XXI.

De kleine Emily.

Er was een knecht in huis, een man, die, zooals ik later begreep,

aan de academie in dienst was gekomen bij Steerforth en hem

overal vergezelde, een man, die in zijn stand een toonbeeld was

van fatsoenlijkheid. Ik geloof niet, dat er in dien stand ooit

fatsoenlijker man geboren werd. Hij sprak weinig, liep zacht, had

zeer bedaarde manieren, was onderdanig, opmerkzaam, altijd bij de

hand als men hem noodig had en nooit in de nabijheid als men hem niet

noodig had; maar zijne grootste verdienste was zijn buitengewone

fatsoenlijkheid. Hij had geen bewegelijk gezicht, eerder een stijven

nek en een rond glad hoofd met kort haar, dat tegen de slapen was

vastgeplakt; hij sprak altijd zacht en had de eigenaardige gewoonte om

de letter S zoo duidelijk uit te spreken, dat het scheen alsof hij die

letter vaker gebruikte dan alle andere; maar welke eigenaardigheden

hij ook bezat, ze waren alle hoogst fatsoenlijk. Al had zijn neus het

onderste boven gestaan, zou hij er toch fatsoenlijk hebben uitgezien.

Hij hulde zich in een waas van fatsoenlijkheid en wandelde daarin met

de grootste zekerheid rond. Hij was zoo fatsoenlijk, dat men onmogelijk

iets verkeerds in hem had kunnen ontdekken. Niemand zou het in de

gedachte gekomen zijn hem in livrei te steken—daartoe was hij veel te

fatsoenlijk. Door eenig vernederend werk van hem te vorderen, zou men

het gevoel van een fatsoenlijk man op baldadige wijze hebben gekwetst.

De vrouwelijke dienstboden waren zich dat onwillekeurig bewust en deden

al het werk zelven, terwijl hij bij de kachel in de dienstbodenkamer

de krant zat te lezen. Nooit ontmoette ik zulk een zelfgenoegzaam man,

maar ook deze hoedanigheid, evenals elke andere die hij bezat, scheen

hem des te fatsoenlijker te maken. Zelfs de omstandigheid dat niemand

zijn doopnaam kende, maakte een deel uit van zijn fatsoen. Wat kon men

ook hebben tegen zijn familienaam Littimer, waaronder hij bij iedereen

bekend was? Peter kon opgehangen, Tom naar de galeien verwezen zijn; de

naam Littimer was zoo fatsoenlijk als men wenschen kon.

Ik vermoed, dat het tengevolge van de hoogst eerwaardige soort van

zijne fatsoenlijkheid was, dat ik mij in zijne tegenwoordigheid zoo

bijzonder jong voelde. Ik kon onmogelijk gissen hoe oud hij zelf was,

maar ook dat kwam weder ten voordeele van dezelfde hoedanigheid; want

de fatsoenlijke kalmte, waarmede hij alles deed, maakte den indruk van

een vijftiger zoowel als van een man van dertig jaren.

Nog eer ik den eersten morgen uit mijn bed was, stond Littimer

reeds in mijne kamer met dat beleedigende scheerwater, terwijl hij

tegelijkertijd mijne kleederen kwam halen om ze af te borstelen. Toen

ik de gordijnen op zijde schoof en uit mijn bed keek, zag ik hem daar

staan, in zijn gelijkmatig waas van fatsoenlijkheid, waarop zelfs de

noordoostenwind in Januari geen invloed scheen te hebben, want zijn

adem was niet zichtbaar. Hij plaatste mijne laarzen in het eerste tempo

van de polka en blies eenige stofjes van mijn jas, die hij daarna zoo

omzichtig neerlegde, alsof het een pasgeboren kindje was.

Ik wenschte hem goeden morgen en vroeg hoe laat het was, waarop hij het

fatsoenlijkste horloge uit zijn vestzak te voorschijn haalde, dat ik

ooit gezien heb, met zijn duim het deksel liet openspringen, naar de

wijzerplaat keek met een gezicht alsof hij een orakel raadpleegde, het

horloge dicht deed en zeide dat het „met mijn welnemen half negen was.”

„Mijnheer Steerforth zou gaarne willen weten hoe uw nachtrust geweest

is, mijnheer?”

„Dank u,” antwoordde ik, „zeer goed. Heeft mijnheer Steerforth goed

geslapen?”

„Dank u, mijnheer Steerforth heeft vrij wel geslapen.”—Hij gebruikte

nooit superlatieven; dat was ook weder een van zijne eigenaardigheden.

Hij bewandelde steeds in alles den middenweg, behalve in zijne

fatsoenlijkheid.

„Mag ik de eer hebben nog iets voor u te doen, mijnheer? De eerste

bel wordt te negen uur geluid; de familie gebruikt te half tien het

ontbijt.”

„Neen, dank u, niets.”

„Ik dank u, mijnheer—met uw welnemen”; met deze woorden en een

lichte buiging, terwijl hij het bed voorbij ging, als verzocht hij

verschooning voor zijne terechtwijzing, ging hij heen en sloot de deur

zoo zacht, alsof ik juist in eene weldadige sluimering gevallen was,

waarvan mijn leven afhing.

Elken morgen hielden wij ditzelfde gesprek; nooit meer, maar ook nooit

minder: en toch, hoe ik mij des avonds ook vereerd had gevoeld door het

gezelschap en het vertrouwen van mevrouw Steerforth en haar zoon, of

door de gesprekken met juffrouw Dartle, in tegenwoordigheid van dezen

hoogst fatsoenlijken man kwam ik mij zelven weer voor als een knaap.

Littimer huurde paarden voor ons en Steerforth, die alles kende, gaf

mij rijles. Littimer bezorgde ons degens en handschoenen, Steerforth

gaf mij les in het schermen—en onder leiding van denzelfden meester

begon ik boksen te leeren. Geen oogenblik voelde ik eenige schaamte,

omdat Steerforth mij een nieuweling vond in al deze zaken, maar het

hinderde mij telkens, wanneer ik blijken gaf van mijne onkunde in

tegenwoordigheid van den fatsoenlijken Littimer. Ik had volstrekt geen

aanleiding te onderstellen dat Littimer zelf een meester was in al deze

lichaamsoefeningen; hij gaf mij nooit, zelfs niet door eene trilling

van zijne hoogst fatsoenlijke oogleden aanleiding om dit te vermoeden

en toch, wanneer hij bij de lessen tegenwoordig was, had ik een gevoel,

alsof ik de domste en onhandigste sterveling van de wereld was. Ik weid

over dezen man zoo uit, omdat hij zulk een bijzonderen indruk op mij

maakte en om hetgeen later voorviel.

