Mijn eerste buitensporigheid.
O, welk een heerlijke gedachte was het, heer en meester te zijn op
zulk een paleis! Als ik de deur achter mij sloot had ik een gevoel,
zooals Robinson Crusoë moet gehad hebben, als hij zijn versterkte hut
was binnengegaan en de ladder achter zich opgetrokken had. Heerlijke
gedachte, om daar door de stad te wandelen met de sleutels van mijn
eigen woning in den zak; te weten, dat ik iemand vragen kon met mij
naar mijn kamer te gaan en zeker te zijn, dat ik daarmede niemand
overlast aandeed, tenzij aan mij zelven. Heerlijke gedachte, om mij
zelven in en uit te kunnen laten, te komen en te gaan zonder iemand
iets te vragen, juffrouw Crupp te schellen, wanneer ik haar noodig had,
en haar uit de ingewanden der aarde te doen oprijzen—indien zij, dat
spreekt van zelf, genegen was om te komen. Dit alles, ik herhaal het,
was heerlijk, maar ik moet er bijvoegen, dat er ook wel tijden waren,
waarin ik het alles behalve aangenaam vond.
Des morgens, vooral bij mooi weder, was het heerlijk. Als de zon
scheen, genoot ik van het vrije leven en hoe hooger zij steeg, hoe
vrijer en opgewekter ik mij gevoelde, maar tegen het vallen van den
avond begon dat gevoel te kwijnen. Hoe het kwam weet ik niet, maar
bij lamplicht vond ik mijn leven niet zoo heerlijk. Ik miste iemand
om mede te praten. Ik miste Agnes vooral. Een akelig ledig was in de
plaats getreden van die lieve bewaarster mijner geheimen. De afstand
tusschen mij en juffrouw Crupp scheen dagelijks grooter te worden.
Ik dacht aan mijn voorganger, die gestorven was tengevolge van veel
drinken en rooken, en de wensch kwam in mij op, dat hij ware blijven
leven, dan zou hij daar waarschijnlijk op mijne plaats gezeten hebben.
Toen ik er twee dagen en twee nachten had doorgebracht, scheen het mij
toe of ik er reeds een jaar was en toch voelde ik mij geen uur ouder en
werd meer dan ooit geplaagd door mijn eigen jeugdigheid.
Aangezien Steerforth nog niet verscheen, begon ik te vreezen, dat hij
ziek was; ik verliet daarom het kantoor den derden dag wat vroeger
dan gewoonlijk en wandelde naar Highgate. Mevrouw Steerforth was zeer
blijde mij te zien en vertelde mij, dat haar zoon met een vriend
uit Oxford naar een anderen vriend te St. Alban's was gegaan en den
volgenden dag werd terugverwacht. Ik hield zooveel van Steerforth, dat
ik jaloersch was op die beide vrienden. Mevrouw Steerforth noodigde
mij uit om te blijven eten, hetgeen ik deed; maar ik geloof, dat wij
den geheelen avond over niets spraken dan over hem. Ik vertelde haar,
hoe de menschen in Yarmouth met hem dweepten en welk een aangenaam
reisgenoot hij voor mij geweest was. Juffrouw Dartle deed allerlei
geheimzinnige vragen, maar stelde toch ook veel belang in al ons doen
en laten. Zij zeide zoo dikwijls: „Was het waarlijk zoo?” dat zij alles
uit mij perste wat zij verlangde te weten. Zij zag er nog juist zoo uit
als ik haar beschreven heb, maar het gezelschap van de twee dames deed
mij zoo goed en viel zoo in mijn smaak, dat ik werkelijk een weinig
verliefd op haar begon te worden. Ik kon niet nalaten dien avond en ook
op mijne wandeling naar huis verscheidene malen te denken, welk een
aangenaam gezelschap zij zijn zou in Buckinghamstreet.
Den volgenden morgen zat ik te ontbijten—het was verbazend hoeveel
koffie juffrouw Crupp gebruikt en hoe slap die toch was—toen
Steerforth tot mijne onbeschrijfelijke vreugde binnentrad.
„Beste Steerforth!” riep ik uit, „ik begon te denken dat ik u nimmer
terug zou zien!”
