XXV.

Goede en booze engelen.

Toen ik op den morgen na dien dag van hoofdpijn, berouw en ellende—op

zonderlinge wijze in de war omtrent den datum van mijn diner, alsof

een troep Titans met een reusachtigen hefboom den dag van eergisteren

eenige maanden hadden teruggewrongen—op het punt was om uit te gaan,

zag ik een boodschaplooper de trap opkomen met een brief in de hand.

Op dit oogenblik nam hij de zaak, waarover hij was uitgezonden, heel

kalmpjes op, maar toen hij mij bovenaan de trap over de leuning zag

kijken, versnelde hij zijn gang en kwam boven, hijgende alsof hij zich

bijzonder had uitgesloofd.

„Is u mijnheer T. Copperfield?” vroeg hij met zijn klein stokje even

tegen zijn hoed tikkend.

Ik kon nauwelijks antwoord geven, zoo ontroerde ik bij de gedachte, dat

deze brief van Agnes zijn moest. Evenwel, ik zei, dat ik mijnheer T.

Copperfield was en hij geloofde het, gaf mij den brief en bleef wachten

op antwoord.

Ik liet hem op het portaal wachten, ging mijn kamer binnen, sloot de

deur en was zoo zenuwachtig, dat ik eerst den brief op de ontbijttafel

moest neerleggen en den buitenkant nog eens goed bekijken eer ik

besluiten kon het zegel te verbreken. Het was een vriendelijk briefje,

waarin geen woord gerept werd van onze ontmoeting in de komedie. Het

behelsde niets anders dan: „Beste Trotwood. Ik logeer bij een agent van

papa, bij mijnheer Waterbrook, Ely-plein, Holborn. Komt gij mij vandaag

een bezoek brengen? Bepaal zelf het uur maar. Steeds uwe u liefhebbende

Agnes.”

Ik had zooveel tijd noodig om een antwoord op te stellen, dat mij

voldeed dat ik niet weet wat de boodschaplooper wel van mij gedacht

moet hebben, tenzij hij meende, dat ik nog moest leeren schrijven.

Ik moet wel een half dozijn antwoorden geschreven hebben. Een er van

begon: „Hoe kan ik ooit de hoop koesteren, lieve Agnes, den walgelijken

indruk uit te wisschen,” dat beviel mij niet en werd verscheurd.

Een ander begon: „Shakespeare zegt, lieve Agnes, ‚wat is het toch

vreemd, dat iemand zoo dikwijls zijn vijand in den mond steekt’”—dit

herinnerde mij aan Markham en werd daarom niet voortgezet. Ik

beproefde zelfs in versmaat te antwoorden, maar ook dat gelukte niet.

Eindelijk nam ik genoegen met het navolgende: „Lieve Agnes. Uw briefje

is gelijk gij zelve zijt. Kan ik er grooter loftuiting aan brengen dan

deze? Ik kom te vier uur. Uwen u toegenegen en berouwvolle T. C.” Met

dit briefje, dat ik, zoodra het uit mijne handen was, weder wilde

terughalen, vertrok de looper eindelijk.

Indien deze dag voor een der ambtenaren van Doctors' Commons half zoo

vreeselijk was als voor mij, dan was het zeker tot straf voor zijn

aandeel in die oude, vermolmde, kerkelijke rommelzoo. Ik verliet het

kantoor alzoo te half vier en stond reeds eenige minuten later de

aangeduide woning te bespieden, maar toch was het ruim kwartier

over vieren op de klok van de St. Andreaskerk, eer ik genoeg moed

bijeengezameld had om de hand naar de huisschel uit te strekken, die in

den linker deurpost van mijnheer Waterbrook's woning was aangebracht.

Het kantoor van mijnheer Waterbrook was op de benedenverdieping,

terwijl op de tweede bezoeken werden ontvangen. Ik werd in een lief,

doch eenigzins smal salon gelaten, waar Agnes aan een beursje zat te

werken. Zij zag er zoo lief en kalm uit en herinnerde mij zoo sterk

aan den onbezorgden, schuldeloozen schooljongen in Canterbury, in

tegenstelling van den lompen, dronken, met sigarendamp doortrokken

ellendeling in de komedie, dat ik mij geheel overgaf aan mijne

opwelling van schaamte en berouw, kortom, mij erg dwaas aanstelde.

Ik geloof zelfs, dat de waterlanders te voorschijn kwamen. Tot op

dit oogenblik heb ik nog niet met zekerheid kunnen bepalen of dit de

verstandigste dan wel de belachelijkste partij was, die ik kiezen kon.

„Als het iemand anders ware geweest, Agnes,” sprak ik, mijn hoofd

afwendende, „zou het mij niet half zooveel leed doen! Maar dat gij mij

in dien toestand zien moest! O, ik wilde dat ik vóór dien tijd maar

gestorven was!”

Zij legde haar handje gedurende een oogenblik op mijn arm—zoo kon

alleen hare hand mij aanraken—en ik voelde mij daardoor zoo getroost

en bemoedigd, dat ik niet kon nalaten die hand dankbaar te kussen.

„Ga zitten,” zei Agnes op vroolijken toon. „Wees niet zoo verdrietig,

Trotwood. Indien gij mij niet zoudt kunnen vertrouwen, in wie zoudt gij

dan wel vertrouwen kunnen stellen?”

„O, Agnes!” antwoordde ik. „Gij zijt mijn goede engel!”

Zij glimlachte, maar er lag, naar het mij voorkwam, iets droevigs in

dien lach.

„Ja, Agnes, mijn goede engel. Altijd mijn goede engel!”

„Indien ik dat was, Trotwood, zou er één ding zijn, dat ik niet in mijn

hart mocht opsluiten,” antwoordde zij.

Ik keek haar vragend aan, doch had reeds een vaag vermoeden van hetgeen

zij bedoelde.

„Ik zou u waarschuwen,” hernam zij en keek mij daarbij scherp aan,

„tegen uw boozen engel.”

„Maar, lieve Agnes,” riep ik uit, „gij bedoelt Steerforth toch niet....”

„Ja, zeker, Trotwood,” antwoordde zij.

„Dan verkeert gij in eene grove dwaling, Agnes. Steerforth.... mijn

booze engel of van wien ook! Hij, mijn leidsman, mijn beschermer en

vriend! Maar, lieve Agnes! Is het niet onbillijk en geheel in strijd

met uw eerlijk hart, hem te beoordeelen naar hetgeen gij op dien

bewusten avond van mij gezien hebt?”

„Ik beoordeel hem niet naar hetgeen ik dien bewusten avond van u gezien

heb,” antwoordde zij kalm.

„Naar wat dan?”

„Naar vele dingen.... beuzelingen op zich zelve, maar allen te zamen

genomen voor mij ernstig genoeg. Ik beoordeel hem voornamelijk naar

hetgeen gij van hem verteld hebt, Trotwood, en naar den invloed, dien

hij op u heeft geoefend.”

Er was in hare lieve stem altijd iets, dat een snaar in mijn binnenste

scheen aan te roeren, die alleen bij deze aanraking trilde. Het was

altijd een ernstige klank, maar als die heel ernstig was, zooals nu,

dan trilde de snaar zoo, dat ik er geheel door werd overmeesterd. Ik

bleef haar aanstaren, terwijl zij haar hoofd over haar werk boog; ik

zat nog naar haar te luisteren, hoewel zij niet meer sprak en hoe ik

ook aan Steerforth gehecht was, op dit oogenblik kwam de aureool,

waarin hij mij altijd verschenen was, mij minder schitterend voor.