De week ging op de aangenaamste wijze voorbij, maar zooals men

begrijpen kan, voor mij, voor wien alles nieuw was, veel te vlug. Ik

had de beste gelegenheid om Steerforth beter te leeren kennen en om

duizend redenen te bewonderen, zoodat het mij op het einde der week

toescheen of ik veel langer met hem samen geweest was. De ongedwongen

wijze, waarop hij mij eigenlijk als een stuk speelgoed beschouwde, was

mij aangenamer dan welke andere behandeling zijnerzijds mij zou kunnen

geweest zijn. Ik werd daardoor herinnerd aan onze eerste kennismaking,

waarvan deze behandeling mij het natuurlijke gevolg toescheen; ik zag

daaruit dat hij niet veranderd was; ik voelde mij nooit bezwaard,

wanneer ik mij bij hem vergeleek en mij afvroeg, of ik wel zooveel

aanspraak maken mocht op zijne vriendschap en bovendien, zijne wijze

van omgang met mij was zoo ongedwongen, zoo vertrouwelijk als met geen

ander. Evenals hij op de school anders met mij was omgegaan dan met

alle anderen, ging hij ook thans anders met mij om dan met alle andere

vrienden. Ik geloof dat ik grooter plaats in zijn hart had ingenomen

dan alle andere vrienden en ik zelf voelde mij onweerstaanbaar tot hem

aangetrokken.

Zijn besluit om met mij mede te gaan naar Suffolk stond nu vast en

de dag voor ons vertrek was bepaald. Hij had lang geaarzeld of hij

Littimer mede zou nemen, maar besloot eindelijk hem thuis te laten. De

fatsoenlijke man, die tevreden was met elke beschikking ten opzichte

van zijn persoon, pakte onze valiezen, legde ze in het wagentje, dat

ons naar Londen zou brengen en nam mijn bescheiden gift in ontvangst

met een gezicht, waarop geene dan eene zeer fatsoenlijke uitdrukking

lag.

Wij namen afscheid van mevrouw Steerforth en juffrouw Dartle met

hartelijke dankbetuigingen mijnerzijds en eene dringende uitnoodiging

van de trotsche moeder om nog eens terug te komen. Het laatste, dat

ik zag, was Littimer's gezicht, waarop thans—dat verbeeldde ik mij

tenminste—te lezen stond dat ik nog heel jong was.

Wat ik gevoelde, toen ik, zoo in mijn voordeel veranderd, naar die

oude geliefkoosde, plekjes terugkeerde, kan ik onmogelijk beschrijven.

Wij reisden met den postwagen en ik was zoo bezorgd voor de eer van

Yarmouth, dat toen Steerforth, gedurende onzen rit door de nauwe

straten, zeide, dat het nog wel een aardig stadje was, ik ten hoogste

ingenomen was met deze verklaring. Onmiddellijk na onze aankomst gingen

wij naar bed en eerst laat in den morgen gebruikten wij het ontbijt.

Toen wij langs de herberg kwamen, waar ik bij mijn vertrek naar

Salem-House een onderkomen had gevonden, zag ik een paar morsige

schoenen met slobkousen aan de deur staan en vermoedde dat ze den

bediende, die toen zoo vriendelijk voor mij geweest was, toebehoorden,

hetgeen een reden voor mij was om den anderen kant uit te kijken.

Steerforth was in eene bijzonder vroolijke stemming en had, eer ik op

was, reeds een wandeling langs het strand gemaakt en met de helft van

de visschers vriendschap aangeknoopt, naar hij zeide. Bovendien had hij

op een afstand een schuit zien liggen, die volgens mijne beschrijving

het huis moest zijn van baas Peggotty; de rook steeg zoo lustig uit

den schoorsteen naar boven, dat hij op het punt was geweest er heen te

gaan en te verklaren, dat hij David Copperfield en zóó gegroeid was,

dat niemand hem zou herkennen.

„Wanneer denkt gij mij daar aan die brave lieden voor te stellen,

Groentje?” vroeg hij. „Ik ben gereed; bepaal dus zelf maar het

tijdstip!”

„Mij dunkt.... van avond, als zij allen rondom het vuur zitten. Ik zou

u zoo gaarne een gezelligen indruk van het geheel laten krijgen; 't is

zoo'n aardige woning.”

„Goed dan!” antwoordde Steerforth, „van avond.”

„Ik zal hun niet laten weten dat ik hier ben, begrijpt ge?” zei ik

opgeruimd. „Wij zullen hen verrassen.”

„O, natuurlijk! Alle aardigheid zou er af zijn, als wij hen niet

verrasten,” zei Steerforth. „Wij moeten hen in hun natuurlijksten

toestand zien.”

„Al behooren zij tot dat soort van menschen, waarover gij 't laatst met

juffrouw Dartle zoo druk hadt?” vroeg ik.

„Hoe? Denkt gij nog aan mijn woordenstrijd met Rosa?” riep Steerforth

uit en keek mij daarbij met een ondeugenden blik aan. „Die feeks! Ik

ben bang voor haar! Zij is altijd mijne kwelduivel geweest. Maar laat

ik mij niet warm over haar maken! Wat zullen wij nu gaan doen? Gaat gij

die kindermeid misschien een bezoek brengen?”

„Ja, dat is goed,” antwoordde ik, „eerst naar Peggotty!”

„Welnu,” hernam Steerforth, „als ik u dan eens twee uur geef om met

haar te zitten huilen. Is dat lang genoeg?”

Ik antwoordde lachend dat wij in dien tijd heel wat zouden kunnen

afdoen, maar dat hij ook daar moest komen; hij zou de ondervinding

opdoen dat de faam hem reeds was vooruitgesneld en hij bijna even hoog

aangeschreven stond als ik.

„Ik wil overal heengaan waar gij gaat,” zei Steerforth, „en alles

doen wat u aangenaam zijn kan. Vertel mij maar waar ik komen moet

en over twee uur zal ik mij aanmelden, in de stemming die gij

verkiest—sentimenteel of grappig.”

Ik duidde hem zoo uitvoerig mogelijk uit waar Barkis, de vrachtrijder

op Blunderstone, enz. woonde en ging toen alleen op het pad. De lucht

was helder en strak, de grond droog, de zee woelig; de zon verspreidde

veel licht, maar geen warmte, alles zag er even frisch en levenslustig

uit. Ik was zelf ook frisch en levenslustig en zoo verheugd dat ik weer

hier was, dat ik iedereen, dien ik tegenkwam op straat, wel de hand zou

hebben willen schudden.

De straten kwamen mij natuurlijk erg nauw voor. Zoo gaat het, geloof

ik, met alle dingen, die wij als kind gezien hebben. Ik herinnerde mij

echter alles en vond niets veranderd tot ik den winkel van mijnheer

Omer genaderd was. ‚Omer en Joram’ stond nu op de plaats waar vroeger

alleen ‚Omer’ stond; het opschrift: ‚Lakenkooper, Kleedermaker, Garen-

en Bandverkooper en Bedienaar van begrafenissen’ was hetzelfde gebleven.

Nadat ik dit alles gelezen had, richtten zich mijne schreden als van

zelf naar den winkel; ik stak de straat over en keek naar binnen. Er

stond eene knappe vrouw achter de toonbank met een dansend kind op den

arm, terwijl een tweede peuzel aan haar boezelaar stond te trekken. Ik

herkende in dit drietal oogenblikkelijk Minnie en hare kinderen. De

glazen deur van het kantoor was niet geopend, maar uit de werkplaats

aan de overzijde van de binnenplaats klonk mij hetzelfde deuntje van

vroeger in de ooren, alsof het nooit had opgehouden.

„Is mijnheer Omer thuis?” vroeg ik binnengaande. „Ik zou hem gaarne

even spreken.”

„O, jawel, mijnheer, hij is thuis,” antwoordde Minnie, „zijn asthma

verbiedt hem bij dit weer uit te gaan. Joe, roep grootvader eens!”

