Ik verlies mijn hart.
Ik merkte niets meer van Uriah Heep vóór den dag, waarop Agnes de
stad verliet. Ik was toen aan het diligencekantoor, om afscheid van
haar te nemen en haar te zien vertrekken en daar zag ik hem, gereed
om met dezelfde gelegenheid naar Canterbury terug te keeren. Het deed
mij goed, toen ik opmerkte, dat hij met zijne dunne, moerbeikleurige
overjas, waarvan de taille veel te kort en de schouders te hoog waren,
en met zijne parapluie, zoo groot als een kleine tent, op den hoek van
de achterbank bovenop zat; terwijl Agnes natuurlijk binnen een plaatsje
had gekregen. Waarschijnlijk was dit eene belooning voor de pogingen,
die ik aanwendde, om vriendelijk jegens hem te zijn in tegenwoordigheid
van Agnes. Evenals na het diner bij de Waterbrooks zweefde hij ook nu
als een gier om ons heen, terwijl hij elk woord, dat Agnes tot mij of
ik tot Agnes sprak, trachtte op te vangen.
De mededeelingen, welke hij mij op mijne kamer had gedaan, hielden
mij voordurend bezig en in verband met hetgeen Agnes mij omtrent de
compagnieschap had verteld, lieten ze mij geen oogenblik met rust. Er
moest gehandeld worden en ik hoop den rechten weg gekozen te hebben.
Overtuigd dat dit offer voor de rust van Agnes' vader noodzakelijk was
geworden, drong ik er bij hem op aan het te brengen. Een beklemmend
voorgevoel, dat ook zij zou zwichten en tot elk offer bereid zou worden
gevonden, indien haar vader daarmede te redden was, maakte zich van mij
meester. Ik wist, hoe innig lief zij hem had en tot welke opofferingen
zij bereid was. Ik wist uit haar eigen mond, dat zij zich beschouwde
als de onschuldige oorzaak van zijne afdwalingen en in de meening
verkeerde, dat zij eene groote schuld aan hem had af te doen. Ik kon
geen troost vinden in de omstandigheid, dat ik zag, hoe groot het
onderscheid was tusschen haar en dien roodharigen ellendeling met zijn
moerbeikleurige jas, want juist in dat onderscheid, in dat verschil
tusschen de zelfverloochening van hare reine ziel en de lage baatzucht
van de zijne lag mijns inziens het groote gevaar. En dit wist hij en
had hij met zijn sluw karakter reeds sinds lang doorgrond.
Ik was echter zoo heilig overtuigd, dat het vooruitzicht op zulk een
offer Agnes' geluk voor altijd moest verwoesten; ik wist zoo zeker, dat
zij er niets van vermoedde en er dus nog geen schaduw op haar geluk
was geworpen, dat ik door haar te waarschuwen haar rust zou hebben
verstoord. Daarom scheidden wij zonder eenige opheldering; zij wuifde
mij uit het portierraampje met de hand toe en zei mij glimlachend
vaarwel, terwijl haar booze geest boven haar zat te grijnzen, alsof
hij reeds zeker was van zijn triomf. Ik kon dien afscheidsgroet niet
zoo spoedig vergeten. Toen Agnes mij schreef, dat zij veilig en wel
was aangekomen, voelde ik mij nog even wanhopig als toen ik haar zag
wegrijden. Geen oogenblik kon ik aan mijne gedachten den vrijen loop
laten, of dit onderwerp hield mij bezig en mijne onrust verdubbelde.
Geen nacht ging voorbij waarin ik niet over Agnes droomde. Haar lot
werd een deel van mijn leven en zoo onafscheidelijk van mij zelven als
mijn eigen hoofd.
Ik had tijd genoeg om over Agnes en den belager van haar geluk na te
denken, want Steerforth was, zooals hij mij schreef, te Oxford en zoo
was ik, behalve in de kantooruren, bijna altijd alleen. Ik geloof dat
zich in deze dagen een gevoel van achterdocht tegen Steerforth van mij
had meester gemaakt. Ik schreef hem heel vriendelijk in antwoord op
zijn brief, maar ik geloof dat ik eigenlijk blijde was, dat hij in deze
dagen niet naar Londen kon komen. De waarheid was, dat ik geheel onder
den invloed verkeerde van Agnes en dat Steerforth daaraan geen afbreuk
kon doen; bovendien deed de invloed van Agnes zich krachtiger gelden
omdat mijne gedachten steeds met haar vervuld waren.
Intusschen ging de eene dag en de eene week na de andere voorbij. Ik
was nu voor vast op het kantoor van de heeren Spenlow en Jorkins.
Behalve mijn huishuur en wat daaraan verbonden was, gaf tante mij
negentig pond 's jaars. Mijne kamers waren voor een jaar gehuurd
en ofschoon ik ze 's avonds nog al somber en bovendien de avonden
zelve lang vond, kon ik er toch uren achtereen in de gelijkmoedigste
stemming zitten koffiedrinken; in mijne herinnering lijkt het mij of
ik in dit tijdperk van mijn leven emmers van dat lauwe, bruine vocht
verslonden heb. Omstreeks dezen tijd deed ik ook drie ontdekkingen: ten
eerste, dat juffrouw Crupp het slachtoffer was van eene vreemdsoortige
kwaal, door haar „krampen” genoemd, die gewoonlijk vergezeld ging van
een buitengewoon rooden neus en bestreden moest worden met groote
hoeveelheden pepermunt; ten tweede, dat eene eigenaardigheid in de
temperatuur van mijn provisiekamertje telkens mijne brandewijnflesschen
deed springen; en eindelijk, dat ik geheel alleen in de wereld
en bijzonder geneigd was, om aan dat gevoel van eenzaamheid in
hoogdravende gedichten lucht te geven.
De dag, waarop ik mijne intrede deed op het kantoor, werd niet door
eenige feestelijkheid opgeluisterd; alleen tracteerde ik de klerken
op sandwiches met sherry en ging 's avonds alleen naar de komedie.