„Het is wel vermetel van mij,” hervatte Agnes, opkijkende, „van mij,

die steeds in zulk een afzondering heb geleefd en zoo weinig van de

wereld ken, u raad te willen geven en zelfs zulk een bepaalde meening

uit te spreken. Maar ik weet, waarin die vermetelheid haar oorsprong

vindt, Trotwood: in de herinnering aan onze gemeenschappelijke

opvoeding en in mijne belangstelling in alles wat u betreft. Dit is

het, wat mij zoo vermetel maakt. Ik ben er zeker van, dat het dit is.

Ik heb een gevoel alsof er iemand anders tot u spreekt, wanneer ik u

waarschuw, dat gij een gevaarlijken vriend hebt.”

Wederom keek ik haar aan, wederom luisterde ik naar haar, nadat zij

reeds langen tijd zweeg, en wederom verbleekte het beeld, dat zich zulk

een eereplaats in mijn hart veroverd had.

„Ik ben niet zoo onredelijk om te verwachten,” zei Agnes op haar

gewonen toon, „dat gij op eenmaal afstand wilt of kunt doen van een

gevoel, dat eene overtuiging voor u geworden is, dat in uw trouwe hart

is vastgeworteld. Gij moogt dat zelfs niet overhaast doen. Ik vraag u

alleen of gij altijd aan mij denken zult..... ik bedoel, Trotwood,”

vervolgde zij met een kalmen glimlach, want ik was op het punt om haar

in de rede te vallen en zij wist waarom, „ik bedoel dat gij, telkens

wanneer gij aan mij denkt, ook zult denken aan hetgeen ik u gezegd

heb. Wilt gij mij nu dit alles wel vergeven?”

„Ik zal het u vergeven, Agnes,” antwoordde ik, „wanneer gij Steerforth

recht wilt laten wedervaren en evenveel van hem houden wilt als ik doe.”

„Niet eerder?” vroeg Agnes.

Ik zag een schaduw over haar gelaat glijden toen ik zijn naam noemde,

maar zij beantwoordde mijn glimlach, en de ongedwongen vertrouwelijke

toon van vroeger keerde terug.

„En wanneer, Agnes,” vroeg ik, „zult gij mij het gebeurde van dien

avond vergeven?”

„Wanneer ik er weder aan denk,” zei Agnes.

Zij had op deze wijze van het onderwerp willen afstappen, maar ik was

er te zeer mede vervuld om daarin te kunnen bewilligen; ik moest haar

vertellen hoe het gekomen was, dat ik mij zoo was te buiten gegaan

en welk een reeks van toevallige omstandigheden mij eindelijk in de

komedie had gebracht. Het was werkelijk eene verademing voor mij, dat

ik het doen kon, dat ik eens kon uitweiden over de verplichting, die

ik aan Steerforth had voor de wijze, waarop hij voor mij zorg gedragen

had, toen ik niet meer in staat was om voor mij zelven te zorgen.

„Gij moet niet vergeten,” zei Agnes kalm op een ander onderwerp

overgaande, zoodra ik had uitgesproken, „dat gij mij altijd zoudt

vertellen, als gij op de eene of andere wijze in moeilijkheden geraakt

of verliefd wordt. Wie is de opvolgster van juffrouw Larkins, Trotwood?”

„Niemand, Agnes.”

„Jawel, er is wel iemand, Trotwood,” zei Agnes lachend

en met opgeheven vinger.

„Neen, Agnes, op mijn woord niet! De eenige dame, met wie ik hier heb

kennis gemaakt, is een zekere juffrouw Dartle, een zeer verstandig

meisje; zij woont bij Steerforth's mama. Ik ben echter niet verliefd op

haar, al praat ik gaarne met haar.”

Agnes lachte om haar eigen scherpzinnigheid en zei, dat, indien ik

vertrouwen in haar bleef stellen, zij een klein register zou aanleggen

van al mijne verliefdheden, met de datums, den duur en den afloop van

elke afzonderlijk, op de wijze als de tafels van de regeeringen der

koningen en koninginnen van Engeland. Daarna vroeg zij of ik Uriah ook

gezien had.

„Uriah Heep?” riep ik: „Neen! Is hij in Londen?”

„Hij komt elken dag beneden op het kantoor,” antwoordde Agnes. „Hij was

reeds een week vóór mij in Londen. Ik vrees voor onaangename zaken,

Trotwood.”

„Gij maakt u toch over niets ongerust, Agnes?” vroeg ik. „Welke

onaangename zaken kunnen dat zijn?”

Agnes legde haar werk ter zijde, vouwde de handen over elkander en

antwoordde mij met dien eigenaardigen, zachten oogopslag: „Ik vermoed,

dat hij een compagnieschap wenscht aan te gaan met papa.”

„Wat? Uriah? Die gemeene, lage kerel zou het zoover brengen met zijne

kruiperige manieren?” riep ik verontwaardigd uit. „Hebt gij u daar niet

tegen verzet, Agnes? Bedenk eens, hoe nauw de betrekking dan met hem

worden zal! Gij moet het afraden! Gij moet uw vader van zulk een dwazen

stap terughouden, gij moet het beletten, Agnes! Nu is het nog niet te

laat!”

Agnes keek mij hoofdschuddend aan, terwijl ik sprak, en antwoordde met

een dankbaren blik voor mijn warm pleidooi:

„Gij herinnert u zeker ons laatste gesprek over papa? Niet lang

daarna—ongeveer twee of drie dagen—gaf hij mij voor het eerst iets

te kennen van hetgeen ik u nu vertel. Het was treurig hem te zien

worstelen tusschen den wensch om het mij te doen voorkomen, alsof het

zijne vrije keuze was, en de onmogelijkheid om te verbergen, dat hij er

toe genoodzaakt werd. O, ik had zoo'n medelijden met hem.”

„Genoodzaakt, Agnes? Wie noodzaakt hem daartoe?”

„Uriah,” antwoordde zij na even geaarzeld te hebben, „heeft zich

onmisbaar gemaakt voor papa. Hij is slim en opmerkzaam. Hij heeft papa

op diens zwakheden betrapt, ze bevorderd en er partij van getrokken,

totdat—om alles wat ik bedoel maar in een enkel woord uit te spreken,

Trotwood—totdat papa bang voor hem is geworden.”

Ik zag duidelijk, dat zij nog meer had kunnen zeggen, dat zij nog meer

wist of vermoedde; maar ik wilde haar geen leed doen door te vragen

wat het was, want ik begreep, dat zij het voor mij verborgen hield uit

liefde voor haar vader. Ik voelde, dat het langzaam maar zeker zoover

had moeten komen, ja, bij eenig nadenken moest ik wel beseffen, dat het

eindelijk zoo ver had moeten komen. Ik kon er niets op antwoorden.

„Zijn invloed op papa is zeer groot,” hernam Agnes. „Hij geeft altijd

voor nederig en dankbaar te zijn—misschien meent hij dat oprecht; ik

hoop het ten minste; maar zijne positie verschaft hem macht over papa

en ik vrees, dat hij er veel gebruik van maakt.”

Ik zei dat hij een gemeene hond was—voor het oogenblik was dit eene

groote voldoening voor mij.