De kleine knaap, die aan haar knie gestaan had, zette zulk een keel

op, dat hij zelf bang scheen te worden voor zijn geschreeuw en zijn

gezichtje in de plooien van haar boezelaar verborg, hetgeen Minnie

met moederlijke bewondering aanstaarde. Maar, reeds hoorde ik iemand

hijgend en blazend door de gang komen en in het volgend oogenblik stond

mijnheer Omer, nog kortademiger maar niet veel verouderd, voor mij.

„Uw dienaar, mijnheer,” zei hij. „Waarmede kan ik u van dienst zijn?”

„Gij kunt mij de hand geven, mijnheer Omer, als gij wilt,” antwoordde

ik, hem de mijne aanbiedende. „Gij zijt eens heel goed en vriendelijk

voor mij geweest en ik herinner mij, dat ik mij toen niet dankbaar

daarvoor toonde.”

„Zoo, was ik dat?” antwoordde de oude man. „Het verheugt mij dit te

hooren, maar ik herinner er mij niets van. Zijt gij wel zeker van

hetgeen gij zegt?”

„O, ja, heel zeker!”

„Dan zal mijn geheugen evenals mijn adem hoe langer hoe korter worden,”

zei mijnheer Omer, mij aankijkende en met het hoofd schuddende; „ik kan

u niet thuis brengen.”

„Herinnert gij u niet dat gij mij hebt afgehaald van de diligence en

mij hier hebt laten ontbijten en dat wij toen samen naar Blunderstone

zijn gereden; gij en ik en juffrouw Joram en mijnheer Joram.... die

toen nog niet getrouwd waren?”

„Wel, goede Hemel!” riep mijnheer Omer, na van de hoestbui, die de

verrassing hem bezorgd had, bekomen te zijn, „nu gij 't zegt, ja!

Minnie, lieve, herinnert gij 't u niet? Goede Hemel, ja...... was er

niet eene dame gestorven?”

„Ja, mijne moeder.”

„Juist.... ja.... juist!” zei mijnheer Omer, terwijl hij den wijsvinger

tegen mijn vest zette, „en was er geen kind ook? Juist twee dooden! Ze

zijn samen in één kist begraven! In Blunderstone.... zeker, nu herinner

ik het mij heel goed! En hoe is het u sinds dien tijd gegaan?”

„O, heel goed, dank u; ik hoop dat gij ook altijd wel zijt geweest?”

„O, ik mag niet klagen, begrijpt ge,” antwoordde mijnheer Omer. „Mijn

adem wordt wel korter, maar die wordt nooit langer als men ouder wordt.

Ik schik er mij in en behoud er mijne opgeruimdheid bij. Dat is het

best, is 't niet?”

Mijnheer Omer lachte en begon dientengevolge weer te hoesten en te

hijgen, zoodat zijne dochter hem moest helpen; zij stond nu vlak naast

ons en haar kleinste kind zat op de toonbank.

„Goede Hemel!” zei mijnheer Omer. „Ja zeker, er waren twee dooden!

Wel, op dienzelfden rit—gij zult het niet willen gelooven—is de dag

bepaald voor het huwelijk van Minnie en Joram. „Noem dan toch een dag,

mijnheer!” zei Joram. „Ja, doe dat, vader,” zei Minnie. En nu is hij in

de zaak en... dit is de jongste!”

Minnie lachte en streek met de hand langs de slapen, terwijl haar vader

zijn vinger in het handje van het kind stak, dat op de toonbank zat te

dansen.

„Twee tegelijk!” herhaalde mijnheer Omer, „juist, juist! En Joram is op

het oogenblik weer bezig zilveren spijkertjes in een kistje te slaan,

op twee duim na zoo groot als dit”—hij wees op het dansende kind—.

„Wilt gij ook iets gebruiken?”

Ik sloeg dat aanbod dankend af.

„Laat eens zien,” hernam mijnheer Omer. „De vrouw van Barkis, den

vrachtrijder.... de zuster van Peggotty, den visscher.... die staat met

uwe familie in verband, nietwaar? Zij heeft bij uwe moeder gediend,

zeker, zeker!”

Mijn bevestigend antwoord deed hem zichtbaar genoegen. „Ik vermoed, dat

mijn adem weer langer zal worden, want mijn geheugen wordt ook langer,”

zei hij. „Wel, mijnheer, wij hebben een jeugdig lid van de familie in

onze zaak gekregen; zij heeft een smaak bij het maken van toiletten,

dat geen hertogin in geheel Engeland het haar verbeteren zou.... dat

verzeker ik u.”

„De kleine Emily toch niet?” riep ik onwillekeurig uit.

„Jawel, zij heet Emily,” antwoordde mijnheer Omer, „en zij is ook

klein. En gij moogt het gelooven of niet, zij heeft zulk een mooi

gezichtje, dat de helft van de vrouwen in het stadje woedend op haar

zijn.”

„Dwaasheid, vader!” riep Minnie.

„Lieve,” zei Mijnheer Omer, „ik zeg niet dat gij tot die helft behoort,

maar”—hij gaf mij een wenk—„maar ik zeg dat de helft van de vrouwen

in Yarmouth, o, en vijf mijlen in het rond! woedend op het ding zijn.”

„Dan had zij in haar eigen stand moeten blijven, vader,” zei Minnie,

„en geen aanleiding moeten geven tot praatjes, dan konden zij niet boos

op haar zijn.”

„Niet kunnen!” riep mijnheer Omer uit. „Niet kunnen! Hebt _gij_ nog

niet meer ondervinding opgedaan in het leven? Wat zou eene vrouw niet

kunnen en niet willen ook—wanneer het om het mooie gezicht van eene

andere te doen is?”

Ik meende werkelijk, dat het met mijnheer Omer gedaan was, toen hij

deze lasterlijke aantijging had uitgesproken. Hij hoestte zoo hevig

en deed zulke wanhopende pogingen om zijn adem meester te worden, dat

ik niet anders dacht of ik zou in het volgende oogenblik zijn hoofd

achter de toonbank zien verdwijnen en zijn kleine kuitebeentjes met

de verschoten linten aan de knieën in een laatste stuiptrekking zien

te voorschijn komen. Eindelijk bedaarde de aanval, maar hij was zoo

afgemat, dat hij hijgend moest plaats nemen op het kantoorstoeltje,

achter den lessenaar.

„Gij moet weten,” ging hij daarna met moeite ademhalende voort, „zij

heeft nooit vriendinnetjes gehad, en nooit kennisjes of vriendjes

willen opzoeken, veel minder zich met aanbidders opgehouden. Natuurlijk

heeft dit aanleiding gegeven tot het boosaardige praatje, dat Emily een

dame worden wil. Naar mijne overtuiging is dit praatje ontstaan uit de

omstandigheid, dat zij op school wel eens gezegd heeft: „als ik een

dame ben, zal ik dit en dat voor mijn oom doen en dit en dat moois

voor hem koopen”, begrijpt ge?”

„Ik verzeker u, mijnheer Omer, dat zij dit meermalen tegen mij heeft

gezegd, toen wij nog kinderen waren,” antwoordde ik met vuur.

