Tommy Traddles.
Of het een gevolg was van juffrouw Crupp's raad om wat afleiding te
zoeken, durf ik niet beweren, maar den volgenden dag kwam ik op den
inval om Traddles eens te gaan opzoeken. Zijn verloftijd was sinds lang
ten einde en hij woonde in een klein straatje bij de Veeartsenijschool
in Camden Town, een wijk, volgens een onzer klerken hoofdzakelijk door
studenten bewoond, die levende ezels opkochten en op hunne kamers
proefnemingen deden op deze dieren.
Nadat de klerk mij ook den weg naar de veeartsenijschool gewezen had,
stapte ik dienzelfden avond er heen, om mijn ouden schoolkameraad een
bezoek te brengen.
Ik vond de buurt niet zoo aanlokkelijk als ik ter wille van Traddles
wel gewenscht zou hebben. De bewoners schenen de gewoonte te hebben
alles wat zij niet meer gebruikten op straat te werpen, waardoor deze
niet alleen modderig en vunzig was, maar ten gevolge van de vele
koolbladeren op één lange mesthoop geleek. Trouwens, het vuilnis
bestond niet alleen uit plantaardige overblijfselen, want terwijl
ik naar het nommer van Traddles' woning zocht, zag ik zelfs een
schoen, een platgetrapte sauspan, een zwarten hoed en een paraplu in
verschillende graden van ontbinding.
In het algemeen bracht deze buurt mij den tijd in herinnering, dien
ik met mijnheer en mevrouw Micawber had doorgebracht. Het huis,
dat ik zocht, maakte een niet te beschrijven indruk van vervallen
grootheid, waardoor het zich van alle andere huizen in de straat
onderscheidde—ofschoon ze alle naar hetzelfde eentonige ontwerp waren
gebouwd en aan de eerste schrijfoefeningen van een schooljongen deden
denken, die het nog niet verder gebracht had dan hanepooten—en mij
nog meer aan mijnheer en mevrouw Micawber herinnerde. En nog sterker
werd ik aan hen herinnerd, toen ik te gelijk met den melkboer op de
vervallen stoep stond en de deur geopend werd om dezen te woord te
staan.
„Wel,” zei de melkboer tot een zeer jeugdig dienstmeisje, „hebt gij dat
kleine rekeningetje van mij afgegeven?”
„Ja, mijnheer zei dat hij er om zou denken,” antwoordde het meisje.
„Omdat,” vervolgde de melkboer, voortgaande alsof hij geen antwoord
ontvangen had en, naar het mij voorkwam, meer sprekende tot iemand, die
bovenaan de trap scheen te staan, dan tot het dienstmeisje—„omdat dit
kleine rekeningetje al zoo lang loopt, dat ik vrees het heelemaal te
zullen zien wegloopen en er nimmer meer iets van te zullen hooren. Ik
zal dat echter niet afwachten!” vervolgde de melkboer met verheffing
van stem en met een blik naar de trap.
Het verbaasde mij, dat deze man in zulk eene zachte, vloeiende waar als
melk handelde, want zijne manieren waren zoo ruw en woest, dat ik hem
eerder voor een slager of een koopman in brandewijn zou gehouden hebben.
De stem van het dienstmeisje was moeilijk verstaanbaar, maar naar de
beweging van hare lippen te oordeelen, zeide zij dat het onmiddellijk
zou worden voldaan.
„Ik zal u eens wat zeggen,” sprak de melkboer, terwijl hij het meisje
voor het eerst aankeek en tegelijkertijd bij de kin pakte, „houdt gij
veel van melk?”
„Ja, heel veel,” antwoordde zij.
„Goed, dan krijgt gij morgen geen droppel, verstaat gij? Geen droppel
hoor!”