„Ik ben den morgen, nadat ik thuiskwam, met geweld weggehaald!”
antwoordde hij. „Wel, Groentje, wat leidt gij hier een prachtig
oude-jongeheerenleven!”
Ik liet hem, niet zonder eenigen trots, mijne appartementen—de
provisiekamer incluis—zien en hij prees alles zeer. „Luister eens,
Groentje,” voegde hij er bij, „ik zal mij hier inkwartieren, tenzij gij
mij wegjaagt.”
Dat was een heerlijk bericht. Ik zei dan ook, dat, als hij daarop wilde
wachten, hij nog langen tijd zou kunnen blijven. „Maar wilt gij niet
ontbijten?” vroeg ik met de hand aan het schelkoord. „Juffrouw Crupp
zal versche koffie voor u zetten en ik wat spek bakken op mijn kachel.”
„Neen, dank u!” zei Steerforth. „Schel maar niet! Ik kan niet! Ik moet
ontbijten bij een van mijne vrienden, die in het Piazza-hôtel logeert
in Covent Garden.”
„Maar dan komt gij toch bij mij eten?” vroeg ik.
„Ik kan niet, ik kan waarlijk niet! Niets zou ik liever doen, maar ik
moet bij mijn beide vrienden blijven. Wij scheiden morgen reeds.”
„Breng hen dan mede, dan eten wij met ons vieren,” hernam ik. „Zouden
zij willen komen?”
„O, zij zullen gaarne willen komen,” antwoordde Steerforth, „maar wij
zullen u overlast aandoen. Gij zoudt beter doen met ons ergens te komen
eten.”
Onder geen voorwendsel wilde ik dat aannemen, te meer niet, omdat het
mij voorkwam, dat ik mijne kamers toch ook eens moest inwijden en zich
daarvoor geen betere gelegenheid zou opdoen dan deze. Ik was trotscher
dan ooit op mijne kamers, nu Steerforth ze had geprezen, en brandde van
verlangen om te toonen wat ze al zoo konden opleveren. Toen Steerforth
weg was schelde ik juffrouw Crupp en maakte haar met mijn wanhopend
voornemen bekend. Juffrouw Crupp begon te zeggen, dat ik natuurlijk
niet van haar verwachten kon, dat zij aan tafel zou bedienen; zij kende
echter een handig jongmensch, die het waarschijnlijk wel voor vijf
shillings zou willen doen. Of ik dat goed vond? Het spreekt van zelf,
dat ik daartegen niets kon inbrengen. Vervolgens zei juffrouw Crupp,
dat zij natuurlijk niet op twee plaatsen te gelijk zijn kon—daar
was evenmin iets tegen te zeggen—en dat dus een klein meisje met
een kaars in de provisiekamer onmisbaar was, ten einde onafgebroken
borden te wasschen. Ik vroeg wat zulk een meisje daarvoor hebben moest
en juffrouw Crupp antwoordde dat ik, naar zij meende, van achttien
stuivers niet armer zou worden. Ik zei, dat ik het ook niet dacht en
alzoo was ook dit vastgesteld. „En nu,” vervolgde juffrouw Crupp, „wat
moet er zijn?” De smid, die juffrouw Crupp's kachelplaat gemaakt had,
moet wel een voorbeeld geweest zijn van iemand met weinig overleg,
want er konden niets dan ossenlappen en gestoofde aardappelen op
gereed worden gemaakt. En wat de vischketel betrof..... „wil mijnheer
de ruimte eens komen bekijken?” vroeg juffrouw Crupp. Nu, oprechter
kon het goede mensch niet spreken! Alsof ik daardoor iets wijzer zou
zijn geworden! Ik bedankte daarom voor het vriendelijk aanbod en zei:
„Welnu dan, geen visch!” Maar juffrouw Crupp hernam: „Zeg dat nu niet,
het is de tijd van de oesters, waarom geen oesters?”—Dus.... oesters!