Ik ging „de Verlatene” zien, een stuk, dat met den geest in Doctors'
Commons volkomen overeenkwam en mij zoo aandoenlijk stemde dat ik, toen
ik mij, thuis komende, in den spiegel bekeek, mij zelve bijna niet
herkende. Toen onze overeenkomst beklonken was, zei mijnheer Spenlow
dat hij mij gaarne aan zijne familie zou voorstellen, maar dat zijn
huishouden eenigszins in de war was, omdat hij zijne dochter wachtte,
die ter voltooiing harer opvoeding naar Parijs was geweest. Zoodra
zij terug was, zou het hem een groot genoegen zijn mij te ontvangen,
verklaarde hij. Ik wist dat hij weduwnaar was met ééne dochter en zei
dus, dat ik erkentelijk was voor zijne goede bedoeling.
Mijnheer Spenlow hield zijn woord. Veertien dagen later ongeveer kwam
hij op zijne belofte terug en zei dat het hem zeer veel genoegen zou
doen, indien ik hem den volgenden Zaterdag een bezoek wilde brengen
en dan tot Maandag blijven. Ik kon met hem mederijden, heen en terug.
Natuurlijk wilde ik hem dit genoegen wel doen.
Toen de dag aanbrak wekte zelfs mijn reistaschje de eerbied op van de
gesalariëerde klerken, voor wie het huis te Norwood nog steeds een
mysterie gebleven was. Een van hen vertelde mij, dat mijnheer Spenlow
niets op zijne tafel had dan zilver en Chineesch porcelein; een ander
deelde mij mede, dat de champagne daar even rijkelijk vloeide als bij
anderen gewoon tafelbier. De oude klerk met de pruik, mijnheer Tiffey,
was meermalen voor zaken buiten geweest en telkens doorgedrongen tot
de ontbijtkamer, die hij mij beschreef als de weelderigst ingerichte
kamer, welke hij ooit gezien had. Hij had daar bruine Oost-Indische
sherry gedronken, zoo heerlijk, dat men er van moest knipoogen.
Er werd dien dag in het Consistorie een reeds lang aanhangige zaak
behandeld—het gold de excommunicatie van eene bakker, die zich
verzet had tegen eene door den kerkeraad vastgestelde belasting
op het onderhoud van eene straat—en aangezien het dossier van de
getuigenverhooren volgens mijne berekening tweemaal zoo groot was als
Robinson Crusoë, werd het laat eer onze werkzaamheden geëindigd waren.
Evenwel, hij werd voor zes weken in den ban gedaan en in de kosten
veroordeeld; toen verlieten de proctor van den bakker en de rechter en
de advocaten van beide partijen—allen meer of minder na verwant aan
elkander—de stad, en reden mijnheer Spenlow en ik in zijn phaëton weg.
De phaëton was een sierlijk rijtuig en de paarden strekten hunne
halzen uit en lichtten hunne pooten op, alsof ze wisten, dat zij tot
Doctors' Commons behoorden. Er was groote wedijver in het maken van
vertooning in Doctors' Commons en er werden een aantal sierlijke
equipages op nagehouden; hoewel ik meen en altijd zal blijven meenen,
dat in mijn tijd de grootste wedijver bestond in de stijfheid van de
boorden, die zoo stijf gedragen werden als een man ze bij mogelijkheid
dragen kan.
Wij hadden een zeer aangenamen rit en mijnheer Spenlow besprak met mij
het beroep, dat ik gekozen had. Hij zei dat het het aangenaamste beroep
van de gansche wereld was en volstrekt niet verward moest worden met
dat van procureur, omdat het er hemelsbreed van verschilde, veel minder
machinaal en veel voordeeliger was.
„In Doctors' Commons neemt men de zaken veel gemakkelijker op,” zei
hij, „daarom vormen wij ook eene bijzondere klasse van menschen. Het
is wel niet aangenaam dat wij hoofdzakelijk door procureurs in den arm
worden genomen, want procureurs behooren tot een lagere soort menschen,
waarop alle proctors uit de hoogte neerzien.”
Ik vroeg hem welke zaken hij de beste achtte voor ons, waarop hij
antwoordde, dat een betwiste erfenis, waarin een lief landgoedje van
dertig of veertig duizend pond de hoofdschotel vormde, naar zijne
ondervinding de beste zaak was. „In zulke zaken”, vertelde hij,
„valt er niet alleen wat af bij elk stadium, waarin het proces wordt
gebracht, maar de verhooren van getuigen à charge en à décharge kunnen
tot in het oneindige worden voortgezet, om niet eens te spreken van de
appèls, eerst op de Gedelegeerden en daarna op de Lords. Bovendien is
men zeker dat de kosten uit de opbrengst van het goed worden betaald en
beijveren zich dus beide partijen, om het proces in alle instantiën met
groote verwoedheid te voeren en behoeft men zich niet te storen aan de
onkosten.” Daarna begon hij een lofspraak te houden op Doctors' Commons
in het algemeen. Wat men vooral bewonderen moest in de Commons, dat was
de beknoptheid. Commons was de eenvoudigst ingerichte zaak op de
wereld. Het was een voorbeeld van eenvoudigheid. Men kon alles wel in
een notedop pakken. Bijvoorbeeld: „Gij brengt een aanvraag om scheiding
of over teruggave van eene erfenis voor het Consistorie. Goed! De zaak
wordt daar behandeld, alsof men aan een allegaartje zit met zijne
familie; men speelt op zijn gemak zijn spel uit. Goed! Men is niet
tevreden met de uitspraak van het Consistorie, wat nu? Wel, men brengt
de zaak voor „the Arches.” Wat is „the Arches”? Hetzelfde Hof in
dezelfde kamer met dezelfde balie, dezelfde advocaten, maar met een
anderen rechter, want de rechter uit het Consistorie zou daar elken
zittingdag als advocaat kunnen komen pleiten. En dan begint het
allegaartje opnieuw. Neem aan dat men nog niet tevreden is. Goed! Wat
dan? Wel, dan volgt een appèl op „de Gedelegeerden.” Wie zijn „de
Gedelegeerden?” Wel, dat zijn de advocaten, die geen zaak aanhangig
hebben, die toegekeken hebben bij het allegaartje, terwijl het bij
beide hoven werd gespeeld, die de kaarten hebben zien schudden en
afnemen, die het spel gevolgd en met al de spelers een praatje
gemaakt hebben en nu kersversch optreden als rechters, om de zaak
tot genoegen van wederzijdsche partijen te beslissen. Ontevreden
menschen mogen spreken over heerschende misbruiken in de Commons,
over geheimzinnigheid in de Commons en over de noodzakelijkheid om de
Commons te hervormen”, eindigde mijnheer Spenlow op plechtigen toon,
„dat is zeker, dat toen de prijs van de tarwe het hoogst was, de
Commons het meest te doen hadden; en men mag met de hand op het hart
tegenover de geheele wereld verklaren: „Raakt men aan de Commons, dan
raakt men aan het Land!””