Het kwam mij zoo voor alsof haar gezicht opvroolijkte bij het
vooruitzicht, dat zij vandaag wel melk zou krijgen en waarlijk, na
ontevreden zijn hoofd te hebben geschud, liet de melkboer haar kin
los, opende zijne kan en goot de gewone hoeveelheid in haar kannetje
over. Daarna ging hij brommend heen en gaf aan de volgende deur met een
kwaadaardig klinkende stem van zijne aankomst kennis.
„Woont hier mijnheer Traddles?” vroeg ik toen.
Eene geheimzinnige stem achter in de gang antwoordde: ‚Ja’, waarop het
meisje eveneens antwoordde: ‚Ja’.
„Is mijnheer thuis?” vroeg ik.
Opnieuw antwoordde de geheimzinnige stem bevestigend en opnieuw vernam
ik de echo van het meisje. Ik ging naar binnen en volgens aanwijzing
van het meisje de trap op, in het bewustzijn, dat ik bespied werd door
een geheimzinnig oog, behoorende bij dezelfde geheimzinnige stem.
Toen ik boven kwam—het huis had behalve den beganen grond slechts
ééne verdieping—wachtte Traddles mij reeds op het portaal op. Hij was
blijde mij te zien en heette mij hartelijk welkom op zijne kamer, die
aan de voorzijde van het huis lag en netjes, ofschoon karig gemeubeld
was. Zooals ik zag was het zijn eenige kamer, want er stond een soort
bed, dat tevens voor canapee dienst deed, en zijn schoenborstels en
smeerfleschje lagen op eene boekenplank achter eene dictionnaire. Zijne
tafel was met papieren bedekt en hij scheen in een oud jasje hard te
hebben zitten werken. Voor zoover ik weet, keek ik naar niets, maar
zag ik alles, zelfs het kerkje, dat op zijn porceleinen inktkoker was
geschilderd—eene kunst, waarin ik mij ten tijde van de Micawbers ook
geoefend had. Hij had een aantal vernuftige inrichtingen aangebracht
op zijne kamer om zijn latafel, zijn laarzen, zijn scheerspiegeltje
en zoo al meer aan het oog te onttrekken. Dit trok te meer mijne
aandacht omdat ik daardoor herinnerd werd aan den Traddles uit mijne
schooljaren, die, volgens het model van olifantshokken, papieren
gevangenissen voor de vliegen maakte, en om zich over ondergane
mishandelingen te troosten, zich onledig hield met de merkwaardige
bezigheid, waarvan ik reeds meermalen melding maakte.
In een hoek van de kamer stond iets, zorgvuldig bedekt met een lang,
wit laken. Ik kon zelfs niet gissen wat het was.
„Traddles,” zei ik, toen ik plaats genomen en hem nogmaals de hand
geschud had, „het verheugt mij u te zien.”
„En ik ben ook blijde u te zien, Copperfield,” antwoordde hij. „Ik ben
zelfs zeer blijde u te zien. Juist omdat ik zoo blij was, toen ik u bij
de Waterbrooks herkende en omdat ik zag, dat gij zoo blij waart mij te
herkennen, gaf ik u dit adres op in plaats van mijn kantoor.”
„Zoo! Houdt gij kantoor?” vroeg ik.
„Ja, ik beschik over het vierde van een kamer en een gang, en over
het vierde van een klerk,” antwoordde Traddles. „Ik houd met nog drie
anderen kantoor—dat lijkt alsof wij het druk hebben—en met ons vieren
betalen wij één klerk. Hij kost mij een kroon in de week.”
In den glimlach, waarmede hij dit alles vertelde, meende ik zijn
eenvoudig karakter en goed humeur te herkennen, terwijl ik tevens de
overtuiging kreeg, dat hij, als van ouds, met tegenspoeden te kampen
had.
„Het is volstrekt niet, omdat ik ook maar een weinigje trotsch ben,
Copperfield,” zei hij, „dat ik gewoonlijk mijn adres niet hier opgeef.
