XXIX.

Ik bezoek Steerforth voor de laatste maal.

Ik deelde mijnheer Spenlow mede dat ik eenige dagen afwezig zou

blijven; aangezien ik nog geen salaris ontving en dientengevolge nog

niet afhankelijk was van den onvermurwbaren Jorkins, kon hij niets

daar tegen hebben. Ik nam deze gelegenheid te baat—de stem stokte

mij bijna in de keel en er kwam een nevel voor mijne oogen, terwijl

ik de woorden uitsprak—om naar de gezondheid van Juffrouw Spenlow

te informeeren; waarop mijnheer Spenlow met eene kalmte, alsof hij

over een gewoon menschelijk wezen sprak, mij bedankte voor mijne

belangstelling en zei dat zij heel wel was.

Wij, ongesalariëerde klerken en aanstaande proctors, werden met

de grootste inschikkelijkheid behandeld, zoodat ik bijna mijn

eigen meester was. Aangezien ik echter geen lust had vroeger dan

een of twee uur te Highgate te komen en wij dien morgen weder een

excommunicatie-zaakje hadden,—Tipkens contra Bullock, tot heil van de

ziel van laatstgenoemde—bracht ik in afwachting daarvan nog eenige

uren op zeer aangename wijze met mijnheer Spenlow door. Dit proces was

ontstaan tusschen twee kerkvoogden; een van hen was beschuldigd den

ander tegen een pomp geduwd te hebben en aangezien de zwengel van de

pomp tegen de school aankwam en deze school met de kerk onder één dak

was gebouwd, werd de overtreding tot een kerkelijk delict gestempeld.

Het was een vermakelijk proces, dat mij, toen ik op de bok van de

diligence naar Highgate zat, telkens deed denken aan hetgeen mijnheer

Spenlow gezegd had van „raken aan de Commons en het land gaat te

gronde.”

Mevrouw Steerforth ontving mij zeer hartelijk, evenals Rosa Dartle.

Ik was zeer blijde, dat Littimer er niet was en wij bediend werden

door een zedig kamermeisje met blauwe linten aan de muts, wier blik,

als ik dien toevallig ontmoette, veel vriendelijker was en mij veel

minder verlegen maakte dan die van den hoogst fatsoenlijken, doch

onuitstaanbaren Littimer. Wat ik echter hoofdzakelijk opmerkte, reeds

toen ik nog geen half uur in huis was, dat was de oplettendheid,

waarmede juffrouw Dartle al mijne gangen gadesloeg, en de loerende

blik, waarmede zij telkens van mij naar Steerforth en van Steerforth

naar mij keek, alsof zij in afwachting verkeerde van iets, dat tusschen

ons beiden gebeuren moest. Zoo dikwijls ik naar haar keek, zag ik

haar mager gezicht met de holle, donkere oogen en scherpgeteekende

wenkbrauwen op mij gericht of plotseling overgaande op Steerforth,

wanneer zij niet ons beiden tegelijk gadesloeg. En zij schaamde zich

volstrekt niet wanneer zij bemerkte dat ik zag hoe zij ons bespiedde,

neen, des te scherper vestigde zij dan haar doordringenden blik op

mij. En hoe onschuldig ik ook was aan elk vergrijp, waarvan zij mij

verdenken kon, sloeg ik mijne oogen neer voor de hare, die schitterden

als de oogen van een hongerigen wolf.

Den geheelen dag scheen zij overal te gelijk te zijn. Toen ik met

Steerforth op zijne kamer zat te praten, hoorde ik het ritselen van

hare japon op de veranda. Toen wij ons op het grasperk achter het huis

met het balspel vermaakten, zag ik haar gezicht als een dwaallicht van

raam tot raam gaan, tot het achter een hoekraam ons bleef bespieden.

Toen wij des avonds met ons vieren een wandeling gingen maken, sloeg

zij haar magere hand om mijn arm, zoodat deze als in een schroef was

geklemd, en bleef met mij achter, terwijl Steerforth en zijne moeder

vooruitliepen.

„Gij zijt lang weggebleven,” sprak zij. „Hebt gij werkelijk zulk eene

drukke en belangwekkende betrekking, dat gij daardoor geheel in beslag

genomen wordt? Ik vraag dit omdat ik gaarne op de hoogte wil komen van

alles wat ik niet weet. Is het werkelijk zoo?”

