Ik kies een beroep.
Toen ik den volgenden morgen wakker werd, moest ik terstond aan
de kleine Emily denken en aan hare ontroering, nadat Martha was
heengegaan. Ik had een gevoel alsof ik toevallig getuige geweest was
van een tooneeltje, dat alleen voor de naaste familieleden bestemd was
geweest; alsof ik in een heilig vertrouwen genomen was, dat ik zelfs
tegenover Steerforth niet mocht schenden. Er was toen niemand op de
wereld aan wie ik met meer teederheid dacht dan aan het lieve, mooie
schepseltje, aan het speelmakkertje uit de dagen mijner jeugd, dat ik,
daarvan ben ik overtuigd en zal ik altijd overtuigd blijven, toenmaals
innig liefhad. Voor iemand—zelfs voor Steerforth—te herhalen,
hetgeen zij niet had kunnen binnenhouden, toen zij toevallig in mijne
tegenwoordigheid haar hart uitstortte, zou onedel zijn geweest, mijner
onwaardig; zou den lichtkrans, die sinds de dagen onzer jeugd steeds
haar hoofd had omstraald, verduisterd hebben. Ik besloot daarom alles
wat ik had bijgewoond in mijn hart op te sluiten en dáár schonk het
haar beeld nieuwe bekoorlijkheid.
Terwijl wij aan het ontbijt zaten, ontving ik een brief van mijne
tante. Ik meende dat Steerforth mij omtrent den inhoud goeden raad zou
kunnen geven, beter zelfs dan iemand anders; en aangezien ik er mij op
verheugde zijn raad in te winnen, scheen het mij het geschiktst toe
den brief te bewaren tot ons vertrek en dien gedurende onze terugreis
tot het onderwerp van ons gesprek te maken. Voor het oogenblik hadden
wij genoeg te doen met afscheid te nemen van onze vrienden. Barkis
betreurde ons vertrek zeker niet het minst en zou, daarvan ben ik
overtuigd, gaarne nogmaals een guinje uit zijn kist te voorschijn
gehaald hebben, indien hij ons daarmede nog twee dagen in Yarmouth had
kunnen houden. Peggotty en de geheele familie, allen betreurden het
dat wij heengingen. Bij Omer en Joram liep alles uit om ons vaarwel te
zeggen en toen onze valiezen naar de diligence gebracht moesten worden,
boden zich zooveel handen aan, dat, al hadden wij de bagage van een
regiment gehad, er geen gebrek aan dragers zou geweest zijn. In één
woord, wij vertrokken betreurd en bewonderd door allen, met wie wij in
aanraking geweest waren en lieten een aantal menschen achter, die ons
niet dan noode zagen vertrekken.
„Denkt gij nog lang hier te blijven, Littimer?” vroeg ik hem. Hij stond
te kijken naar het inladen.
„Neen, mijnheer,” antwoordde hij, „waarschijnlijk niet heel lang,
mijnheer.”
„Hij kan dat moeielijk juist bepalen,” zei Steerforth op onverschilligen
toon. „Hij weet wat hij te doen heeft en dat zal hij doen.”
„O, daarvan ben ik overtuigd,” voegde ik er bij. Littimer raakte even
aan zijn hoed als bewijs van erkentelijkheid voor de goede opinie, die
ik van hem had, en ik had een gevoel alsof ik ongeveer acht jaar oud
was. Hij raakte er nogmaals aan om ons goede reis te wenschen en wij
lieten hem op het plaveisel staan, even deftig en geheimzinnig als de
geheimzinnigste pyramide in Egypte.
Gedurende korten tijd bleven wij zwijgen; Steerforth was gewoonlijk
niet zeer spraakzaam en ik had genoeg te doen met te denken aan mij
zelven en aan de oude plekjes, die wij voorbij zouden rijden, en aan de
veranderingen, die zij en ik zouden hebben ondergaan. Eindelijk werd
Steerforth plotseling spraakzaam en opgeruimd—hij kon alles plotseling
worden—en trok mij aan de mouw van mijne jas.
„Spreek op, David,” zei hij. „Wat hebt gij mij uit den brief te
vertellen, dien gij aan het ontbijt ontvangen hebt?”
„O!” zei ik, den brief te voorschijn halende. „Hij is van mijne tante.”
„En waarover wenscht gij mij te raadplegen?”
„Wel, Steerforth,” zei ik, „zij herinnert er mij aan, dat ik op reis
ging om eens wat in de wereld rond te kijken en eens na te denken over
mijne toekomst.”
„En dat hebt gij natuurlijk gedaan?”
„Ik kan werkelijk niet zeggen dat ik het gedaan heb. Om u de waarheid
te zeggen, ik geloof, dat ik het vergeten heb.”
„Welnu, kijk dan rond en doe boete voor uwe achteloosheid,” zei
Steerforth. „Kijk rechts en gij ziet een vlak land, tamelijk moerassig;
kijk links en gij ziet hetzelfde. Kijk recht vooruit en gij vindt geen
verschil; kijk achter u en gij zult hetzelfde ontwaren.”
Ik lachte en zei dat ik in hetgeen ik in het rond aanschouwde geen
passende betrekking zag; waarschijnlijk was de vlakheid van het
omringende landschap daarvan wel de oorzaak.