Het is alleen omdat degenen, die mij wenschen te bezoeken, wellicht
niet gaarne hier komen. Wat mij zelven aangaat—ik moet mij door de
wereld heenslaan en het zou belachelijk zijn, indien ik mij wilde
voordoen alsof dit niet zoo was.”
„Gij studeert voor advocaat, nietwaar? Mijnheer Waterbrook vertelde het
mij,” zei ik.
„O, ja,” antwoordde Traddles, terwijl hij zijne handen langzaam over
elkander wreef, „ik studeer voor advocaat. Eigenlijk ben ik er nu pas
mede begonnen, want de storting van honderd pond was een heel ding.
Een heel ding!” herhaalde hij met eene beweging alsof hij zich een kies
had laten trekken.
„Weet gij wel wat ik niet kan nalaten te denken, terwijl ik hier zoo
zit, Traddles?” vroeg ik.
„Neen,” antwoordde hij.
„Waar dat hemelsblauwe pakje gebleven is, dat gij zoo lang gedragen
hebt.”
„Goede Hemel! Ja,” riep hij lachend. „Het zat zoo strak om armen en
beenen, weet gij wel? Goede Hemel! Ja, dat was een gelukkige tijd!”
„Naar het mij voorkomt hadden onze meesters dien tijd nog veel
gelukkiger voor ons kunnen maken, zonder dat het aan onze kennis
geschaad zou hebben,” antwoordde ik.
„Dat is wel mogelijk,” zei Traddles. „Maar wij hebben toch ook nog al
eens plezier gehad. Herinnert gij u die avonden op de slaapkamer, als
wij souper hadden? En als gij verteldet? Ha, ha, ha! En weet gij nog
wel hoeveel ransel ik kreeg omdat ik huilde toen mijnheer Mell wegging?
O, die Creakle! Ik zou hem nog wel eens willen terugzien!”
„Hij heeft u slecht behandeld, Traddles,” zei ik op verontwaardigden
toon, alsof ik hem den vorigen dag nog had zien ranselen.
„Vindt gij dat?” hernam Traddles. „Waarlijk? 't Is mogelijk, maar dat
is lang voorbij! O, die oude Creakle!”
„Gij hebt uwe verdere opvoeding van een oom gehad, nietwaar?” vroeg ik.
„Ja, juist, het was dezelfde, wien ik altijd zou schrijven; maar ik
stelde het ook altijd weer uit! Ha, ha, ha! Ja, ik had toen een oom,
maar hij is niet lang nadat ik de school verlaten had gestorven.”
„Zoo, waarlijk!”
„Ja, hij was lakenhandelaar geweest—lakenhandelaar in ruste—zoo noemt
men dat immers?—en had mij tot zijn erfgenaam gemaakt. Hij hield
echter niet van mij toen ik grooter werd.”
„Meent gij dat werkelijk?” vroeg ik. Hij bleef zoo kalm dat ik hem wel
van eene andere meening verdenken moest.
„Ja, zeker, beste Copperfield! Ik meen het!” antwoordde hij. „Het was
wel ongelukkig maar hij hield volstrekt niet van mij. Hij zei dat ik
volstrekt niet aan zijne verwachtingen beantwoordde en daarom trouwde
hij met zijne huishoudster.”
„En wat deedt gij toen?” vroeg ik.
„Ik deed niets bijzonders,” zei Traddles. „Ik woonde bij hem in,
wachtende tot ik in de wereld gezonden zou worden: maar ziet, op
eenmaal werd hij ziek en stierf. En zijne vrouw hertrouwde met een
jongen man en ik moest voor mij zelven zorgen.”
„En heeft hij u niets nagelaten, Traddles?”
„O, zeker, zeker! Ik kreeg vijftig pond; maar ik was nooit opgeleid
tot eenig beroep, zoodat ik in het begin niet wist wat te beginnen.
Evenwel, ik begon toch iets, geholpen door den zoon van een
rechtsgeleerde, door Yawler, dien gij ook nog wel op Salem House gekend
hebt—hij had zoo'n scheeven neus. Herinnert gij u hem niet?”