Ik antwoordde dat mij mijne betrekking wel goed beviel, maar dat ik er

nu niet zooveel ophef van maken kon.

„O, wat ben ik blijde dat te weten, want ik word gaarne terechtgewezen

wanneer ik het mis heb,” zei Rosa. „Gij bedoelt zeker dat ze wat droog

is?”

„Ja,” antwoordde ik, „misschien is ze wat droog.”

„O! Dan is dat zeker de reden waarom gij wat ontspanning en

verandering noodig hebt—wat opwekking en zoo?” vroeg zij. „Ja, dat is

waar.... maar is het niet wat.... hé, voor hem; ik bedoel niet voor u?”

Een snelle blik naar Steerforth, die gearmd met zijne moeder voor ons

uit wandelde, verried mij wien zij meende; maar overigens begreep ik

haar niet. En ik twijfel niet of dit moet ook op mijn gezicht te lezen

zijn geweest.

„Neemt het hem—ik zeg niet dat het zoo is, maar ik wil het gaarne

weten—neemt het hem niet te veel in beslag? Is dat niet de oorzaak

waarom hij nog kariger is met zijne bezoeken aan zijne teeder

liefhebbende.... hé?” Wederom gleed een snelle blik naar moeder en

zoon, gevolgd door een op mij, die mijne geheimste gedachten scheen te

lezen.

„Juffrouw Dartle,” antwoordde ik, „denk toch niet....”

„Dat doe ik ook niet!” sprak zij. „O, lieve Hemel, neen; onderstel

toch niet dat ik iets denk! Ik ben niet achterdochtig. Ik vraag maar

iets. Ik heb er geen meening over. Ik wilde juist trachten een meening

te krijgen uit hetgeen gij mij zoudt vertellen. Is het dus zoo niet?

Welnu, ik ben blij dat ik het weet.”

„Het is volstrekt niet zoo,” antwoordde ik, geheel van mijn stuk, „dat

het aan mij te wijten zou zijn, indien Steerforth langer dan gewoonlijk

van huis is weggebleven—ik wist zelfs niet dat het zoo was en verneem

het nu voor het eerst van u. Ik heb hem in al dien tijd niet gezien

voor gisterenavond.”

„Niet?”

„Waarlijk niet, juffrouw Dartle.”

Terwijl zij mij met groote oogen aankeek, zag ik dat haar gelaat al

bleeker en spitser werd en het litteeken zich al duidelijker begon af

te teekenen, tot het zich dwars over beide lippen uitstrekte. Daar lag

iets angstverwekkends voor mij in, vooral toen zij mij met schitterende

oogen bleef aankijken en zeide:

„Wat voert hij uit?”

Ik herhaalde deze woorden, meer voor mij zelven dan voor haar, zoo

verbaasd was ik.

„Wat voert hij uit?” herhaalde zij op zulk een hartstochtelijken

toon dat het mij toescheen of een inwendig vuur haar verteerde. „En

waarbij helpt die man hem, die mij altijd zoo aankijkt met zijne

ondoorgrondelijke, valsche oogen? Indien gij eerlijk en trouw zijt,

vraag ik u niet uw vriend te verraden. Ik vraag u alleen mij te zeggen

of het nijd is, of haat, of trots, of onrust, of de een of andere dwaze

gril of liefde, waardoor hij wordt meegesleept?”

„Juffrouw Dartle,” antwoordde ik, „hoe zal ik u vertellen, zoodat gij

geloof slaat aan mijn woorden, dat ik niets meer van Steerforth weet

dan toen ik de eerste maal hier was. Ik geloof werkelijk dat er niets

is. Ik begrijp zelfs niet wat gij bedoelt.”

Terwijl zij stil bleef staan om mij in de oogen te zien, kwam er eene

trekking of klopping in dat akelige litteeken, waarbij ik niet kon

nalaten aan pijn te denken, en werd de hoek aan de lip opgetrokken

alsof zij minachting of medelijden wilde te kennen geven. Zij hield

er snel hare hand voor—een hand zoo mager en teer, dat ik die zeker

voor porcelein zou hebben gehouden, wanneer zij daarmede haar gelaat

tegen het licht of de vlam had willen beschutten—en zei op driftigen,

hartstochtelijken toon:

„Ik bezweer u dit geheim te houden.” Daarna zeide zij niets meer.