Ik had met de grootste aandacht naar zijne woorden geluisterd en
hoewel ik betwijfelde of het Land werkelijk wel zooveel aan de Commons
verplicht was, als mijnheer Spenlow beweerde, zweeg ik uit eerbied voor
zijne meerdere ondervinding. Die quaestie over den prijs van de tarwe
ging—ik moet dit in mijne groote bescheidenheid meedeelen—boven mijn
begrip en ik heb die tot nu toe nog niet begrepen. Bij elke gelegenheid
heeft mij die quaestie den mond gesnoerd—mijn leven lang. Ik kan niet
zeggen, waarom of met welk recht, maar telkens wanneer ik mijn oude
vriend de tarwe op het tapijt hoorde brengen—en hij deed dat, naar ik
opmerkte, altijd—achtte ik mijn zaak verloren.
Dit was een uitweiding. _Ik_ zal niet aan de Commons raken en
dientengevolge het Land ten val brengen. Door mijn stilzwijgen gaf ik
mijne instemming met hetgeen mijn meerdere in jaren en in ondervinding
mij had medegedeeld zoo onderdanig mogelijk te kennen en op het verder
gedeelte van den rit spraken wij over „de Verlatene”, over het drama
in het algemeen en over de paarden, tot wij bij het hek van mijnheer
Spenlow's buitengoed stilhielden.
Er was een allerliefste tuin bij mijnheer Spenlow's woning en ofschoon
het jaargetijde nu wel niet gunstig was om een tuin te bewonderen, was
deze toch zoo keurig onderhouden, dat ik er verrukt van was. Er was een
fraai grasperk, er waren heerlijke boomgroepen en mooie plekjes met
verrukkelijke vergezichten en overwelfde wandelpaden die ik nog even in
de duisternis kon onderscheiden. „Wat moet het hier heerlijk zijn in
den zomer als alle heesters en bloemen in vollen bloei staan! Zonder
twijfel zijn deze de geliefkoosde wandelingen voor juffrouw Spenlow!”
dacht ik.
Wij gingen het huis binnen, dat vroolijk verlicht was, en kwamen in de
vestibule, die vol hing en stond met alle soorten van hoeden, petten,
overjassen, plaids, handschoenen, rijzweepen en wandelstokken. „Waar is
juffrouw Dora?” vroeg mijnheer Spenlow aan den knecht. „Dora!” dacht
ik. „Wat een mooie naam!”
Wij traden eene kamer aan onze linkerhand binnen—ik onderstel dat het
de ontbijtkamer was, die door den bruinen Indischen Sherry reeds eene
zekere vermaardheid voor mij gekregen had—en daar hoorde ik eene stem
zeggen: „mijnheer Copperfield, mijne dochter Dora en hare vertrouwde
vriendin!” Geen twijfel of deze stem behoorde aan mijnheer Spenlow;
maar ik wist het niet en het kon mij ook niet schelen. Ik dacht aan
niets meer op dat oogenblik. Mijn lot was in deze zelfde minuut
beslist. Ik gaf mij gevangen; ik voelde mij in slavenketenen geslagen!
In één woord, ik was smoorlijk verliefd op Dora Spenlow! Zij was geen
menschelijk wezen meer voor mij; zij was eene fee, eene sylphide, ik
weet zelf niet wat zij was.... zij was alles wat een mensch nooit
gezien heeft, alles, waarnaar elk mensch smacht. In een oogwenk had de
liefde mij als een afgrond verzwolgen. Ik kon niet op den rand blijven,
niet naar beneden, niet achterwaarts zien, ik stortte hals over kop in
de diepte, eer ik nog een woord tot haar had kunnen zeggen.
„Ik”, hoorde ik een welbekende stem zeggen, toen ik een buiging gemaakt
en eenige woorden gemompeld had, „_ik_ heb mijnheer Copperfield meer
gezien.”
Zij, die dit zei, was niet Dora, maar hare vertrouwde vriendin....
juffrouw Murdstone!
Ik geloof niet dat ik erg verbaasd was. Voor zoover ik kon nagaan, was
ik op dat oogenblik niet meer vatbaar voor verbazing. Waarover zou ik
mij in 's Hemelsnaam nog hebben kunnen verbazen dan over Dora Spenlow?
Ik zei: „Hoe vaart gij, juffrouw Murdstone? Ik hoop—goed.” Zij
antwoordde: „Heel goed,” waarop ik vroeg: „En hoe maakt het mijnheer
Murdstone?” „Dank u,” antwoordde zij, „mijn broeder is heel wel.”
Mijnheer Spenlow, die, naar ik vermoed, zeer verwonderd was te zien,
dat wij elkander kenden, zei nu:
„Ik ben blijde, Copperfield, dat gij en juffrouw Murdstone nog oude
kennissen zijt.”