„Even vóór het tijdstip waarop papa mij deze mededeeling deed,”

vervolgde Agnes, „had hij papa gezegd, dat hij voornemens was heen te

gaan, dat het hem wel speet, maar dat hij betere vooruitzichten had.

Papa was toen zeer neerslachtig en ging zoo gebukt onder de zorgen, als

gij noch ik hem ooit gekend hebben; het denkbeeld van eene associatie

scheen hem wat moed te geven, ofschoon hij er zich te gelijkertijd over

scheen te schamen.”

„En wat zeidet gij op dat bericht, Agnes?”

„Ik hoop gedaan te hebben wat goed was,” antwoordde zij. „Ik voelde,

dat dit offer voor papa's rust noodzakelijk was en drong er dus op

aan, dat hij het zou brengen. Ik zeide dat het den last, die op zijne

schouders drukte, zou verlichten—God geve, dat het zoo zijn zal!—en

dat ik daardoor meer gelegenheid zou hebben om met hem samen te zijn.

O, Trotwood!” sprak Agnes met de handen voor het gelaat om hare tranen

te verbergen, „ik had een gevoel alsof ik een vijand was van papa,

in plaats van zijn liefhebbend kind. Want ik wist hoe zijne liefde

voor mij hem heeft doen veranderen. Ik wist hoe hij den kring zijner

belangstelling en zijner plichten al nauwer en nauwer heeft doen worden

ter wille van mij; hoe zijn angst voor mij een schaduw op zijn leven

geworpen, zijne kracht en zijne energie verlamd hebben; van hoeveel hij

heeft afgezien ter wille van mij. Kon ik dat maar ooit in het reine

brengen! Kon ik maar zijne genezing bewerken evenals ik de onschuldige

oorzaak geweest ben van zijn verval!”

Ik had Agnes nog nooit zien schreien. Ja ik had tranen in haar oogen

gezien, wanneer ik prijzen medebracht van de school; ik had ze gezien

toen wij dat gesprek hadden gehad over haar vader; en ik had ook gezien

hoe zij haar lieve kopje afwendde toen wij afscheid namen, maar zoo

bedroefd als op dit oogenblik had ik haar nooit gezien. Ik was er zoo

door ontroerd, dat ik niet dan op onhandige wijze, heel dwaas, zeggen

kon: „Doe dat niet, Agnes! Doe dat niet, lief zusje.”

Agnes stond, wat haar karakter en haar geestkracht betrof, te ver boven

mij—ik weet dat nu en het doet er niet toe of ik dat toen wist of niet

wist—om lang behoefte te hebben aan mijne smeekbeden. De lieve, kalme

uitdrukking in haar mooi gezichtje, die haar in mijne herinnering van

ieder ander meisje onderscheidde, keerde terug, alsof er een wolkje

langs een helderblauwen hemel was gedreven.

„Wij zullen waarschijnlijk niet lang meer alleen blijven,” hernam

Agnes: „laat ik u dus, terwijl ik nog in de gelegenheid ben, verzoeken,

vriendelijk te zijn jegens Uriah. Stoot hem niet af. Toon hem niet,

dat gij hem niet genegen zijt, al zoudt gij dat ook nog zoo gaarne

willen. Misschien verdient, hij uwe minachting niet, want met zekerheid

kunnen wij hem van geen kwaad beschuldigen. Denk in elk geval eerst aan

papa en mij!”

Agnes had geen gelegenheid om meer te zeggen, want de kamerdeur

werd geopend en mevrouw Waterbrook kwam binnen zeilen; het was een

breede dame of liever.... zij droeg zulke omvangrijke kleederen, dat

ik niet met zekerheid kon bepalen waar de dame begon en de kleederen

eindigden en omgekeerd. Eene vage herinnering doemde in mij op, dat

ik haar in de komedie gezien had, ongeveer zoo alsof ik haar in eene

flauwe tooverlantaarn had gezien; het scheen dat zij zich mijn gezicht

uitstekend herinnerde en mij heimelijk verdacht van nog dronken te

zijn. Langzamerhand kwam zij toch tot de overtuiging, dat ik nuchter

en een bescheiden jongmensch was; zij werd veel vriendelijker en vroeg

mij eerst of ik veel in de parken wandelde en daarna of ik dikwijls

de societeit bezocht. Aangezien ik deze beide vragen ontkennend

beantwoordde, scheen hare goede opinie omtrent mijn persoon te

verminderen, maar zij was zoo beleefd om dat te verbergen en mij voor

den volgenden dag aan hare tafel te noodigen. Ik nam deze uitnoodiging

aan en vertrok, terwijl ik beneden komende naar Uriah informeerde en,

aangezien hij niet aanwezig was, een kaartje voor hem achterliet.

Toen den volgenden dag de huisdeur voor mij geopend werd, kwam het mij

voor alsof ik plotseling in een dampbad van gebraden schapebout stapte,

welke omstandigheid mij deed vermoeden dat _ik_ niet de eenige gast

was; bovendien herkende ik onmiddellijk den boodschaplooper, die in

eene toepasselijke vermomming den huisknecht behulpzaam was en aan den

voet van de trap wachtte om mij aan te dienen. Toen hij mijn naam vroeg

deed hij zijn uiterste best, om mij als een onbekende te behandelen,

maar ik herkende hem en hij herkende mij.

Mijnheer Waterbrook was iemand van middelbaren leeftijd met korten

nek, een reusachtig overhemd en een gezicht, waaraan alleen de zwarte

neus ontbrak om den eigenaar op een puckhondje te doen gelijken. Hij

vertelde mij, dat het hem zeer verheugde de eer te mogen genieten

kennis met mij te maken en nadat ik de verschuldigde hulde aan mevrouw

Waterbrook bewezen had, stelde hij mij met veel plechtigheid voor aan

eene reusachtige dame in een zwart fluweelen japon en met een grooten,

zwart fluweelen hoed op. Deze dame maakte den indruk op mij, dat zij

wel een bloedverwant van Hamlet zijn kon—zijne tante bijvoorbeeld.

Zij heette mevrouw Henry Spiker en haar echtgenoot behoorde ook tot

de genoodigden; nooit ontmoette ik een man, die kouder indruk maakte

dan mijnheer Spiker; zijn hoofd was niet grijs, maar scheen bestrooid

te zijn met rijp. Mijnheer en mevrouw Spiker werden met in het oog

vallenden eerbied bejegend; volgens Agnes was dit het gevolg van zijne

betrekking: hij was iets—wat weet ik niet meer—bij de schatkist.

Uriah Heep behoorde ook tot het gezelschap; hij was in het zwart, en o,

zoo nederig! Terwijl wij elkander de hand gaven, zei hij er trotsch op

te zijn, door mij opgemerkt te worden en bedankte hij mij voor mijne

vriendelijkheid. Ik kon den wensch niet onderdrukken, dat hij wat

minder erkentelijk ware geweest, want hij bleef den geheelen avond om

mij heen dwalen en wanneer ik maar een woord met Agnes wisselde, kon ik

zeker zijn, dat hij met zijne onbeschaamde oogen en zijn lijkkleurig

gezicht als een spook om ons heen waarde om ons te beluisteren.