„En wat zegt uwe tante dienaangaande?” vroeg Steerforth, op den brief
wijzende, dien ik in de hand had. „Raadt zij u iets aan?”
„O ja,” antwoordde ik. „Zij vraagt mij hoe ik er over zou denken
‚proctor’ te worden? Wat is uw oordeel daaromtrent?”
„Ja, dat weet ik niet,” zei Steerforth langzaam. „Mij dunkt, gij kunt
dat even goed worden als wat anders.”
Ik kon niet nalaten te lachen omdat hij weder bezig was alle ambten en
betrekkingen over één kam te scheren en ik zei hem dat ook.
„Wat is eigenlijk een proctor?” vroeg ik.
„Een proctor is een soort procureur,” antwoordde Steerforth. „Zij
bestaan nog bij enkele ouderwetsche rechtbanken in Doctors' Commons—in
een oud, vergeten hoekje van het St. Paulskerkhof—en komen het meest
overeen met de procureurs bij de gerechtshoven. Het zijn ambtenaren,
die, volgens den gewonen loop der dingen, al voor twee eeuwen hadden
moeten zijn uitgestorven. Ik kan u zijne functiën het best doen
begrijpen, als ik u vertel, wat Doctors' Commons is. Dat is een
afgelegen gebouw, waar men de kerkelijke wetten napluist en allerlei
kunstgrepen verricht met verouderde parlementsakten, waarvan drie
vierden van het menschdom niets meer weet en het andere vierde in de
meening verkeert, dat ze in de dagen van de Edwards zijn opgegraven.
Men heeft daar het monopolie van de processen over testamenten en
huwelijken en van de geschillen tusschen schepen en booten.”
„Maar, Steerforth, welk een dwaasheid!” riep ik uit. „Gij bedoelt toch
niet, dat er eenige verwantschap zou bestaan tusschen zeezaken en
kerkelijke zaken?”
„Dat bedoel ik ook niet, beste jongen,” hernam hij; „ik zei alleen,
dat ze behandeld en nagepluisd worden door datzelfde troepje menschen
in diezelfde Doctors' Commons. Ga daar eens heen, dan zult gij hen
bezig vinden te snuffelen in de zeetermen van Young's woordenboek
naar aanleiding van eene aanvaring tusschen de ‚Nancy’ en de ‚Sarah
Jane’; of hen hooren voorlezen, dat baas Peggotty en eenige visschers
van Yarmouth in een storm zijn uitgevaren om hulp te bieden aan den
in nood verkeerenden Oostindievaarder ‚Nelson’. Komt gij er op een
anderen dag, dan zult gij hen de getuigen à charge en à décharge in
zake een geestelijke, die uit den band is gesprongen, zien verhooren
en bevinden, dat de rechter in het maritieme proces advocaat is in
het kerkelijke of omgekeerd. Zij doen mij altijd aan acteurs denken:
vandaag is de een rechter, morgen niet; nu eens zijn zij dit, dan dat,
morgen weder wat anders; maar het zijn altijd kleine, voordeelige
zaakjes, die op de wijze van een liefhebberij-comedie voor een
uitgelezen publiek worden afgespeeld.”
„Maar advocaten en proctors zijn toch niet een en hetzelfde?” vroeg ik
een weinig van mijn stuk gebracht. „Is 't wel?”
„Neen,” antwoordde Steerforth, „advocaten zijn rechtsgeleerden, mannen,
die een doctorstitel behaald hebben aan de academie—dat is ook de
reden, waarom ik er iets van weet. De proctors hebben de advocaten
noodig. Beiden ontvangen een vrij aardig honorarium en gewoonlijk
is hunne verhouding zeer vriendschappelijk; over het geheel zou
ik u aanraden eens goed over Doctors' Commons na te denken, David. Zij
vinden zich zelven daar nog al deftig, indien u dat eenigszins kan
gerust stellen.”
Ik hield rekening met de luchthartige wijze, waarop Steerforth de
geheele zaak behandelde, en dacht met zekeren eerbied aan de deftigheid
en oudheid van dat „oude vergeten hoekje van het St. Paulskerkhof”,
zoodat ik mij volstrekt niet ongenegen betoonde om tante's raad op te
volgen; zij liet mij geheel vrij in mijne keuze, maar vond er geen
bezwaar in mij te zeggen, dat zij op het denkbeeld gekomen was, toen
zij eenigen tijd geleden haar eigen proctor in Doctors' Commons had
opgezocht om haar testament te mijnen gunste te veranderen.
„Dat is in elk geval eene zeer prijzenswaardige handelwijze van uwe
tante,” zei Steerforth toen ik er over sprak; „een handelwijze, die
aanmoediging verdient. Mijn raad is, Groentje, dat gij eens goed over
Doctors' Commons nadenkt.” Ik nam mij voor dit ook te doen en vertelde
toen aan Steerforth dat mijne tante, zooals zij mij geschreven had, mij
te Londen wachtte en voor eene week kamers genomen had in een soort
commensalenhuis in Lincoln's Inn Fields. Er was een steenen trap en
een luik waardoor men gemakkelijk op het dak kon komen, want tante
verbeeldde zich, dat elk huis in Londen des nachts gevaar liep om af
te branden.