„Mijnheer Copperfield en ik,” zei juffrouw Murdstone met kalme
waardigheid, „zijn zelfs verwanten. Vroeger zijn wij eenigen tijd met
elkander bekend geweest. Dat was in zijne jeugd. Omstandigheden hebben
ons gescheiden; ik zou hem niet herkend hebben.”
Ik antwoordde, dat ik haar onder alle omstandigheden zou herkend
hebben, hetgeen maar al te waar was.
„Juffrouw Murdstone heeft de goedheid gehad,” vertelde mijnheer Spenlow
mij, „den post—als ik het zoo noemen mag—van vertrouwde vriendin
mijner dochter wel te willen aannemen. Aangezien mijne dochter het
ongeluk heeft gehad hare moeder te verliezen, heeft juffrouw Murdstone
de verplichting op zich genomen van hare gezellin en hare beschermster
te zijn.”
De gedachte vloog mij door het brein, dat juffrouw Murdstone, evenals
het zakinstrumentje, dat gewoonlijk ploertendooder genoemd wordt,
minder tot verdediging dan tot den aanval geschikt was. Aangezien ik
echter voor alles, behalve voor Dora, slechts vluchtige gedachten
over had, keek ik haar weder aan en meende ik in haar lief, doch
op dit oogenblik ontevreden gezichtje te lezen, dat zij niet
bijzonder ingenomen was met deze vertrouwde vriendin als gezellin en
beschermster. De schel, die op dit oogenblik door het huis weerklonk
en volgens mijnheer Spenlow de eerste etensbel was, maakte aan dit
eerste samenzijn een einde, want ik moest mij kleeden. Het denkbeeld,
om zoo verliefd als ik toen was, mij te kleeden of iets anders te
doen, dat eenige inspanning kostte, was eigenlijk al te dwaas. Ik kon
slechts, bij den haard zittende, op het sleuteltje van mijn reiszak
bijten en aan de betooverende, jonge, beminnelijke Dora denken. Wat had
zij prachtige oogen en wat een figuurtje en wat een gezichtje en hoe
verrukkelijk en natuurlijk was alles wat zij deed!
De schel werd opnieuw geluid, doch zoo spoedig, dat ik mijn toilet
bijna geheel vergat in plaats van er zooveel zorg aan te besteden als
onder zulke omstandigheden wenschelijk was. Ik ging naar beneden en
vond daar nog meer gasten. Dora stond te praten met een heer met grijze
haren; maar hoe grijs ook en al vertelde hij dat hij al grootvader was,
ik was toch jaloersch op hem. O, o! Ik zal de gemoedsstemming, waarin
ik verkeerde, nooit vergeten! Ik was op iedereen jaloersch. Ik kon het
niet uitstaan dat er iemand was, die mijnheer Spenlow beter kende dan
ik. Het was een ware marteling voor mij hem over voorvallen te hooren
spreken, die ik niet had bijgewoond. Toen een zeer beleefd heer met een
glad, kaal hoofd mij over de tafel heen vroeg of dit de eerste maal
was, dat ik mijnheer Spenlow's plaats bezocht, had ik hem wel kunnen
aanvliegen.
Ik herinner mij niemand meer van de aanwezigen dan Dora. Ik kan mij
volstrekt niet meer herinneren wat er rondgediend werd; ik voedde mij
met Dora en liet ongetwijfeld een half dozijn schotels voorbij gaan. Ik
zat naast haar; ik sprak met haar. Zij had het liefste stemmetje, het
aantrekkelijkste lachje, de aardigste en betooverendste maniertjes, die
ooit een jongen man in verrukking gebracht hebben. Alles, wat zij was
en deed, kon met een verkleinwoordje aangeduid worden. Naar het mij
voorkwam, verhoogde dit hare aantrekkelijkheid in geen geringe mate.
Toen zij met juffrouw Murdstone de kamer uitging—er waren geen andere
dames—verzonk ik in een droomerig gepeins, dat alleen verstoord werd
door het wreed vermoeden, dat juffrouw Murdstone allerlei onthullingen
zou doen in mijn nadeel. De beleefde heer met het gladde, kale hoofd
vertelde mij eene lange geschiedenis—ik meen over tuinieren. Als ik
het mij goed herinner, sprak hij eenige malen het woord „tuinman”
uit. Ik hield mij alsof ik aandachtig toeluisterde, maar ik wandelde
intusschen in Eden's tuin—met Dora.
Het onbewegelijke, nijdige gezicht van juffrouw Murdstone, toen wij
later het salon binnentraden, was wel geschikt om aan mijne vrees voor
lasterpraat voedsel te geven. Op de meest onverwachte wijze werd die
vrees mij echter ontnomen.
„David Copperfield,” zei juffrouw Murdstone, terwijl zij mij in een
vensternis wenkte, „luister eens.”
Daar stond ik tegenover juffrouw Murdstone.
„David Copperfield”, sprak zij, „ik wensch hier alle
familieomstandigheden buiten beschouwing te laten. Ze vormen nu juist
geen uitlokkend onderwerp tot discours.”
„Dat doen ze niet, juffrouw,” antwoordde ik.
„Dat doen ze niet,” herhaalde juffrouw Murdstone. „Ik verlang het
verleden, met zijne oneenigheid en zijne onbetamelijkheden niet in mijn
geheugen terug te roepen. Ik heb veel beleedigingen moeten aanhooren
van een persoon—het spijt mij voor mijne sekse, dat die persoon eene
vrouw was—wier naam ik niet zonder eene gewaarwording van toorn en
afschuw zou kunnen noemen: het is daarom beter dien maar achterwege te
laten.”
Wel is waar kookte ik inwendig, maar ik zei, dat het zeker beter zijn
zou haar naam niet te noemen. Ik zou op geen oneerbiedigen toon over
haar kunnen hooren spreken, voegde ik er bij, zonder op zeer stelligen
toon mijn gevoelen te zeggen.
