XXII.

Oude tooneelen en nieuwe menschen.

Steerforth en ik bleven langer dan veertien dagen te Yarmouth. Wij

waren meestal bij elkaar, dat behoef ik eigenlijk niet eens te zeggen;

maar er waren toch ook wel uren waarin wij ieder onzen eigen weg

gingen. Hij hield veel van zeilen en ik niet, gewoonlijk bleef ik dus

aan wal, wanneer hij met de boot van baas Peggotty uitging. Bovendien

was ik in zekere mate gebonden, omdat ik bij Peggotty logeerde, want

daar ik wist, dat zij den geheelen dag aan het ziekbed van Barkis

doorbracht, kon ik des avonds niet zoo laat thuiskomen, terwijl

Steerforth, die in het logement zijn intrek had genomen, alleen aan

zichzelven behoefde te denken. Dit was dan ook de oorzaak, dat ik

niet tegenwoordig was bij zijne bezoeken in de herberg ‚Het trouwe

Hart’, waar baas Peggotty gewoonlijk kwam en waar Steerforth nu de

visschers tracteerde, terwijl ik reeds in bed lag, dat ik eerst later

vernam hoe hij soms heele nachten, in een visscherspak uitgedost, op

zee rondzwalkte en eerst 's morgens, bij het opkomen van den vloed,

terugkwam. Ik wist echter toen reeds dat zijne rustelooze natuur en

zijn woelige geest zich gaarne lucht verschaften in ruwen arbeid en

guur weder, zoowel als in alles wat nieuw en vreemd voor hem was, ik

verbaasde mij daarom volstrekt niet over hetgeen hij deed.

Een andere oorzaak, die onze wegen nu en dan uit elkander deed loopen,

was dat ik mij natuurlijk aangetrokken voelde tot Blunderstone en tot

de oude plekjes uit mijn jeugd; terwijl Steerforth, na eenmaal met mij

daar een bezoek gebracht te hebben, geen lust had dit te herhalen. Zoo

gebeurde het drie of vier malen, dat wij, na vroeg ontbeten te hebben,

afscheid namen en elkaar niet eerder dan aan het middagmaal terugzagen.

Ik kon volstrekt niet vermoeden, hoe hij al dien tijd besteedde; alleen

vernam ik, dat hij in de stad zeer bemind was en twintig middelen had

om zich te verstrooien, waar een ander er wellicht één had gevonden.

Wat mij aangaat, ik hield mij op mijne pelgrimstochten onledig met

de herinneringen, die bij elken voetstap voor mij opdoemden; en het

opzoeken van alle oude plekjes werd ik nooit moede. Ik zocht ze alle

weder op, zooals ik zoo menigmaal in gedachten gedaan had en toefde

langen tijd bij het graf onder den grooten boom, waar mijne ouders

begraven lagen en waarop ik zoo menig uur had gestaard, toen het

nog alleen mijns vaders graf was en waarbij ik in doffe wanhoop had

gestaan, toen het geopend was om mijn lieve moeder en haar kind te

ontvangen—het graf, dat door Peggotty's trouwe zorg al dien tijd

keurig was onderhouden, zoodat het een tuintje leek, waarbij ik uren

achtereen verwijlde, verdiept in herinneringen aan mijne kinderjaren.

Het lag op eenigen afstand van het kerkpad in een rustig hoekje, niet

zoo ver, of ik kon de namen op den steen lezen, terwijl ik op- en

neerwandelde en telkens werd opgeschrikt door het geluid van de klok,

die de uren aangaf, hetgeen mij in de ooren klonk als een verwijderde

stem. Meermalen dwaalden mijne gedachten af naar de rol, die ik in mijn

verder leven spelen, en de wijze, waarop ik mij onderscheiden zou. Het

scheen mij toe, alsof ik naar huis gekomen was om luchtkasteelen te

bouwen aan de zijde van eene levende moeder.

Het ouderlijke huis had groote veranderingen ondergaan. De verlaten

kraaiennesten waren verdwenen en de boomen waren zoo gesnoeid en

gekapt, dat ze den ouden vorm geheel verloren hadden. De tuin was

geheel verwilderd en de meeste vensters waren gesloten. Het werd

bewoond door een armen krankzinnige en diens oppassers. De ongelukkige

zat den geheelen dag bij het kleine venster van mijn oude kamertje naar

het kerkhof te kijken en ik zou gaarne geweten hebben of zijn dwalende

geest zich ooit bezig hield met dezelfde beelden, die mij verschenen

waren, wanneer ik des morgens bij het opgaan van de zon in nachttoilet

naar buiten gluurde en de schapen zag weiden in het malsche gras.

Onze oude buren, mijnheer en mevrouw Grayper, waren naar Zuid-Amerika

verhuisd en de regen had een weg gevonden door het dak van hun verlaten

woning en de muren aan alle kanten doen uitslaan. Dr. Chillip was

hertrouwd met een lange, magere vrouw met een wipneus en zij hadden één

kind; een nietig kind met een waterhoofd, dat veel te zwaar voor het

wicht was, en twee flauw starende oogjes, waarmede het altijd scheen te

vragen, waarom het eigenlijk geboren was.

Een gemengd gevoel van droefheid en genot doorstroomde mij, terwijl

ik daar zoo eenzaam in mijne geboorteplaats ronddoolde tot de roode

winterzon mij herinnerde, dat het tijd werd om naar huis terug

te keeren. Maar wanneer ik het dorpje weer achter den rug had en

voornamelijk, wanneer ik met Steerforth, weder aan den gezelligen

disch zat bij een knappend haardvuur, dan voelde ik mij gelukkig omdat

ik er geweest was. En datzelfde gelukkige gevoel maakte zich van mij

meester, wanneer ik des avonds mijn kleine kamertje opzocht en het

krokodillenboek opsloeg, dat altijd open op tafel lag, en mij met een

dankbaar hart herinnerde hoe heerlijk het voor mij was, dat ik zulk een

vriend bezat als Steerforth, zulk eene vriendin als Peggotty en zulk

eene plaatsvervangster voor al wat ik verloren had, als mijne brave,

grootmoedige tante.

Wilde ik den kortsten weg teruggaan van Blunderstone naar Yarmouth dan

moest ik mij laten overzetten. Ik kwam dan aan op eene vlakte tusschen

de stad en de zee, die ik dwars kon oversteken, waardoor ik mij een

grooten omweg bespaarde, en aangezien de woning van baas Peggotty dan

geen honderd el buiten mijn weg lag, ging ik er altijd even binnen.

Ik was bijna zeker Steerforth daar te vinden, mij wachtende, en dan

stapten wij te zamen door den scherpen wind en den opkomenden nevel op

de flikkerende lichten van de stad aan.

Op zekeren donkeren avond, dat ik later dan gewoonlijk stadwaarts

keerde,—ik had dien dag eenige bezoeken afgelegd te Blunderstone,

omdat wij voornemens waren spoedig te vertrekken—vond ik Steerforth

geheel alleen en in gepeins verzonken bij den haard zitten in

Peggotty's woning. Hij was zoo in zijn gedachten verdiept, dat hij

niets bespeurd had van mijne aankomst. Nu zou dat ook mogelijk geweest

zijn al was hij minder met zijn eigen gedachten vervuld geweest, want

in het zand waren de voetstappen bijna onhoorbaar; maar ook mijne

binnenkomst deed hem niet ontwaken uit zijne droomerijen. Ik stond vlak

bij hem en keek hem aan, maar nog ontwaakte hij niet.

Toen ik mijne hand op zijn schouder legde ontstelde hij zoo, dat ik

zelf ook ontstelde.

„Gij komt tot mij,” zei hij, bijna boos, „als een dreigend spook!”

„Ik was wel verplicht mij op de eene of andere wijze aan te melden,”

antwoordde ik. „Heb ik u uit den zevenden hemel opgeroepen?”

„Neen,” zeide hij. „O, neen!”

„Waaruit dan?” vroeg ik, terwijl ik naast hem plaats nam.

„Ik keek naar de grillige figuren in de vlammen.”