Daarna ging juffrouw Crupp voort: „Indien ik u een raad schuldig ben,
is het deze: Een paar gebraden hoentjes.... van den kok; een schotel
gestoofd rundvleesch met groente.... van den kok; twee kleinigheden om
te flankeeren, b. v. pasteitjes of nierenbroodjes.... van den kok een
taart en—indien ik daarvan hield—wat rhum- of andere gelei.... van
den kok. Op deze wijze,” ging juffrouw Crupp voort, „stelt gij mij in
de gelegenheid, om al mijne aandacht aan de aardappelen te wijden en de
kaas en de selderij zoo voor te dienen, als ik wenschte dat het altijd
gedaan werd.”
Ik volgde juffrouw Crupp's raad op en deed in hoogst eigen persoon de
bestellingen bij den kok. Later op den dag langs een vleeschwinkel
komende, zag ik daar een gespikkelde zelfstandigheid voor het raam
liggen, die op marmer geleek en van een etiquette voorzien was, waarop
te lezen stond: „Schildpadsoep.” Ik ging den winkel binnen en kocht
er een stuk van, dat, naar ik later vernam, voor vijftien personen
genoeg zou zijn geweest. Na veel tegenstribbelen nam juffrouw Crupp op
zich, dit preparaat op te warmen, maar eenmaal in vloeibaren toestand
gebracht, scheen het zoo weg te slinken, dat Steerforth het een
„mondterging” vond voor vier personen.
Nadat alles zoo ver in orde was gebracht, kocht ik in Covent Garden
een klein dessert en deed bij een wijnkooper in die buurt eene vrij
aanzienlijke bestelling. Toen ik in den namiddag thuis kwam en de
flesschen in een vierkant op de provisiekamer zag staan, schrikte ik
van het groote aantal—niettegenstaande er twee te weinig waren, tot
groote ontsteltenis van juffrouw Crupp.
De vrienden van Steerforth heetten Grainger en Markham. Beiden
waren vroolijke, levenslustige knapen; Grainger was iets ouder dan
Steerforth; Markham zag er jonger uit—ik schatte hem twintig jaar.
Ik merkte op, dat laatstgenoemde altijd van zich zelven sprak als van
„iemand” en nooit de eerste persoon enkelvoud gebruikte.
„Iemand voelt zich hier zeer op zijn gemak, mijnheer Copperfield,” zei
hij, van zich zelven sprekende.
„De stand is niet slecht,” antwoordde ik, „en de kamers zijn inderdaad
heel gezellig.”
„Ik hoop, dat gij beiden een goeden eetlust hebt meegebracht,” zei
Steerforth.
„Waarlijk,” antwoordde Markham, „het stadsleven schijnt den eetlust op
te wekken. Men heeft den geheelen dag honger, men eet onophoudelijk.”
In het eerst was ik een weinig verlegen en voelde ik mij veel te jong
om aan het hoofd van de tafel plaats te nemen, waarom ik Steerforth
verzocht op de eereplaats te gaan zitten en zelf tegenover hem plaats
nam. Alles was goed, uitmuntend zelfs; wij dronken een stevig glas wijn
en Steerforth deed zoo zijn best om den gang er in te houden, dat de
feestelijke stemming geen oogenblik verbroken werd. Ik zelf was niet
zoo spraakzaam gedurende den maaltijd, als ik wel gewenscht had te
zijn; want mijne plaats was vlak tegenover de deur en telkens wanneer
het „handige jonge mensch” de kamer uitging, zag ik een oogenblik later
zijn schaduw op den muur afgeteekend, met een flesch voor den mond. Ook
het meisje verschafte mij eenige onrust, niet omdat zij verzuimde de
borden te wasschen, maar door ze te breken. Zij was nieuwsgierig van
aard en wilde zij die ondeugd botvieren, dan kon zij niet, zooals haar
stellig bevolen was, in het provisiekamertje blijven; zij kwam daarom
telkens om een hoekje kijken en als zij dan bemerkte dat zij betrapt
werd, richtte zij in haar angst eene groote verwoesting aan onder de
borden, die zij op den grond had geplaatst. Dit waren echter kleine
onaangenaamheden, die, zoodra het tafellaken weggenomen en het dessert
gereed gezet was, vergeten waren; op hetzelfde tijdstip ontdekte ik,
dat het „handige jongmensch” stomdronken was. Ik gaf hem heimelijk het
bevel, om juffrouw Crupp verder met zijn gezelschap te vereeren en het
kleine meisje mede naar de kelderverdieping te nemen, waarna ik mij
ongestoord aan de vreugde kon wijden.