Juffrouw Murdstone sloot de oogen en boog op minachtende wijze het
hoofd; daarna opende zij de oogen weder langzaam en zei:
„David Copperfield, ik zal het niet verbloemen, dat ik in uwe jeugd
eene hoogst ongunstige meening van u had opgevat. Mogelijk heb ik mij
vergist; het is echter even goed mogelijk, dat gij opgehouden hebt deze
meening te rechtvaardigen. Hoe het zij, ik behoor tot eene familie,
die, naar ik meen, uitmunt door vastheid; ik zal dus niet zeggen, dat
ik mij laat meesleepen door de omstandigheden of door veranderingen. Ik
mag mijne meening hebben van u; gij moogt de uwe hebben van mij.”
Nu was het mijne beurt om het hoofd te buigen.
„Het is echter niet noodzakelijk,” ging juffrouw Murdstone voort, „dat
onze meeningen hier in botsing komen. In de gegeven omstandigheden is
het zelfs beter als ze niet in botsing komen. Nu de wisselingen van
het lot ons opnieuw bij elkander hebben gebracht en zonder twijfel nog
vele malen bij elkander brengen zullen, komt het mij het beste voor,
dat wij elkander hier bejegenen als verre verwanten. Het is voldoende
familie-aangelegenheden aan te nemen, om op dien voet met elkander om
te gaan en het is geheel onnoodig, dat wij elkander tot het voorwerp
van wederzijdsche aanmerkingen zouden maken. Zijt gij dat met mij eens?”
„Juffrouw Murdstone,” antwoordde ik, „mijne meening is, dat gij en
mijnheer Murdstone mij wreed en mijne moeder zeer onvriendelijk
behandeld hebben. Deze meening zal ik behouden zoo lang ik leef. Toch
neem ik uw voorstel aan.”
Nogmaals sloot juffrouw Murdstone de oogen en boog zij het hoofd.
Daarna ging zij heen, terwijl zij even den rug van mijne hand met
hare ijzige vingers aanraakte en onder het heengaan de kettinkjes om
hare polsen en haar hals verschikte; het waren nog dezelfde, die zij
droeg toen ik haar voor het eerst gezien had. Deze kettinkjes deden
mij, in verband met juffrouw Murdstone's karakter, aan de kettingen en
sloten van eene gevangenisdeur denken; ze moesten aan allen, die haar
ontmoetten, doen raden, wat daar achter te verwachten was.
Alles wat ik mij van het overige van dien avond herinner is, dat ik
de koningin van mijn hart Fransche liederen hoorde zingen, die in het
algemeen eindigden met Ta ra la, Ta ra la! en eene verheerlijking van
het dansen inhielden. Zij accompagneerde zich zelve op een prachtig
instrument, dat op een guitaar geleek. Verder herinner ik mij, dat ik
in een toestand van ongekende gelukzaligheid zat te luisteren; dat ik
alle ververschingen van de hand sloeg; dat ik vooral een afschuw had
van punch; dat, toen juffrouw Murdstone haar in „bescherming” nam en
haar naar hare kamer bracht, zij mij toelachte en mij haar verrukkelijk
handje aanbood, dat ik, bij toeval in den spiegel kijkende, de
opmerking maakte, dat ik er erg dom en versuft uitzag en eindelijk,
dat ik in een staat van bedwelming naar bed ging en verliefder dan ooit
opstond!
Het was een heerlijke morgen en nog heel vroeg; ik wist dus niets
beters te doen dan eene wandeling te maken door de overdekte lanen,
die ik den vorigen avond had gezien, en mij haar beeld voordurend voor
oogen te stellen. In de gang had ik eene ontmoeting met haar hondje,
Jip genaamd, als afkorting van Gipsy. Ik haalde het aan, want ik hield
natuurlijk dol veel van het dier; maar het liet mij twee rijen scherpe
tanden zien en ging onder een stoel zitten brommen zonder iets van mij
te willen weten.
Het was koel en eenzaam in den tuin. Ik wandelde rond en vroeg mij
telkens af hoe gelukkig ik wel zijn zou, indien het ooit tot een
engagement mocht komen met dit beminnelijk schepseltje. Aan trouwen,
aan fortuin en alles wat daarmede in verband stond, dacht ik evenmin
als toen ik verliefd was op de kleine Emily. De toestemming te erlangen
om haar Dora te mogen noemen, haar te mogen schrijven, te mogen
liefhebben en aanbidden, te weten, dat zij aan mij bleef denken al was
zij ook te midden van andere menschen, dat was in mijn oog het hoogste,
dat een mensch verlangen kon en zeker het hoogste, dat ik verlangen
kon. Het lijdt geen twijfel of ik was zeer sentimenteel gestemd, ja,
wellicht had men mij dwaas verliefd kunnen noemen, maar toch lag daarin
zooveel reinheid van hart verborgen, dat ik, al mag ik er nu eens om
lachen, geen oogenblik met een gevoel van minachting aan deze dagen
terugdenk.
Ik had nog niet lang gewandeld, toen ik, een hoek omslaande, Dora voor
mij zag staan. Er gaat mij nog een rilling door de leden van het hoofd
tot de voeten, wanneer mijne gedachten naar dat oogenblik terugkeeren;
dan beeft de pen in mijne hand.
„Gij,... zijt.... wel.... vroeg op, juffrouw Spenlow,” zei ik.
„Het is zoo vervelend in huis,” antwoordde zij, „en juffrouw Murdstone
is onuitstaanbaar. Zij praat allerlei nonsens en zegt dat de nevel
eerst moet optrekken voor ik mag uitgaan. De nevel optrekken!”—o, wat
klonk de lach, waarmede deze woorden gepaard gingen, welluidend!—„Op
Zondagmorgen, als ik mij niet op de guitaar mag oefenen, moet ik toch
iets doen! Ik zei gisteren avond aan papa, dat ik uit _moest_. Het is
bovendien nu het helderste oogenblik van den geheelen dag! Vindt gij
dat ook niet?”