„En nu verstoort gij ze voor mij!” zei ik, toen hij er met een

brandend stuk hout doorheen woelde, zoodat een groote zwerm vonken den

schoorsteen instoof.

„Gij zoudt ze niet gezien hebben,” antwoordde hij. „Ik haat dien tijd

tusschen licht en donker. Hoe laat is het? Waar zijt gij geweest?”

„Ik heb voor het laatst mijn gewone wandeling gedaan,” zei ik.

„En ik,” hernam Steerforth, de kamer rondkijkende; „heb hier zitten

bedenken, dat al de menschen, die wij op den avond van onze aankomst

zoo vroolijk bijeen vonden, nu wel over de aarde verspreid of dood of

ongelukkig kunnen zijn—zoo verlaten vond ik de woning. O, David, had

ik toch maar een verstandigen vader gehad!”

„Maar, beste Steerforth, wat scheelt u?”

„Ik zou ik weet zelf niet wat geven, als ik eene betere opvoeding had

gehad!” riep hij uit, „en als ik mij zelven beter kon leiden!”

De toon, waarop hij sprak, was zoowel hartstochtelijk als zwaarmoedig,

zoodat ik mij over hem verbaasde. Hij was zoo weinig zichzelf, dat ik

hem bijna niet herkende.

„Het zou beter zijn iemand te wezen als deze arme Peggotty of als die

lummelachtige Ham,” zei hij, opstaande en bleef in eene neerslachtige

houding tegen den schoorsteenmantel leunen met het gezicht naar het

vuur. „Dat zou veel beter wezen dan wat ik nu ben, twintig maal

rijker en twintig maal geleerder, maar mij zelven tot last, zooals ik

gedurende dit laatste half uur in deze duivelsche schuit ben geweest.”

Ik was zoo getroffen door de verandering, die in hem had plaats

gegrepen, dat ik in het eerst niets doen kon dan hem in stilte

gadeslaan, zooals hij daar met het hoofd op de hand geleund in het

vuur stond te staren. Eindelijk smeekte ik hem met al den ernst,

die in mij was, mij te vertellen wat tot deze ongewone stemming had

aanleiding gegeven en mij in de gelegenheid te stellen medelijden met

hem te hebben, indien ik hem al geen raad kon geven. Eer ik echter had

uitgesproken begon hij reeds te lachen—eerst gemelijk maar weldra uit

volle borst.

„Och, kom, het is niets, Groentje! Niets, hoor!” zei hij. „Ik vertelde

u reeds in het hotel te Londen, dat ik somtijds lastig gezelschap ben

voor mij zelven. Ik ben mijn eigen nachtmerrie geweest zoo even ....

ik moet er zeker een gehad hebben. Wanneer ik zoo somber gestemd ben,

komen mij allerlei bakersprookjes in het geheugen, zonder dat ik ze

herken. Ik geloof dat ik mij zelven zooeven gehouden heb voor dien

ondeugenden jongen, die nergens bang voor was en eindelijk door leeuwen

werd opgegeten—wat met andere woorden zeggen wil, dat er niets van hem

terecht kwam. Ik heb, zooals oude vrouwen zeggen, een rilling gehad

over mijn geheele lichaam. Ik was bang voor mijzelven.”

„Anders zijt gij voor niets bang geloof ik,” antwoordde ik.

„Misschien niet, maar er kan toch nog genoeg opdagen, waarvoor ik wel

bang zou zijn. Maar het is nu voorbij en ik ben niet meer van plan mij

spoedig nogmaals zoo te laten beetnemen, David; maar ik zeg u, beste

kerel, nog eens, dat het goed voor mij—voor meer anderen ook—zou zijn

als ik een flinken, verstandigen vader gehad had!”

Er lag gewoonlijk veel uitdrukking in zijn gelaat, maar ik zag er nooit

zooveel somberen ernst in dan toen hij deze woorden sprak, terwijl hij

nog steeds in het vuur staarde.

„Dat geef ik er voor!” zei hij, terwijl hij met de vingers knipte. „Het

is voorbij, nu ben ik weer een man,” haalde hij uit Macbeth aan. „En nu

gaan wij eten! Tenminste als ik niet—evenals Macbeth—het middagmaal

danig in de war heb gestuurd, Groentje.”

„Ik zou toch wel eens willen weten waar zij allen zijn!” zei ik.

„Dat weet de Hemel!” antwoordde Steerforth. „Nadat ik eenigen tijd op

het strand op u had staan wachten, wandelde ik hierheen en vond de

kooi ledig. Dat gaf mij te denken, en zoo vondt gij mij hier zitten

peinzen.”

De komst van juffrouw Gummidge met een mandje aan den arm, helderde de

zaak op. Zij had haastig eenige boodschappen gedaan eer baas Peggotty

terugkwam met den vloed, en de deur opengelaten, opdat Ham en Emily,

die haar vrijen avond had, het huis zouden kunnen binnenkomen. Nadat

Steerforth met een deftigen groet en eene omhelzing haar in eene

vroolijke stemming gebracht had, nam hij mijn arm en trok mij haastig

mede. Hij was zelf in een niet minder vroolijke stemming geraakt dan

juffrouw Gummidge, en praatte onderweg onophoudelijk door.

„En dus,” zei hij schertsend, „zeggen wij morgen dit zwerversleven

vaarwel, nietwaar?”

„Dat was onze afspraak,” antwoordde ik. „En zooals ge weet zijn de

plaatsen op de diligence genomen.”

„Dus er is niets meer aan te veranderen, bedoelt gij? Ik zou haast

vergeten dat er nog andere dingen op de wereld te doen zijn, dan hier

op de zee rond te zwalken. Was het maar zoo!”

„Zoolang het een nieuwtje bleef, zou het wel aardig zijn,” antwoordde

ik lachend.

„Dat is wel mogelijk,” hernam Steerforth, „hoewel deze opmerking al

zeer sarcastisch klinkt uit den mond van zulk een Groentje. Ik wil wel

bekennen dat ik wat wispelturig ben, David; ik weet dat ik het ben,

maar zoolang het ijzer heet is, wil ik het smeden ook. Ik zou al vrij

goed als loods kunnen dienen in dit gedeelte van het vaarwater.”

„Baas Peggotty zegt, dat gij een wonder zijt.”

„Een zeemirakel, nietwaar?” vroeg hij lachend.

„Waarlijk, hij zei het en gij weet, hoe oprecht hij is; bovendien weet

gij, hoe spoedig gij u iets eigen kunt maken en hoe gemakkelijk u alles

afgaat. Daarom verbaast het mij, Steerforth, dat gij tevreden zoudt

zijn met zulk een luttel gebruik van uwe vermogens.”

„Tevreden?” antwoordde hij opgeruimd. „Ik ben nooit tevreden dan

wanneer ik mij maar verheugen kan in uwe onnoozelheid, mijn best

Groentje. En wat nu het gebruik van mijn vermogens aangaat, ik ben niet

van plan mij op een rad te laten binden, zooals de moderne Ixions doen,

en mij maar in het rond te laten draaien. Gij weet dat ik hier een boot

gekocht heb?”

„Wat zijt gij toch een zonderling wezen, Steerforth!” riep ik uit,

terwijl ik verbaasd bleef staan—ik had er nog niets van vernomen. „En

als gij nu nooit meer hierheen komt?”

„Dat weet ik nog niet,” antwoordde hij. „Ik heb dit plekje lief

gekregen. Hoe het zij, ik heb een schuit gekocht—baas Peggotty zegt

dat het een klipper is en hij zal er mee uitgaan, als ik er niet ben.”

„Aha, nu begrijp ik u, Steerforth!” riep ik opgetogen uit. „Gij hebt

gedaan alsof gij die schuit voor u zelven kocht, maar eigenlijk wilt

gij er hem gelukkig mede maken. Ik had dat terstond moeten begrijpen,

omdat ik u zoo goed ken! Wat zijt gij toch edelmoedig!”

„Tut, tut, tut!” zei hij met een kleur. „Hoe minder gij er van zegt,

hoe beter!”

