XXIV.

Mijn eerste buitensporigheid.

O, welk een heerlijke gedachte was het, heer en meester te zijn op

zulk een paleis! Als ik de deur achter mij sloot had ik een gevoel,

zooals Robinson Crusoë moet gehad hebben, als hij zijn versterkte hut

was binnengegaan en de ladder achter zich opgetrokken had. Heerlijke

gedachte, om daar door de stad te wandelen met de sleutels van mijn

eigen woning in den zak; te weten, dat ik iemand vragen kon met mij

naar mijn kamer te gaan en zeker te zijn, dat ik daarmede niemand

overlast aandeed, tenzij aan mij zelven. Heerlijke gedachte, om mij

zelven in en uit te kunnen laten, te komen en te gaan zonder iemand

iets te vragen, juffrouw Crupp te schellen, wanneer ik haar noodig had,

en haar uit de ingewanden der aarde te doen oprijzen—indien zij, dat

spreekt van zelf, genegen was om te komen. Dit alles, ik herhaal het,

was heerlijk, maar ik moet er bijvoegen, dat er ook wel tijden waren,

waarin ik het alles behalve aangenaam vond.

Des morgens, vooral bij mooi weder, was het heerlijk. Als de zon

scheen, genoot ik van het vrije leven en hoe hooger zij steeg, hoe

vrijer en opgewekter ik mij gevoelde, maar tegen het vallen van den

avond begon dat gevoel te kwijnen. Hoe het kwam weet ik niet, maar

bij lamplicht vond ik mijn leven niet zoo heerlijk. Ik miste iemand

om mede te praten. Ik miste Agnes vooral. Een akelig ledig was in de

plaats getreden van die lieve bewaarster mijner geheimen. De afstand

tusschen mij en juffrouw Crupp scheen dagelijks grooter te worden.

Ik dacht aan mijn voorganger, die gestorven was tengevolge van veel

drinken en rooken, en de wensch kwam in mij op, dat hij ware blijven

leven, dan zou hij daar waarschijnlijk op mijne plaats gezeten hebben.

Toen ik er twee dagen en twee nachten had doorgebracht, scheen het mij

toe of ik er reeds een jaar was en toch voelde ik mij geen uur ouder en

werd meer dan ooit geplaagd door mijn eigen jeugdigheid.

Aangezien Steerforth nog niet verscheen, begon ik te vreezen, dat hij

ziek was; ik verliet daarom het kantoor den derden dag wat vroeger

dan gewoonlijk en wandelde naar Highgate. Mevrouw Steerforth was zeer

blijde mij te zien en vertelde mij, dat haar zoon met een vriend

uit Oxford naar een anderen vriend te St. Alban's was gegaan en den

volgenden dag werd terugverwacht. Ik hield zooveel van Steerforth, dat

ik jaloersch was op die beide vrienden. Mevrouw Steerforth noodigde

mij uit om te blijven eten, hetgeen ik deed; maar ik geloof, dat wij

den geheelen avond over niets spraken dan over hem. Ik vertelde haar,

hoe de menschen in Yarmouth met hem dweepten en welk een aangenaam

reisgenoot hij voor mij geweest was. Juffrouw Dartle deed allerlei

geheimzinnige vragen, maar stelde toch ook veel belang in al ons doen

en laten. Zij zeide zoo dikwijls: „Was het waarlijk zoo?” dat zij alles

uit mij perste wat zij verlangde te weten. Zij zag er nog juist zoo uit

als ik haar beschreven heb, maar het gezelschap van de twee dames deed

mij zoo goed en viel zoo in mijn smaak, dat ik werkelijk een weinig

verliefd op haar begon te worden. Ik kon niet nalaten dien avond en ook

op mijne wandeling naar huis verscheidene malen te denken, welk een

aangenaam gezelschap zij zijn zou in Buckinghamstreet.

Den volgenden morgen zat ik te ontbijten—het was verbazend hoeveel

koffie juffrouw Crupp gebruikt en hoe slap die toch was—toen

Steerforth tot mijne onbeschrijfelijke vreugde binnentrad.

„Beste Steerforth!” riep ik uit, „ik begon te denken dat ik u nimmer

terug zou zien!”