Er waren nog meer gasten, die allen naar het mij voorkwam, evenals de

champagne, voor deze gelegenheid in het ijs waren gezet. Een van hen

trok echter reeds mijne aandacht nog eer hij binnen was, omdat ik hem

hoorde aandienen met den naam Traddles! Mijn geest vloog terug naar

Salem House; zou het Tommy kunnen zijn, Tommy, die altijd geraamten

teekende op zijne lei? Met buitengewone belangstelling keek ik naar hem

uit. Daar trad een jonge man de kamer binnen, zeer stemmig gekleed, met

kalme, bedaarde manieren, vreemdsoortig gekapt haar en bijzonder wijd

geopende oogen; ik had geen tijd om hem nauwkeurig gade te slaan, zoo

spoedig was hij in een van de donkerste hoekjes verdwenen. Eindelijk

kreeg ik hem goed in het oog en, ja, dat was mijn oude, miskende Tommy

of—mijne oogen hadden mij al heel erg moeten bedriegen.

Ik ging naar mijnheer Waterbrook en zei dat ik meende het genoegen te

hebben een ouden schoolkennis te zien.

„Zoo? Waarlijk?” antwoordde mijnheer Waterbrook verrast. „Gij zijt toch

nog te jong om met mijnheer Henry Spiker op school te zijn geweest?”

„O, dien bedoel ik niet!” zei ik. „Ik bedoel mijnheer Traddles.”

„O, zoo! zoo! waarlijk!” zei mijn gastheer, wiens belangstelling

plotseling zeer gedaald was. „Dat is mogelijk.”

„Indien hij dezelfde is dien ik bedoel,” ging ik voort, „dan hebben wij

elkander op Salem House gekend, een school in de nabijheid van Londen.

Hij was een beste, brave jongen.”

„O, zeker! Traddles is een beste jongen,” zei mijn gastheer, terwijl

hij zijn hoofd schudde alsof hij zeggen wilde: „wij dulden hem hier.”

„Ja, Traddles is een beste jongen.”

„Het is wel toevallig,” hernam ik.

„Ja, dat is het,” antwoordde mijnheer Waterbrook, „het is zeer

toevallig, dat Traddles hier is hedenavond; hij is van morgen nog

genoodigd, omdat de broeder van mevrouw Henry Spiker ongesteld is en

er dus eene plaats aan tafel onbezet zou zijn geweest. Een hoogst

fatsoenlijk man, die broeder van mevrouw Henry Spiker, mijnheer

Copperfield.”

Ik mompelde iets, dat op een toestemming geleek, maar ik kende den

persoon, over wien mijnheer Waterbrook sprak, volstrekt niet.

„Welke betrekking bekleedt mijnheer Traddles?” vroeg ik.

„Traddles,” antwoordde mijnheer Waterbrook, „is meester in de rechten.

Ja, hij is een beste jongen ....... hij heeft geen enkelen vijand dan

zich zelf.”

„Wat? Is hij zijne eigen vijand?” vroeg ik. Het speet mij dat te hooren.

„Ja,” antwoordde mijnheer Waterbrook, terwijl hij zijne mond samentrok

en met zijn horlogeketting speelde op de wijze van iemand, wien het

goed gaat in de wereld. „Ik moest eigenlijk zeggen, dat hij een van

die menschen is, welke zich zelven in het licht staan. Ik zou wel een

weddenschap durven aangaan, dat hij nooit vijfhonderd pond waard zal

zijn. Traddles was mij aanbevolen door een collega .... ja, hij heeft

eenig talent om iets te stellen en behoorlijk op schrift te brengen

.... zeker .... ik kan hem nu en dan ook wel eens iets opdragen, iets

dat voor hem .... heel aardig is. O, zeker, zeker....”

De genoegelijke, zelfgenoegzame wijze, waarop mijn gastheer die kleine

woordjes als „ja” en „zeker” uitsprak, trok mijne aandacht. Daar lag

eene wonderlijke uitdrukking in. Ik dacht aan het verhaal van den man,

die, om niet te zeggen met den helm, dan toch met een stormladder

geboren was en al de sporten, een voor een, geleidelijk, zonder eenige

moeite zijnerzijds, was opgeklommen en nu, van de bovenste sport, met

een wijsgeerigen, beschermenden blik op de wormen aan den voet van de

ladder neerkeek.

Nog was ik verdiept in mijne overpeinzingen betreffende deze parabel,

toen de gasten aan tafel verzocht werden. Mijnheer Waterbrook bood den

arm aan Hamlet's tante; mijnheer Henry Spiker aan mevrouw Waterbrook;

Agnes, die ik gaarne naar tafel geleid zou hebben, was in beslag

genomen door een onnoozelen hals met slappe beenen. Uriah, Traddles

en ik kwamen, als de jongsten van het gezelschap, achteraan. Mijne

teleurstelling omdat Agnes mij ontgaan was, werd getemperd, omdat mij

daardoor de gelegenheid werd gegeven de kennismaking met Traddles te

hernieuwen, die mij met groote blijdschap begroette; terwijl Uriah zoo

kruiperig en nederig naast ons voortstapte, dat ik hem gaarne over de

trapleuning zou hebben gesmeten.

Traddles en ik zaten ver van elkander af, daar wij onze plaatsen

aan de tegenovergestelde uiteinden van de tafel vonden; hij, in

den warmen gloed van een dame in rood fluweel; ik, in de schaduw

van Hamlet's tante. Het maal duurde lang en het gesprek liep

over aristocratie en.... bloed. Mevrouw Waterbrook vertelde ons

herhaaldelijk, dat indien zij ééne zwakheid had, dan was het ....

Bloed.

Meermalen kwam de gedachte in mij op, dat wij ons zeker beter

geamuseerd zouden hebben, als wij niet zoo stijf en opgeprikt hadden

gezeten. Wij waren zoo stijf, dat de kring, waarin ons gesprek zich kon

bewegen, ook zeer beperkt was. Een zekere mijnheer en mevrouw Gulpidge

waren ook van de partij en—mijnheer Gulpidge bedoel ik—scheen zoo

iets als rechtsgeleerd adviseur bij de Bank te zijn; en door die Bank

en die schatkist waren wij zoo stijf als men in een hofkring maar zijn

kan. Het familiezwak van Hamlet's tante om telkens alleenspraken te

houden over elk onderwerp, dat maar even werd aangeroerd, was niet

geschikt om daarin verbetering te brengen. Wel is waar werden er weinig

onderwerpen ter sprake gebracht, maar zoodra wij weder op adel en bloed

terugkwamen, had zij een even groot veld voor bespiegelingen als haar

neef zelf.

Al waren wij een gezelschap kannibalen geweest dan zou het woord

„Bloed” geen grootere rol in de gesprekken hebben kunnen spelen.

„Ik moet bekennen, dat ik het geheel eens ben met mijne vrouw,” zei

mijnheer Waterbrook met zijn wijnglas voor het oog. „Andere dingen

laten mij koud, maar Bloed niet!”

„O, er is niets, waarin een mensch zooveel bevrediging kan vinden!” zei

Hamlet's tante. „Er is niets, dat zoo zeer iemand's ideaal kan zijn—in

het algemeen gesproken! Er zijn enkele bekrompen wezens—niet veel.....

ik ben blijde dat te kunnen gelooven..... er zijn er enkele..... die

zouden willen—wat ik noem—knielen voor afgoden. Werkelijke afgoden!

Voor verdiensten, vernuft en zoo al meer. Maar dat zijn onzichtbare

hoedanigheden. Bloed niet! Wij zien het bloed in den neus en herkennen

het als Bloed. Wij zien het in de kin en zeggen: Daar is het! Dat is

Bloed! Het is iets tastbaars. Wij kunnen het aanwijzen. Het laat ons

niet in twijfel.”