Ik waagde het een stoute vlucht te nemen en zei, niet zonder stotteren,
dat het werkelijk op dit oogenblik zeer helder voor mij was, maar dat
het nog geen minuut geleden heel donker geweest was.
„Beduidt dit een compliment?” vroeg Dora, „of bedoelt gij dat het weer
werkelijk is omgeslagen?”
Ik stotterde nog erger dan zoo even, toen ik antwoordde dat het geen
compliment beduidde, maar de zuivere waarheid was; hoewel ik niet had
opgemerkt dat er eenige verandering in het weder gekomen was. „Het is
alleen in mijn eigen gevoel,” voegde ik er bedeesd bij, om niets aan
duidelijkheid te wenschen over te laten.
Nooit zag ik zulke krullen—hoe kon ik dat ook, want niemand bezat ze
ooit zoo!—als die, welke zij nu naar voren schudde om haar blos te
verbergen. En het stroohoedje met de blauwe linten, dat op die krullen
stond..... o, hoe gaarne zou ik het als een schat van groote waarde in
Buckinghamstreet hebben opgehangen!
„Gij zijt onlangs uit Parijs teruggekomen, niet waar?” vroeg ik.
„Ja,” klonk haar antwoord. „Zijt gij daar ooit geweest?”
„Neen.”
„O, dan hoop ik, dat gij er spoedig zult heengaan. Het is een prachtige
stad! Het zal u daar best bevallen!”
De uitdrukking, welke deze woorden op mijn gelaat teweegbrachten,
moet wel van innige zielesmart getuigd hebben. Zij hoopte, dat ik op
reis zou gaan; zij onderstelde, dat ik op reis kon gaan! O, het was
ondragelijk! Ik had een diepe minachting voor Parijs, voor Frankrijk!
Ik zeide, dat ik in de gegeven omstandigheden voor geen geld ter wereld
Engeland zou willen verlaten. Niets zou mij daartoe kunnen bewegen.
Kortom, zij schudde de krullen weder naar voren, toen haar hondje naar
buiten kwam rennen en ons uit den nood hielp. Het dier was dadelijk
jaloersch op mij en bleef mij maar aanblaffen. Zij nam hem in hare
armen—nu was het mijne beurt om jaloersch te zijn—en liefkoosde hem,
maar hij bleef nijdig keffen. Hij wilde niet toestaan, dat ik hem even
aanraakte, maar toen gaf zij hem een klap. De tikjes, die zij hem
tot straf op zijn mopneusje gaf, terwijl hij knipoogde en hare hand
likte en nog maar steeds bleef voortbrommen als een contrabas, had ik
gaarne opgevangen. Eindelijk werd hij stil—geen wonder, terwijl hij
haar mollig kinnetje op zijn kop voelde!—en wandelden wij verder om de
oranjerie te bekijken.
„Gij zijt niet erg bevriend met juffrouw Murdstone, is 't wel?” vroeg
Dora. „Koest, liefje!”
Deze laatste woorden waren tot den hond gericht. Hadden ze mij maar
gegolden!
„Neen,” antwoordde ik. „Niet bijzonder.”
„Zij is een vervelend schepsel,” hernam Dora pruilend. „Ik kan mij niet
begrijpen wat papa bewogen kan hebben, dat mensch tot mijne gezellin te
kiezen. Wie heeft er nu een beschermster noodig? Ik ben overtuigd dat
ik er geen noodig heb. Jip kan mij veel beter beschermen dan juffrouw
Murdstone.... nietwaar Jip?”
Het dier kwispelde toen zij hem een kus op zijn kopje gaf.
„Papa noemt haar mijne vertrouwde vriendin, maar ik ben overtuigd dat
zij het niet is.... is zij wel, Jip? Wij kunnen geen vertrouwen stellen
in zulk een wrevelig schepsel, Jip en ik. Wij zullen zelve de menschen
wel kiezen, aan wie wij ons vertrouwen schenken, en laten ons die niet
opdringen.... is 't niet, Jip?”
Jip maakte een geluid, dat een bewijs van instemming moest verbeelden
en eenigszins geleek op het zingen van het water in een theeketel. Voor
mij was elk woord een nieuw kettinkje, dat boven de andere rijen om
haar hals werd geklonken.
„Het is wel hard in stede van eene lieve, vriendelijke mama zulk eene
stuursche, sombere oude paai tot gezelschap te hebben, zoo'n mensch,
dat ons overal volgt—is het niet, Jip? Treur maar niet, Jip. Wij
willen geen vertrouwde en zullen zooveel plezier maken als wij maar
kunnen.... wij zullen haar plagen in plaats van behagen.... nietwaar,
Jip?”
Als dit nog langer geduurd had zou ik ongetwijfeld op mijn knieën zijn
gevallen, op gevaar af in het grint het vel er af te schuren en buiten
de deur gezet te worden. Gelukkig was de oranjerie nu niet meer veraf.
Het was daar binnen een ware tentoonstelling van prachtige geraniums.
Wij wandelden er langs en Dora bleef nu en dan staan om er een te
bewonderen en dan bewonderde ik de zelfde en dan hield Dora, ondeugend
lachend, Jip in de hoogte en liet hem aan de bloemen ruiken; kortom,
wij mogen ons al niet alle drie in het tooverland gewaand hebben, ik
waande mij er zeker in. De geur van een geranium blad wekt nu nog een
gevoel van verbazing op over de verandering, die dan in mij plaats
grijpt; ik zie dan een stroohoedje met blauwe linten en eene menigte
krullen en een klein zwart hondje, dat door twee slanke armen in de
hoogte wordt gehouden tegen een muur van bloemen en frissche bladeren.