„Ik ben den morgen, nadat ik thuiskwam, met geweld weggehaald!”

antwoordde hij. „Wel, Groentje, wat leidt gij hier een prachtig

oude-jongeheerenleven!”

Ik liet hem, niet zonder eenigen trots, mijne appartementen—de

provisiekamer incluis—zien en hij prees alles zeer. „Luister eens,

Groentje,” voegde hij er bij, „ik zal mij hier inkwartieren, tenzij gij

mij wegjaagt.”

Dat was een heerlijk bericht. Ik zei dan ook, dat, als hij daarop wilde

wachten, hij nog langen tijd zou kunnen blijven. „Maar wilt gij niet

ontbijten?” vroeg ik met de hand aan het schelkoord. „Juffrouw Crupp

zal versche koffie voor u zetten en ik wat spek bakken op mijn kachel.”

„Neen, dank u!” zei Steerforth. „Schel maar niet! Ik kan niet! Ik moet

ontbijten bij een van mijne vrienden, die in het Piazza-hôtel logeert

in Covent Garden.”

„Maar dan komt gij toch bij mij eten?” vroeg ik.

„Ik kan niet, ik kan waarlijk niet! Niets zou ik liever doen, maar ik

moet bij mijn beide vrienden blijven. Wij scheiden morgen reeds.”

„Breng hen dan mede, dan eten wij met ons vieren,” hernam ik. „Zouden

zij willen komen?”

„O, zij zullen gaarne willen komen,” antwoordde Steerforth, „maar wij

zullen u overlast aandoen. Gij zoudt beter doen met ons ergens te komen

eten.”

Onder geen voorwendsel wilde ik dat aannemen, te meer niet, omdat het

mij voorkwam, dat ik mijne kamers toch ook eens moest inwijden en zich

daarvoor geen betere gelegenheid zou opdoen dan deze. Ik was trotscher

dan ooit op mijne kamers, nu Steerforth ze had geprezen, en brandde van

verlangen om te toonen wat ze al zoo konden opleveren. Toen Steerforth

weg was schelde ik juffrouw Crupp en maakte haar met mijn wanhopend

voornemen bekend. Juffrouw Crupp begon te zeggen, dat ik natuurlijk

niet van haar verwachten kon, dat zij aan tafel zou bedienen; zij kende

echter een handig jongmensch, die het waarschijnlijk wel voor vijf

shillings zou willen doen. Of ik dat goed vond? Het spreekt van zelf,

dat ik daartegen niets kon inbrengen. Vervolgens zei juffrouw Crupp,

dat zij natuurlijk niet op twee plaatsen te gelijk zijn kon—daar

was evenmin iets tegen te zeggen—en dat dus een klein meisje met

een kaars in de provisiekamer onmisbaar was, ten einde onafgebroken

borden te wasschen. Ik vroeg wat zulk een meisje daarvoor hebben moest

en juffrouw Crupp antwoordde dat ik, naar zij meende, van achttien

stuivers niet armer zou worden. Ik zei, dat ik het ook niet dacht en

alzoo was ook dit vastgesteld. „En nu,” vervolgde juffrouw Crupp, „wat

moet er zijn?” De smid, die juffrouw Crupp's kachelplaat gemaakt had,

moet wel een voorbeeld geweest zijn van iemand met weinig overleg,

want er konden niets dan ossenlappen en gestoofde aardappelen op

gereed worden gemaakt. En wat de vischketel betrof..... „wil mijnheer

de ruimte eens komen bekijken?” vroeg juffrouw Crupp. Nu, oprechter

kon het goede mensch niet spreken! Alsof ik daardoor iets wijzer zou

zijn geworden! Ik bedankte daarom voor het vriendelijk aanbod en zei:

„Welnu dan, geen visch!” Maar juffrouw Crupp hernam: „Zeg dat nu niet,

het is de tijd van de oesters, waarom geen oesters?”—Dus.... oesters!