„Wist ik het niet?” riep ik uit, „zeide ik niet dat de vreugde, het

verdriet, de aandoening van zulke brave lieden u niet onverschillig

kunnen zijn?”

„Zoo, zoo,” antwoordde hij, „meent gij dat? Welnu laat ons er verder

over zwijgen, wij hebben er nu lang genoeg over gepraat.”

Huiverig om hem boos te maken, indien ik dit onderwerp, waarvan

hij zich op zulk een luchtigen toon afmaakte, nog langer besprak, bleef

ik er in gedachten mede bezig, terwijl wij nog sneller voortstapten dan

zoo even.

„De schuit moet geheel nieuw opgetuigd worden,” zei Steerforth; „ik zal

Littimer hier laten, om er een oogje op te houden. Heb ik u al verteld

dat Littimer hier is?”

„Neen.”

„Ja, hij kwam van morgen met een brief van mijne moeder.”

Toen onze blikken elkander ontmoetten, zag ik dat hij zeer bleek was,

al keek hij mij opgeruimd aan. Ik vreesde dat een geschil met zijne

mama hem in de sombere stemming gebracht mocht hebben, waarin ik hem,

eenzaam bij den haard zittende, gevonden had, en vroeg hem dit terloops.

„O, neen!” zei hij hoofdschuddend en met een eenigszins gedwongen lach.

„Niets van dat alles! Ja, hij is hierheen gekomen, de brave Littimer.”

„Nog altijd dezelfde?” vroeg ik.

„Ja, nog altijd dezelfde,” antwoordde Steerforth, „zwijgend en stil als

de Noordpool. Hij zal toezien dat het scheepje een nieuwen naam krijgt.

Het heet nu ‚Stormzwaluw’. Waarom hecht baas Peggotty zooveel aan

stormzwaluwen? Ik heb het herdoopt.”

„En hoe zal dit heeten?”

„De kleine Emily.”

Aangezien hij mij strak bleef aankijken begreep ik dat hij volstrekt

niet geprezen wilde worden voor zijne edelmoedigheid, maar ik kon niet

voorkomen dat mijn gelaat verried hoe ingenomen ik er mede was; ik zei

echter niets en langzamerhand verscheen de oude glimlach weder om zijn

mond, alsof mijne stilzwijgendheid hem gerust stelde.

„Kijk eens!” riep hij plotseling, „daar komt de echte Emily aan! En Ham

is bij haar! Nu, hij is een trouw ridder! Hij laat haar geen oogenblik

alleen!”

Ham, die altijd grooten aanleg getoond had voor scheepstimmerman, was

langzamerhand een knap werkman geworden. Hij was in zijn werkpak en

zag er wel is waar ruig genoeg maar tevens heel flink uit, als een

waardige beschermer voor het kleine schepseltje, dat hij geleidde. Zijn

open, eerlijk gelaat, dat blonk van trots op zijne kleine Emily en

waarop duidelijk te lezen stond hoe lief hij haar had, maakte op mij

een indruk als een mooie schilderij. Toen zij naderbij kwamen vond ik

zelfs dat zij zeer goed bij elkaar pasten.

Toen wij bleven stilstaan om haar aan te spreken, trok zij haar arm uit

dien van Ham en bloosde, terwijl zij Steerforth en mij de hand gaf.

Nadat wij eenige woorden gewisseld hadden, gingen wij ieder onzen weg,

maar zij legde hare hand niet meer op den arm van haar verloofde en

scheen een weinig gedwongen naast hem voort te wandelen. Ik vond dat

alles aardig en lief en Steerforth scheen van dezelfde meening te zijn,

toen wij hen nakeken en zij in het licht der opkomende maan verdwenen.

Eensklaps kwam ons eene jonge vrouw voorbij, die blijkbaar het tweetal

volgde; wij hadden haar niet zien aankomen, maar in het voorbijgaan

meende ik mij hare gelaatstrekken te herinneren. Zij was licht gekleed,

in het oog vallend opgeschikt, had holle wangen en glinsterende

oogen, die onbeschaamd rondkeken, voor het oogenblik scheen zij aan

niets anders te denken dan aan degenen, die voor haar uitliepen en

zelfs de hevige wind scheen haar niet te deren. Evenals de duistere

vlakte achter ons Ham en de kleine Emily als 't ware scheen te hebben

verzwolgen, zoo verdween ook hare gestalte.

„Welk een zwarte schaduw volgt het meisje daar,” zei Steerforth,

terwijl hij stil bleef staan. „Wat zou dat beteekenen?”

Hij sprak op fluisterenden toon, die mij zelfs vreemd in de ooren klonk.

„Zij zal willen bedelen, naar het mij voorkomt,” antwoordde ik.

„Een bedelaarster zou hier geen vreemd verschijnsel zijn,” hernam

Steerforth, „maar het is wel vreemd dat eene bedelaarster juist zulk

een donkeren avond kiest.”

„Waarom?”

„Om geen andere reden dan die, waaraan ik dacht toen zij daar op

eenmaal verscheen. Wat duivel, ik zou wel eens willen weten, waar zij

zoo opeens vandaan is gekomen?”

„Ik vermoed dat zij in de schaduw van dezen muur gestaan heeft,”

antwoordde ik, toen wij juist aan een weg kwamen, die aan eene zijde

door een muur werd begrensd.

„Zij is nu weg!” hernam hij, achterom kijkend. „Kom, het eten wacht

ons.”

Maar hij keek nog eens achterom en nog eens en praatte op onze verdere

wandeling over niets anders dan over deze zonderlinge ontmoeting; zelfs

toen wij warm en gezellig aan tafel zaten, scheen hij die nog niet

vergeten te hebben. Wij vonden Littimer in het hôtel en hij maakte weer

juist denzelfden indruk op mij. Toen ik zeide te hopen dat mevrouw

Steerforth en juffrouw Dartle wel waren, antwoordde hij op hoogst

eerbiedigen en—natuurlijk hoogst fatsoenlijken toon, dat beiden zeer

wel waren en hare groeten verzocht hadden; waarna hij mij fatsoenlijk

bedankte. Dat was alles en toch scheen hij, zoo duidelijk als iemand

het maar doen kon, te zeggen: „Wat zijt gij toch nog bitter jong!”

Wij hadden ons maal bijna geëindigd, toen hij eenige schreden in de

richting van de tafel deed uit het hoekje, waarin hij ons—of liever

mij—had staan gadeslaan, en zeide: „Neem mij niet kwalijk, mijnheer,

maar juffrouw Mowcher is hier.”

„Wie?” riep Steerforth, ten hoogste verbaasd.

„Juffrouw Mowcher, mijnheer.”

„Wat moet die in 's Hemels naam hier doen?” vroeg Steerforth.

„Zij schijnt hier ergens geboren te zijn, mijnheer, en vertelde mij dat

zij elk jaar eenmaal voor zaken hier komt. Ik kwam haar van avond op

straat tegen en zij wenschte te weten of zij de eer mocht hebben u een

bezoek te brengen, mijnheer.”

„Kent gij de reuzin, waarover Littimer spreekt, Groentje?” vroeg

Steerforth.

Ik was verplicht te bekennen—ik schaamde mij voor Littimer—dat die

dame en ik elkaar geheel onbekend waren.

„Dan zult gij haar leeren kennen,” antwoordde Steerforth, „want zij

behoort tot de zeven wonderen der wereld. Laat juffrouw Mowcher

binnenkomen zoodra zij zich aanmeldt.”

Ik was wel wat nieuwsgierig naar de bedoelde dame, vooral omdat

Steerforth telkens wanneer ik haar naam noemde, in lachen uitbarstte en

op stelligen toon weigerde op elke vraag, die ik aangaande haar deed,

antwoord te geven. Ik bleef daarom in gespannen verwachting zitten tot

de tafel al ongeveer een half uur was afgenomen en wij ons, met eene

flesch wijn tusschen ons in, bij den haard hadden opgesteld.—Eensklaps

kondigde Littimer met zijne gewone deftige kalmte de komst van de lang

verbeide dame aan:

„Mejuffrouw Mowcher!”