Wij legden het verdere gedeelte van onze reis op de aangenaamste wijze
af en spraken nu en dan over Doctors' Commons en over de toekomst,
wanneer ik proctor zijn zou; Steerforth gaf daar allerlei aardigheden
over ten beste, zoodat wij in eene vroolijke stemming te Londen
aankwamen. Hij ging naar huis met de belofte mij den volgenden dag te
komen opzoeken, terwijl ik mij naar Lincoln's Inn Fields begaf en mijne
tante wachtende vond met het avondeten. Had ik een reis om de wereld
gemaakt, dan zouden wij niet blijder kunnen geweest zijn, dat wij
elkander weder gezond en wel aantroffen. Tante schreide dikke tranen
toen wij elkander omhelsden en zei, zich houdende alsof zij lachte:
„als uwe moeder geleefd had, zou dat zwakke schepseltje zeker tranen
gestort hebben!”
„En hebt gij mijnheer Dick zoo alleen gelaten, tante?” vroeg ik. „Dat
spijt mij. Ha, Janet, hoe maakt gij het?”
Toen Janet eene neiging maakte en vroeg hoe het met mijne gezondheid
was, zag ik tante's gezicht langer worden. „Het spijt mij ook,” sprak
zij, haar neus wrijvend. „Ik heb sinds ik hier ben eigenlijk nog geen
gerust uur gehad.”
Nog eer ik antwoorden kon vertelde tante mij de reden daarvan.
„Ik ben overtuigd,” sprak zij, hare hand met een zekere zwaarmoedige
vastberadenheid op de tafel leggende, „dat Dick's karakter niet
standvastig genoeg is om de ezels van het bleekveld te houden. Ik weet
zeker dat hij dit niet flink genoeg doen zal; ik had Janet thuis moeten
laten, dan zou ik geruster zijn geweest. En als het waar is dat er in
mijne afwezigheid ezels op het gras hebben geloopen,” ging zij met
nadruk voort, „dan moet er van avond om vijf uur een geweest zijn. Er
voer mij een koude rilling door het lichaam—ik weet zeker dat er toen
een ezel was.”
Ik trachtte haar op dit punt te troosten, maar zij wilde van geen
troost weten.
„Er was een ezel,” hield zij vol, „en wel die met den korten staart,
waarop de zuster van dien moordenaar reed, toen zij ons een bezoek
brachten.” Dit was de eenige naam waaronder mijne tante juffrouw
Murdstone kende. „Als er één ezel te Dover is, dien ik niet kan
uitstaan, dan is het dat beest!”
Janet waagde het te doen opmerken dat mijne tante zich vermoedelijk
noodeloos ongerust maakte, want dat de ezel, dien zij bedoelde, in den
laatsten tijd gebezigd werd om zand en kiezel te rijden en zich dus
moeilijk aan overtredingen kon schuldig maken. Tante wilde er echter
niets van hooren.
Het souper werd gereed gezet en was lekker en goed warm, ofschoon de
kamers van mijne tante vrij hoog in de lucht waren—ik weet niet of
zij voor haar geld over meer steenen trappen wilde beschikken dan wel
of zij dichter bij het bewuste luik wilde zijn—. Het bestond uit een
gebraden hoentje, biefstuk en groenten en ik deed er alle eer aan, want
het was uitmuntend. Tante had zoo haar eigenaardige denkbeelden over de
levensmiddelen in Londen en at weinig.
„Ik wed dat dit ongelukkige hoentje in een kelder is grootgebracht,”
zei tante, „en nooit de lucht heeft geroken dan op eene binnenplaats.
Ik _hoop_ dat die biefstuk van een rund is, maar ik betwijfel het.
Niets is hier onvervalscht dan het slijk.”
„Zou die kip dan niet van buiten kunnen gekomen zijn?” opperde ik.
„Zeer zeker niet,” antwoordde tante. „Geen winkelier in Londen zou er
plezier in hebben iets te verkoopen, dat werkelijk was hetgeen waarvoor
hij het uitgaf.”
Ik waagde het niet haar tegen te spreken, maar soupeerde heel
smakelijk, hetgeen zij mij blijkbaar met genoegen zag doen. Toen de
tafel afgenomen was hielp Janet haar met haar kapsel en haar nachtmuts,
die iets sierlijker was dan gewoonlijk—„er moest eens brand komen”,
zei tante—en legde haar een omslagdoek over de beenen, zooals zij
elken avond deed, opdat tante warm naar bed zou gaan. Daarna maakte ik
volgens vaste regelen, waarvan niet de geringste afwijking geduld werd,
een glas warmen wijn met water voor haar gereed en sneed een plakje
geroosterd brood voor haar in lange reepjes. Toen bleven wij alleen en
sleten verder den avond te zamen; mijne tante zat tegenover mij haar
wijn met water te drinken en hare reepjes geroosterd brood er in te
soppen, alvorens ze in den mond te steken; terwijl zij mij onder de
kanten van hare nachtmuts door vriendelijk aankeek.
„Wel, Trot,” begon zij eindelijk, „hoe denkt gij over mijn voorstel om
een proctor van u te maken? Of hebt gij er nog niet over nagedacht?”
„Ik heb er al heel veel over gedacht, lieve tante, en er ook lang en
breed met Steerforth over gepraat. Ik zou heel graag proctor worden,
inderdaad.”