Daarna ging juffrouw Crupp voort: „Indien ik u een raad schuldig ben,

is het deze: Een paar gebraden hoentjes.... van den kok; een schotel

gestoofd rundvleesch met groente.... van den kok; twee kleinigheden om

te flankeeren, b. v. pasteitjes of nierenbroodjes.... van den kok een

taart en—indien ik daarvan hield—wat rhum- of andere gelei.... van

den kok. Op deze wijze,” ging juffrouw Crupp voort, „stelt gij mij in

de gelegenheid, om al mijne aandacht aan de aardappelen te wijden en de

kaas en de selderij zoo voor te dienen, als ik wenschte dat het altijd

gedaan werd.”

Ik volgde juffrouw Crupp's raad op en deed in hoogst eigen persoon de

bestellingen bij den kok. Later op den dag langs een vleeschwinkel

komende, zag ik daar een gespikkelde zelfstandigheid voor het raam

liggen, die op marmer geleek en van een etiquette voorzien was, waarop

te lezen stond: „Schildpadsoep.” Ik ging den winkel binnen en kocht

er een stuk van, dat, naar ik later vernam, voor vijftien personen

genoeg zou zijn geweest. Na veel tegenstribbelen nam juffrouw Crupp op

zich, dit preparaat op te warmen, maar eenmaal in vloeibaren toestand

gebracht, scheen het zoo weg te slinken, dat Steerforth het een

„mondterging” vond voor vier personen.

Nadat alles zoo ver in orde was gebracht, kocht ik in Covent Garden

een klein dessert en deed bij een wijnkooper in die buurt eene vrij

aanzienlijke bestelling. Toen ik in den namiddag thuis kwam en de

flesschen in een vierkant op de provisiekamer zag staan, schrikte ik

van het groote aantal—niettegenstaande er twee te weinig waren, tot

groote ontsteltenis van juffrouw Crupp.

De vrienden van Steerforth heetten Grainger en Markham. Beiden

waren vroolijke, levenslustige knapen; Grainger was iets ouder dan

Steerforth; Markham zag er jonger uit—ik schatte hem twintig jaar.

Ik merkte op, dat laatstgenoemde altijd van zich zelven sprak als van

„iemand” en nooit de eerste persoon enkelvoud gebruikte.

„Iemand voelt zich hier zeer op zijn gemak, mijnheer Copperfield,” zei

hij, van zich zelven sprekende.

„De stand is niet slecht,” antwoordde ik, „en de kamers zijn inderdaad

heel gezellig.”

„Ik hoop, dat gij beiden een goeden eetlust hebt meegebracht,” zei

Steerforth.

„Waarlijk,” antwoordde Markham, „het stadsleven schijnt den eetlust op

te wekken. Men heeft den geheelen dag honger, men eet onophoudelijk.”

In het eerst was ik een weinig verlegen en voelde ik mij veel te jong

om aan het hoofd van de tafel plaats te nemen, waarom ik Steerforth

verzocht op de eereplaats te gaan zitten en zelf tegenover hem plaats

nam. Alles was goed, uitmuntend zelfs; wij dronken een stevig glas wijn

en Steerforth deed zoo zijn best om den gang er in te houden, dat de

feestelijke stemming geen oogenblik verbroken werd. Ik zelf was niet

zoo spraakzaam gedurende den maaltijd, als ik wel gewenscht had te

zijn; want mijne plaats was vlak tegenover de deur en telkens wanneer

het „handige jonge mensch” de kamer uitging, zag ik een oogenblik later

zijn schaduw op den muur afgeteekend, met een flesch voor den mond. Ook

het meisje verschafte mij eenige onrust, niet omdat zij verzuimde de

borden te wasschen, maar door ze te breken. Zij was nieuwsgierig van

aard en wilde zij die ondeugd botvieren, dan kon zij niet, zooals haar

stellig bevolen was, in het provisiekamertje blijven; zij kwam daarom

telkens om een hoekje kijken en als zij dan bemerkte dat zij betrapt

werd, richtte zij in haar angst eene groote verwoesting aan onder de

borden, die zij op den grond had geplaatst. Dit waren echter kleine

onaangenaamheden, die, zoodra het tafellaken weggenomen en het dessert

gereed gezet was, vergeten waren; op hetzelfde tijdstip ontdekte ik,

dat het „handige jongmensch” stomdronken was. Ik gaf hem heimelijk het

bevel, om juffrouw Crupp verder met zijn gezelschap te vereeren en het

kleine meisje mede naar de kelderverdieping te nemen, waarna ik mij

ongestoord aan de vreugde kon wijden.