De onnoozele hals met de slappe beenen, die Agnes naar tafel had

geleid, kwam nog beslister voor de zaak uit.

„Wat drommel,” zei deze heer met een dommen glimlach om den mond de

tafel rondkijkende, „wat drommel, wij kunnen niet buiten Bloed, dat is

het! Wij moeten Bloed hebben, begrijpt ge! Er zijn wel jonge lieden,

begrijpt ge, die wellicht wat opvoeding en levenswijze betreft, een

weinig beneden hun stand blijven, begrijpt ge, en nu en dan eens een

zijpad inslaan en zichzelven en anderen op verschillende wijzen in

verlegenheid brengen, begrijpt ge; maar, wat drommel, het is toch een

genot te weten, dat zij ook Bloed hebben. Ik zelf zou liever neergeveld

worden door iemand, die Bloed in de aderen heeft, dan opgeraapt door

iemand, die 't niet heeft!”

Deze beschouwing, die de geheele zaak tot den inhoud van een notendop

terugbracht, werd algemeen toegejuicht en bracht dit jonge mensch in

groot aanzien, tot de dames van tafel opstonden. Daarna merkte ik op,

dat mijnheer Gulpidge en mijnheer Spiker, die tot dusver bijzonder

stroef geweest waren, een defensief verbond sloten tegen ons, den

gemeenschappelijken vijand, en over de tafel heen een geheimzinnig

gesprek voerden, dat ons geheel uit het veld moest slaan.

„De zaak van die eerste hypotheek van vier duizend vijf honderd pond

heeft niet den loop genomen, die verwacht was, nietwaar, Spiker?” vroeg

mijnheer Gulpidge.

„Bedoelt gij die van de D van A's?” vroeg mijnheer Spiker.

„De C van B's!” antwoordde mijnheer Gulpidge.

Mijnheer Spiker trok de wenkbrauwen op en keek zeer bezorgd.

„Toen men zich beriep op Lord.... ik behoef den naam niet te noemen....”

„O, ik begrijp u,” zei mijnheer Spiker, „Lord N.....” Mijnheer Gulpidge

knikte even.... „zich beriep op hem, was het antwoord: Geld of geen

ontslag!”

„Goede hemel!” riep mijnheer Spiker.

„Geld of geen ontslag!” herhaalde mijnheer Gulpidge op vasten toon.

„De tweede, die aan bod was.... gij begrijpt mij....”

„K.,” zei mijnheer Spiker met een onheilspellenden blik.

„Welnu, K. weigerde te teekenen. Hij werd nog van Newmarket gehaald,

maar hij weigerde beslist.”

Mijnheer Spiker bleef als versteend zitten.

„Zoo staan de zaken op dit oogenblik,” zei mijnheer Gulpidge, terwijl

hij achter in zijn stoel ging zitten. „Onze vriend Waterbrook zal het

mij wel vergeven, dat ik slechts in algemeene termen heb gesproken; er

zijn al te groote belangen in het spel.”

Mijnheer Waterbrook was al te gelukkig, dat aan zijn tafel zulke

belangen door zulke personen behandeld werden om zelfs te denken

aan kwalijk nemen. Hij trok een hoogst ernstig gezicht—ofschoon ik

vermoedde, dat hij van het gesprek even weinig begreep als ik—en gaf

op luiden toon zijne goedkeuring te kennen over de omzichtigheid,

welke men in acht had genomen.

Na zulk een bewijs van vertrouwen ontvangen te hebben, verlangde

mijnheer Spiker natuurlijk zijn vriend ook een blijk van het zijne te

geven, zoodat dit gesprek door een tweede van nog geheimzinniger aard

gevolgd werd, waarin mijnheer Gulpidge aan de beurt was om zich te

verbazen en door nog een, waarin mijnheer Spiker zich weer verbaasde

en zoo om en om. Gedurende al dien tijd zaten wij, leeken, onder den

indruk van de onvergelijkelijke geheimzinnigheid en belangwekkendheid

der gesprekken, toe te luisteren en onze gastheer wierp ons nu en

dan een trotschen blik toe, als wilde hij zeggen, dat wij, arme

slachtoffers, een heilzame les ontvingen.

Ik was blijde eindelijk naar boven te kunnen gaan, naar Agnes, met

haar in een hoekje te kunnen praten en haar met Traddles in kennis

te brengen, die wel wat verlegen, maar toch nog dezelfde goedhartige

jongen was, als hij op Salem House altijd was geweest. Aangezien hij

genoodzaakt was vroeg heen te gaan, omdat hij den volgenden morgen voor

een maand op reis zou gaan, kon ik mij niet zooveel met hem bezighouden

als ik wel gewenscht had; wij gaven echter elkander ons adres op en

beloofden elkander te zullen opzoeken, zoodra hij terug was. Hij was

ten hoogste verbaasd, dat ik Steerforth wel ontmoette, en sprak met

zooveel warme belangstelling over hem, dat ik hem verzocht Agnes zijne

meening omtrent onzen wederzijdschen vriend mede te deelen. Maar Agnes

keek mij maar aan, zoolang Traddles aan het woord was, en schudde even

haar hoofd, toen dit alleen door mij kon opgemerkt worden.

Aangezien zij hier niet in eene omgeving was, waarin zij zich, naar

het mij ten minste voorkwam, erg thuis kon gevoelen, was ik bijna

blijde te vernemen, dat zij binnen eenige dagen weder zou heengaan,

al deed het vooruitzicht, dat ik dan in de onmogelijkheid zou zijn

haar te ontmoeten, mij pijnlijk aan. Dit gaf mij ook aanleiding te

blijven tot het geheele gezelschap verdwenen was. Met haar te praten

en haar te hooren zingen was zulk een zalige herinnering aan mijn

gelukkig leven in het oude, deftige huis, waaraan zij zoo oneindig veel

had toegebracht, dat ik den geheelen nacht daar had kunnen blijven;

maar toen al de groote lichten in het salon waren uitgedraaid, nam ik

afscheid, hoewel zeer tegen mijn zin. Meer dan ooit voelde ik toen, dat

zij mijn goede engel was en wanneer ik aan haar lief gelaat en haar

vreedzamen glimlach dacht, alsof die werkelijk aan zulk een verheven

wezen als een engel is, toebehoorden, hoop ik daarmede geen kwaad te

hebben gedaan.

Ik zeide, dat het geheele gezelschap was heengegaan, maar ik moet Uriah

Heep daarvan uitzonderen, dien ik daaronder niet reken en die tot het

laatste oogenblik om ons heen draaide. Toen ik de trap afging, was hij

vlak achter mij en toen ik langzaam naar huis wandelde, was hij vlak

naast mij; terwijl hij zijne lange, beenige vingers in een paar groote

Guy Fawkes-handschoenen wegstopte.

Het was volstrekt niet, omdat ik zoo gesteld was op zijn gezelschap,

maar alleen om gevolg te geven aan het verzoek van Agnes, dat ik Uriah

verzocht op mijne kamer een kop koffie te komen drinken.

„O, waarlijk, jongeheer Copperfield,” antwoordde hij, „ik vraag u

vergeving, mijnheer Copperfield, maar dat andere valt mij als van zelf

uit den mond,—ik zou niet gaarne wenschen, dat gij u eenigen dwang

oplegdet door zulk een nederig persoon als ik ben ten uwent te vragen.”