Ik begon bijzonder vroolijk en opgeruimd te worden; allerlei
half-vergeten voorvallen kwamen mij in de gedachten, zoodat ik
buitengewoon spraakzaam werd; ik lachte hartelijk om mijne eigen
grappen en om die van de anderen; riep Steerforth tot de orde,
omdat hij niet vlug genoeg inschonk als de glazen ledig waren; nam
uitnoodigingen aan om in Oxford te komen; gaf als mijn voornemen te
kennen elke week zulk een diner op mijne kamer te zullen geven, zonder
dat daartoe uitnoodigingen voor behoefden te worden rondgezonden;
en nam eindelijk zooveel snuif uit een doos van Grainger, dat ik
genoodzaakt was naar de provisiekamer te gaan, waar ik ongeveer
tien minuten, niezende doorbracht. Al sneller en sneller liet ik de
flesschen rondgaan en telkens sprong ik op met den kurketrekker in de
hand om nieuwe open te trekken, lang voordat het noodig was.
Ik stelde een dronk in op Steerforth's gezondheid, zeide dat hij mijn
beste vriend was, de beschermer van mijne jeugd, de metgezel in mijne
eerste jongelingsjaren. Ik zeide blijde te zijn op zijne gezondheid
te mogen drinken. Ik zeide dat ik meer verplichting aan hem had dan
ik hem ooit vergelden kon en hem meer achting toedroeg dan ik in
woorden kon uitdrukken. En eindelijk: „Ad fundum, op Steerforth!
Lang zal hij leven! Hoezee!” En wij dronken driemalen ad fundum
en eindelijk nog een vol glas ad fundum. Ik brak mijn glas toen ik
opstond om hem de hand te schudden en zei in twee woorden: „Steerforth,
gij-zijt-de-poolstar-op-mijn-levensweg.”
Ik merkte eensklaps op, dat er iemand aan het zingen was; het was
Markham, die ten beste gaf: „Als de zorgen soms u kwellen,” en zoo
voort. Hij beloofde ons daarna een toost te zullen instellen: Op „de
meisjes!” Ik verzette mij daartegen en wilde het niet toestaan. Ik
zeide dat het niet fatsoenlijk was zulk een toost in te stellen, dat
ik op mijn eigen kamer niet zou toestaan anders dan op de „dames”
te drinken. Ik kreeg hooge woorden met hem, voornamelijk omdat ik
Steerforth en Grainger zag lachen om mij—of om hem—of om ons beiden.
Hij zei dat men iemand niet zoo de wet moest stellen. Ik zeide dat
het wel degelijk moest. Hij zeide dat men iemand niet behoefde te
beleedigen. Ik zeide dat hij daarin gelijk had—dat onder mijn dak,
waar de wetten der gastvrijheid werden geëerbiedigd, nooit iemand
beleedigd mocht worden. Hij zeide dat het niet met iemand's waardigheid
streed te zeggen, dat ik een duivelsche beste jongen was. Ik stelde
onmiddellijk een dronk op hem in.
Iemand stak een sigaar op en wij volgden zijn voorbeeld. Ik rookte en
deed mijn best om eene opkomende neiging tot huiveren te bedwingen.
Steerforth had een toost op mij ingesteld, die mij bijna tot tranen
toe bewogen had. Ik bedankte hem en sprak de hoop uit, dat de heeren
den volgenden dag en den daarop volgenden dag bij mij zouden komen
dineeren—telkens te 5 uur, zoodat wij een langen avond voor ons
hadden om van elkanders gezelschap te genieten. Ik had behoefte op nog
iemand's gezondheid te drinken en stelde een toost in op mijne tante,
op Betsey Trotwood, de beste van haar geslacht!
Er lag iemand uit het raam van mijn slaapkamer, ten einde zijn
voorhoofd tegen de kouden steenen te drukken en den avondwind in zijn
gezicht te laten spelen. Die iemand was ik zelf. Ik zei tegen mij zelf:
„Copperfield, waarom hebt gij gerookt? Gij wist dat gij het niet kunt
verdragen.” Toen bekeek iemand zich met onzekere oogen in den spiegel.