Ik begon bijzonder vroolijk en opgeruimd te worden; allerlei

half-vergeten voorvallen kwamen mij in de gedachten, zoodat ik

buitengewoon spraakzaam werd; ik lachte hartelijk om mijne eigen

grappen en om die van de anderen; riep Steerforth tot de orde,

omdat hij niet vlug genoeg inschonk als de glazen ledig waren; nam

uitnoodigingen aan om in Oxford te komen; gaf als mijn voornemen te

kennen elke week zulk een diner op mijne kamer te zullen geven, zonder

dat daartoe uitnoodigingen voor behoefden te worden rondgezonden;

en nam eindelijk zooveel snuif uit een doos van Grainger, dat ik

genoodzaakt was naar de provisiekamer te gaan, waar ik ongeveer

tien minuten, niezende doorbracht. Al sneller en sneller liet ik de

flesschen rondgaan en telkens sprong ik op met den kurketrekker in de

hand om nieuwe open te trekken, lang voordat het noodig was.

Ik stelde een dronk in op Steerforth's gezondheid, zeide dat hij mijn

beste vriend was, de beschermer van mijne jeugd, de metgezel in mijne

eerste jongelingsjaren. Ik zeide blijde te zijn op zijne gezondheid

te mogen drinken. Ik zeide dat ik meer verplichting aan hem had dan

ik hem ooit vergelden kon en hem meer achting toedroeg dan ik in

woorden kon uitdrukken. En eindelijk: „Ad fundum, op Steerforth!

Lang zal hij leven! Hoezee!” En wij dronken driemalen ad fundum

en eindelijk nog een vol glas ad fundum. Ik brak mijn glas toen ik

opstond om hem de hand te schudden en zei in twee woorden: „Steerforth,

gij-zijt-de-poolstar-op-mijn-levensweg.”

Ik merkte eensklaps op, dat er iemand aan het zingen was; het was

Markham, die ten beste gaf: „Als de zorgen soms u kwellen,” en zoo

voort. Hij beloofde ons daarna een toost te zullen instellen: Op „de

meisjes!” Ik verzette mij daartegen en wilde het niet toestaan. Ik

zeide dat het niet fatsoenlijk was zulk een toost in te stellen, dat

ik op mijn eigen kamer niet zou toestaan anders dan op de „dames”

te drinken. Ik kreeg hooge woorden met hem, voornamelijk omdat ik

Steerforth en Grainger zag lachen om mij—of om hem—of om ons beiden.

Hij zei dat men iemand niet zoo de wet moest stellen. Ik zeide dat

het wel degelijk moest. Hij zeide dat men iemand niet behoefde te

beleedigen. Ik zeide dat hij daarin gelijk had—dat onder mijn dak,

waar de wetten der gastvrijheid werden geëerbiedigd, nooit iemand

beleedigd mocht worden. Hij zeide dat het niet met iemand's waardigheid

streed te zeggen, dat ik een duivelsche beste jongen was. Ik stelde

onmiddellijk een dronk op hem in.

Iemand stak een sigaar op en wij volgden zijn voorbeeld. Ik rookte en

deed mijn best om eene opkomende neiging tot huiveren te bedwingen.

Steerforth had een toost op mij ingesteld, die mij bijna tot tranen

toe bewogen had. Ik bedankte hem en sprak de hoop uit, dat de heeren

den volgenden dag en den daarop volgenden dag bij mij zouden komen

dineeren—telkens te 5 uur, zoodat wij een langen avond voor ons

hadden om van elkanders gezelschap te genieten. Ik had behoefte op nog

iemand's gezondheid te drinken en stelde een toost in op mijne tante,

op Betsey Trotwood, de beste van haar geslacht!

Er lag iemand uit het raam van mijn slaapkamer, ten einde zijn

voorhoofd tegen de kouden steenen te drukken en den avondwind in zijn

gezicht te laten spelen. Die iemand was ik zelf. Ik zei tegen mij zelf:

„Copperfield, waarom hebt gij gerookt? Gij wist dat gij het niet kunt

verdragen.” Toen bekeek iemand zich met onzekere oogen in den spiegel.