„Er is geen sprake van dwang,” zei ik. „Gaat gij mede?”

„O, heel gaarne,” antwoordde hij, zijn lichaam in allerlei bochten

wringend.

„Welaan dan, ga dan maar mee!” herhaalde ik.

Ik kon het niet helpen dat ik wat kortaf tegen hem was, maar hij

scheen dat niet op te merken. Wij namen den kortsten weg, zonder veel

te praten; en Uriah was nog steeds bezig met zijne vogelverschrikkers

van handschoenen aan te trekken, toen wij reeds voor juffrouw Crupp's

woning stonden. Ik hielp hem de donkere trap op, uit vrees dat hij zijn

hoofd tegen iets zou stooten en daarbij deed zijne vochtige, koude

hand zoo aan een kikvorsch denken, dat ik grooten lust gevoelde om hem

los te laten en weg te loopen. Agnes en mijn begrip van gastvrijheid

behaalden evenwel de overhand en ik bracht hem aan mijn haard. Toen

ik de kaarsen aanstak, sloeg hij de handen ineen van verrukking over

mijne kamer, en toen ik de koffie warm maakte in een eenvoudig tinnen

kannetje, waarin juffrouw Crupp ze gewoonlijk zette—voornamelijk,

vermoed ik, omdat het niet voor dit doel bestemd, maar als kannetje

voor scheerwater geboren was, en omdat er een uitstekende machine,

die veel geld gekost had, in het provisiekamertje stond te

verroesten—legde hij zulk een walgelijke aandoenlijkheid aan den dag,

dat ik hem gaarne het bruine, heete vocht in zijn gezicht zou hebben

gesmeten.

„O, waarlijk, jongeheer Copperfield,—ik bedoel mijnheer

Copperfield,”—zei hij, „hoe had ik ooit durven denken, dat gij

mij nog eens bedienen zoudt! Maar op allerlei wijzen gebeuren er

dingen met mij, die ik nooit heb durven verwachten in mijn nederigen

staat; waarlijk, de zegeningen stapelen zich op mijn hoofd. Gij zult

ook wel vernomen hebben, jongeheer Copperfield—ik bedoel mijnheer

Copperfield—welke vooruitzichten zich voor mij openen?”

Zooals hij daar op de canapee zat, met zijn lange beenen hoog

opgetrokken onder zijn kopje koffie, zijn hoed en zijne handschoenen op

den grond, dicht naast hem, zachtjes roerende met zijn lepeltje; zijne

onbeschermde roode oogen, waarvan de haartjes afgezengd schenen te

zijn, op mij gericht, zonder mij aan te kijken; terwijl de leelijke

inkepingen in zijn neus met de ademhaling op en neer gingen en hij zijn

geheele lichaam telkens slangachtig kronkelde, vervulde hij mij met

walging. Het was heel moeielijk voor mij hem tot gast te hebben, want

ik was nog jong en niet gewoon te verbloemen, wat ik zoo diep gevoelde.

„Gij hebt zeker wel het een en ander van mijne vooruitzichten vernomen,

jongeheer Copperfield—ik bedoel mijnheer Copperfield?”—vroeg Uriah.

„Ja,” antwoordde ik, „wel iets.”

„Zoo, ik dacht wel, dat juffrouw Agnes er van weten zou!” riep hij met

de grootste koelbloedigheid uit. „Ik ben blij te hooren, dat juffrouw

Agnes het weet. Ik ben u dankbaar, jongeheer—mijnheer Copperfield!”

Ik had hem den laarzentrekker, die juist voor mij op den grond lag, wel

naar het hoofd willen werpen, omdat hij mij verleid had iets mede te

deelen, dat met Agnes in verband stond, hoe onbeduidend het ook was. Ik

dronk echter mijn kop koffie ledig.

„Wat hebt gij een profetischen blik gehad, mijnheer Copperfield!”

vervolgde Uriah. „Goede Hemel, wat hebt gij een profetischen blik

gehad! Herinnert gij u nog hoe gij eens zeidet, dat ik nog eenmaal

deelgenoot zou worden in de zaak van mijnheer Wickfield, dat het

misschien nog eens Wickfield en Heep zou worden! _Gij_ moogt het u niet

herinneren, maar iemand, die nederig is, jongeheer Copperfield, bewaart

zulke woorden als een kostbaren schat.”

„Ik herinner mij wel er over gesproken te hebben,” zei ik, „ofschoon ik

het op dat oogenblik niet waarschijnlijk achtte.”

„O, wie zou er ooit over hebben durven denken, mijnheer Copperfield!”

hernam Uriah opgewonden, „ik zelf zeker niet. Ik herinner mij nog met

deze zelfde lippen gezegd te hebben, dat ik daartoe veel te nederig

was. En zoo beschouwde ik mij zelven inderdaad ook.”

Hij zat met dien zekeren grijnslach om den mond naar het vuur te

kijken, terwijl ik naar hem keek.

„Maar de nederigste menschen, jongeheer Copperfield,” hernam hij na

eene kleine pauze, „kunnen medewerken tot het goede. Het verheugt

mij te mogen zeggen, dat ik medegewerkt heb tot het goede voor

mijnheer Wickfield, en dat ik daarmede hoop voort te gaan. O, mijnheer

Copperfield, hij is zulk een braaf man, maar hij is zoo onvoorzichtig

geweest!”

„Het spijt mij dat te hooren,” zei ik, maar kon niet nalaten er op

bitsen toon bij te voegen: „in vele opzichten.”

„Zeker, zeker, jongeheer Copperfield,” antwoordde Uriah, „in vele

opzichten. Ten opzichte van juffrouw Agnes in de eerste plaats!

Herinnert gij u niet uw eigen welsprekende getuigenis, jongeheer

Copperfield? Ik herinner mij zeer goed, hoe gij op zekeren dag zeidet

dat iedereen haar moest bewonderen en hoe dankbaar ik u was voor deze

woorden! Gij hebt dat zonder twijfel vergeten, jongeheer Copperfield?”

„Neen,” antwoordde ik droogjes.

„O, wat ben ik blijde, dat gij deze woorden niet vergeten hebt!” riep

Uriah uit. „Te denken, dat gij de eerste geweest zijt, die het vonkje

eerzucht in mijne borst hebt aangeblazen en dat gij het niet hebt

vergeten! O!—Zoudt gij mij nog een kopje koffie willen inschenken?”

In den nadruk, dien hij op de woorden „vonkje eerzucht” legde, en in

de wijze, waarop hij mij aankeek, was iets, dat mij deed ontstellen,

alsof ik werkelijk zijn binnenste in lichtelaaie voor mij zag. Zijn

verzoek, dat op een geheel anderen toon werd uitgesproken, bracht mij

weder tot mij zelven; ik schonk hem terstond in, doch met onvaste hand,

tengevolge van het plotselinge opgekomen bewustzijn, dat ik niet tegen

hem was opgewassen, en met een gevoel van angst en wantrouwen voor

hetgeen hij verder zeggen zou, dat onmogelijk aan zijn doordringende

blikken kon ontsnappen.

Hij zei echter niets, maar roerde in zijn koffie, nam een paar kleine

slokjes, veegde zijn kin af met zijne koude, griezelige hand, keek in

het vuur en de kamer rond, keek mij aan met een grijnslach, kronkelde

zijn lichaam in de zonderlingste bochten, roerde weder zijne koffie om,

proefde ze, maar bleef het stilzwijgen bewaren.