Die iemand was ik weer. Wat was ik bleek! Er lag een wezenlooze
uitdrukking in mijne oogen, en mijn haar .... alleen mijn haar, niets
anders—zag er uit of het dronken was.
Iemand zei: „laat ons naar de comedie gaan, Copperfield!” Nu was ik
niet meer in de slaapkamer, maar zat aan de rinkelende, met glazen
bedekte tafel; de lamp en Grainger aan mijne rechter, Markham aan mijne
linkerzij, en Steerforth tegenover mij—allen in de mist en heel ver
weg. De comedie? Zeker! Uitstekend! Ga mede! Maar gij moet mij niet
kwalijk nemen als ik het laatst naar beneden ga en de lamp uitblaas—er
moest eens brand komen.
Vermoedelijk was het aan de duisternis toe te schrijven, maar ik
kon de deur niet vinden, ik tastte in het rond en zocht in de
venstergordijnen, toen Steerforth mij lachend bij een arm nam en buiten
bracht. Wij daalden de trap af vlak achter elkander. Toen wij bijna
beneden waren viel er iemand; iemand anders zei dat het Copperfield
was. Deze valsche aantijging maakte mij boos, maar toen ik mij zelven
op den rug in de gang vond liggen, begreep ik toch, dat er wel eenigen
grond voor zijn kon.
Een mistige avond met groote kringen om de lantarens op de straat. Ik
hoorde iemand van ons duidelijk zeggen, dat het vochtig was, maar ik
meende, dat het vriezend weer was. Steerforth nam mij mede onder een
lantaren, sloeg mijn kleeren af en zette mijn hoed recht—zonderling!
Ik weet nog niet waar die hoed vandaan was gekomen, want ik had dien
eerst niet opgehad.
Een man, in een hokje zittend met een opening als in een duiventil,
keek in de mist en nam van iemand geld aan, vragende of ik die heer
was, voor wien betaald werd; hij scheen te aarzelen—als ik het mij
tenminste goed herinner, want ik zag bijna niets meer van hem, dan het
puntje van zijn neus—of hij wel geld voor mij zou aannemen. Korten
tijd daarna zaten wij heel hoog in een gloeiende zaal en keken naar
beneden in het parterre; het scheen mij toe dat het daar rookte,
zoo onduidelijk zag ik de menschen, die daar zaten. Er was ook een
groot tooneel, dat er, in vergelijking met de straat, heel helder en
zindelijk uitzag; er liepen menschen op heen en weer, die met elkander
praatten over allerlei dingen, maar volkomen onverstaanbaar. Er was
eene schitterende verlichting en er was muziek en in de loges zaten
dames en ik weet niet wat er al meer was. Het geheel maakte op mij den
indruk, alsof het gebouw, met alles wat er in was, leerde zwemmen, zoo
wonderlijk dwarrelde alles dooreen, wanneer ik trachtte het te doen
stilstaan.
Op iemand's voorstel besloten wij naar beneden te gaan, naar de loges,
waar de dames zaten. Ik zag in het voorbijgaan een heer languit op
een sofa liggen met een tooneelkijker voor de oogen, en ik zag ook
mij zelven, ten voeten uit in een spiegel. Daarna werd ik een van de
loges binnengeduwd en scheen iets gezegd te hebben, terwijl ik was gaan
zitten, want de menschen om mij heen riepen: „Stilte!” en de dames
wierpen mij verontwaardigde blikken toe en.... wat zag ik daar? Ja!
Agnes zat vlak voor mij in dezelfde loge tusschen een heer en eene
dame, die ik niet kende. Ik zie haar gezicht nu voor mij, beter dan ik
het op dat oogenblik zag; zij keek mij verbaasd en verwijtend aan.
„Agnes!” zei ik met een dikke tong. „Goede Hemel! Agnes!”
„Stil! smeek ik u!” antwoordde zij, maar ik begreep volstrekt niet
waarom. „Gij hindert de menschen! Kijk liever naar het tooneel!”
Ik volgde haar bevel op en trachtte mijn oogen op het tooneel gevestigd
te houden en iets te verstaan van hetgeen er gesproken werd, maar te
vergeefs. Een oogenblik later keek ik weder naar haar en zag ik haar
wegkruipen in een hoekje en haar hand naar het voorhoofd brengen.