Ik keek naar de deur en zag niets en nog steeds keek ik naar de

geopende deur; meenende dat het lang duurde, eer juffrouw Mowcher zich

vertoonde, toen er eensklaps tot mijne groote verbazing om de sofa, die

tusschen mij en de deur stond, een klein gedrocht kwam aandribbelen,

van veertig of vijfenveertig jaar, met een groot hoofd en een lang

gezicht, een paar ondeugende, grijze oogjes en zulke in het oog vallend

kleine armen, dat toen zij, Steerforth met een lach begroetend, haar

vinger tegen haar stompen neus wilde brengen, zij dien halverwege te

gemoet moest komen door haar hoofd voorover te buigen. Haar kin, die

voorzien was van een zware onderkin, was zoo vet, dat de linten van

haar hoed er door bedekt werden. Een hals had zij niet; een middel had

zij niet; beenen had zij niet noemenswaard; want hoewel zij boven haar

middel—als zij er namelijk een gehad had—van de gewone grootte was,

en hoewel zij evenals alle stervelingen in een paar voeten eindigde,

was zij zoo klein dat zij bij een gewonen stoel stond als een mensch

van middelmatige grootte bij een tafel, en een zak, dien zij had

medegebracht, op de zitting neerlegde. Zij was losjes en gemakkelijk

gekleed en terwijl zij haar voorvinger op de bovenbeschreven wijze

tegen den neus bracht en, met het hoofd een weinig op zijde,

Steerforth met hare schalksche oogen toelonkte, brak zij in den

volgenden woordenstroom los:

„Wat! Mijn bloempje!” begon zij schertsend, terwijl zij haar groot

hoofd schudde. „Zijt gij daar, gij daar! O, gij ondeugd, gij moest

u schamen, wat doet gij zoo ver van huis? Gij hebt zeker wat in den

zin, dat wil ik wedden! Ja, ja, Steerforth, gij zijt een lief kind en

ik ook! Ha! ha! ha! Gij zoudt nu zeker wel honderd pond hebben durven

zetten tegen vijf, dat gij mij hier niet zien zoudt, nietwaar? Maar,

och Heere, ik ben overal! Ik ben hier en daar en waar niet, evenals de

halve kroon van den goochelaar in een dameszakdoek. Maar, van zakdoeken

gesproken en van dames gesproken, wat zijt gij toch een troost voor uwe

beste moeder, mijn lieve jongen, nietwaar... wij begrijpen elkander!”

Juffrouw Mowcher maakte nu haar hoed los, wierp de linten naar achteren

en nam, vermoeid van het praten op een voetenbankje bij den haard

plaats, waarbij de tafel een soort afdak vormde boven haar hoofd.

„O, maan en sterren!” riep zij, terwijl zij met beide handen op hare

knietjes sloeg en mij met een schelmschen blik aankeek. „Weet gij,

wat mijn ongeluk is, Steerforth? Ik word te dik. Als ik een trap ben

opgegaan, heb ik groote moeite om op adem te komen en hijg als een

stoommachine. Als gij mij uit een bovenraam ziet kijken, zoudt gij mij

voor een knap vrouwtje aanzien, nietwaar?”

„Maar dat doe ik, waar ik u ook zie,” antwoordde Steerforth.

„Och, loop toch heen, ondeugd!” riep het kleine menschje, terwijl zij

met den zakdoek, waarmede zij haar gelaat afwischte, naar hem sloeg,

„wilt gij wel eens wat minder brutaal zijn! Maar ik geef u mijn woord

van eer dat ik verleden week bij Lady Mithers geweest ben—dat is eerst

een vrouw! Die draagt haar jaren met eere! Ik zat op haar te wachten

en toen kwam mijnheer Mithers binnen—dat is eerst een man! Die draagt

zijn jaren met eere. En zijn pruik ook! Hij heeft al tien jaar een

pruik—en hij was zoo beleefd en maakte mij zooveel complimentjes, dat

ik meende genoodzaakt te zullen zijn eens aan de schel te trekken. Ha,

ha, ha! Hij is een aardige man, maar een man zonder beginselen.”

„Wat moest gij bij Lady Mithers doen?” vroeg Steerforth.

„Oho, jongenlief, dat zou uit de school klappen zijn!” antwoordde zij,

terwijl zij weder tegen haar neus tikte, haar gezicht in een ernstigen

plooi zette en met haar oogen knipte, alsof zij een kaboutertje was,

met een bovennatuurlijk verstand. „Wat zou het u ook aangaan! Gij zoudt

niet willen weten of ik haar een middel heb gegeven tegen het uitvallen

van het haar of om ze voor grijs worden te bewaren of een verfje voor

haar wenkbrauwen, nietwaar? Eenmaal zult gij het weten, mijn beste—als

ik het u vertel. Weet gij wel, hoe mijn overgrootvader heette?”

„Neen.”

„Walker, lieve jongen,” ging juffrouw Mowcher voort, „hij stamde van

eene lange rij voorvaderen af, die allen Walker heetten, zoodat ik al

de Hoockey-landerijen erfde.”

Ik heb nooit iets gezien, dat met juffrouw Mowcher's lonkjes te

vergelijken was, behalve juffrouw Mowcher's koelbloedigheid. Zij had

ook eene eigenaardige manier om te luisteren naar iets, dat tot haar

gezegd werd, of naar een antwoord op iets dat zij zelve gezegd had; zij

draaide dan haar hoofd op zijde en had schijnbaar maar één oog open, op

de wijze als een ekster doet. Kortom, ik was een en al verbazing en zat

haar aan te kijken, zonder mij, naar ik vrees, ook maar eenigszins te

storen aan de wetten der wellevendheid.

Zij had intusschen den stoel naar zich toegetrokken en was bezig

met uit haar zak—waarin zij telkens haar korte armpje tot aan

den schouder instak—een aantal kleine fleschjes, sponzen, kammen,

borstels, stukjes flanel, friseerijzers en andere instrumenten te

voorschijn te halen, die zij alle op de zitting uitstalde. Eensklaps

staakte zij deze bezigheid en vroeg tot mijne groote verlegenheid:

„Hoe heet uw vriend, Steerforth?”

„Mijnheer Copperfield,” antwoordde Steerforth, „hij verlangde zeer

kennis met u te maken.”

„Welnu, daartoe is hij in de gelegenheid. Ik meende al aan zijn gezicht

te zien dat hij er naar verlangde,” sprak zij en kwam te gelijkertijd

met haar zak in de hand naar mij toe dribbelen. Zij lachte en zei: „Een

gezichtje als een perzik!” waarbij zij op haar teenen ging staan om mij

in de wangen te knijpen. „Verleidelijk! Ik ben verzot op perziken! Ik

ben heel blijde kennis met u te maken, mijnheer Copperfield, dat kan ik

u verzekeren.”

Ik verklaarde mij zelven geluk te wenschen met de eer van onze

kennismaking; de blijdschap was dus wederzijdsch.

„O, groote goedheid! Wat zijt gij beleefd!” riep juffrouw Mowcher uit,

terwijl zij eene wanhopige poging deed om haar groot gelaat met haar

kleine handje te bedekken. „Wat is de wereld toch vol bedrog! Is ze

niet?”

Deze uitriep was tot ons beiden gericht, want het kleine handje ging

van het gelaat af en verdween opnieuw, met den arm in den zak.

„Hoe bedoelt gij dat, juffrouw Mowcher?” vroeg Steerforth.

„Ha, ha, ha! Wat zijn wij toch eene aardige verzameling

humbug-verkoopers, is 't niet, mijn beste jongen? Zijn wij dat niet?”

vroeg het kleine vrouwtje op hare beurt, terwijl zij met het hoofd op

zijde en met één oog open in den zak loerde. „Kijk eens!” riep zij.

„Hier hebt gij afgeknipte nagels van een Russischen prins! Ik noem hem

altijd „de Prins met het onderste boven gekeerde alphabet”, want in

zijn naam staan alle letters kris en kras door elkander.”

„Dus is die Russische prins een klant van u?” vroeg Steerforth.