Mijnheer Omer knikte met het hoofd en wreef zijn kin. „Juist, juist! En

dan had zij den slag om zich van weinig geld veel sierlijker te kleeden

dan anderen van veel geld—dat wekte de jaloezie op. Bovendien had zij

wel eens kuren—ik wil zelfs zoo ver gaan om te zeggen wat ik kuren

noem—zij wist soms niet goed wat zij wilde en was een weinig verwend

en kon zich in het begin niet goed naar anderen schikken. Meer heeft

men toch nooit van haar verteld, nietwaar Minnie?”

„Neen, vader,” antwoordde juffrouw Joram. „Dat was het ergste, als ik

het wel heb.”

„Eerst ging zij in eene conditie, tot gezelschap van eene oude dame,”

vervolgde mijnheer Omer, „maar zij konden niet goed met elkaar overweg

en daarom bleef zij er niet lang. Eindelijk kwam zij hier voor drie

jaar in de leer. Er zijn er nu bijna twee van om en zij heeft zoo goed

haar best gedaan als ik maar wenschen kan. Zij is zooveel waard als zes

andere. Is zij dat tegenwoordig niet, Minnie?”

„Ja, vader,” antwoordde Minnie. „Ge kunt ook niet zeggen dat ik ooit

kwaad van haar heb gesproken.”

„Heel goed,” hernam Mijnheer Omer. „Juist zoo! En nu, jongeheer,”

voegde hij er bij, terwijl hij voortging zijn kin te wrijven, „opdat

gij mij niet voor even langdradig zoudt houden als ik kortademig ben,

verklaar ik dit onderwerp afgehandeld.”

Aangezien zij zacht gesproken hadden, begreep ik dat Emily in de

nabijheid moest zijn. Op mijne vraag waar zij was, knikte mijnheer

Omer met het hoofd in de richting van de achterkamer. Ik verzocht en

verkreeg de toestemming om even naar binnen te mogen kijken, en toen

ik door de ruiten keek, zag ik haar aan haar werk bezig. O, wat was zij

een heerlijk klein schepseltje geworden! Met dezelfde schitterende,

blauwe oogen, waarmede zij in mijn kinderhart een eerste vonkje had

ontstoken, keek zij nu naar een van Minnie's kinderen, dat naast haar

op den grond zat te spelen; daar lag eigenzinnigheid genoeg in haar

lief gezichtje om hetgeen ik zoo even vernomen had te rechtvaardigen,

terwijl ook de oude nukkigheid en schuwheid nog niet verdwenen scheen

te zijn; maar overigens was er niets in haar gelaat te ontdekken, dat

aanleiding zou kunnen gegeven hebben tot eenige bezorgdheid voor hare

toekomst of tot twijfel aan hare deugdzaamheid.

Het deuntje, dat nooit scheen opgehouden te hebben—helaas, het _zal_

nimmer ophouden!—klonk mij al dien tijd zacht in de ooren.

„Wilt gij niet binnengaan?” vroeg mijnheer Omer, „en haar eens

aanspreken? Ga binnen en maak een praatje met haar, mijnheer! Doe alsof

gij thuis waart.”

Ik was te bevreesd om aan die uitnoodiging gevolg te geven, te bang om

haar te storen; maar ik verzocht het uur te mogen weten, waarop zij des

avonds naar huis ging, ten einde het tijdstip van ons bezoek daarnaar

te regelen; daarna nam ik afscheid van mijnheer Omer en zijne knappe

dochter en mooie kleinkinderen en sloeg den weg in naar de woning van

mijne lieve, oude Peggotty.

Toen ik aankwam was zij bezig in de met tegels bevloerde keuken het

middagmaal gereed te maken. Ik klopte aan de deur en toen zij opendeed,

vroeg zij wat er van mijn dienst was. Ik keek haar glimlachend aan,

maar zij beantwoordde dien glimlach niet. Ik had de briefwisseling

altijd aangehouden, maar er waren zeven jaar verloopen sinds wij elkaar

voor de laatste maal gezien hadden.

„Is Barkis thuis, juffrouw?” vroeg ik, mijn uiterste best doende om

met een grove stem te spreken.

„Jawel, mijnheer, Barkis is thuis,” antwoordde Peggotty, „maar hij

lijdt erg aan de rheumatiek.”

„Rijdt hij nog op Blunderstone?”

„Ja, als hij gezond is, wel.”

„Gaat gij daar nog wel eens heen, juffrouw Barkis?” Zij bekeek mij nu

wat aandachtiger en ik zag dat zij eene trekking had in hare handen

alsof zij ze ineen wilde slaan.

„Ik wenschte eenige inlichtingen te vragen omtrent een huis te

Blunderstone, dat men.... ja, hoe is 't ook weer?.... het Kraaiennest

noemt,” zei ik.

Zij deed een stap achteruit en stak een weinig angstig de handen uit,

alsof zij mij wilde tegenhouden.

„Peggotty!” riep ik nu.

„Mijn beste jongen!” riep zij terug en daar lagen wij in elkaars armen,

terwijl haar de tranen langs de wangen stroomden.

O, o, welk een buitensporigheden beging zij! Nu eens begon zij te

lachen dan weder te schreien; wat was zij trotsch op mij en blijde mij

te zien en wat speet het haar, dat zij, wier vreugde en trots ik had

kunnen zijn, mij nooit in de armen zou kunnen sluiten.... ik kan dat

alles niet beschrijven. Geen oogenblik werd ik gekweld door de vraag

of het ook al te jongensachtig van mij was, dat ik aangedaan werd. Ik

durf zeggen, dat ik in mijn geheele leven niet zoo dikwijls gelachen en

geschreid heb als dien morgen bij Peggotty.

„Wat zal Barkis blij zijn!” zei Peggotty, terwijl zij hare oogen

afwischte met de punt van haar boezelaar, „dat zal hem meer goed doen

dan een pond smeersel. Mag ik hem gaan vertellen dat gij hier zijt?

Gaat gij met mij mede naar boven, beste jongen, om hem te zien?”

Natuurlijk wilde ik dat gaarne doen, maar Peggotty kon niet zoo

gemakkelijk de kamer uitkomen, als zij gedacht had, want telkens

wanneer zij bij de deur was, keek zij weder naar mij om en viel zij

mij lachend en schreiend om den hals. Eindelijk ging ik, ten einde

het haar gemakkelijker te maken, de trap op en na een oogenblik buiten

de deur gewacht te hebben, tot zij Barkis een weinig op mijne komst

had voorbereid, stond ik voor den invalide. Hij ontving mij met

ongehuichelde opgewondenheid. Wel was hij te pijnlijk om mij de hand

te geven, maar hij verzocht mij de pluim van zijne muts te schudden,

hetgeen ik met de grootste bereidvaardigheid deed. Toen ik naast zijn

bed zat, zeide hij, dat het hem onuitsprekelijk veel goed deed het

gevoel te hebben of hij met mij langs den weg naar Blunderstone reed.

Zooals hij daar in bed lag met niets onbedekt dan zijn gezicht—als een

plafondengeltje—maakte hij een wonderlijken indruk.

„Welken naam schreef ik ook weer op de kar?” vroeg hij met een

glimlach, die hem pijn scheen te doen, ten gevolge van de rheumatiek.

„Ja, ja, Barkis,” zei ik, „wij hebben over die zaak heel wat samen

gesproken.”

„Ik was al lang klaar, nietwaar, mijnheer?” zei Barkis.

„Al lang,” antwoordde ik.