„Agnes!” zei ik. „Ik vrees dat gij niet wel zijt.”
„O, jawel. Maak u over mij niet ongerust, Trotwood,” antwoordde zij.
„Luister eens! Gaat gij spoedig heen?”
„Of ik spoedig weer heenga?” herhaalde ik.
„Ja.”
Een oogenblik kwam de dwaze gedachte in mij op om haar te antwoorden,
dat ik wachten zou om haar naar beneden te geleiden. Ik onderstel,
dat ik ook wel zoo iets gezegd zal hebben, want zij keek mij eenige
oogenblikken doordringend aan en scheen mij te begrijpen. Zachtjes
sprak zij:
„Ik weet wel dat gij doen wilt wat ik u verzoek, als ik u zeg dat ik
het ernstig meen. Ga nu heen, Trotwood, om mij genoegen te doen; vraag
aan uwe vrienden of zij u naar huis willen brengen.”
Zij had mij voor een oogenblik tot het besef van mijn toestand
gebracht en hoewel ik natuurlijk boos op haar was, schaamde ik mij
toch ook en met een kort: ‚Goenach!’—hetgeen voor goeden nacht! moest
doorgaan—stond ik op en ging heen. De vrienden volgden mij en ik
stapte in eens uit de loge in mijn slaapkamer, waar Steerforth alleen
bij mij was en mij hielp bij het ontkleeden en waar ik hem met horten
en stooten vertelde, dat Agnes mijne zuster was, en hem bezwoer den
kurketrekker op te zoeken om een flesch open te trekken.
Ik zal maar niet beschrijven, hoe daar iemand in mijn bed lag,
die al het voorgevallene, kris en kras door elkander, als in een
koortsachtigen droom herhaalde en doorleefde, terwijl het bed op de
baren van de zee scheen te drijven en geen oogenblik stil stond! Hoe
ik, toen die iemand langzaam in mij begon over te gaan, een keel zoo
droog en een tong zoo hard had als perkament, ja, meende, dat mijne
tong de bodem was van een ledigen ketel, door langdurig gebruik
versleten, die boven een zacht vuur hing, en de binnenvlakten van
mijne handen gloeiende ijzeren platen, die zelfs met geen ijs waren te
verkoelen.....
O, die angst, die wroeging en schaamte, toen ik den volgenden morgen
weder tot bewustzijn was gekomen! O, dat afgrijzen van mij zelven,
die angst, dat ik minstens duizend misdrijven had gepleegd, die ik
allen vergeten had en waarvoor ik nimmer boete zou kunnen doen—de
herinnering aan dien onvergetelijken blik, waarmede Agnes mij had
aangekeken—de marteling omdat ik haar onmogelijk iets van mij kon
laten weten, want in mijne afschuwelijke dronkenschap had ik niet
gevraagd, hoe zij te Londen kwam en waar zij logeerde—de walging, die
ik ondervond bij den aanblik van de kamer, waar het drinkgelag was
gehouden—het bonzen in mijn hoofd—de stank van de sigarenrook, al die
glazen en eindelijk de onmogelijkheid om uit te gaan, ja, zelfs om op
te staan! O, welk een vreeselijken dag bracht ik door!
O, welk een avond, toen ik bij den haard zittende, met een kop bouillon
van lamsvleesch, waarop tallooze oogjes vet dreven, in de hand, meende
den weg op te zullen gaan van mijn voorganger. Een oogenblik kwam het
plan in mij op om naar Dover te snellen en alles te bekennen! Welk een
avond, toen juffrouw Crupp binnenkwam om den bouillonkop weg te halen
en mij, als eenig overblijfsel van het feest, een klein nierenbroodje
te brengen en ik werkelijk eene opwelling kreeg om mij aan hare
nankingsche borst te werpen en vol berouw uit te roepen: „O, juffrouw
Crupp, juffrouw Crupp, laat die klieken maar blijven! Ik voel mij zoo
ellendig!”—De eenige reden, die mij weerhield, was de twijfel of
juffrouw Crupp wel de persoon was om zooveel vertrouwen in te stellen!