„Nu, dat zou ik denken, mijn ventje. Ik houd zijn nagels in orde.

Tweemaal 's weeks! Vingers en teenen!”

„En ik hoop, dat hij u goed betaalt?”

„Hij betaalt zooals hij spreekt, beste jongen—dat wil zeggen: grof,”

antwoordde juffrouw Mowcher. „Neen, de prins behoort niet tot de kalen!

Gij moest zijn knevels maar eens zien! Van nature rood, maar zwart door

de kunst!”

„Door uwe kunst, natuurlijk?” zei Steerforth.

Juffrouw Mowcher knikte toestemmend. „Hij _moest_ wel om mij sturen.

Er was niets aan te doen. Het klimaat deed zijn knevel verkleuren; in

Rusland hield de kleur zich goed, maar hier was het mis. Nooit in uw

leven zaagt gij zulk een roestigen prins als hij toen was. Precies oud

ijzer.”

„Noemdet gij hem daarom zoo straks een humbug-verkooper?” vroeg

Steerforth.

„O, wat zijt gij toch een slimmerd!” zei juffrouw Mowcher, hevig

het hoofd schuddend. „Ik zei, dat wij zulk een aardige verzameling

humbug-verkoopers zijn en liet u de nagels van den prins zien om dat

te bewijzen. Die nagels doen mij in het gewone leven meer voordeel

dan al mijn talenten te zamen. Ik draag ze altijd bij mij. Ze zijn de

beste introductie voor mij. Als juffrouw Mowcher de nagels knipt van

een prins, _moet_ zij wel overal welkom zijn. Ik geef ze aan de jonge

dames, die ze in hare albums leggen, als ik mij niet bedrieg. Ha, ha,

ha! de geheele sociale quaestie—zooals de heeren in het Parlement

zeggen in hunne hoogdravende redevoeringen—is niets dan een quaestie

van prinselijke nagels!” zei het dwergje, terwijl zij hare armen over

elkander trachtte te slaan en haar groote hoofd schudde.

Steerforth lachte hartelijk en ik deed mede. Juffrouw Mowcher bleef al

dien tijd het hoofd schudden, dat erg naar ééne zijde overhing, terwijl

zij met één oog in de lucht keek en met het andere knipte.

„Maar kom,” sprak zij, terwijl zij met beide handen op hare knietjes

klopte en tegelijkertijd opsprong, „dat is geen zaken doen. Kom,

Steerforth, laat mij de poolstreken eens inspecteeren!”

Zij nam toen van de uitstalling op den stoel twee of drie instrumenten

benevens een klein fleschje, en vroeg tot mijne groote verbazing of

de tafel haar zou kunnen dragen. Op Steerforth's bevestigend antwoord

zette zij er een stoel tegen, vroeg mijne hand te hulp en klom er

tamelijk vlug op, met een air alsof zij een tooneel beklom.

„Indien een van u beiden mijn enkels gezien heeft,” sprak zij, toen zij

veilig was aangeland, „zeg het, dan ga ik naar huis en maak mij van

kant.”

„Ik niet,” zei Steerforth.

„Ik ook niet,” zei ik.

„Welaan dan!” riep zij, „dan zal ik in het leven blijven. En nu,

eendjelief, eendjelief, kom bij juffrouw Bond en laat u slachten.”

Dit was eene uitnoodiging voor Steerforth om zich aan hare handen over

te geven; hij ging dan ook met den rug naar de tafel zitten, terwijl

zijn lachend gezicht naar mij toegekeerd was, en liet zijn hoofd door

haar inspecteeren, vermoedelijk met geen ander doel dan om ons eens

te laten lachen. Het was een vermakelijk schouwspel, zooals juffrouw

Mowcher daar op de tafel stond, en met een groot, rond vergrootglas

zijn weelderigen haardos bekeek.

„Gij zijt een knappe jongen,” zei juffrouw Mowcher na eene kortstondige

inspectie. „Als ik er niet was zoudt gij spoedig een kruin hebben zoo

kaal als een monnik. Heb een halve minuut geduld, mijn jonge vriend,

dan zullen wij u een zalfje geven, dat uw haren voor de eerste tien

jaren bewaren zal.” Na deze woorden goot zij iets van den inhoud van

het kleine fleschje op een lapje flanel, en nam met een borsteltje

iets daarvan af; daarna begon zij hiermede over Steerforth's hoofd te

wrijven met een ijver, als ik zelden iemand heb zien betoonen, terwijl

zij voortdurend praatte.

„Daar hebt gij Charley Pyegrave, de zoon van den hertog,” sprak zij.

„Gij kent Charley immers?” Bij deze vraag boog zij zich langs hem heen

om hem aan te kijken.

„Een weinig,” antwoordde Steerforth.

„Wat een man! En wat heeft die prachtige bakkebaarden! En zijn beenen,

wel, als ze maar een paar vormden—dat ze niet doen—dan zouden er

geen mooiere beenen op de wereld zijn. Wilt gij wel gelooven, dat

hij getracht heeft het zonder mij te stellen.... toen hij bij de

Life-Guards was?”

„Hij is gek,” zei Steerforth.

„Het heeft er veel van. Evenwel, gek of niet, hij heeft het

beproefd,” ging juffrouw Mowcher voort. „Wat doet hij? Hij gaat een

parfumeriewinkel binnen en wil een fleschje Madagascar-tinctuur

koopen.”

„Deed Charley dat?”

„Dat deed Charley. Maar zij verkoopen daar geen Madagascar-tinctuur.”

„Wat is dat? Kan men dat drinken?” vroeg Steerforth.

„Drinken?” herhaalde juffrouw Mowcher, terwijl zij ophield om hem een

tikje op de wang te geven. „Om zelf zijn knevel mede te onderhouden;

begrijpt gij het nu? Daar was een vrouw in den winkel,... al op

jaren.... een echte draak die het nooit had hooren noemen. ‚Neem mij

niet kwalijk, mijnheer,’ zei de draak tegen Charley, ‚bedoelt gij

ook...... ook..... _rouge_?’ ‚Rouge?’ herhaalde Charley. ‚Dat men

fatsoenlijke lippen nooit hoort uitspreken? Meent gij dat ik _rouge_

noodig heb?’ ‚Houd het mij ten goede, mijnheer,’ zei de draak, ‚dat

wordt ons onder zooveel namen gevraagd; ik meende dus dat gij _rouge_

bedoeldet’. Welnu, mijn jongen,” ging juffrouw Mowcher al wrijvende

voort, „is dat nu ook geen humbug? Ik doe er ook wel een beetje aan....

misschien veel.... misschien weinig.... pas maar op, beste jongen....

en hiermee basta.”

„Waaraan doet gij mee? Aan _rouge_?” vroeg Steerforth.

„Ja, dat zijn geheimen, zooals ze in elk beroep bestaan, mijn ijverige

leerling,” zei de voorzichtige juffrouw Mowcher. „Ik zeg dat ik er ook

aan meedoe. Eene zekere douairière noemt het lippenzalf. Eene andere

noemt het handschoenen. Eene derde noemt het een ruche. Weer een ander

een waaier. En ik noem het zooals _zij_ het noemen. Ik bezorg het haar

en wij houden ons tegenover elkander zoo goed en trekken er zulk een

ernstig gezicht bij, dat zij het evenmin in mijne tegenwoordigheid

zouden aanwenden als in een salon vol vriendinnen. En wanneer ik op

haar wacht, vragen zij soms—met een dikke laag op de wangen—‚Hoe zie

ik er uit, Mowcher? Ben ik niet bleek?’ Ha! ha! ha! Is dat nu niet

kostelijk, mijn jonge vriend?”

Nooit in mijn leven aanschouwde ik iets, dat met dit tooneeltje te

vergelijken was: juffrouw Mowcher, op de tafel staande, hartelijk

lachend over haar ‚kostelijke grap’ en steeds met den grootsten ijver

Steerforth's hoofd wrijvend, terwijl zij mij daar overheen lonkjes

toewierp.

