geest staat, geheel

overmeesterd door toorn en—jaloezie. In mijn later leven heb ik den

hartstocht leeren kennen in tallooze vormen, maar nooit zag ik iemand

in een toestand als Juffrouw Dartle op dezen dag.

Ik had baas Peggotty, die langzaam en peinzend den heuvel afdaalde,

weldra ingehaald. Zoodra ik bij hem was, vertelde hij mij, dat nu hij

zijn gemoed had ontlast van hetgeen hij te Londen doen moest, de reis

nog dezen avond zou worden aangevangen. Op mijne vraag waar hij het

eerst dacht heen te gaan, antwoordde hij: „Ik ga mijn nichtje zoeken,

mijnheer.”

Toen wij op de kamers boven den kruidenierswinkel waren teruggekeerd,

was ik in de gelegenheid Peggotty te vertellen wat hij op mijne vraag

geantwoord had, waarop zij mij meedeelde dat zij dien morgen hetzelfde

bescheid had gekregen. Zij wist van zijn plannen niet meer dan ik, maar

vermoedde wel dat hij er een gemaakt had.

Ik kon niet besluiten hem in deze omstandigheden te verlaten, zoodat

wij met elkander het middagmaal gebruikten, bestaande uit een

biefstukpastei—een van de goede dingen waarvoor Peggotty beroemd

was—die ditmaal bijzonder gekruid was door een geur van thee, koffie,

boter, spek, kaas, versch brood, brandhout, kaarsen en soja, waarvan

het geheele huis doortrokken was. Na het eten bleven wij ongeveer een

uur, zonder veel te praten, voor het venster zitten, en toen stond baas

Peggotty op, haalde zijn reistasch van gewaste taf en zijn dikken stok

en legde die op de tafel. Zijne zuster gaf hem als een voorschot op

zijn legaat eene som geld, naar mijne meening, even voldoende om eene

maand van te leven. Hij beloofde mij te zullen schrijven wanneer hem

iets bijzonders overkwam, waarna hij zijn reistasch omhing, hoed en

stok opnam en ons vaarwel zei.

„Ik wensch u alles goeds, best oudje,” zei hij, Peggotty omhelzende,

„en u ook, jongeheer David!” Hij schudde mij de hand. „Ik ga haar

opzoeken, wijd en zijd. Mocht zij terugkomen, terwijl ik weg ben—och

dat zal wel niet gebeuren!—of mocht ik haar terugbrengen, dan moeten

wij met haar ergens gaan wonen en sterven, waar niemand haar kan

verwijten wat zij gedaan heeft. Onthoud het goed—het zou kunnen

zijn dat mij een ongeluk trof—mijn laatste woord, dat ik voor haar

achterlaat, is: „Ik heb mijn lief kind nog even lief als altijd en

schenk haar vergiffenis.””

Hij zei dit op plechtigen toon, blootshoofds; waarna hij zijn hoed

opnam en de trap afging. Wij volgden hem tot aan de deur. Het was een

warme, mistige avond, juist op een tijdstip, waarop gedurende eenige

oogenblikken een stilstand was in den stroom van voetgangers en een

roode zonnestraal tot in het straatje, waar de kruidenierswinkel was,

doordrong. Geheel alleen ging hij op weg en wij staarden hem na tot hij

om den hoek van de straat verdween.

Zelden keerde dit avonduur terug, zelden werd ik des nacht wakker,

zelden keek ik op naar de maan en de sterren, noch staarde ik op den

neervallenden regen, noch hoorde ik den wind loeien, of ik dacht aan

den eenzamen man, die daar als een arme pelgrim ronddoolde en dan

herhaalde ik zijn laatste woorden:

„Ik ga haar zoeken wijd en zijd. Onthoudt het goed—het zou kunnen zijn

dat mij een ongeluk overkwam—mijn laatste woord, dat ik voor haar

achterlaat, is: „Ik heb mijn lief kind nog even lief als altijd en

schenk haar vergiffenis.””

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 45 / 79 题