„En ik heb er geen berouw van,” hernam Barkis. „Herinnert gij u nog wat

gij mij verteld hebt van de appeltaarten, die zij zoo lekker bakken

kon?”

„Ja, ja; heel goed,” zei ik.

„En dat was waar,” vervolgde Barkis met zijn pluimmuts knikkende—het

eenige middel om zijne gewaarwordingen te kennen te geven—„dat was zoo

waar als dat ik belasting moet betalen. En niets is meer waar dan dat.”

Barkis wendde zijne oogen naar mij toe, alsof hij verwachtte, dat ik

deze bed-bespiegeling zou bevestigen, en ik deed het.

„Niets is zoo waar als dat,” herhaalde Barkis; „zulk een arm man als

ik ondervind dat dubbel, wanneer hij niet werken kan. Ik ben heel arm,

mijnheer.”

„Het spijt mij dat te hooren, Barkis.”

„Werkelijk heel arm,” herhaalde hij.

Nu kwam zijn rechterhand langzaam en aarzelend onder de dekens uit

en tastte onzeker in het rond naar een stok, die met een touwtje

losjes aan den rand van het bed was vastgebonden. Na er eenige

oogenblikken mede rondgetast te hebben, waarbij zijn gelaat de grootste

verscheidenheid vertoonde van ingehouden gewaarwordingen, stootte de

stok tegen een kist, waarvan de punt gedurende al dien tijd zichtbaar

voor mij was geweest. Toen eerst scheen hij gerust te zijn.

„Oude kleeren,” zeide hij.

„O!” zei ik.

„Was het maar geld, Mijnheer!”

„Nu, dat zou ik voor u ook wenschen,” zei ik.

„Maar het is geen geld,” verzekerde hij, terwijl hij beide oogen zoo

wijd mogelijk opende.

Ik zeide daarvan overtuigd te wezen en nu vestigde hij zijne oogen met

wat meer teederheid op zijne vrouw, zeggende:

„Die C. P. Barkis is de knapste en beste aller vrouwen. Al den lof,

dien men haar mocht toezwaaien, verdient zij dubbel en dwars. Zult gij

zorgen dat er wat lekkers te eten en te drinken is van middag?”

Ik wilde mij verzetten tegen dezen onnoodigen omslag te mijner eer,

maar aangezien ik opmerkte hoe angstig Peggotty mij achter het

hoofdeneind van het bed stond aan te kijken, hield ik mijne woorden

binnen.

„Ik heb hier of daar nog wat geld, vrouw,” zei Barkis, „maar ik ben nu

te vermoeid om er naar te zoeken; als gij en mijnheer David nu naar

beneden zoudt willen gaan, dan kon ik eerst wat gaan slapen en daarna

trachten het te vinden.”

Ingevolge dit verzoek verlieten wij de ziekenkamer. Toen wij buiten

de deur waren, verzekerde Peggotty mij, dat Barkis tegenwoordig nog

schrieler was dan vroeger, altijd tot dezelfde list zijne toevlucht

nam, eer hij een halve kroon uit zijne kist te voorschijn haalde en

dat hij onduldbare pijnen leed als hij uit zijn bed kroop, om een

greep te doen in die noodlottige kist. Werkelijk hoorden wij hem

onderdrukte kreten uiten, want deze eksterachtige manoeuvre bezorgde

hem helsche pijn in al zijn leden. Peggotty's oogen stonden vol tranen

van medelijden, maar zij zeide dat deze edelmoedige opwelling hem goed

zou doen en het dus beter was hem niet te storen. Zoo kreunde hij

voort tot hij weder in bed was—het was een ware marteling voor hem

geweest—toen riep hij ons, verzekerde dat hij juist ontwaakt was uit

een verfrisschende slaap en haalde onder zijn hoofdkussen een guinje te

voorschijn. De zelfvoldoening, dat hij ons met zulk een goeden uitslag

had misleid en dat het geheim van de kist bewaard was gebleven, scheen

voldoende vergoeding te zijn voor de doorstane marteling.

Ik bereidde intusschen Peggotty voor op de komst van Steerforth en het

duurde niet lang, of hij meldde zich aan. Ik ben overtuigd dat zij

eigenlijk niet goed wist of hij een weldoener van haar zelve of een

goede vriend van mij was geweest; maar in beide gevallen zou zij hem

met dezelfde dankbare vereering hebben ontvangen. Zijne ongedwongen

manieren, zijne geestigheid, zijn knap uiterlijk en zijne aangeboren

handigheid om terstond in der menschen zwak te tasten, hadden haar

binnen vijf minuten geheel voor hem ingenomen. Trouwens, zijne

vriendschap voor mij zou voldoende geweest zijn om hem in hare gunst te

brengen. Al deze redenen te zamen echter waren oorzaak, dat zij, voor

hij des avonds heenging, in eene soort van aanbidding tot hem opzag.

Hij bleef met mij bij juffrouw Barkis eten—indien ik zeg „gaarne”

dan druk ik slechts ten halve uit met hoeveel bereidwilligheid en

opgewektheid hij de uitnoodiging aannam. Toen hij de kamer van Barkis

binnentrad scheen het of er met hem licht en lucht binnenstroomden,

als ware hij het mooie, frissche weer in eigen persoon. Daar was

geen gedruisch, geen gemaaktheid bij hetgeen hij deed; hij wist

zelf niet wat hij deed; alles geschiedde ongedwongen; blijkbaar was

het onmogelijk dat hij iets op eene andere of betere wijze deed dan

zooals hij alles gewoon was te doen, zoo bevallig, zoo natuurlijk en

gemakkelijk, dat ik er zelfs, als ik het mij nu weer in het geheugen

roep, nog over verwonderd ben.

Wij zaten vroolijk bijeen in het voorkamertje, waar het Martelaarsboek,

waarin sinds ik er uit had voorgelezen, niemand een oog had geslagen,

als van ouds op den lessenaar lag; nogmaals sloeg ik al de akeligheden

op, die mij herinnerden aan tallooze aandoeningen, zonder die echter

weder op te wekken.

Toen Peggotty begon te spreken over het kleine hokje, zooals zij mijn

kamertje noemde, en vertelde dat het gereed was om mij te ontvangen,

terwijl zij de hoop uitsprak dat ik er gebruik van zou maken, had

Steerforth, nog eer ik hem aarzelend had kunnen aanzien, de geheele

zaak reeds begrepen.

„Het spreekt van zelf,” zei hij, „dat gij hier blijft slapen en dat ik

in het logement mijn intrek neem.”

„Dat is een mooie kameraadschap,” antwoordde ik; „eerst breng ik u hier

heen Steerforth, en dan zouden wij niet bij elkaar blijven!”

„Maar, in 's Hemels naam, waar behoort gij thuis?” vroeg hij. „Wat

beteekent kameraadschap bij hetgeen gij hier vindt?” Het was ineens

uitgemaakt.