„Neen, hij is daar niet tegelijk met mij geweest. In mijn tijd waren er
alleen rechte neuzen.”
„Nu, dat doet er ook niet toe,” hernam Traddles. „Ik begon met zijne
hulp processtukken over te schrijven, maar dat bracht weinig op; daarna
maakte ik uittreksels en dergelijk zulk soort van werk. Gij weet,
Copperfield, ik ben altijd een werkezel geweest en daarom ging mij
dit werk ook vrij vlug af. Welnu, ik kwam daardoor op het denkbeeld
om mij als student in de rechten te laten inschrijven en daarmede
verdween alles wat ik nog van mijn vijftig pond over had. Yawler
bezorgde mij echter eene aanbeveling bij een drietal kantoren—o. a.
bij de Waterbrooks—zoodat ik tamelijk veel werk kreeg. Ook was ik
zoo gelukkig kennis te maken met een uitgever, die eene encyclopaedie
wil uitgeven en voor dezen ben ik nu nog aan het werk. Ik stel niet
slecht, Copperfield,” voegde hij er bij op zijn gewonen, eenvoudigen,
opgeruimden toon; „maar oorspronkelijkheid heb ik geen zier. Ik geloof
niet, dat er ooit een jong mensch heeft bestaan, die zoo weinig
oorspronkelijkheid had als ik.”
Aangezien Traddles scheen te wachten tot ik dit als iets, dat van
zelf sprak, zou toestemmen, knikte ik en vervolgde hij met dezelfde
onwrikbare kalmte als zoo even:
„Zoo bracht ik langzamerhand door zeer zuinig te leven de honderd
pond bijeen,” vertelde hij, „en den Hemel zij dank, nu zijn ze
betaald, maar het was”—hij maakte dezelfde beweging weder, alsof
hem een kies getrokken was—„het was een heel ding. Ik leef nu nog
van zulk soort werk en hoop dezer dagen aan een nieuwsblad verbonden
te zullen worden—dan heb ik zoo goed als mijn fortuin gemaakt. En,
Copperfield, gij zijt nog zoo geheel dezelfde als vroeger en hebt nog
altijd datzelfde joviale gezicht en ik ben zoo blij, dat gij bij mij
zijt gekomen—ik zal dus ook niets voor u verbergen. Weet dan, dat ik
geëngageerd ben!”
Geëngageerd! O, Dora!
„Zij is de dochter van een predikant in Devonshire, één van tien
kinderen. Ja!”—hij merkte op dat ik onwillekeurig een blik wierp op
den inktkoker—„dat is de kerk! Gij gaat dit hek aan de linkerhand
in en dan zoo rond,” vervolgde hij, met den vinger langs den inktkoker
gaande, „en juist op deze plek, waar ik de pen houd, staat het huis met
het front naar de kerk, zooals gij begrijpt.”
Het genot, waarmede hij mij al deze bijzonderheden vertelde, drong
eerst later tot mijn geest door, want mijne zelfzuchtige gedachten
hadden zich gedurende dien tijd onledig gehouden met de indeeling van
het huis en den tuin van mijnheer Spenlow.
„O, zij is zulk een lief meisje!” zei Traddles; „een weinig ouder dan
ik, maar allerliefst. Ik vertelde u immers, dat ik uit de stad ging?
Welnu, ik ben bij haar geweest. Ik ben er te voet heengegaan en ook
te voet teruggekeerd en had een heerlijken tijd. Het is waar, ons
engagement zal wel lang duren, maar ons wachtwoord is: ‚Wachten en
hopen!’ Wij zeggen maar telkens tegen elkander: ‚Wacht en hoop!’ En
zij zou wachten op mij, al werd zij zestig, Copperfield!”
Traddles stond na deze woorden op en legde met een zegevierenden
glimlach de hand op het witte laken, dat reeds mijne aandacht had
getrokken.