„Komaan”, sprak zij, „dat is een goed begin.”
„Ik heb echter één bezwaar, tante.”
„En dat is, Trot?”
„Wel, tante, naar ik vernam is voor de betrekking van proctor eene
storting benoodigd en ik ben daarom bang, dat ik u daarmede op groote
kosten zou jagen.”
„Duizend pond, Trot, op den kop af.”
„Welnu, lieve tante,” hernam ik, mijn stoel wat dichter bijschuivende,
„dat is eene groote som. Gij hebt het grootste gedeelte van mijne
opvoeding bekostigd en zijt altijd even mild voor mij geweest in alle
dingen, de edelmoedigheid zelve.... waarom ik meen dat er nog een
aantal andere betrekkingen te vinden zijn, waarvoor zulk een som niet
vereischt wordt en waarin ik toch ook met goeden wil en volharding
vooruit kan komen. Zou het niet beter zijn dien weg in te slaan? Zijt
gij er wel zeker van dat gij zooveel geld kunt missen en dat het
verstandig is het op deze wijze te besteden? Ik verzoek u, mijne tweede
moeder, dit wel te willen overwegen. Zijt gij er wel zeker van?”
Tante at eerst het reepje geroosterd brood op, waaraan zij bezig was,
keek mij eenige oogenblikken doordringend aan, zette haar glas op den
schoorsteenmantel, vouwde hare handen over den omslagdoek op hare
knieën en zei:
„Trot, mijn kind, mijn eenige levensdoel is van u een goed, flink
en gelukkig mensch te maken. Dat is mijn grootste wensch—van Dick
insgelijks. Ik wilde wel dat sommige menschen Dick dit onderwerp
eens hadden hooren bespreken. Ik verbaas mij telkens over zijne
scherpzinnigheid. Maar niemand weet over hoeveel verstand die man te
beschikken heeft, behalve ik.”
Zij hield een oogenblik op om mijne hand tusschen de hare te nemen en
ging toen voort:
„Het is niet noodig, Trot, het verleden weer aan te roeren, tenzij het
invloed hebben kan op de toekomst. Het is wel mogelijk dat ik meer
vriendschap had moeten voelen voor uw armen vader. Wellicht had ik
ook meer moeten blijven houden van uw lief, onnoozel moedertje, nadat
uw zuster Betsey Trotwood mij zoo had teleurgesteld. Deze gedachte
kwam tenminste bij mij op toen gij daar als een verwaarloosde, vuile
straatjongen bij mij op het erf kwaamt. Van dat oogenblik af, Trot,
zijt gij altijd mijn trots, mijn eer en mijne vreugde geweest. Niemand
kan eenige aanspraak maken op hetgeen ik bezit”—zij aarzelde een
oogenblik—„neen, niemand kan er eenige aanspraak op doen gelden en
gij zijt mijn aangenomen kind.” Tot mijn groote verbazing had zij deze
woorden op eenigszins verlegen toon uitgesproken. „Heb mij maar lief op
mijn ouden dag en verdraag mijne kuren en grillen maar met geduld, dan
zult gij voor die oude vrouw, wier leven lang zoo gelukkig en vreedzaam
niet voorbijging als wel had kunnen zijn, meer doen dan zij ooit voor u
doen kan.”
Het was de eerste maal dat ik tante het verleden hoorde aanroeren. Er
lag eene zekere grootmoedigheid in de kalmte, waarmede zij dit nu deed
en er ook weder van afstapte, die mijne achting en liefde voor haar
zouden verhoogd hebben, als dat nog mogelijk geweest was.
„Alles is dus tusschen ons begrepen en afgesproken, nietwaar,
Trot?” zei tante, „wij behoeven er dus niet verder over te spreken.
Geef mij een kus en morgen ochtend na het ontbijt gaan wij naar de
Commons.”
Dit gesprek bij den haard had langer geduurd dan ik gedacht had. Wij
gingen laat naar bed en ik sliep in eene kamer op dezelfde verdieping
als tante; mijne nachtrust was echter niet ongestoord, want telkens,
wanneer zij een huurkoets of een marktwagen hoorde, klopte zij aan
mijne deur en vroeg of ik de brandweer niet hoorde rijden? Tegen den
ochtendstond sliep zij geruster en liet het mij ook doen.
Tegen den middag wandelden wij naar het kantoor van Spenlow en Jorkins
in Doctors' Commons. Tante, die in iederen man, dien zij in Londen
tegenkwam, een zakkenroller meende te zien, had mij haar beurs gegeven,
waarin tien guinjes en eenig zilvergeld aanwezig waren.
Bij den speelgoedwinkel in Fleetstreet bleven wij een oogenblik staan,
ten einde de reuzen op de klokken van de St. Dunstanskerk te zien
slaan—wij hadden het uur van vertrek zoo geregeld, dat wij juist om
twaalf uur hen bij dat werk moesten betrappen—en wandelden daarna naar
Ludgate Hill en de St. Paulskerk. Juist hadden wij eerstgenoemde plaats
bereikt, toen ik bemerkte, dat tante haar stap begon te verhaasten
en angstig rondkeek. Op hetzelfde oogenblik zag ik, dat een armoedig
gekleed man met een brutaal gezicht was blijven staan om ons te zien
voorbijgaan en daarna ons achter opkwam en haar een duw gaf.