Tot acht uur, toen wij naar baas Peggotty's schuit gingen, bleef hij

dezelfde aangename innemende gast. Zijne vele goede eigenschappen

kwamen zelfs hoe langer hoe meer uit, naarmate de tijd verstreek,

en thans twijfel ik er niet meer aan, dat de bewustheid van den

goeden uitslag op zijne pogingen om te behagen zijn vernuft op dit

punt scherpte, zoodat het hem hoe langer hoe gemakkelijker begon

te vallen. Indien iemand mij verteld had dat hij slechts een

verraderlijk spel speelde om aan een oogenblikkelijke opwelling te

voldoen, om gedachteloos zijn zucht tot uitblinken te bevredigen,

eenvoudig om iets te veroveren, dat waardeloos voor hem was en zoo

straks zou worden weggeworpen—ik zeg, indien iemand mij toen zulk een

leugen had opgedischt, zou ik niet geweten hebben hoe ik aan mijne

verontwaardiging lucht had moeten geven. Waarschijnlijk zou dat mijne

eenigszins romantische vriendschap en trouw voor hem nog versterkt

hebben, terwijl ik naast hem voortwandelde over het donkere strand

naar de oude schuit; de wind blies en huilde nog veel akeliger en

onstuimiger om ons heen dan in den eersten nacht, dien ik in de schuit

had doorgebracht.

„Wat is het hier woest, hè, Steerforth?” zei ik.

„Onheilspellend genoeg in de duisternis,” antwoordde hij, „en de zee

huilt alsof ze ons zou willen inslikken. Is dat de boot, ginds, waar ik

dat licht zie?”

„Dat is de boot.”

„Dan is het dezelfde, die ik vanmorgen reeds heb gezien,” antwoordde

Steerforth. „Ik onderstel dat mijn instinct mij er heen heeft gedreven.”

Toen wij het licht genaderd waren, spraken wij niet meer, doch openden

zachtkens de deur. Met de hand aan de klink fluisterde ik Steerforth

in, vlak achter mij aan te komen en ging binnen. Een gemompel van

stemmen was buiten hoorbaar geweest en op het oogenblik, dat wij

binnentraden, hoorden wij in de handen klappen; tot mijne groote

verbazing zag ik dat dit laatste gedruisch door de gewoonlijk zoo

verdrietige juffrouw Gummidge veroorzaakt werd. Maar juffrouw Gummidge

was niet de eenige persoon, die zoo buitengewoon vroolijk scheen. Baas

Peggotty, wiens gelaat van buitengewone voldoening straalde en die

zat te schudden van het lachen, had zijne sterke armen wijd geopend

alsof hij de kleine Emily uitnoodigde er in te snellen; Ham, op wiens

gelaat een gemengde uitdrukking lag van bewondering, verrukking en

bedeesdheid, die hem bij zijn logge beweging heel goed stond, had

de kleine Emily bij de hand alsof hij haar aan baas Peggotty wilde

voorstellen; eindelijk kleine Emily zelve, blozend en beschroomd, doch

vergenoegd, omdat baas Peggotty zoo vergenoegd was, hetgeen duidelijk

in hare van opgeruimdheid stralende oogen te lezen was, zij zag ons

het eerst en werd door onze binnenkomst gestoord in haar voornemen,

om zich van Ham los te rukken en zich in de armen van baas Peggotty

te nestelen. Bij ons binnentreden uit den kouden, donkeren nacht in

het warme, verlichte vertrek vonden wij hen in den bovenbeschreven

toestand, terwijl juffrouw Gummidge achter de tafel in de handen stond

te klappen, alsof zij van haar verstand was beroofd.

Deze kleine schilderij werd door onze binnenkomst zoo plotseling

uitgewischt, dat er twijfel bij mij oprees of ik wel goed gezien had.

Ik stond in het midden van de verwonderde familie, vlak tegenover baas

Peggotty, met uitgestoken hand, toen Ham plotseling riep:

„Het is jongeheer Davy! 't Is jongeheer Davy!” In het volgende

oogenblik waren wij allen onder elkander aan het handen schudden en

aan het vragen hoe wij 't maakten en aan het betuigen hoe blijde wij

waren elkander te zien—allen praatten tegelijk. Baas Peggotty was

zoo vereerd en zoo blijde ons bij zich te zien dat hij niet wist wat

hij zeggen of doen zou; hij deed niets dan ons om beurten de handen

schudden en zijn ruige haren over zijn hoofd strijken; hij was zoo

uitgelaten en lachte zoo triomfantelijk, dat het een lust was hem aan

te zien.

„Wel, wel, dat gij daar met u beiden... heeren, ja, waarlijk, heeren,

in den avond hierheen komt, nu, juist dezen avond!” zei baas Peggotty,

„dat had ik nooit durven droomen zelfs! Emily, schatje, kom eens hier!

Kom eens hier, kleine heks! Hier is een vriend van jongeheer Davy!

Hier is die heer van wien Ham en ik u wel verteld hebben, Emily! Hij

komt kennis met u maken en daar is jongeheer Davy ook! En dat op den

gelukkigsten avond, dien uw oom ooit gehad heeft of hebben zal. Lang

zullen zij leven!”

Na deze woorden in één adem te hebben uitgesproken, waarbij hij

buitengewone geestdrift en vroolijkheid aan den dag had gelegd, nam

baas Peggotty het gezichtje van zijn nichtje tusschen zijne beide grove

handen, kuste haar wel twaalf maal, drukte het met innige teederheid

tegen zijne breede borst en streelde het alsof hij een dameshandje

had. Daarna liet hij haar los en toen zij het kleine kamertje, waar ik

geslapen had was binnengevlucht, keek hij naar ons, gloeiend en buiten

adem ten gevolge van zijne buitengewone opgewondenheid en blijdschap.

„Indien gij beiden, heeren, ja waarlijk, heeren en zulke heeren....”

zei baas Peggotty.

„Dat zijn zij, dat zijn zij!” riep Ham. „Goed gezegd! Dat zijn zij.

Jongeheer Davy..... een echte heer..... dat zijn zij!”

„Indien gij beiden, heeren, ja, waarlijk heeren,” begon baas Peggotty

weder, „mij nog niet zult kunnen vergeven dat ik zoo opgewonden ben,

als gij verneemt wat daartoe de aanleiding is, zal ik u vergeving

vragen. Emily, schatje! Ja, zij weet wel dat ik het zal vertellen”....

opnieuw barstte hij in lachen uit—„en daarom is zij weggeloopen. Wilt

gij eens kijken waar zij gebleven is, moedertje?”

Juffrouw Gummidge knikte en verdween.

„Als dit niet de gelukkigste avond van mijn leven is,” hernam baas

Peggotty, tusschen ons in bij den haard plaats nemende, „mag ik een

schelvisch worden. De kleine Emily, mijnheer,” voegde hij er op

fluisterenden toon tegen Steerforth bij: „de kleine, die zoo straks

zulk een kleur kreeg.”

Steerforth knikte even met het hoofd, maar hij deed dit met zooveel

vriendelijke belangstelling, dat baas Peggotty hem antwoordde alsof hij

iets gezegd had.

„Gij kunt er zeker van zijn,” zei baas Peggotty. „Dat is zij en zoo is

zij. Wel bedankt, mijnheer.”

Ham knikte mij verscheidene malen toe, alsof hij hetzelfde zou gezegd

hebben.

„Deze kleine Emily van ons,” vervolgde baas Peggotty, „is in dit huis

geweest, wat ik vermoed—ik ben geen geleerd man, maar ik vermoed het

toch—wat zulk een lief schepseltje met zulke schitterende oogjes in

een huis zijn _kan_. Zij is mijn kind niet; ik heb nooit kinderen

gehad; maar ik zou van mijn eigen kinderen niet meer kunnen houden.