„Toch hebben wij niet gewacht om het een en ander voor onze huishouding
aan te schaffen,” ging hij voort. „Neen, neen, wij hebben reeds een
begin gemaakt. Het moet langzaam aan gaan, maar het begin is er.
Hier”—hij trok met evenveel trots als behoedzaamheid het laken
weg—„zijn twee meubelstukken om mede te beginnen. Dezen bloempot met
standaard heeft zij zelve gekocht. Men zet zoo iets in de spreekkamer,”
lichtte hij toe, terwijl hij een weinig achteruitging om het op zijn
gemak te bewonderen, „met eene plant er in en—klaar is men! Dit
tafeltje met marmeren blad—het heeft een middellijn van twee voet
tien—kocht _ik_. Gij wilt een boek neerleggen, begrijpt ge, of er komt
bezoek voor u of voor uwe vrouw en wilt ergens een kop thee neerzetten
en—gij zijt weer klaar! Het is merkwaardig netjes afgewerkt en staat
zoo vast als een rots!”
Ik prees beide stukken zeer en Traddles spreidde er met dezelfde
behoedzaamheid het laken overheen, als hij het er afgenomen had.
„Het is nog wel niet veel in verhouding van hetgeen er zijn moet,”
hernam Traddles, „maar het is toch iets. De tafellakens, kussensloopen
en dergelijke zaken bezwaren mij het meest, Copperfield. En dan
het keukengereedschap—kaarsenbakken, braadpannen en dergelijke
noodzakelijke dingen—dat loopt zoo op! Maar: ‚Wacht en hoop!’ En ik
verzeker u, dat zij het liefste meisje van de wereld is!”
„O, daarvan ben ik overtuigd!” loog ik.
„Intusschen,” hervatte Traddles, „en dat is het laatste, wat ik over
mij zelven zal leuteren—maak ik het best. Gemeenlijk eet ik bij de
menschen beneden; werkelijk heel aardige menschen. Zoowel mijnheer als
mevrouw Micawber....”
„Beste Traddles!” riep ik uit, „wat zegt gij daar?”
Traddles keek mij aan, alsof hij zich verbaasde over hetgeen _ik_ zei.
„Mijnheer en mevrouw Micawber!” herhaalde ik. „Maar dat zijn intieme
kennissen van me!”
Op hetzelfde oogenblik vernam ik een tik op de deur, dien ik mij o,
zoo goed herinnerde van Windsor Terrace en die door niemand kon zijn
gegeven dan door mijnheer Micawber. Geen twijfel meer of ik bevond
mij in de woning van mijne oude vrienden. Ik verzocht Traddles zijn
huisheer uit te noodigen om binnen te komen, hetgeen Traddles terstond
deed, waarop mijnheer Micawber, niets veranderd—spanbroek, wandelstok,
overhemd, boorden, lorgnet, alles onveranderd—als een jeugdig
gentleman van goeden huize de kamer binnentrad.
„Excuseer mij, mijnheer Traddles,” zei mijnheer Micawber met dezelfde
galmende stem als vroeger en voor een oogenblik het neuriën stakend,
„ik wist niet dat zich iemand, een vreemdeling in deze woning, in uw
heiligdom bevond.”
Mijnheer Micawber maakte even eene buiging voor mij en trok zijne
boorden wat op.
„Hoe vaart gij, mijnheer Micawber?” vroeg ik.
„Mijnheer,” antwoordde hij, „ik ben u zeer verplicht. Ik ben in _status
quo_.”
„En mevrouw Micawber?” hernam ik.
„Zij is, den Hemel zij dank, ook in _status quo_.”
„En de kinderen, mijnheer Micawber?”
„Mijnheer,” antwoorde hij, „het verheugt mij u te kunnen zeggen, dat
zij zich verblijden in eene goede gezondheid.”