„Trot, beste Trot!” riep tante, op angstigen toon, terwijl zij mij in
mijn arm kneep, „wat moet ik doen?”
„Maak u niet zoo angstig,” antwoordde ik. „Gij behoeft voor niets
bevreesd te zijn. Ga dezen winkel binnen, dan zal ik wel spoedig van
dien man afkomen.”
„Neen, neen, kind!” zei tante. „Spreek niet met hem.... voor al het
geld der wereld niet! Ik smeek, ik beveel het u!”
„Goede Hemel, tante!” zei ik. „Hij is niets dan een onbeschaafde
bedelaar.”
„Gij weet niet wat hij is!” hernam tante. „Gij weet niet wat hij is!
Gij weet niet wat gij zegt!”
Intusschen waren wij een blinde steeg ingeloopen en blijven staan; de
man stond voor de steeg.
„Kijk niet naar hem,” zei tante, toen ik mij verontwaardigd omkeerde,
„haal liever een rijtuig voor mij en wacht op het St. Paulskerkhof.”
„Op u wachten?” herhaalde ik.
„Ja,” zei tante, „ik wil alleen blijven. Ik ga met hem mede.”
„Met hem, tante? Met dien man?”
„Ik weet zeer goed, wat ik zeg!” antwoordde zij, „en ik zeg u dat ik
_moet_. Ga een rijtuig halen!”
Hoe verbaasd ik ook was, ik begreep dat ik niet het recht had te
weigeren, aan zulk een stellig bevel te gehoorzamen. Ik liep eenige
schreden de straat in en wenkte een huurrijtuig, dat toevallig ledig
voorbijkwam. Nog eer ik de trede had kunnen neerslaan, sprong tante
er in en de man volgde haar. Zij gaf mij met zulk een ernstig gezicht
te kennen dat ik zou heengaan, dat ik, hoe verbaasd ook, het rijtuig
onmiddellijk den rug toekeerde. Ik hoorde haar nog zeggen tegen den
koetsier: „Rijd maar ergens heen! Rijd maar recht door!” en toen reden
zij mij voorbij de hoogte op.
Nu kwam mij hetgeen mijnheer Dick verteld had en wat ik voor inbeelding
gehouden had, weder voor den geest. Ik kon niet meer twijfelen of deze
persoon was dezelfde, van wien hij op zulk eene geheimzinnige wijze
melding gemaakt had, ofschoon ik mij onmogelijk kon voorstellen hoe
hij zulk een macht over mijne tante had kunnen verkrijgen. Na een half
uur op het kerkhof in de gelegenheid te zijn geweest om tot kalmte te
komen, zag ik het rijtuig aankomen. De koetsier hield bij mij stil
en mijne tante zat er alleen in. Zij was nog niet genoeg van hare
ontroering bekomen om terstond het voorgenomen bezoek af te leggen,
waarom zij mij verzocht naast haar plaats te nemen en den koetsier te
zeggen, dat hij eenigen tijd langzaam op en neer moest rijden. Zij
zeide niets dan: „Lieve Trot, vraag mij niet wat het was en denk er
niet meer aan.” Eindelijk had zij hare kalmte geheel teruggekregen en
zei, dat zij nu zeer goed in staat was om het rijtuig te verlaten. Toen
zij mij hare beurs terug gaf, die ik haar in de steeg had overhandigd,
ontwaarde ik dat alle guinjes verdwenen waren en zij niets dan het
zilvergeld had overgehouden.
De toegang tot Doctors' Commons bestond in eene kleine, lage,
overwelfde gang. Nauwelijks waren wij eenige schreden verder gegaan
of het stadsgewoel scheen als door een tooverhand tot stilte te zijn
gebracht en nog slechts heel in de verte voort te duren. Over eenige
pleintjes en door nauwe straatjes kwamen wij aan het kantoor van de
Heeren Spenlow en Jorkins; in het voorportaal van dezen tempel, waarin
elke pelgrim zonder aankloppen mocht binnengaan, zaten drie of vier
klerken copiewerk te verrichten. Een van hen, een klein, uitgedroogd
mannetje, dat alleen zat en een stijve, bruine pruik droeg,—in weerwil
van het gewicht van het oogenblik kon ik niet nalaten te denken dat die
pruik van peperkoek gemaakt was—stond op, heette mijne tante welkom en
liet ons in de kamer van mijnheer Spenlow.
„Mijnheer Spenlow is binnen, mejuffrouw,” zei het manneke, „het is
vandaag zitting, maar het is hier dichtbij; ik zal hem dadelijk laten
roepen.”
Toen wij alleen waren in afwachting van mijnheer Spenlow's komst, nam
ik de gelegenheid te baat om eens rond te kijken. Het ameublement
in deze kamer was ouderwetsch en stoffig, het groene laken op de
schrijftafel had alle kleur verloren; er lagen zooveel bundeltjes
papieren en processtukken, alle voorzien van een opschrift, waarop het
Hof vermeld stond waarvoor ze behandeld waren, dat ik verward geraakte
onder het groote aantal Hoven, en mij afvroeg of ik wel ooit die
verschillende namen uit elkander zou kennen.