„Dus is mijnheer Wickfield,” zei ik eindelijk, „die zooveel waard is

als vijfhonderd Heeps en .... Copperfields,”—al had mijn leven op het

spel gestaan, zou ik niet hebben kunnen nalaten deze twee namen als met

een ruk te scheiden—„onvoorzichtig geweest, nietwaar, mijnheer Heep?”

„Ja, heel onvoorzichtig, jongeheer Copperfield,” antwoordde Uriah met

een verlegen zuchtje. „O, zoo onvoorzichtig! Maar waarom noemt gij mij

niet Uriah, zooals vroeger?”

„Welnu dan, Uriah!” zei ik, niet zonder moeite dien naam uitsprekende.

„Dank u!” riep hij met warmte uit. „Dank u, jongeheer Copperfield.

Als ik dien naam uit uw mond hoor, is 't mij alsof ik een oud, bekend

klokje hoor luiden. Neem mij niet kwalijk, maar waarover spraken wij

toch?”

„Over mijnheer Wickfield, meen ik.”

„O, ja, dat is waar,” hernam Uriah. „Ja, hij is zeer onvoorzichtig

geweest, jongeheer Copperfield. Aan niemand dan aan u zou ik er een

woord over durven reppen. En zelfs tegen u kan ik die zaak ook niet

meer dan even aanroeren. Ware iemand anders in mijne plaats geweest

gedurende de laatste jaren, dan zou hij nu zeker mijnheer Wickfield—en

hij is, zoo'n brave man, jongeheer Copperfield!—onder den duim hebben

gehad. On... der.... den duim!” herhaalde Uriah langzaam, terwijl

hij zijne afschuwelijke hand boven mijn tafel uitstrekte en er zoo hard

met den duim op drukte, dat de tafel, ja de heele kamer er van trilde.

Al had ik hem met zijn horrelvoet op mijnheer Wickfield's hoofd zien

staan, zou ik hem niet meer hebben kunnen haten dan op dit oogenblik.

„O, jongeheer Copperfield,” ging hij op zachten toon voort, geheel

verschillend van het gebaar met zijn duim, waarmede hij even hard bleef

drukken, „er is niet aan te twijfelen. Schade en schande zou zijn deel

geweest zijn en... wie weet wat nog meer. Mijnheer Wickfield weet dit

zoo goed als ik. Ik ben het nederige werktuig, dat hem nederig dient,

en hij verheft mij tot eene hoogte, die ik niet gehoopt heb ooit te

zullen bereiken. Hoe dankbaar moet ik hem wel wezen!” Hij had na deze

woorden het gelaat naar mij toegekeerd, zonder mij aan te kijken, nam

den krommen duim van de plek, waar hij dien had geplant, en wreef er

zacht mede over zijn kaken alsof hij zich ging scheren.

Ik herinner mij nog hoe mijn hart van verontwaardiging klopte, toen ik

aan zijn geslepen gezicht, dat door het roode licht van het haardvuur

met een rossen gloed was overtogen, bemerkte dat hij zich gereed maakte

om nog meer te vertellen.

„Maar, jongeheer Copperfield,” begon hij, „houd ik u ook op?”

„O, volstrekt niet; ik ben niet gewoon vroeg naar bed te gaan.”

„Dank u, jongeheer Copperfield! Ik ben uit den nederigen staat, waarin

gij mij gekend hebt, opgeklommen, dat is waar, maar ik ben toch

nederig gebleven. Ik hoop nooit anders dan nederig te zullen zijn.

Gij zult mijn nederigheid ook wel niet in twijfel trekken, jongeheer

Copperfield, indien ik u eene vertrouwelijke mededeeling doe? Is 't

wel?”

„O, neen,” antwoordde ik, niet zonder inspanning.

„Dank u!” Hij haalde zijn zakdoek te voorschijn en begon zijn

handpalmen af te drogen.

„Juffrouw Agnes, jongeheer Copperfield....”

„Wel, Uriah?”

„O, wat is het toch heerlijk zoo, alsof 't van zelf spreekt, Uriah

genoemd te worden!” riep hij, terwijl hij opsprong als een visch, die

op het droge ligt.

„Gij vondt van avond ook, dat zij er allerbekoorlijkst uitzag,

nietwaar, jongeheer Copperfield?”

„Ik vond dat zij er uitzag als altijd, ver boven hare omgeving

staande,” antwoordde ik.

„O, dank u! Ja, dat is zoo waar!” riep hij. „Ik dank u hartelijk voor

deze woorden!”

„Dat is volstrekt niet noodig,” zei ik op eenigszins afgemeten toon.

„Wat zou u aanleiding kunnen geven om mij daarvoor te bedanken?”

„Dat, jongeheer Copperfield,” antwoordde Uriah, „is juist het geheim

waarvan ik u in vertrouwen mededeeling wilde doen. Zoo nederig als

ik ben,” hij wreef zijne handen nog krachtiger en bleef in het vuur

kijken, „en zoo nederig als mijne moeder is en zoo laag als ons

nederig, doch eerlijk dak altijd is geweest—ik wil u mijn geheim wel

toevertrouwen, jongeheer Copperfield, want ik heb mij aangetrokken

tot u gevoeld van het oogenblik af, dat ik u in den hittewagen zag

aankomen—heeft het beeld van Agnes eene eerste plaats ingenomen in

mijn hart. O, jongeheer Copperfield, ik heb Agnes zoo lief, dat ik den

grond zou willen kussen, waarop zij haar voet heeft gezet!”

Als ik mij goed herinner, kwam het dolzinnige denkbeeld bij mij op den

gloeienden pook uit het vuur te nemen en hem daarmede te doorsteken. Ik

schudde het met geweld van mij af, maar het beeld van Agnes, dat zelfs

door deze ééne gedachte van dit roodharig monster werd gehoond, bleef

mij bij, terwijl ik hem aankeek, zooals hij daar scheef en verdraaid op

zijn stoel zat, alsof zijn lage ziel het leelijke lichaam in de klauwen

had—ik werd er duizelig van.

Hij scheen in mijne oogen hoe langer hoe grooter en dikker te worden;

de vier muren van mijne kamer schenen het geluid van zijne stem te

weerkaatsen en de zonderlinge gewaarwording maakte zich van mij

meester—eene gewaarwording, die wellicht aan niemand vreemd is—dat

ditzelfde tooneel vroeger nog eens had plaats gehad, in lang vervlogen

tijden, en dat ik wist, wat hij nu zou zeggen.

Gelukkig merkte ik nog tijdig eene uitdrukking op in zijn gelaat, die

mij herinnerde aan de macht, welke hij over Agnes' vader had, en aan

haar verzoek om hem te ontzien. Ik vroeg hem zoo kalm, als ik een

minuut te voren onmogelijk had kunnen doen, of hij Agnes zijne liefde

reeds had verklaard.

„O, neen, jongeheer Copperfield!” antwoordde hij, „o, neen! Aan niemand

dan aan u! Gij ziet, dat ik nog moeite heb, om mij uit mijn nederigen

stand te verheffen. Ik koester veel hoop, omdat zij wel weet, hoeveel

diensten ik haar vader bewezen heb—ik vertrouw ten minste, dat ik

hem veel diensten bewezen heb, jongeheer Copperfield—en hoe ik zijn

weg zal blijven effenen. Zij is zoo gehecht aan haar vader, jongeheer

Copperfield— o, hoe beminnelijk is dat in eene dochter!—dat ik hare

genegenheid om zijnentwil denk te verwerven.”