„Maar,” hernam zij, „naar zulke dingen wordt hier niet gevraagd. Ik

keer dus spoedig terug. Ik heb geen een mooi meisje gezien sinds ik

hier ben.”

„Niet?” vroeg Steerforth.

„Zelfs geen schim van een mooi meisje,” antwoordde juffrouw Mowcher.

„Nu, wij zouden er haar een kunnen laten zien in levenden lijve, niet

waar Groentje?” zei Steerforth, terwijl hij mijne oogen opzocht.

„Ja, zeker,” zei ik.

„Aha!” riep het kleine vrouwtje, mij scherp aankijkende en toen weder

om Steerforth's hoofd heenbuigend om hem in het gezicht te zien. „Hm!

Hm!”

De eerste uitroep scheen ons beiden te gelden, maar de laatste

was blijkbaar alleen tot Steerforth gericht. Zij scheen noch op

Steerforth's noch op mijn gelaat een antwoord te lezen en ging voort

met wrijven, met haar hoofd op zijde en één oog wijd geopend, alsof zij

een antwoord in de lucht zocht en zeker geloofde het daar spoedig te

zullen vinden.

„Is zij eene zuster van u, mijnheer Copperfield?” riep zij na eene

kleine pauze en nog steeds in de lucht kijkende. „Wel, Wel!”

„Neen,” antwoordde Steerforth nog eer ik het doen kon. „Volstrekt niet.

Integendeel, mijnheer Copperfield was—of ik heb het mis—altijd een en

al bewondering voor haar.”

„En is hij dat nu niet meer?” vroeg juffrouw Mowcher. „Is hij

wispelturig? O, foei! Heeft hij elk bloempje gekust, is hij elk uur

veranderd tot Polly eindelijk zijne liefde beantwoordde?—Heet zij niet

Polly?”

Deze onverwachte vraag, die zij op guitigen toon deed, en de

onderzoekende blik, waarmede zij mij aankeek, brachten mij een

oogenblik in verlegenheid. „Neen, juffrouw Mowcher,” zei ik. „Haar naam

is Emily.”

„Aha!” riep zij, precies op denzelfden toon als zooeven. „Hm! Hm!

Wat ben ik toch aan het doorslaan! Vindt gij mij niet een kluchtig

schepsel, mijnheer Copperfield?”

Haar toon en haar blik wekte eene onaangename gewaarwording bij mij op

in verband met het onderwerp van ons gesprek. Op ernstiger toon dan een

van ons nog had aangeslagen, zei ik daarom: „Zij is even deugdzaam als

mooi. Zij is verloofd met een braven, werkzamen man uit haar stand.

Ik acht haar evenzeer om haar verstand als ik haar bewonder om hare

bevalligheid.”

„Goed gezegd!” riep Steerforth. „Hoor, hoor, hoor! Nu zal ik aan de

nieuwsgierigheid van deze kleine Fatima maar in eens voldoen door

haar alles te vertellen wat zij weten mag. Zij is tegenwoordig op den

winkel, juffrouw Mowcher, of in de leer, als gij het zoo noemen wilt,

bij Omer en Joram, lakenhandelaars, heeren- en dameskleedermakers,

enz. Let gij wel op? Omer en Joram. De verloving, waarvan mijn vriend

spreekt, is aangegaan met haar neef; doopnaam: Ham; familienaam:

Peggotty; beroep: scheepstimmerman; bij gevolg: hier woonachtig. Zij

woont bij een bloedverwant; doopnaam: onbekend; familienaam: Peggotty;

beroep: visscher; bij gevolg: ook hier woonachtig. Zij is het mooiste,

liefste schepseltje van de wereld. Ik bewonder haar—evenals mijn

vriend—in hooge mate. Indien het niet zou schijnen, dat ik haar

verloofde minachtte, hetgeen mijn vriend zou spijten, zou ik er wel

willen bijvoegen dat zij zich, naar mijn oordeel, weggooit, dat zij

veel betere partij zou kunnen doen en, volgens mijne overtuiging,

geboren is om eene dame te worden.”

Juffrouw Mowcher luisterde naar deze langzaam en duidelijk uitgesproken

woorden met het hoofd op zijde en haar oog in de lucht, alsof zij weder

een antwoord zocht. Toen hij ophield, werd zij in een oogenblik weer

levendig en praatte met verbazende radheid een geheelen tijd door.

„O! En is dat alles wat gij van haar te zeggen hebt?” riep zij uit,

terwijl zij met een klein schaartje, dat met bliksemsnelheid om zijn

hoofd flikkerde, zijne bakkebaarden aanpuntte. „Heel aardig! Heel

aardig! Een lang verhaal! Dat behoort te eindigen: ‚en zij leefden heel

gelukkig te zamen’, is 't niet? Hoe is dat pandspel ook weer? Alles

begint dan met V. Ik bemin haar omdat zij zoo verrukkelijk is; ik haat

haar omdat zij verloofd is; ik schaak haar omdat... ja, ik ken het

niet meer. Ha, ha, ha! Vindt gij mij geen kluchtig schepsel, mijnheer

Copperfield?”

Zij bleef mij voortdurend met een ondeugend gezicht aankijken en zonder

een antwoord af te wachten, ging zij voort:

„Ziezoo, als er ooit een deugniet netjes gekapt is geweest, zijt

gij het, Steerforth. Als ik één bol op de wereld ken, dan is het de

uwe. Hoort gij wel wat ik zeg, lieve jongen? Ik weet precies wat er

in dat bolletje omgaat! En nu moogt gij verdwijnen, ventje, dan kan

mijnheer Copperfield op den stoel plaats nemen om dezelfde operatie te

ondergaan.”

„Wel, Groentje?” vroeg Steerforth lachend en zijn stoel afstaande:

„Wilt gij u ook laten adoniseeren?”

„Dank u, juffrouw Mowcher, van avond niet.”

„Zeg toch niet neen,” sprak het kleine vrouwtje, terwijl zij mij met

een kennersblik opnam, „als wij alleen de wenkbrauwen eens wat langer

maakten?”

„Dank u,” antwoorde ik, „bij eene andere gelegenheid.”

„Ze moeten ongeveer een vierde van een duim meer naar de slapen

gebracht worden,” ging juffrouw Mowcher voort, „binnen veertien dagen

zijn wij daarmede gereed.”

„Neen, dank u, voorloopig niet.”

„Niet? Welnu, laat ons dan het begin maken voor een paar nette

bakkebaarden. Kom, neem plaats!”

Ik kon niet nalaten te blozen toen ik ook dit afwees, want zij had mij

hiermede in mijn zwak getast. Maar, juffrouw Mowcher zag, dat ik mij

voorloopig niet van hare kunst wilde bedienen en bestand bleef voor de

verleiding, zelfs toen zij den inhoud van, het fleschje tegen het licht

hield, teneinde hare overredingskracht te hulp te komen; zij zeide dat

ik binnenkort wel tot haar zou komen en verzocht daarop den steun van

mijne hand, om vlug van haar verheven standplaats af te komen.

„En hoeveel ben ik u schuldig?” vroeg Steerforth.

„Vijf shilling,” antwoordde juffrouw Mowcher, „is 't niet schandekoop,

mijn hartje? Vindt gij mij niet kluchtig, mijnheer Copperfield.”

Heel beleefd antwoordde ik: „Volstrekt niet.” Ik meende echter het

tegendeel en werd daarin nog versterkt door de wijze, waarop zij de

beide halve kronen aannam, in de hoogte wierp, opving en in den zak

stak, waarna zij een luiden klap er op gaf.

„Dit is mijn geldlaadje!” zei juffrouw Mowcher, toen zij weer bij

haar stoel stond en haar zak inpakte. „Heb ik nu alles? Ik geloof

het wel. Ik zou niet graag Ned Beadwood navolgen, die, toen men hem

afhaalde om te trouwen, in de kerk verscheen zonder bruid. Ha, ha,

ha! Een ondeugende schelm, die Ned!—En nu weet ik dat ik uw hart

zal breken, maar ik ben genoodzaakt u te verlaten. Gij moet al uwe

standvastigheid maar verzamelen, en trachten het te dragen. Vaarwel,

mijnheer Copperfield! Wat heb ik gebabbeld! Dat is uwe schuld, gij

deugnieten! Ik vergeef het u! „Bob _swore_!” (Bob vloekte,) zei zekere

Engelschman, die pas Fransch leerde, voor „Bonsoir”. „Bob swore, beste

jongens!””