Behalve deze bundels papieren zag ik overal in het rond lijvige
boekdeelen, die alle geschreven getuigenverhooren bevatten, van elke
zaak afzonderlijk, alsof elke zaak een roman was in tien of twintig
deelen. Dit alles zag er uit alsof hier uit een ruime beurs geput werd
en gaf mij een aangenamen indruk van het proctorsambt. Nog was ik
bezig met toenemend welgevallen dit en alles om mij heen te bekijken,
toen wij haastige voetstappen hoorden in het voorportaal en mijnheer
Spenlow binnenkwam in een zwarte toga met hermelijn gevoerd. Hij nam
zijn hoed af en scheen haast te hebben. Overigens was hij klein van
gestalte, had dun haar, droeg onberispelijke laarzen en de stijfste
halsboord en de witte das, die ik ooit iemand heb zien dragen. Al zijne
kleeren waren stijf dichtgeknoopt en zijne bakkebaarden zoo sierlijk
gekruld, dat hij daaraan ongetwijfeld veel tijd moest besteden. Zijn
gouden horlogeketting was zoo zwaar dat ik niet kon nalaten te denken
aan een sterken, gouden arm om het horloge te voorschijn te halen,
zooals men wel boven goudsmidswinkels aantreft. Hij was met zooveel
zorg gekleed, en alles wat hij aan het lijf had was zoo stijf, dat hij
zich onmogelijk kon buigen, en wanneer hij papieren inkeek, die op zijn
schrijftafel lagen verplicht was zijn geheel lichaam voorover te buigen
evenals Punch.
Ik werd terstond door mijne tante voorgesteld en allerbeleefdst
ontvangen.
„Dus, mijnheer Copperfield,” zei hij „gij hebt het plan opgevat ons
beroep voor het uwe te kiezen. Toen ik laatst de eer genoot een
onderhoud te hebben met juffrouw Trotwood, deelde ik haar toevallig
mede—op nieuw een buiging als Punch—dat hier eene plaats vacant is.
Juffrouw Trotwood was wel zoo beleefd mij te vertellen dat zij een neef
had, voor wiens opvoeding zij had zorg gedragen en dien zij nu gaarne
in eene goede betrekking zou geplaatst zien. Indien ik het wel heb, heb
ik nu het genoegen—weer Punch—dien neef voor mij te zien.”
Ik boog insgelijks en zei dat mijne tante mij op de hoogte had gesteld
van de vacature; dat ik wel zin in deze betrekking had en in elk geval
mijn best zou doen om er zin in te krijgen, maar dat ik daarvan niet
zeker kon zijn als ik er niet meer van wist dan op dit oogenblik het
geval was. „Hoewel het slechts voor den vorm is,” voegde ik er bij,
„meen ik toch dat de gelegenheid bestaat mij op de hoogte te stellen
alvorens mij onherroepelijk te verbinden.”
„O, zeker! zeker!” zei mijnheer Spenlow. „Wij geven altijd een maand
proeftijd. Het zou mij aangenaam zijn, indien wij drie maanden konden
geven, maar ik ben niet alleen. Mijnheer Jorkins....”
„En de borgtocht is duizend pond, nietwaar?” vroeg ik.
„De borgtocht—de onkosten van het zegel er onder begrepen—is duizend
pond,” antwoordde mijnheer Spenlow. „Zooals ik juffrouw Trotwood reeds
meedeelde, zou ik wel genegen zijn billijker voorwaarden te stellen,
maar mijnheer Jorkins heeft zijn eigen denkwijzen in dit opzicht en ik
moet die nu eenmaal respecteeren. Mijnheer Jorkins acht duizend pond
eigenlijk te weinig.”
„Ik onderstel, mijnheer,” zei ik, mijne tante eenigszins willende
verlichten, „dat het hier niet de gewoonte is een klerk, die zeer
bruikbaar en geheel op de hoogte van zijne taak is,”—ik kreeg eene
kleur, want deze woorden moesten wel den indruk maken alsof ik mij
zelven wilde prijzen—„ik onderstel dat het niet de gewoonte is, later,
zulk een klerk eenig honorarium...”
Mijnheer Spenlow lichtte met groote moeite zijn hoofd juist ver genoeg
uit zijn boorden op om het te schudden en antwoordde, zonder mij den
zin te laten voleindigen:
„Neen, ik zal niet zeggen hoe ik zelf over dit onderwerp denk, mijnheer
Copperfield; maar ik ben niet alleen. Mijnheer Jorkins is op dat punt
onvermurwbaar.”
Het denkbeeld, dat ik eenmaal van aangezicht tot aangezicht zou moeten
staan met dien vreeselijken mijnheer Jorkins, joeg mij angst aan.
Later kwam ik echter tot de ontdekking, dat hij iemand was met een
zachtmoedig karakter, wel is waar een weinig somber, maar hij hield
zich gewoonlijk achteraf en werd dan gebezigd als het onbarmhartige
en hardnekkige element in de zaak. Indien een klerk verhooging vroeg
van zijn salaris, wilde mijnheer Jorkins er nooit iets van weten. Als
een cliënt draalde met het betalen van de kostenrekening, heette het
dat mijnheer Jorkins op betalen aandrong en hoe pijnlijk dit mijnheer
Spenlow ook aandeed, mijnheer Jorkins kende geen genade. De engel
Spenlow zou steeds hart en hand geopend hebben gehad, indien de duivel
Jorkins het hem niet had belet. Ouder wordende merkte ik op, dat er nog
veel meer kantoren waren, die de zaken op dezelfde wijze behandelden
als de firma Spenlow en Jorkins!