Die iemand was ik weer. Wat was ik bleek! Er lag een wezenlooze

uitdrukking in mijne oogen, en mijn haar .... alleen mijn haar, niets

anders—zag er uit of het dronken was.

Iemand zei: „laat ons naar de comedie gaan, Copperfield!” Nu was ik

niet meer in de slaapkamer, maar zat aan de rinkelende, met glazen

bedekte tafel; de lamp en Grainger aan mijne rechter, Markham aan mijne

linkerzij, en Steerforth tegenover mij—allen in de mist en heel ver

weg. De comedie? Zeker! Uitstekend! Ga mede! Maar gij moet mij niet

kwalijk nemen als ik het laatst naar beneden ga en de lamp uitblaas—er

moest eens brand komen.

Vermoedelijk was het aan de duisternis toe te schrijven, maar ik

kon de deur niet vinden, ik tastte in het rond en zocht in de

venstergordijnen, toen Steerforth mij lachend bij een arm nam en buiten

bracht. Wij daalden de trap af vlak achter elkander. Toen wij bijna

beneden waren viel er iemand; iemand anders zei dat het Copperfield

was. Deze valsche aantijging maakte mij boos, maar toen ik mij zelven

op den rug in de gang vond liggen, begreep ik toch, dat er wel eenigen

grond voor zijn kon.

Een mistige avond met groote kringen om de lantarens op de straat. Ik

hoorde iemand van ons duidelijk zeggen, dat het vochtig was, maar ik

meende, dat het vriezend weer was. Steerforth nam mij mede onder een

lantaren, sloeg mijn kleeren af en zette mijn hoed recht—zonderling!

Ik weet nog niet waar die hoed vandaan was gekomen, want ik had dien

eerst niet opgehad.

Een man, in een hokje zittend met een opening als in een duiventil,

keek in de mist en nam van iemand geld aan, vragende of ik die heer

was, voor wien betaald werd; hij scheen te aarzelen—als ik het mij

tenminste goed herinner, want ik zag bijna niets meer van hem, dan het

puntje van zijn neus—of hij wel geld voor mij zou aannemen. Korten

tijd daarna zaten wij heel hoog in een gloeiende zaal en keken naar

beneden in het parterre; het scheen mij toe dat het daar rookte,

zoo onduidelijk zag ik de menschen, die daar zaten. Er was ook een

groot tooneel, dat er, in vergelijking met de straat, heel helder en

zindelijk uitzag; er liepen menschen op heen en weer, die met elkander

praatten over allerlei dingen, maar volkomen onverstaanbaar. Er was

eene schitterende verlichting en er was muziek en in de loges zaten

dames en ik weet niet wat er al meer was. Het geheel maakte op mij den

indruk, alsof het gebouw, met alles wat er in was, leerde zwemmen, zoo

wonderlijk dwarrelde alles dooreen, wanneer ik trachtte het te doen

stilstaan.

Op iemand's voorstel besloten wij naar beneden te gaan, naar de loges,

waar de dames zaten. Ik zag in het voorbijgaan een heer languit op

een sofa liggen met een tooneelkijker voor de oogen, en ik zag ook

mij zelven, ten voeten uit in een spiegel. Daarna werd ik een van de

loges binnengeduwd en scheen iets gezegd te hebben, terwijl ik was gaan

zitten, want de menschen om mij heen riepen: „Stilte!” en de dames

wierpen mij verontwaardigde blikken toe en.... wat zag ik daar? Ja!

Agnes zat vlak voor mij in dezelfde loge tusschen een heer en eene

dame, die ik niet kende. Ik zie haar gezicht nu voor mij, beter dan ik

het op dat oogenblik zag; zij keek mij verbaasd en verwijtend aan.

„Agnes!” zei ik met een dikke tong. „Goede Hemel! Agnes!”

„Stil! smeek ik u!” antwoordde zij, maar ik begreep volstrekt niet

waarom. „Gij hindert de menschen! Kijk liever naar het tooneel!”

Ik volgde haar bevel op en trachtte mijn oogen op het tooneel gevestigd

te houden en iets te verstaan van hetgeen er gesproken werd, maar te

vergeefs. Een oogenblik later keek ik weder naar haar en zag ik haar

wegkruipen in een hoekje en haar hand naar het voorhoofd brengen.