Juffrouw Murdstone had ons reeds gezocht. Zij vond ons in de oranjerie
en bood Dora haar gerimpelde wang aan tot een kus. Daarna nam zij
Dora's arm en marcheerde met ons naar de ontbijtkamer, alsof wij deel
uitmaakten van eene militaire lijkstaatsie.
Hoeveel kopjes thee ik dronk, omdat Dora ze gezet had, durf ik niet
zeggen. Ik herinner mij echter zeer goed, dat ik zooveel verzwolg dat
mijn zenuwgestel—indien ik er een gehad had in die dagen—zeer zeker
overstuur zou zijn geraakt. Na het ontbijt gingen wij gezamenlijk naar
de kerk. Juffrouw Murdstone zat tusschen Dora en mij in, maar ik hoorde
_haar_ zingen en toen verdween de geheele gemeente als in een nevel. De
preek was natuurlijk.... over Dora en ik vrees dat dit alles is, wat ik
van de godsdienstoefening weet.
Wij hadden een stillen dag. Geen bezoek, een wandeling, een huiselijk
middagmaal met ons vieren en den avond brachten wij door met het
bekijken van platen en boeken; terwijl juffrouw Murdstone met een preek
voor zich zat en ons voortdurend in het oog hield. O, weinig vermoedde
mijnheer Spenlow, toen hij na het middagmaal tegenover mij zat, met
den zakdoek over het hoofd, hoe vurig ik hem in mijne verbeelding
als schoonzoon omhelsde. Weinig ook vermoedde hij, dat hij, toen ik
des avonds afscheid van hem nam, in mijne verbeelding juist zijne
toestemming had gegeven tot mijne verloving met Dora en dat ik Gods
zegen inriep over hem en zijn huis.
Wij vertrokken den volgenden morgen vroeg, want er was dien dag eene
zaak voor het Admiraliteitshof over het bergloon van eene geredde
lading. In dit proces werd eene volledige kennis vereischt van de
geheele zeevaartkunst, zoodat de rechter, begrijpende dat men het in de
Commons nog niet ver daarin gebracht had twee oud-zeeofficieren te hulp
had geroepen. Dora was echter reeds beneden om thee te zetten en ik had
het twijfelachtig genoegen, in den phaëton zittende, mijn hoed te mogen
afnemen voor Dora, die met Jip in den arm op de stoep stond.
Ik zal het niet wagen eene beschrijving te geven van hetgeen de
Admiraliteit dien dag voor mij was; van den onzin, dien ik in mijne
gedachten van het proces maakte, terwijl ik zat te luisteren; van het
visioen dat ik had, toen ik den naam „Dora” meende gegraveerd te zien
op de zilveren roeispaan, die op de tafel lag als symbool van de hooge
rechtspraak, noch van hetgeen er in mij omging, toen mijnheer Spenlow
naar huis ging zonder mij—ik had nog de dwaze hoop gekoesterd, dat hij
mij zou medenemen—als ware ik zelf een matroos, die op een onbewoond
eiland was achtergelaten, terwijl het schip met volle zeilen zee had
gekozen. Als de oude Hof eens kon wakker geschud worden en in den een
of anderen vorm een voorstelling geven kon van de droomen, die ik daar
over Dora droomde, zou het blijken hoe trouw ik haar ben geweest.
Ik bedoel niet de droomen van dien dag alleen, neen, van alle dagen
en weken en zittingen. Ik ging er heen, niet om te luisteren naar
hetgeen er verhandeld werd, maar om over Dora te denken. Als ik ooit
eenige aandacht aan de processen heb gewijd, terwijl ze in al hunne
lengte langzaam langs mij heen trokken, was het om mij bij die over
huwelijksaangelegenheden te verbazen, dat gehuwde lieden wel eens
niet gelukkig konden zijn, en om bij processen over erfenissen te
overpeinzen welke stappen ik, indien mij dat geld was nagelaten, ten
opzichte van Dora zou nemen. In de eerste week van mijne verliefdheid
kocht ik vier prachtige vesten—niet voor mij zelven, want mij liet
uiterlijk vertoon koud, maar voor Dora—trok op straat stroogele
handschoenen van geitenleder aan en legde den grondslag voor alle
likdoorns, die ik ooit gehad heb. Konden de laarzen, die ik in deze
dagen droeg, maar te voorschijn gebracht en met den werkelijken vorm
van mijne voeten vergeleken worden, dan zou op waarlijk aandoenlijke
wijze de toestand van mijn hart kunnen blijken.
En toch, niettegenstaande ik mij voor mijn leven kreupel maakte als
een stille hulde aan Dora, wandelde ik dagelijks mijlen achtereen in
de hoop haar te ontmoeten. Niet alleen was ik op den weg naar Norwood
spoedig even goed bekend als de brievenbesteller van die wijk, maar ik
doorkruiste Londen op dezelfde wijze. Ik wandelde door de straten waar
de beste winkels voor dames waren; ik bespiedde de Bazar uren achtereen
en dwaalde door de parken tot ik doodmoe thuis kwam. Nu en dan, met
lange tusschenpoozen, werd ik op het onverwachts beloond. Nu eens zag
ik haar handschoen mij toewuiven uit het portier van een rijtuig; een
andere maal ontmoette ik haar met juffrouw Murdstone en wandelde ik
met beiden eenige straten door, terwijl ik met Dora sprak. Na zulk een
ontmoeting voelde ik mij telkens diep ellendig, omdat ik geen woord
gerept had over hetgeen mij dag en nacht bezig hield, of omdat zij
geen denkbeeld hebben kon van mijne onbegrensde vereering of omdat zij
blijkbaar niet het minste om mij gaf. Zooals van zelf spreekt, was ik
steeds in afwachting van eene tweede uitnoodiging van mijnheer Spenlow;
maar telkens werd ik teleurgesteld—er volgde er geen.