Er werd afgesproken dat mijne proefmaand zoo spoedig zou beginnen als
mij beliefde en dat mijne tante noch in de stad behoefde te blijven
noch daarheen behoefde terug te keeren, want het contract, waarvan ik
het onderwerp uitmaakte, kon even goed ter teekening naar Dover worden
gezonden. Toen wij het hierover eens waren, bood mijnheer Spenlow mij
aan, mij mede te nemen naar het Hof en mij daar het een en ander te
laten zien. Ik nam dit aanbod gaarne aan en zoo vertrokken wij, tante
op mijnheer Spenlow's kantoor achterlatende; zij waagde zich daar niet,
zooals zij zeide, en hield, naar ik vermoed, alle gerechtshoven voor
buskruitmolens, die elk oogenblik in de lucht konden vliegen.
Mijnheer Spenlow bracht mij over een pleintje, door deftige huizen
omringd; uit de doctorstitels voor de namen op de deuren maakte ik op,
dat hier de geleerde advocaten woonden, waarvan Steerforth mij verteld
had. Aan het einde van dit pleintje traden wij een huis en daarna een
groot, somber vertrek binnen, dat mij denken deed aan een kapel. Het
boveneinde van deze zaal was van het overige gedeelte door een hek
afgesloten en daar, op een verhevenheid in den vorm van een hoefijzer,
zaten bovenvermelde doctors in roode toga's, met witte pruiken, op
ouderwetsche stoelen, zooals men ze vaak in eetzalen aantreft. Achter
een lessenaar, zooals de predikanten op den preekstoel gebruiken, in
het midden van het hoefijzer, zat een oude heer, dien ik, als ik hem in
een dierentuin ontmoet had, voor een uil zou hebben gehouden, doch die,
zooals mij later bleek, de president was. In de binnenruimte van het
hoefijzer, doch lager, zaten eenige heeren, in dezelfde kleeding als
mijnheer Spenlow, aan eene groene tafel. Hunne dassen waren alle even
stijf en zij keken trotsch in het rond; dit laatste schijn ik echter
niet goed gezien te hebben, want wanneer een van hen opgeroepen werd om
eene vraag van den president te beantwoorden, zag ik telkens dezelfde
schaapachtige uitdrukking op hun gelaat. Het publiek werd gevormd
door een jongen met een bouffante om en een armoedig uitziend heer,
die heimelijk beschuitkruimels zat te eten uit den achterzak van zijn
jas. Beiden zaten bij de kachel in het midden van de zaal. De doodsche
stilte in de zaal werd door niets verbroken dan door het snorren van de
kachel en door de stem van een der doctors, die langzaam tusschen eene
geheele bibliotheek van bewijsstukken doorliep en nu en dan eens stil
bleef staan op zijn wandeling om een betoog te houden. Hoe het zij, ik
woonde nooit in mijn leven elders zulk een droomerig, slaapverwekkend
familiepartijtje bij en ik voelde dat het voor een jongmensch
ongetwijfeld een kalmeerend middel zijn moest, om met deze lieden samen
te werken—behalve misschien als cliënt.
Zeer voldaan over de deftigheid van dit ouderwetsche, afgelegen plekje,
gaf ik aan mijnheer Spenlow te kennen, dat ik voorloopig genoeg
gezien had, zoodat wij mijne tante gingen opzoeken. Met haar verliet
ik dus Doctors' Commons weder; ik voelde mij zeer jong tegenover de
heeren Spenlow en Jorkins en was mij bewust, dat de klerken, toen wij
voorbijgingen, elkander met de pen in de zij staken en op mij wezen.
Zonder eenig nieuw avontuur kwamen wij te Lincoln's Inn Fields aan;
alleen wekte een ongelukkige ezel voor een volgeladen groentekar
pijnlijke herinneringen bij mijne tante op. Wij spraken weder lang
en breed over mijne plannen, toen wij behouden en wel thuis waren
en aangezien ik begreep, dat zij naar Dover terugverlangde, omdat
zij zich, met het oog op brand, vervalschte levensmiddelen en
zakkenrollers, geen half uur op haar gemak gevoelde in Londen, haalde
ik haar over, zich niet verder om mij te bekommeren en mij gerust aan
mij zelven over te laten.
„Ik ben hier morgen juist een week, mijn jongen, en heb dat ook
gedacht,” antwoordde zij. „In Buckinghamstreet zijn een paar kamers te
huur, die juist geschikt voor u zouden zijn.”
Na deze inleiding haalde zij eene advertentie te voorschijn, die
zij zorgvuldig uit een nieuwsblad geknipt had, en las voor, dat in
Buckinghamstreet, in de buurt van het Adelphi-theater kamers te huur
waren met het uitzicht op de rivier; bijzonder lieve, gezellige kamers,
zeer geschikt voor een ongetrouwd heer, die aan een der gerechtshoven
werkzaam was. De kamers konden terstond betrokken worden. De huurprijs
was matig en de huur kon desverlangd ook voor één maand worden
aangegaan.