Begrijpt gij? Ik zou het niet kunnen!”

„Ik begrijp het zeer goed,” zei Steerforth.

„Ik weet dat ge het begrijpt, mijnheer,” hernam baas Peggotty, „en ben

u zeer verplicht. Jongeheer Davy zal zich herinneren wat zij voor ons

was; gij kunt zelf oordeelen wat zij is; maar geen van u beiden kunt

weten wat zij geweest is, is en worden zal. Ik ben maar een eenvoudig

man, mijnheer, en zoo ruw als een zee-egel, maar niemand, tenzij

misschien eene vrouw, kan begrijpen, wat zij voor mij geweest is.

Maar... dit tusschen ons”—hij liet zijne stem een weinig dalen—„die

vrouw heet niet juffrouw Gummidge, al heeft deze een ware schat van

goede eigenschappen.”

Baas Peggotty streek weder met beide handen zijne haren naar achteren,

als inleiding tot hetgeen hij nog verder te zeggen had en ging toen

voort met de handen op de knieën.

„Er was zeker iemand, die Emily gekend heeft sinds haar vader

verdronken is, haar voortdurend heeft gezien als kind, als jong meisje

en volwassen. Zoo op het oog was hij niet veel bijzonders, zoowat van

mijn soort, ruw, een echte zeebonk, maar een brave, eerlijke jongen,

die zijn hart op de rechte plaats heeft.”

Ik geloof dat ik Ham nooit zoo heb zien grinniken als hij op dit

oogenblik tegen ons deed.

„Wat zou deze gelukkige pikbroek nu anders doen,” ging baas Peggotty

voort met een glans van genoegen op het gelaat, „dan datzelfde hart

aan de kleine Emily verliezen? Hij loopt haar overal na, maakt zich

zoo goed als tot haar knecht, verliest grootendeels zijn eetlust en

eindelijk wordt het mij duidelijk waar de schoen hem wringt. Gij

begrijpt dat ik niets liever wensch dan de kleine Emily goed getrouwd

te zien. In de eerste plaats wensch ik haar getrouwd te zien met

een braaf en eerlijk man, die haar houw en trouw zal zijn. Ik weet

niet hoelang ik nog zal leven of hoe spoedig ik zal sterven, maar ik

weet wel dat als ik eens op een nacht hier, in de baai van Yarmouth

omsla en voor het laatst de lichten van de stad boven de branding zie

glinsteren, ik geruster naar den grond zal gaan als ik weet dat daar

een man is, zoo trouw als staal voor de kleine Emily, God zegene haar!

en niemand mijn Emily kan deren, zoolang die man leeft.”

De eenvoudige, ernstige man wuifde met zijn rechterarm, als zag hij op

dit oogenblik de lichten van de stad voor het laatst boven de branding

uitsteken en ging toen voort, na met Ham een knikje van verstandhouding

gewisseld te hebben:

„Welnu, ik raad hem aan met Emily te spreken. Hij is groot en zwaar

genoeg, maar nog bedeesder dan een kleine jongen; hij durft niet. Ik

spreek daarom zelf met haar. ‚Wat? _Hem_?’ zegt Emily. ‚_Hem_, dien

ik zooveel jaren van nabij gekend heb en van wien ik zooveel houd?

O, neen, oom, hem krijg ik nooit! Hij is veel te goed voor mij!’ Ik

geef haar een kus en zeg niets meer dan: ‚Mijn lieveling, gij moogt uw

eigen hart laten spreken, gij kunt zelve kiezen en zijt zoo vrij als

een klein vogeltje.’ Ik ga naar hem en zeg: ‚Ik wilde dat het zoo had

kunnen zijn, maar het kan niet. Gij kunt beiden blijven wat ge zijt en

wat ik u heb te zeggen is: wees voor haar wat gij altijd voor haar zijt

geweest en wees een man!’ Hij schudde mij de hand en zei: ‚dat zal ik!’

En hij heeft zijn woord gehouden, eerlijk, als een man, want het is nu

twee jaar geleden en wij zijn allen voor elkander gebleven, wat wij

voor dien tijd waren.”

Het gezicht van baas Peggotty dat gedurende dit verhaal tallooze

veranderingen had ondergaan, nam nu dezelfde triomfantelijke

uitdrukking weder aan, terwijl hij de eene hand op mijne knie en de

andere op Steerforth's knie legde of liever er op sloeg, ten einde

hetgeen volgen zou meer kracht bij te zetten.

„Op het onverwachtst komt Emily op zekeren avond—en dat wel dezen

avond—van den winkel thuis... met hem! Dat beteekent nu wel niet

veel, zult ge wellicht zeggen, omdat hij altijd als een broeder op

haar past, zoowel bij donker als bij helder weer. Maar die pikbroek

heeft hare hand in de zijne en roept mij vol blijdschap toe: ‚Kijk

nu eens. Dit wordt mijn kleine vrouwtje!’ En zij zegt half trotsch,

half bedeesd, lachend en schreiend te gelijk: ‚Ja, oom, als het u goed

is.’—Of het mij goed is!” riep baas Peggotty in eene uitbarsting van

opgewondenheid het hoofd heen en weer schuddende. „Goede Hemel, alsof

ik ooit iets anders zou willen!—‚Als het u goed is; ik heb er nog eens

over nagedacht en zal een beste, trouwe vrouw voor hem zijn, want hij

is een beste trouwe jongen!’ Juffrouw Gummidge begon in haar handen te

klappen van blijdschap en toen kwaamt gij binnen. Dat was hetgeen hier

plaats had toen gij binnenkwaamt en daar staat de man, die met haar zal

trouwen, zoodra haar leertijd om is.”

Ham wankelde ten gevolge van den stomp, dien baas Peggotty hem in

zijne uitbundige blijdschap als een bewijs van zijne hartelijkheid en

vriendschap toebracht; maar aangezien hij zich verplicht achtte ook

iets tot ons te zeggen, begon hij, stotterend en hakkelend:

„Zij was niet grooter dan gij zelf, jongeheer Davy.... toen gij voor 't

eerst hier waart,... toen dacht ik al, hoe zij er zou uitzien, als zij

groot was.... Ik zag haar opgroeien.... heeren.... als een bloempje. Ik

zou gaarne mijn leven voor haar gegeven hebben, jongeheer Davy.... O,

met liefde.... Zij is meer voor mij, heeren.... dan.... zij is alles

voor mij, wat ik ooit wenschen.... en meer dan ik ooit.... dan ik ooit

zeggen kan. Ik.... ik heb haar lief met.... met mijn geheele hart. Er

is geen man in het gansche land.... en er vaart er geen op al de zeeën

te zamen.... die meer van zijn meisje houden kan dan ik van haar.... al

is er menig oneerlijk man, die beter kan zeggen, wat hij bedoelt....

dan ik.”

Het was treffend zulk een stoeren kerel, als Ham was, te zien beven

van aandoening bij de gedachte aan hetgeen hij voelde voor het

lieve, kleine meisje, dat hij zijn hart geschonken had. Zelfs in

het vertrouwen, dat baas Peggotty en hij ons schonken, vond ik iets

aandoenlijks. De geheele geschiedenis had mij aangedaan. In hoever

mijne gewaarwordingen nog den invloed ondervonden van de herinneringen

uit mijne jeugd, durf ik niet zeggen. Ik weet alleen dat hetgeen ik

hoorde en zag mij met blijdschap vervulde; in het eerste oogenblik

echter met eene soort weemoedige blijdschap, die door een kleinigheid

in smart had kunnen overgaan. Zou er nog een vonkje van de liefde uit

mijne jeugd in mijn hart zijn achtergebleven?