Gedurende al dien tijd had mijnheer Micawber mij niet herkend, ofschoon
hij mij vlak in het gezicht keek. Nu zag hij mij echter glimlachen en
bekeek hij mij met meer aandacht, waarop hij eene schrede achteruit
deed en riep: „Is het mogelijk! Heb ik opnieuw het genoegen Copperfield
van aangezicht tot aangezicht te aanschouwen!” Hij schudde mij daarop
met buitengewone hartelijkheid beide handen.
„Hoe kan het zoo treffen mijnheer Traddles!” riep hij daarna uit, „dat
gij juist een kennis moet zijn van een vriend uit mijne jeugd, van een
lotgenoot uit vroeger dagen! Lieve!” riep hij over de leuning van de
trap mevrouw Micawber toe, terwijl Traddles niet zonder reden, hoogst
verbaasd keek bij de beschrijving, die mijnheer Micawber van mij gaf.
„Lieve, daar is een heer bij mijnheer Traddles, wien het een genoegen
zijn zal aan u voorgesteld te worden!”
Terstond daarop kwam mijnheer Micawber terug en begon opnieuw mijne
handen te schudden.
„En hoe maakt het mijn beste vriend, de doctor, Copperfield?” vroeg
hij, „en de geheele vriendenkring te Canterbury?”
„Ik heb niets dan goede berichten van hen,” antwoordde ik.
„Het doet mij genoegen dit te vernemen,” ging hij voort. „In Canterbury
hebben wij elkander het laatst ontmoet, nietwaar? In de schaduw, mag
ik er wel bijvoegen, van dat door Chaucer vereeuwigde, eerwaardige
gebouw, dat vroeger de pelgrims tot zich trok uit de verst verwijderde
streken—kortom.... in de nabijheid van de kathedraal.”
Ik antwoorde dat zijn geheugen hem niet bedroog, waarna hij steeds aan
het praten bleef met buitengewone radheid, doch niet zonder eenige
onrust te toonen bij het vernemen van geluiden in de aangrenzende
kamer, waar blijkbaar mevrouw Micawber de handen waschte en haastig
eenige laden open en dicht deed, die bijzonder stroef liepen.
„Gij vindt ons hier, Copperfield,” sprak mijnheer Micawber intusschen,
„ingericht op een voet, die hoogst eenvoudig, ja zelfs bekrompen
genoemd mag worden; gij weet echter dat ik in den loop van mijne
carrière vele moeilijkheden moest overwinnen en vele hinderpalen
uit den weg ruimen. Gij zijt ook niet onkundig van het feit, dat er
tijdperken in mijn leven geweest zijn, waarin het noodig was geduld te
oefenen tot zich zekere verwacht wordende gebeurtenissen zouden opdoen;
waarin het noodzakelijk was eenige schreden terug te doen eer ik kon
komen tot datgene, wat ik zonder eigenwaan durf noemen: een sprong. Het
tegenwoordige is een van die gewichtige tijdperken in eens menschen
leven. Gij vindt mij, achteruit getreden tot het doen van een sprong;
welnu, ik heb reden genoeg om te gelooven dat het een reuzensprong zijn
zal.”
Ik was nog bezig mijn genoegen hierover te kennen te geven, toen
mevrouw Micawber binnenkwam; zij zag er nog een weinig slordiger uit
dan vroeger, tenminste zoo scheen zij mij toe, maar het kan ook zijn
dat ik haar ontwend was; toch had zij zich wat opgeknapt om visite te
ontvangen en een paar bruine handschoenen aangetrokken.
„Lieve”, zei mijnheer Micawber, terwijl hij haar naar mij toebracht.
„Hier is een heer, die zich Copperfield noemt en de kennismaking met u
wenscht te hernieuwen.”