„Wel, tante!” riep ik uit, „dat is juist wat wij zoeken!” Ik kreeg een
kleur van blijdschap bij de gedachte, alleen op kamers te zullen wonen.
„Kom dan,” antwoordde tante, terwijl zij onmiddellijk den hoed opzette,
dien zij eene minuut te voren had weggelegd. „Wij zullen ze eens gaan
bekijken.”
De advertentie verwees ons om inlichtingen naar eene zekere juffrouw
Crupp; wij schelden daarom aan het onderhuis, waar wij vermoedden,
dat juffrouw Crupp hare tenten had opgeslagen. Eerst na drie of vier
malen gescheld te hebben konden wij er in slagen die dame te bewegen
ons te woord te staan; eindelijk verscheen zij echter. Zij was eene
forschgebouwde vrouw en droeg een nankingsche japon, waaronder een
flanellen onderrok uitkwam.
„Kunnen wij de kamers ook zien, die gij te huur aanbiedt, juffrouw?”
vroeg tante.
„Voor dezen heer?” zei juffrouw Crupp, terwijl zij in haar zak naar de
sleutels zocht.
„Ja, voor mijn neef,” antwoordde tante.
„Ze zullen voor u geknipt zijn!” verklaarde juffrouw Crupp. Daarna
gingen wij naar boven.
De kamers waren op de bovenste verdieping—eene groote geruststelling
voor mijne tante, want ik was nu dicht bij het dak—en bestonden
uit een klein portaaltje, waar men bijna niets zien kon, een
provisiekamertje, waar volslagen duisternis heerschte, een zitkamer
en een slaapkamer. De meubels waren oud, maar goed genoeg voor mij en
waarlijk, men kon de rivier zien. Toen ik mijne ingenomenheid betuigd
had, gingen tante en juffrouw Crupp naar het provisiekamertje om de
voorwaarden te bespreken, terwijl ik op de sofa in de zitkamer plaats
nam en mij nauwelijks kon voorstellen, dat ik voortaan in zulk een
paleis zou wonen. Na een woordenstrijd, die nog al eenigen tijd duurde,
keerden de dames terug en ik zag tot mijne groote blijdschap, zoowel op
juffrouw Crupp's gezicht als op dat van mijne tante, dat zij het eens
waren geworden.
„Zijn dit de meubels van den laatsten bewoner?” vroeg tante.
„Ja, mevrouw,” antwoordde juffrouw Crupp.
„Waar is hij gebleven?”
Juffrouw Crupp begon vreeselijk te hoesten en bracht intusschen met
veel moeite uit:
„Hij is hier ziek geworden, mevrouw en..... uhu!.... uhu!.... uhu!....
groote Goedheid, hij is hier gestorven!”
„Hé, wat? waaraan?” vroeg tante.
„Wel, mevrouw, hij dronk te veel,” zei juffrouw Crupp op
vertrouwelijken toon. „En rooken!”
„Rooken? Gij bedoelt toch niet dat de schoorsteenen rooken?” viel tante
in.
„Neen, mevrouw, sigaren en pijpen.”
„Dat is in elk geval niet aanstekelijk, Trot,” zei tante, tot mij
gewend.
„Neen, zeker niet,” antwoordde ik.
Kortom, toen tante zag hoe zeer ik ingenomen was met mijn nieuw
verblijf, huurde zij de kamers voor een maand, om ze, indien ik na het
einde daarvan tevreden was, voor een jaar in te huren. Juffrouw Crupp
zou voor mijn linnengoed zorgen en voor mij koken en zei met nadruk,
dat zij voor mij zorgen zou alsof ik haar eigen kind was. Twee dagen
later zou ik mijn nieuw verblijf in bezit nemen en juffrouw Crupp
verklaarde bij het afscheid den Hemel te danken, omdat zij nu iemand
had, voor wien zij zorgen kon.
Op den weg naar huis vertelde tante mij, hoe zij vertrouwde, dat het
leven, dat ik nu te gemoet ging, mij flinkheid en zelfvertrouwen
zou geven, hetgeen alles was, dat ik noodig had. Zij herhaalde dit
den volgenden dag meermalen, terwijl wij maatregelen beraamden om
mijne kleederen en boeken van mijnheer Wickfield naar Londen te doen
overzenden. Naar aanleiding daarvan schreef ik een langen brief met
al de wederwaardigheden, op mijn uitstapje ondervonden, aan Agnes, en
toen tante den volgenden dag heenging, nam zij dien brief mede. Ten
einde niet al te lang over al deze bijzonderheden uit te weiden, voeg
ik er nog slechts bij, dat zij met milde hand zorgde voor alles wat ik
gedurende mijne proefmaand noodig had; dat Steerforth tot mijne groote
teleurstelling en ook tot die van tante niet verscheen, en dat ik tante
veilig zag zitten in de diligence op Dover, met Janet naast zich,
blijde dat het goede leven van de ezels en hunne drijvers nu weer uit
was. Toen de diligence uit het gezicht was, bleef ik een oogenblik in
gepeins verzonken staan. Mijne gedachten dwaalden af naar den tijd,
toen ik ook alleen in Londen was achtergelaten, en met een dankbaar
hart sloeg ik den weg in naar Buckingham-street.