Ware het daarom mijne taak geweest de snaar, die thans in de harten van

deze menschen trilde, met vaardige hand in dezelfde stemming te houden,

dan zou mij dit zeker niet gelukt zijn. Steerforth nam echter deze taak

op zich en hij deed het met zulk eene vaardigheid, dat wij binnen

eenige oogenblikken allen zoo kalm en zoo gelukkig bijeenzaten als

mogelijk was.

„Baas Peggotty,” zei hij, „gij zijt een door en door brave man en

verdient zoo gelukkig te zijn, als heden avond het geval is. Ik geef

u mijn hand daarop! Ik wensch u geluk, Ham, brave jongen! Mijn hand

daarop! Groentje, stook het vuur wat op en laat het helder vlammen en

baas Peggotty, zoo gij uw nichtje, voor wie deze plaats aan den haard

bestemd is, niet bewegen kunt, terug te komen, ga ik heen. Op zulk een

avond mag er geen ledige plaats zijn aan den haard—voor al de schatten

van Indië zou ik hier geen ledige plaats willen zien!”

Baas Peggotty ging dan naar het kleine kamertje om Emily te halen en

toen zij niet wilde komen, ging Ham. Hij bracht haar mede naar den

haard, wel in den aanvang een weinig beschroomd en verlegen; maar toen

hij bemerkte, hoe aardig en beleefd Steerforth tot haar sprak; hoe

behendig hij alles wist te vermijden, dat haar verlegen zou kunnen

maken; hoe hij met baas Peggotty over de boot sprak; hoe hij het bezoek

van baas Peggotty en Ham op Salem-House in herinnering bracht; hoeveel

belangstelling hij toonde voor de boot en voor alles wat er in was;

hoe los en gemakkelijk hij zoo voortging, ons allen als het ware

betooverend...... toen was hare beschroomdheid spoedig verdwenen.

Emily sprak weinig dien avond; zij keek rond en luisterde en haar

gezichtje straalde van opgeruimdheid—zij was in één woord bekoorlijk.

Steerforth deed een verhaal van eene allerakeligste schipbreuk, waartoe

zijn gesprekken met baas Peggotty hem aanleiding gaven, alsof hij er

bij tegenwoordig was geweest en de oogen van de kleine Emily waren al

dien tijd op hem gevestigd en er lag eene uitdrukking in alsof zij het

zag gebeuren. Tot afwisseling vertelde hij een grappig avontuur van

zich zelven, zoo vroolijk en opgewekt alsof het verhaal even nieuw

was voor hem als voor ons, en de kleine Emily lachte en lachte zoodat

hare welluidende stem door de boot weergalmde en wij allen, Steerforth

ook, medelachten. Hij haalde baas Peggotty over te zingen of liever te

brullen: ‚Als de stormwind blaast!’ en hij zong zelf een matrozenlied,

zoo mooi en aandoenlijk, dat ik mij bijna begon te verbeelden dat de

wind, die klagend om de boot suisde, ophield om er naar te luisteren.

En juffrouw Gummidge! Wel, hij bracht dit slachtoffer van

zwaarmoedigheid in zulk eene opgewekte stemming, als nog aan niemand

sinds den dood van haar echtgenoot gelukt was volgens het oordeel van

baas Peggotty. Hij liet haar zoo weinig tijd om ellendig te zijn, dat

zij den volgenden dag verklaarde betooverd te zijn geweest.

Hij legde echter niet voortdurend beslag op de algemeene aandacht of

het gesprek. Toen de kleine Emily wat meer moed begon te krijgen, en,

hoewel nog bedeesd, langs den haard heen een gesprek met mij aanknoopte

over onze vroegere wandelingen langs het strand en onze kiezelsteenen-

en schelpenverzameling en ik haar vroeg of zij zich nog wel herinnerde

hoe verliefd ik toen op haar was geweest en wij beiden lachten en een

kleur kregen, werd hij stil en sloeg ons peinzend en oplettend gade.

Den geheelen avond zat zij op het oude bankje in haar oude hoekje

bij den haard, terwijl Ham naast haar zat—op mijn oude plaats. Ik

weet niet of het haar oude zucht om te plagen of hare maagdelijke

schroomvalligheid was, die haar zoo ver mogelijk van hem af deed

schuiven, maar ik zag dat zij het deed—den geheelen avond.

Indien ik het mij goed herinner was het ongeveer middernacht toen

wij scheidden. Wij hadden beschuit gehad met gedroogde visch voor

ons souper en Steerforth had uit zijn zak een volle flesch punch te

voorschijn gehaald, die wij, mannen—ik zeg nu, wij mannen, zonder te

blozen—hadden geledigd. Wij namen in de vroolijkste stemming afscheid

en toen zij allen in de deur stonden om ons pad zoo ver mogelijk te

verlichten, zag ik hoe Emily's zachte blauwe oogen ons, achter den rug

van Ham om, nakeken en hoorde ik hare lieve stem ons naroepen, dat wij

voorzichtig moesten zijn.

„Wat een allerliefst, mooi meisje!” zei Steerforth, mijn arm nemende.

„En wat een alleraardigst gezelschap en wat een alleraardigst huis! Dat

is nu weder eens eene geheel nieuwe ondervinding.”

„Maar wat troffen wij het ook,” antwoordde ik, „dat wij juist getuige

konden zijn van hunne blijdschap over dat aanstaande huwelijk. Ik zag

nooit vier menschen zoo gelukkig bijeen. Hoe heerlijk om zoo iets bij

te wonen en getuige te mogen zijn van zooveel onvermengde vreugde!”

„Hij is toch eigenlijk een ongelikte beer, zooals hij daar naast dat

verrukkelijke meisje zat!” zei Steerforth.

Hij was zoo vriendelijk jegens hem en jegens allen geweest, dat dit

onverwachte en onheusche gezegde mij angst aanjoeg. Ik keerde mij om en

toen ik een lach in zijne oogen bespeurde, antwoordde ik:

„O, Steerforth, gij kunt gemakkelijk met zulke eenvoudige lieden den

spot drijven. Gij moogt vrij met juffrouw Dartle schermutselen en uw

gevoel voor mij verbergen—ik weet wel beter. Als ik zie hoe volmaakt

gij hen begrijpt, hoe hartelijk gij in een geluk als dat van dien

eenvoudigen visscher kunt deelen, hoe gij een liefde als die van mijne

oude kindermeid voor mij op prijs weet te stellen, dan weet ik ook

dat geen vreugde of verdriet of aandoening van dergelijke menschen

u koud zal laten. En ik bewonder u daarom en houd daarom van u—nog

twintigmaal meer dan vroeger.”

Hij bleef staan en keek mij aan. „Groentje,” zei hij, „ik geloof

dat gij een goede jongen zijt en het ernstig meent. Waren wij allen

maar zooals gij!” In het volgende oogenblik zong hij vroolijk

baas Peggotty's lied, terwijl wij in een flinken pas naar Yarmouth

terugkeerden.

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 34 / 79 题