Met den grooten zak aan den arm trippelde zij naar de deur en de gang

in, al voortbabbelende; toen ik meende dat zij al weg was, keerde

zij nog eens terug en vroeg: „Zal ik ook een lok van mijn haar voor

u achterlaten? Vindt gij mij niet kluchtig?” voegde zij er bij en

ging toen, met den vinger tegen den neus en het hoofd op zijde, heen.

Steerforth barstte in zulk een schaterlach uit, dat ik niet kon nalaten

mede te lachen, hoewel ik daartoe, naar ik meen, zonder die opwekking

niet zou zijn overgegaan. Toen wij na eenigen tijd tot bedaren waren

gekomen, hetgeen vrij lang duurde, vertelde Steerforth mij, dat

juffrouw Mowcher zich jegens verschillende soorten van menschen op

verscheidene wijzen verdienstelijk maakte. „Sommigen vermaken zich

slechts met hare zonderlinge manieren,” vertelde hij, „maar zij is zulk

eene sluwe, fijne opmerkster als ik ooit iemand ontmoet heb; haar

verstand is in dezelfde mate ontwikkeld als hare armpjes klein gebleven

zijn.”

Hij zei, dat hetgeen zij omtrent hare bezoeken bij deze en die

verteld had, de waarheid was; dat zij gedurig op het platteland kwam,

overal klanten scheen te vinden en iedereen kende. Ik vroeg hem naar

haar karakter; of zij nooit onheil stichtte en altijd wel het goede

voorstond; maar na twee of drie malen te vergeefs getracht te hebben

zijne aandacht op deze vragen te vestigen, zag ik van eene herhaling

af. Daarentegen vertelde hij mij met radde tong, dat zij zeer bekwaam

was in haar vak, veel geld verdiende en ook heel goed koppen kon

zetten, hetgeen hij mij aanried te onthouden voor het geval ik die eens

mocht noodig hebben. Zij bleef dien geheelen avond het voornaamste

onderwerp uitmaken van ons gesprek en toen wij afscheid namen, riep

Steerforth mij nog over de leuning van de trap na:

„Bob swore, Groentje!”

Toen ik de woning van Barkis naderde, was ik zeer verbaasd Ham daar

voor te zien op en neerloopen; maar mijne verbazing werd nog grooter,

toen hij mij vertelde, dat Emily binnen was. Ik vroeg natuurlijk,

waarom hij ook niet binnen was gegaan in plaats van daar voor het huis

op en neer te loopen?

„Ziet ge, jongeheer Davy,” antwoordde hij op aarzelenden toon, „Emily

moet daar met iemand spreken.”

„Ik zou meenen,” hernam ik glimlachend, „dat dit een reden te meer voor

u moest zijn om binnen te gaan, Ham.”

„Ja, jongeheer Davy, over het algemeen zou het dat ook zijn,”

antwoordde hij, „maar ziet ge, jongeheer Davy”—hij liet zijne stem

dalen en zijn toon werd ernstiger—„er is een meisje binnen.... een

meisje, dat Emily vroeger gekend heeft en nu niet meer behoort te

kennen.”

Toen ik dit vernam, ging mij een licht op over de gestalte, die ik hem

eenige uren geleden had zien volgen.

„Zij is een ongelukkig schepsel, jongeheer Davy,” ging Ham voort,

„de geheele stad werpt met steenen naar haar. Overal! Er ligt op het

gansche kerkhof niets onder den grond, waarvan de menschen meer gruwen

dan van haar.”

„Kan ik haar van avond op het strand ontmoet hebben, nadat wij u waren

tegengekomen?”

„Dat is wel mogelijk, jongeheer Davy,” antwoordde Ham. „Ik wist niet,

dat zij ons volgde, maar korten tijd daarna kwam zij onder het venster

van Emily's kamertje, waar zij licht had gezien, en fluisterde: ‚Emily,

Emily, toon toch in Jezus' naam, dat gij medelijden hebt met eene

ongelukkige vrouw; ik ben eenmaal ook zoo geweest als gij.’ Dat waren

hartverscheurende woorden, jongeheer Davy.”

„Dat waren ze wel, Ham. En wat deed Emily?”

„Emily vroeg: ‚Zijt gij het, Martha? O, Martha, hoe is het

mogelijk!’—Zij hadden menigen dag samen zitten werken bij Omer.”

„Ik herinner mij haar nu zeer goed!” riep ik uit en dacht daarbij aan

een der meisjes, die ik bij mijn eerste bezoek daar ontmoet had.

„Martha Endell,” zei Ham. „Zij is twee of drie jaar ouder dan Emily,

maar was met haar op dezelfde school.”

„Ik heb haar naam nooit gehoord,” zei ik. „Maar .... ik had u niet in

de rede moeten vallen.”

„Wat haar betreft, alles is eigenlijk gezegd in die woorden: ‚Emily,

toon toch in Jezus' naam, dat gij medelijden hebt met eene ongelukkige

vrouw; ik ben ook eenmaal geweest als gij.’ Zij wenschte Emily te

spreken. Maar Emily kon niet met haar spreken, want haar beste oom

was thuis en haar oom zou het niet willen hebben—neen, jongeheer

David,” zei Ham met den grootsten ernst, „hij zou het niet willen

hebben, hoe goedhartig en teergevoelig hij is; hij zou die twee niet

bij elkander kunnen zien—voor alle schatten, die de zee reeds heeft

verslonden, niet!”

Ik voelde dat hij gelijk had; ik wist het op dit oogenblik even zeker

als Ham.

„Emily schreef daarom een paar woorden op een stukje papier,” ging

hij voort, „en gaf het haar om het hier heen te brengen. ‚Breng dit

aan mijne tante, aan juffrouw Barkis,’ sprak zij, ‚zij zal u wel een

plaatsje aan den haard geven uit liefde voor mij, tot oom uit is en

ik bij u komen kan.’ Naderhand vertelde zij mij wat ik u nu vertel,

jongeheer Davy, en vroeg mij haar hier heen te brengen. Wat kon ik

doen? Zij behoort zulke meisjes niet meer te kennen, maar als ik

tranen in hare oogen zie—hoe zou ik haar dan iets kunnen weigeren?”

Hij stak de hand in den borstzak van zijn ruig buis en haalde een

aardig klein beursje te voorschijn.

„En al kon ik haar iets weigeren, wanneer ik tranen in hare oogen zie,

jongeheer Davy,” ging hij voort, terwijl hij het beursje met zijne ruwe

hand omklemde, „hoe kon ik het haar weigeren toen zij mij dit te dragen

gaf,... wetende waarvoor zij het wenscht te gebruiken. Kijk eens, hoe

mooi! En dan zulk een beetje geld! 't Is zeker alles wat het lieve kind

heeft kunnen besparen!”

Toen hij het beursje weder in den zak had gestoken, schudde ik hem

met warmte de hand—ik voelde daaraan meer behoefte dan om iets te

zeggen—waarna wij eenigen tijd zwijgend op en neer bleven wandelen.

De deur werd geopend en Peggotty kwam buiten, Ham wenkende om binnen

te komen. Ik wilde mij achteraf houden, maar zij verzocht mij ook naar

binnen te gaan. Ik zou echter geweigerd hebben in de kamer te komen,

waar zij allen bijeen waren, indien men niet van de straat onmiddellijk

in de zindelijke, met tegels bevloerde keuken had gestaan. Ik was dus,

eer ik er zelf aan dacht, midden in het gezelschap.