Mevrouw Steerforth was bepaald gelukkig dat haar zoon bij haar was en

Steerforth zelf was vol attenties voor haar. Het was zeer belangwekkend

voor mij hen samen te zien, niet alleen om de bewijzen van hunne

wederzijdsche genegenheid op te merken, maar ook uit hoofde van de

sterke gelijkenis, die er tusschen hen bestond. Zijn trotschheid en

onstuimigheid vond ik in haar terug, maar verzacht door leeftijd en

sekse tot eene zekere waardigheid. Meer dan eens dacht ik hoe gelukkig

het was, dat er nooit aanleiding had bestaan tot ernstige geschillen

tusschen moeder en zoon; want twee dergelijke karakters—beter

ware het te zeggen twee dergelijke schakeeringen van hetzelfde

karakter—zouden minder gemakkelijk te verzoenen zijn geweest dan de

meest uiteenloopende. Ik moet echter bekennen, dat dit denkbeeld geen

gevolg was van mijne eigene opmerkingsgave, maar van een gezegde van

juffrouw Rosa Dartle.

Toen wij aan tafel zaten, zeide zij:

„O, vertel mij toch eens, een van allen.... ik heb er den ganschen dag

over gepeinsd en zou het gaarne weten.”

„Wat zoudt gij gaarne weten, Rosa?” vroeg mevrouw Steerforth. „Toe, ik

smeek u, Rosa, wees toch niet zoo geheimzinnig.”

„Geheimzinnig!” riep zij. „O! Waarlijk? Houdt gij mij daarvoor?”

„Moet ik u niet telkens weder verzoeken, duidelijker en op uwe gewone

natuurlijke manier te spreken?” zei mevrouw Steerforth.

„Zoo? Is dit dan niet mijne natuurlijke manier?” vroeg zij. „Gij

moet toch een weinig geduld met mij hebben, want ik vraag slechts

inlichtingen. Wie durft zeggen, dat hij zich zelven kent?”

„Het is een tweede natuur, van u geworden,” hernam mevrouw Steerforth

zonder eenig ongenoegen te toonen; „ik herinner mij echter zeer

goed—en dat moet gij ook wel doen, Rosa—dat gij eene geheel andere

manier van spreken hadt, dat gij minder omzichtig waart en veel

vertrouwelijker.”

„Ik weet zeker dat gij gelijk hebt,” antwoordde zij; „zoo went iemand

zich slechte gewoonten aan! Waarlijk? Minder omzichtig en veel

vertrouwelijker? Hoe is het mogelijk dat ik, zonder het te bemerken,

zoo veranderd kan zijn? Het verbaast mij! Het is dwaas! Ik zal mijn

best doen om weder te worden zooals vroeger.”

„Ik hoop dat het u gelukken zal,” antwoordde mevrouw Steerforth

glimlachend.

„O, ik wil het! Waarlijk!” hernam Rosa. „Ik wil openhartigheid

trachten te leeren van—laat eens zien—van James.”

„Gij kunt op geen betere school gaan, Rosa,” zei mevrouw Steerforth

snel, want er lag altijd iets spotachtigs in hetgeen Rosa zeide, zelfs

al sprak zij, zooals thans, op den meest argeloozen toon.

„O, dat weet ik; daarvan ben ik overtuigd,” antwoordde zij en legde een

buitengewonen nadruk op deze woorden. „Als ik ergens van overtuigd ben

dan is het daarvan, dat spreekt van zelf.”

Het scheen wel, dat mevrouw Steerforth spijt had, zich een weinig

geraakt getoond te hebben, want zij sprak nu op vriendelijken toon.

„Maar, lieve Rosa, wij moeten nog altijd hooren wat gij zoo gaarne

zoudt willen weten?”

„Wat ik zoo gaarne zou willen weten?” herhaalde zij op uitdagend

koelen toon. „O! Het was alleen of menschen, die, wat hunne

zedelijke constitutie betreft veel op elkander gelijken—zedelijke

constitutie—dat is immers de goede uitdrukking?”

„Even goed als elke andere,” zei Steerforth.

„Dank u;—of menschen, die wat hunne zedelijke constitutie betreft,

veel op elkander gelijken, grooter gevaar loopen om van elkander te

vervreemden indien er tusschen hen eens een ernstig geschil ontstond,

dan anderen, die niet in dien toestand verkeeren?”

„Mij dunkt, ja,” zei Steerforth.