Juffrouw Crupp moet eene vrouw geweest zijn met veel menschenkennis;
want toen mijne verliefdheid nog slechts een week oud was, en ik nog
niet den moed had gehad aan Agnes duidelijker te schrijven dan: „ik
heb een bezoek gebracht aan mijnheer Spenlow, wiens familie bestaat
uit ééne dochter”—ik herhaal, juffrouw Crupp moet veel menschenkennis
bezeten hebben want zelfs in dit eerste tijdperk van mijne toenemende
verliefdheid ontdekte zij, wat er aan de hand was. Op zekeren avond
kwam zij boven—ik was juist in eene zeer neerslachtige stemming—om
te vragen of ik haar ook kon helpen aan een weinig tinctuur van
paradijsbloemen met wat rhabarberstroop en zeven droppels nagelolie,
welk middel voor hare kwaal, waaraan zij weder lijdende was, het beste
was. Kon ik dat niet, dan was een weinig brandewijn—op een na het
beste middel—haar ook welkom. Brandewijn, voegde zij er bij, is wel
niet zoo lekker, maar het is op één na het beste middel. Aangezien
ik van het eerste middel nooit gehoord en het tweede in mijne kast
voorhanden had, gaf ik juffrouw Crupp een glas van het tweede, hetgeen
zij, opdat ik niet denken zou, dat er een onbehoorlijk gebruik van
gemaakt werd, in mijne tegenwoordigheid leeg dronk.
„Wees toch vroolijk, mijnheer,” sprak zij, „ik kan u zoo niet zien,
mijnheer, ik ben zelve moeder.”
Ik begreep de toepassing van deze laatste omstandigheid op mijn
persoon niet goed, maar ik keek haar toch zoo vriendelijk en opgeruimd
mogelijk aan.
„Kom, mijnheer,” hervatte juffrouw Crupp. „Neem het mij niet kwalijk,
maar ik weet wat het is, mijnheer. Daar is een jonge dame in het spel.”
„Juffrouw Crupp?” antwoordde ik met een kleur.
„Wel sapperloot! Houd den moed er toch in, mijnheer!” zei juffrouw
Crupp met een bemoedigend knikje. „Men gaat er niet aan dood, mijnheer!
Als zij geen lachje voor u heeft, zijn er genoeg, die het wel hebben.
Gij zijt een nette, jonge man, voor wien men een lachje _moet_ over
hebben, mijnheer Copperfull; gij moet u zelven niet weggooien,
mijnheer.”
Juffrouw Crupp noemde mij altijd mijnheer Copperfull, vermoedelijk
omdat dit mijn naam _niet_ was.
„Wat doet u onderstellen, juffrouw Crupp, dat er een jong meisje in het
spel is?” vroeg ik.
„Mijnheer Copperfull,” antwoordde zij met pathos: „_Ik_ ben zelve
moeder.”
Gedurende eenige minuten kon juffrouw Crupp niets doen dan hare hand
op haar nankingschen boezem leggen en zich sterken tegen vernieuwde
aanvallen van hare kwaal door haar glaasje met kleine teugjes te
ledigen. Eindelijk hernam zij:
„Toen deze kamers door uwe lieve tante gehuurd werden, mijnheer
Copperfull, was ik blijde nu eens iemand te zullen krijgen, voor wien
ik zorgen kon. ‚Goddank,’ zei ik, ‚nu heb ik iemand gevonden voor wien
ik zorgen kan!’—Gij eet niet genoeg, mijnheer en gij drinkt ook niet
genoeg.”
„Grondt gij daarop uw vermoeden, juffrouw Crupp?” vroeg ik.
„Mijnheer!” hernam juffrouw Crupp op plechtigen, ja, verwijtenden
toon, „ik heb voor meer jongeheeren gewasschen dan voor u. Een jonge
heer kan al te veel werk maken van zich zelven, maar ook al te weinig;
hij kan zijn haar met zorg opmaken, maar ook zonder zorg; hij kan te
groote maar ook te kleine schoenen dragen. Dit hangt alles samen met
het karakter en met zijne opvoeding, maar in welk uiterste hij ook mag
vervallen.... er is altijd eene jonge dame in het spel.”
Juffrouw Crupp sprak zoo beslist en schudde zoo hevig met het hoofd,
dat ik er geen woord tegen kon inbrengen.
„Daar hebt gij bijvoorbeeld dien heer, die hier gestorven is,”
vervolgde zij, „die werd verliefd op een buffetjuffrouw en....
onmiddellijk moest ik zijn vesten laten innemen, niettegenstaande zijn
maag erg was opgezet van het drinken.”
„Juffrouw Crupp,” antwoordde ik, „ik moet u verzoeken, de dame, van wie
bij mij sprake is, niet op ééne lijn te stellen met een buffetjuffrouw
of iemand van dat allooi.”
„Mijnheer Copperfull,” hernam juffrouw Crupp, „ik ben zelve moeder en
niet voor niet. Ik vraag u vergiffenis indien ik mij heb opgedrongen.
Ik verlang mij niet op te dringen wanneer ik niet welkom ben. Maar
gij zijt nog jong, mijnheer Copperfull, en daarom geef ik u den raad
vroolijk te zijn, mijnheer, moed te houden en u zelven niet weg te
gooien. Gij moest eens de eene of andere liefhebberij ter hand nemen,
mijnheer Copperfull, kegelen bijvoorbeeld; dat is eene gezonde beweging
en zal u wat afleiding geven.”
Na deze woorden verklaarde juffrouw Crupp zeer dankbaar te zijn voor
den brandewijn—de flesch was zoo goed als ledig—maakte eene statige
buiging en ging heen. Toen zij in de duisternis van het portaal
verdween, bleef de indruk bij mij achter, dat juffrouw Crupp niet van
vrijpostigheid was vrij te pleiten; toch was ik haar dankbaar voor haar
raad, waarvan ik zou gebruik maken, al was het op eene andere wijze dan
zij bedoeld had; ik zou dien beschouwen als eene waarschuwing om mijn
geheim beter te bewaren.