Het meisje—hetzelfde, dat wij op het strand ontmoet hadden—zat bij

den haard op den grond, met het hoofd op den arm, die op een stoel

lag. Uit deze houding maakte ik op, dat Emily even te voren van dezen

stoel was opgestaan en dat het ongelukkige schepsel met het hoofd op

Emily's schoot had gelegen. Ik zag slechts een klein gedeelte van haar

gezicht, want de haren hingen er over heen alsof zij ze zelve had

losgemaakt; ik zag echter wel dat zij nog jong was en een fraai teint

had. Peggotty had geschreid en Emily ook. Toen wij binnen kwamen werd

er in de eerste oogenblikken geen woord gesproken, en de Friesche klok,

bij het aanrecht, scheen in die stilte tweemaal zoo hard te slaan als

gewoonlijk.

„Martha wil naar Londen gaan,” zei Emily eindelijk tegen Ham.

„Waarom naar Londen?” vroeg Ham.

Hij stond tusschen beiden in en ik zal nimmer den blik vergeten,

dien hij op het ongelukkige schepsel wierp, een blik, waarin zoowel

medelijden met haar lot als bezorgdheid over de nauwe aanraking met

het liefste, dat hij op de wereld kende, waren te lezen. Zij spraken

over haar, alsof zij ziek was, op zachten, medelijdenden toon, dien men

nauwelijks verstaan kon, ofschoon zij toch volstrekt niet fluisterden.

„Beter daar dan hier,” klonk een derde stem vrij luid. Het was die van

Martha, ofschoon zij zich in het geheel niet bewoog. „Niemand kent mij

daar. Hier kent mij iedereen.”

„En wat wilt gij daar doen?” vroeg Ham.

Zij lichtte het hoofd op en keek een oogenblik met een somberen blik

in het rond; daarna legde zij haar hoofd weder neer en sloeg den

rechterarm om haar hals, zooals eene vrouw zich zou wringen in hevige

pijn of in doodsangst.

„Zij wil trachten beter te worden,” zei de kleine Emily. „Gij weet niet

wat zij ons verteld heeft. Is 't wel, tante.... weten zij dat wel?”

Peggotty schudde medelijdend het hoofd.

„Ik zal trachten beter te worden,” zei Martha, „indien gij mij wilt

helpen. Ik kan niet slechter worden dan ik geweest ben. Ik zal beter

worden. O!”—zij huiverde—„help mij om deze stad te verlaten, waar

iedereen mij gekend heeft als kind.”

Toen Emily hare hand voor Ham ophield, zag ik dat hij er een klein

linnen zakje in stopte. Zij nam het aan, meenende dat 't haar beursje

was, en deed twee schreden naar voren; toen zag zij pas, dat zij zich

vergist had, kwam bij hem terug en liet het hem zien.

„Dat is voor u, Emily,” hoorde ik hem zeggen. „Ik bezit niets op de

wereld dat niet van u is, liefste. Wat zou ik er aan hebben, als gij

het niet gebruiktet?”

De tranen sprongen haar in de oogen, maar zij stond op en ging naar

Martha. Ik weet niet wat zij haar gaf. Ik zag hoe zij zich over haar

heen bukte en eenig geld tusschen de plooien van hare japon liet

glijden; waarop zij eenige woorden tot haar sprak en vroeg of het

genoeg was?—„Meer dan genoeg,” zei de andere en kuste hare hand.

Toen stond Martha op, sloeg haar doek om haar hoofd en half over haar

gezicht, en ging langzaam naar de deur. Eer zij de woning verliet bleef

zij staan, alsof zij iets wilde zeggen of wilde terugkeeren, maar er

kwam geen woord over hare lippen. Achter den omslagdoek vernam ik

echter hetzelfde kermende geluid, en toen ging zij heen.

Nadat de deur gesloten was, keek Emily ons drieën een voor een aan, en

begon toen luid te snikken met de handen voor 't gelaat.

„Doe dat niet, Emily!” zei Ham, haar teeder op den schouder kloppende.

„Doe dat niet! Gij moogt niet zoo schreien liefste.”

„O, Ham!” riep zij uit, nog steeds snikkend. „Ik ben niet zulk een

braaf meisje als ik behoorde te zijn! Ik weet dat ik niet altijd zoo

dankbaar ben, als ik behoorde te zijn!”

„Ja, ja, dat zijt gij wel, zeker,” zoo stelde Ham haar gerust.

„Neen, neen!” riep zij, snikkend en hoofdschuddend. „Ik ben niet zoo

braaf als ik behoorde te zijn. O, lang niet, lang niet!” Zoo bleef zij

voortschreien alsof haar het hart zou breken.

„Ik verg te veel van uwe liefde! Dat weet ik!” riep zij snikkend. „Ik

ben menigmaal bits tegen u en nukkig, terwijl ik heel anders zijn

moest. Gij zijt nooit zoo tegen mij. Hoe zou ik zoo tegen u kunnen

zijn, terwijl ik aan niets anders denk dan aan de wijze waarop ik u

mijne dankbaarheid zou kunnen toonen en u gelukkig maken!”

„Gij maakt mij altijd gelukkig,” zei Ham. „Ik ben al gelukkig als ik u

maar zie. Ik ben den geheelen dag gelukkig, want ik denk altijd aan u.”

„Maar dat is niet genoeg!” riep zij. „Dat is, omdat gij braaf zijt,

maar niet omdat ik het ben! O, lieve Ham, het zou veel beter geweest

zijn, als gij verliefd waart geworden op een ander meisje, op een, die

standvastiger en uwer meer waard was, die altijd aan u dacht en nooit

ijdel en onstandvastig was zooals ik.”

„Arme, kleine lieveling,” zei Ham met zachte stem. „Martha heeft u

geheel van streek gebracht.”

„Och, tante,” zei Emily nog steeds snikkend, „kom eens hier en laat mij

tegen u aanliggen. O, ik voel mij zoo ongelukkig van avond, tante. Ik

ben niet zulk een braaf meisje als ik behoorde te zijn! Ik weet dat ik

niet ben zooals ik zijn moest!”

Peggotty was haastig naar den stoel bij den haard gegaan en Emily

knielde, met de handen om haar hals geslagen, voor haar neer en keek

haar ernstig aan.

„O, tante, ik smeek u, tracht mij te helpen! En Ham, beste, gij moet

mij ook helpen! En mijnheer David zal, indien hij aan vroegere dagen

terugdenkt, mij ook wel helpen! Ik moet een beter meisje worden dan ik

ben. Ik moest u allen honderdmaal dankbaarder zijn dan ik ben. Ik moest

het meer voelen, welk een zegen het is de vrouw te worden van zulk een

besten man en een vredige toekomst te hebben. O! hoe bonst mijn arm

hart!”

Na deze jammerklachten, die door den angstigen toon, waarop ze werden

uitgesproken, nu eens aan eene vrouw dan weder aan een kind deden

denken—trouwens dezen indruk kreeg men van alles wat zij deed;

dat was juist hare aantrekkelijkheid en paste zoo goed bij hare

schoonheid—wierp zij zich aan de borst van hare tante en schreide

bittere tranen, terwijl Peggotty haar suste als een kind. Langzamerhand

werd zij kalmer, en toen brachten wij haar verder tot bedaren door

haar bemoedigend toe te spreken, ook wel door met haar te schertsen,

tot zij eindelijk het hoofd oprichtte en ons begon te antwoorden. Zoo

gingen wij voort tot zij weder een glimlach ten beste gaf en eindelijk,

half beschaamd, begon te lachen; terwijl Peggotty hare krullen naar

achteren streek, hare oogen afdroogde en haar weer opknapte, opdat haar

oom niet zou vragen waarom zijn lieveling geschreid had.

Ik zag haar dien zelfden avond iets doen wat ik nog nooit gezien had.

Ik zag haar een onschuldigen kus drukken op Ham's wang, terwijl zij

zich tegen zijne forsche gestalte aan vleide, alsof die haar beste

steun was. Toen zij te zamen in het witte maanlicht verdwenen, en

ik, hen nastarende, de wijze van hun vertrek vergeleek bij Martha's

haastige verdwijning, zag ik dat zij met beide handen op zijn arm

steunde en zich dicht tegen haar aanstaanden echtgenoot aandrukte.

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 35 / 79 题