„Zoo, waarlijk?” riep zij. „Goede Hemel! Onderstel dan eens voor een

oogenblik—men kan de meest dwaze dingen onderstellen—dat gij en uwe

moeder eens een ernstig geschil kreegt.”

„Maar lieve Rosa,” zoo viel mevrouw Steerforth haar met een goedaardig

lachje in de rede, „ga toch van eene andere onderstelling uit! De Hemel

geve, dat James en ik onzen plicht jegens elkander beter kennen!”

„O!” zei Rosa, haar hoofdje peinzend schuddende. „Zeker! Dat zou het

beletten! Natuurlijk zou het dat. Juist; ik ben blij zoo dwaas geweest

te zijn; ik ben blij deze onderstelling gemaakt te hebben, want het

is zoo heerlijk te weten, dat uw plicht het u zou beletten! Ik dank u

zeer.”

Ik moet nog eene omstandigheid vermelden, die met Rosa Dartle in

betrekking stond; want ik heb reden gehad om mij die later te

herinneren, toen het geheele verleden onherstelbaar voorbij was. Den

ganschen dag, of liever van dit tijdstip af, deed Steerforth zijn

uiterste best—hetgeen hem echter zeer gemakkelijk scheen te vallen—om

dit zonderlinge schepsel te behagen en in eene vriendelijke stemming

te brengen. Dat hij daarin slaagde, gaf mij geene aanleiding tot

eenige verbazing. Dat zij zou moeten zwichten voor den betooverenden

invloed van zijne beminnelijke manieren—toen nog zou ik gezegd hebben,

zijn beminnelijk karakter—verbaasde mij evenmin, al wist ik dat zij

bevooroordeeld en niet gemakkelijk te overtuigen was. Ik zag hoe

hare gelaatstrekken en hare manieren langzamerhand eene verandering

ondergingen; ik zag hoe hare bewondering voor hem steeg; ik zag

dat hare pogingen om zich tegen de bekoring, die van hem uitging,

te verzetten al zwakker en zwakker werden, maar dat zij zich bleef

verzetten alsof zij zich hare zwakheid bewust was; en eindelijk zag ik

hoe er langzamerhand een vriendelijke trek, ja zelfs een glimlach kwam

op haar spichtig gelaat. Nu was ik niet langer bang voor haar, zooals

ik werkelijk den geheelen dag geweest was, en wij zaten met ons vieren

bij den haard te praten en te lachen, zoo vroolijk en uitgelaten alsof

wij nog kinderen waren.

Of het was omdat wij daar zoo lang gezeten hadden of omdat Steerforth

het eenmaal behaalde voordeel niet wilde prijsgeven, dat weet ik niet,

maar wij bleven, nadat zij was heengegaan, niet langer dan vijf minuten

in de eetkamer. „Zij speelt op de harp,” zei Steerforth zacht, bij

de deur van het salon; „en niemand dan mijne moeder heeft haar dat in

de laatste drie jaren hooren doen.” Hij zei dit met een zonderlingen

glimlach, die terstond weder verdween; en toen gingen wij de kamer

binnen en vonden haar alleen.

„Speel toch door,” zei Steerforth, want zij was opgestaan; „speel toch

door, lieve Rosa. Doe ons het genoegen en zing eens een Iersch lied

voor ons.”

„Wat geeft gij om een Iersch lied?” vroeg zij.

„O, heel veel!” antwoordde Steerforth. „Meer dan om eenig ander lied.

En ons Groentje houdt zoo dol veel van muziek! Zing eens een Iersch

lied, Rosa, en laat mij er weder als van ouds naar zitten luisteren.”

Hij raakte haar, noch den stoel, waarvan zij was opgestaan, aan, maar

nam bij de harp plaats. Gedurende eenige oogenblikken bleef zij er

naast staan, terwijl hare rechterhand de beweging maakte, alsof zij

speelde, maar de snaren niet aanraakte. Eindelijk ging zij zitten, trok

de harp met een ruk naar zich toe en begon te zingen en te spelen.

Ik weet niet wat het was in haar spel of in haar stem, dat aan haar

zang iets bovenaardsch gaf, iets, zooals ik in mijn geheele leven niet

gehoord heb, ja mij zelfs niet heb kunnen voorstellen. Er lag iets

ijzigs in. Het was alsof hetgeen zij zong nooit geschreven of op muziek

gezet was, maar opwelde uit haar hartstochtelijk gemoed, alsof hare

stem te zwak was om het te uiten; terwijl het zich weder verschuilde,

telkens wanneer zij zweeg. Ik was er nog geheel van onder den indruk,

toen zij reeds weder over hare harp gebogen stond en hare rechterhand

langs de snaren liet glijden zonder ze aan te raken.