„Agnes!” zei ik. „Ik vrees dat gij niet wel zijt.”

„O, jawel. Maak u over mij niet ongerust, Trotwood,” antwoordde zij.

„Luister eens! Gaat gij spoedig heen?”

„Of ik spoedig weer heenga?” herhaalde ik.

„Ja.”

Een oogenblik kwam de dwaze gedachte in mij op om haar te antwoorden,

dat ik wachten zou om haar naar beneden te geleiden. Ik onderstel,

dat ik ook wel zoo iets gezegd zal hebben, want zij keek mij eenige

oogenblikken doordringend aan en scheen mij te begrijpen. Zachtjes

sprak zij:

„Ik weet wel dat gij doen wilt wat ik u verzoek, als ik u zeg dat ik

het ernstig meen. Ga nu heen, Trotwood, om mij genoegen te doen; vraag

aan uwe vrienden of zij u naar huis willen brengen.”

Zij had mij voor een oogenblik tot het besef van mijn toestand

gebracht en hoewel ik natuurlijk boos op haar was, schaamde ik mij

toch ook en met een kort: ‚Goenach!’—hetgeen voor goeden nacht! moest

doorgaan—stond ik op en ging heen. De vrienden volgden mij en ik

stapte in eens uit de loge in mijn slaapkamer, waar Steerforth alleen

bij mij was en mij hielp bij het ontkleeden en waar ik hem met horten

en stooten vertelde, dat Agnes mijne zuster was, en hem bezwoer den

kurketrekker op te zoeken om een flesch open te trekken.

Ik zal maar niet beschrijven, hoe daar iemand in mijn bed lag,

die al het voorgevallene, kris en kras door elkander, als in een

koortsachtigen droom herhaalde en doorleefde, terwijl het bed op de

baren van de zee scheen te drijven en geen oogenblik stil stond! Hoe

ik, toen die iemand langzaam in mij begon over te gaan, een keel zoo

droog en een tong zoo hard had als perkament, ja, meende, dat mijne

tong de bodem was van een ledigen ketel, door langdurig gebruik

versleten, die boven een zacht vuur hing, en de binnenvlakten van

mijne handen gloeiende ijzeren platen, die zelfs met geen ijs waren te

verkoelen.....

O, die angst, die wroeging en schaamte, toen ik den volgenden morgen

weder tot bewustzijn was gekomen! O, dat afgrijzen van mij zelven,

die angst, dat ik minstens duizend misdrijven had gepleegd, die ik

allen vergeten had en waarvoor ik nimmer boete zou kunnen doen—de

herinnering aan dien onvergetelijken blik, waarmede Agnes mij had

aangekeken—de marteling omdat ik haar onmogelijk iets van mij kon

laten weten, want in mijne afschuwelijke dronkenschap had ik niet

gevraagd, hoe zij te Londen kwam en waar zij logeerde—de walging, die

ik ondervond bij den aanblik van de kamer, waar het drinkgelag was

gehouden—het bonzen in mijn hoofd—de stank van de sigarenrook, al die

glazen en eindelijk de onmogelijkheid om uit te gaan, ja, zelfs om op

te staan! O, welk een vreeselijken dag bracht ik door!

O, welk een avond, toen ik bij den haard zittende, met een kop bouillon

van lamsvleesch, waarop tallooze oogjes vet dreven, in de hand, meende

den weg op te zullen gaan van mijn voorganger. Een oogenblik kwam het

plan in mij op om naar Dover te snellen en alles te bekennen! Welk een

avond, toen juffrouw Crupp binnenkwam om den bouillonkop weg te halen

en mij, als eenig overblijfsel van het feest, een klein nierenbroodje

te brengen en ik werkelijk eene opwelling kreeg om mij aan hare

nankingsche borst te werpen en vol berouw uit te roepen: „O, juffrouw

Crupp, juffrouw Crupp, laat die klieken maar blijven! Ik voel mij zoo

ellendig!”—De eenige reden, die mij weerhield, was de twijfel of

juffrouw Crupp wel de persoon was om zooveel vertrouwen in te stellen!

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 37 / 79 题