Zooals een oogenblik later bleek, zou het beter geweest zijn, indien
hij haar een weinig op deze aankondiging had voorbereid, want
mevrouw Micawber, die eene zwakke gezondheid had, was zoo ontsteld,
dat mijnheer Micawber verplicht was naar de groote waterton op de
achterplaats te snellen en een glas water te halen. Zij kwam echter
spoedig weer bij en was werkelijk heel blij dat zij mij zag. Wij
bleven met ons vieren nog een half uurtje praten; ik vroeg hoe de
tweelingen het maakte, waarop zij antwoordde dat „zij groeiden als
kool”, en informeerde naar jongeheer en jongejuffrouw Micawber, die zij
beschreef als „wezenlijke reuzen”, zij kwamen echter niet voor den dag.
Mijnheer Micawber stond er op dat ik zou blijven eten, hetgeen ik
wel zou hebben gedaan, als ik niet eene zekere onrust gelezen had op
het gelaat van mevrouw Micawber; ik meende te bespeuren dat zij in
zich zelve naging of het koude vleesch nog wel voldoende zou zijn. Ik
verontschuldigde mij met te zeggen, dat ik eene afspraak gemaakt had en
toen ik zag, dat het gelaat van mevrouw Micawber terstond ophelderde,
liet ik mij niet overreden. Ik zeide echter, dat ik niet wilde heengaan
voor zij een dag bepaald hadden, waarop Traddles en mijnheer en mevrouw
Micawber bij mij het middagmaal zouden komen gebruiken. De drukke
bezigheden van Traddles waren oorzaak dat het nog wat uitgesteld moest
worden; maar eindelijk werden wij het toch eens en vonden wij een dag,
waarop het ons allen gelegen kwam.
Ik nam nu afscheid en onder voorwendsel van mij een korteren weg te
wijzen dan die, welken ik gekomen was, vergezelde mijnheer Micawber
mij tot aan den hoek van de straat; hij verlangde er naar, zeide hij,
een paar woorden in vertrouwen mede te deelen aan een oud vriend.
Nauwelijks waren wij buiten of hij begon: „Beste Copperfield, ik behoef
u nauwelijks te vertellen dat het in de bestaande omstandigheden
voor ons een weldaad is, iemand in huis te hebben, met een hart als
dat van mijnheer Traddles. Naast ons woont een waschvrouw, die harde
beschuit te koop heeft uitgestald in haar zitkamer, en tegenover ons
een inspekteur van politie, zoodat gij u wel zult kunnen begrijpen welk
een bron van troost het gezelschap van mijnheer Traddles voor mij en
voor mevrouw Micawber zijn moet. Gij moet weten, beste Copperfield,
dat ik tegenwoordig een commissiehandel heb in granen. Het is geen
winstgevend vak, kortom, er valt niet veel bij te verdienen, zoodat
eenige voorbijgaande moeielijkheden van geldelijken aard er het gevolg
van zijn geweest. Het doet mij echter genoegen hier te kunnen bijvoegen
het vaste vooruitzicht te hebben, dat zich eerstdaags iets zal
opdoen—het is mij niet geoorloofd nadere aanwijzingen te geven—waarin
ik, naar ik vertrouw, zoowel voor mij zelven als voor mijnheer
Traddles, in wien ik ongeveinsde belangstelling koester, een vast
bestaan zal vinden. Gij zult waarschijnlijk reeds voorbereid zijn te
vernemen dat mevrouw Micawber zich in een toestand bevindt, die op
goede gronden doet vermoeden, dat er eerlang weder eene vermeerdering
zal plaats hebben van die panden onzer genegenheid..... kortom, van ons
troepje. De familie van mevrouw Micawber is wel zoo goed geweest haar
ongenoegen over deze omstandigheid te kennen te geven. Het eenige,
wat ik hierover heb op te merken, is, dat ik niet begrijp wat haar
die omstandigheid aangaat en dat dergelijke gezegden mijn toorn en
verontwaardiging opwekken!”
Mijnheer Micawber schudde mij daarna opnieuw beide handen en keerde
terug.