Ik doorzag het plan van den fielt tot in de geringste bijzonderheden en

begreep, waarom hij het mij blootlegde.

„Zoo gij de goedheid wildet hebben, jongeheer Copperfield,” vervolgde

hij, „mijn geheim voor u te houden en, in het algemeen, mij niet

tegen te werken, zoudt gij mij eene groote gunst bewijzen. Gij wilt

natuurlijk geen onaangenaamheden in het leven roepen. Ik weet, dat

gij een goed hart bezit, maar wijl gij mij alleen gekend hebt in mijn

nederigen staat—in mijn nederigsten staat, moest ik zeggen, want ik

ben nog maar een gering persoon—zoudt gij mij, zonder het te willen

bij mijn Agnes kunnen tegenwerken. Ik noem haar reeds „de mijne”,

jongeheer Copperfield, zooals gij bemerkt. Ik hoop daartoe binnen

eenige dagen het recht te verkrijgen.”

Lieve, bekoorlijke Agnes! Te lief, te bekoorlijk voor wien ook! Zou het

mogelijk zijn, dat zij bestemd was om de vrouw te worden van zulk een

ellendeling?

„Er is geen haast bij, begrijpt ge, jongeheer Copperfield,” vervolgde

Uriah op zijn lijmerigen toon, terwijl ik hem met deze gedachte in

mijne ziel zat aan te staren. „Mijne Agnes is nog jong en mijne

moeder en ik willen er ons eerst geheel bovenop werken en een aantal

veranderingen brengen in onze wijze van leven, alvorens ik met gepaste

vrijmoedigheid mijn verzoek doen kan. Ik zal dan ook tijd hebben om

haar langzamerhand gemeenzaam te maken met de hoop, die leeft in mijn

hart. O, ik ben u zoo verplicht voor uw vertrouwen! O, gij kunt niet

begrijpen welk een rust het mij verschaft, dat gij nu zoo geheel zijt

ingewijd in al mijne geheimen en ik de zekerheid heb, dat gij geen

onaangenaamheden in het leven zult roepen en mij niet zult tegenwerken!”

Hij nam mijne hand, die ik niet durfde terugtrekken, en na die met

zijne klamme vingers gedrukt te hebben, haalde hij een horloge uit den

zak, waarvan de wijzerplaat even vaal en kleurloos was als zijn gezicht.

„Goede Hemel!” riep hij, „het is over eenen. De uren vliegen voorbij

als men zoo vertrouwelijk over den ouden tijd zit te praten, jongeheer

Copperfield! Het is bijna half twee!”

Ik antwoordde dat het naar mijne meening nog later zijn moest. Dit was

eigenlijk eene onwaarheid, maar ik nam die te baat omdat het mij niet

mogelijk was het gesprek nog langer te rekken.

„Goede Hemel!” herhaalde hij peinzend. „De menschen, waar ik logeer—in

een soort logement, jongeheer Copperfield, dichtbij het Nieuwe

Hoofd—zijn zeker al twee uur naar bed.”

„Het spijt mij,” antwoordde ik, „dat hier maar één bed is en dat ik....”

„O, spreek toch niet over bedden, jongeheer Copperfield!” riep hij vol

vuur uit, terwijl hij een been in de hoogte trok. „Maar zoudt gij er

iets tegen hebben als ik hier bij den haard ging liggen?”

„Neem dan liever mijn bed!” zei ik, „dan ga ik voor den haard liggen.”

In zijn overmaat van verbazing en nederigheid wees hij dit aanbod op

zulk een luidruchtige wijze van de hand, dat het geluid van zijne stem

waarschijnlijk tot juffrouw Crupp doordrong, die, naar ik onderstel,

op dat oogenblik lag te slapen in een kamer gelijkvloers met het

laagste peil van de rivier, in slaap gesust door het tikken van een

onverbeterlijke klok, die zij altijd te hulp riep, wanneer wij het

oneens waren over den tijd, en die nooit minder dan drie kwartier

achter was en elken morgen moest worden gelijk gezet. Aangezien geen

enkel argument, dat ik in mijn half versuften toestand aanhaalde om

hem tot het in gebruik nemen van mijne slaapkamer te bewegen, eenigen

invloed oefende op zijne bescheidenheid, was ik wel verplicht om

eenige schikkingen te maken voor zijne rustplaats bij den haard. De

canapee,—veel te kort voor zijn lang lichaam—de canapeekussens,

een deken, een tafelkleed, een schoon ontbijtservet en een overjas

verschaften hem ligging en dekking, waarvoor hij mij zeer dankbaar was.

Na hem een slaapmuts geleend te hebben, die hij onmiddellijk opzette en

die hem zoo afschuwelijk stond, dat ik er na dien tijd nooit meer een

gebruikt heb, liet ik hem aan zijn lot over.

Ik zal dien nacht nimmer vergeten. Ik zal nimmer vergeten hoe ik

lag te woelen en te wentelen in mijn bed; ik kon de gedachte niet

van mij afzetten, dat Agnes met dien ellendigen fielt zou moeten

trouwen; onophoudelijk deed ik mij zelven de vraag: wat moet ik doen

en wat kan ik doen en telkens weder kwam ik tot het besluit om niets

te doen, om alles wat ik gehoord had voor mij zelven te houden en

hare gemoedsrust niet te verstoren. Wanneer ik maar even insliep, rezen

de beelden van Agnes met hare lieve oogen en van haar vader, zooals

hij haar ook in mijn bijzijn zoo menigmaal had aangestaard, voor mij

op. Zij keken mij smeekend aan en vervulden mij met een onbestemd

gevoel van angst. Werd ik wakker dan benauwde mij het bewustzijn, dat

Uriah Heep daar in de aangrenzende kamer lag te slapen, als een levende

nachtmerrie en maakte zich de bijgeloovige vrees van mij meester, dat

ik een duivel van de gemeenste soort gehuisvest had. En dan kwam mij

telkens die gloeiende pook weer in de gedachte en wilde mij maar niet

verlaten. Half slapend, en half wakend zag ik dien gloeiend rood voor

mij en ik hoorde het gesis, als ik hem in zijn lichaam stak. Eindelijk

begon deze gedachte mij zoo te kwellen dat ik opstond en naar hem ging

kijken. En daar lag hij op zijn rug te snorken met verstopten neus en

open mond, terwijl zijn beenen ver—hoe ver weet ik niet—buiten de

canapee uitstaken. In de werkelijkheid was hij nog leelijker dan in

mijne zieke verbeelding; ik kon het niet helpen, maar elk half uur

moest ik naar hem gaan kijken ten einde voedsel te geven aan het gevoel

van afschuw, dat hij bij mij opwekte. En toch scheen de lange, lange

nacht geen einde te zullen nemen en de donkere, zwarte lucht den dag

achter een ondoordringbaren sluier verborgen te houden.

Toen ik hem des morgens al vroeg de trap zag afgaan—ik dankte den

Hemel, dat hij niet wilde blijven ontbijten—had ik een gevoel alsof

met hem ook de nacht had afscheid genomen, en toen ik naar het kantoor

ging, verzocht ik juffrouw Crupp de vensters wijd open te zetten, ten

einde mijne zitkamer te luchten en te zuiveren van zijn onreinen adem.

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 38 / 79 题