Eene minuut later werd ik echter uit mijne verdooving gewekt door

Steerforth, die opstond, den arm lachend om haar middel sloeg en zei:

„Kom Rosa, wij zullen elkaar voortaan heel liefhebben!” Maar zij duwde

hem van zich af en sloeg naar hem als een wilde kat, waarna zij

schreiende de kamer uitging.

„Wat scheelt Rosa toch?” vroeg mevrouw Steerforth, binnenkomende.

„Zij is een engel geweest,” antwoordde Steerforth, „d. w. z. een

oogenblik; zij verviel echter onmiddellijk in het andere uiterste, om

zich schadeloos te stellen.”

„Gij moet haar niet plagen, James. Bedenk dat haar humeur veel geleden

heeft en men er niet te veel van mag vergen.”

Rosa kwam niet terug en er werd verder niet over haar gesproken tot ik

met Steerforth naar boven ging en hij mij op zijne kamer goeden nacht

wenschte. Hij lachte toen over hare opvliegendheid en vroeg mij of ik

ooit iemand ontmoet had, met zulk een onbegrijpelijk humeur.

Ik gaf zooveel verbazing te kennen als ik op dat oogenblik vermocht en

vroeg hem, of hij begreep, wat zij eensklaps zoo kwalijk genomen had.

„Dat weet de Hemel,” zei Steerforth. „Alles wat gij maar wilt; mogelijk

ook niets! Ik heb u gezegd dat zij alles, zich zelve incluis, op een

slijpsteen brengt, en scherpt. Zij is als een werktuig, dat aan alle

kanten scherp is en met groote voorzichtigheid behandeld moet worden.

Maar gevaarlijk—dat is ze altijd. Goeden nacht!”

„Goeden nacht!” zei ik, „beste Steerforth. Eer gij wakker zijt ben ik

reeds vertrokken.”

Hij wilde mij niet laten heengaan en evenals op mijn kamer, legde hij

beide handen op mijne schouders en sprak:

„Groentje—al is dit niet de naam, die uwe peten u gegeven hebben, ik

noem u zoo het liefst en wenschte wel, dat gij mij ook zoo noemen

kondt.... ja.... dat wenschte ik.”

„Welnu, als ik dat ook wensch, kan ik het doen,” antwoordde ik.

„Groentje, als er ooit iets gebeurt, dat ons zou kunnen scheiden,

denk dan aan mij, zooals ik vroeger was, oude jongen. Willen wij dat

afspreken? Mochten de omstandigheden ons ooit scheiden, denk dan aan

mij, zooals ik was in mijn besten tijd.”

„Gij hebt voor mij geen ‚besten’ tijd, Steerforth, ook geen slechten.

Ik heb altijd veel van u gehouden en gij hebt altijd een eerste plaats

ingenomen in mijn hart.”

Ik voelde zooveel wroeging omdat ik hem ooit, zelfs maar in mijne

gedachten, verongelijkt had, dat de bekentenis van deze zonde mij bijna

op de lippen kwam. Ik deinsde echter terug voor het verraad, dat ik aan

Agnes zou plegen, maar in mijne verlegenheid zou hij haar toch vernomen

hebben, indien hij mij niet nogmaals met een „God zegen u, Groentje”

goeden nacht had gewenscht. Alleen tengevolge van mijne aarzeling bleef

hij er onkundig van; wij schudden elkander de hand en scheidden.

De zon was nauwelijks op, toen ik reeds gekleed bij zijne kamerdeur

stond en even een blik daarbinnen waagde. Hij lag vast te slapen, met

het hoofd op zijn arm, zooals ik hem op school zoo dikwijls had zien

liggen.

Er brak een tijd aan, waarin ik mij verbaasde, dat zijn rust door niets

werd verstoord, terwijl ik naar hem keek. Maar hij sliep—laat mij zoo

aan hem blijven denken—zooals ik hem zoo menigmaal op school had zien

slapen, en zoo verliet ik hem in dit stille morgenuur.

Nimmer meer, de Hemel moge het u vergeven, Steerforth.... nimmer zou ik

hem de vriendenhand drukken.... nimmer, nimmer meer!

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 42 / 79 题