Een terugblik.
Mijn schooljaren! Hoe stil gleed ik in deze dagen voort op de
levensbaan, zonder zichtbare vorderingen te maken, terwijl ik toch
allengs de jongelingsjaren naderde! Wanneer ik terugdenk aan dat
stroomend beekje, thans eene opgedroogde, met bladeren gevulde bedding,
komen mij allerlei kenteekenen voor den geest, waaruit ik ongeveer den
juisten loop kan bepalen.
Ik zie mij zitten op mijne vaste plaats in de kerk, waar wij elken
Zondagmorgen te zamen heengingen, na ons tot dat doel in de school
verzameld te hebben. De eigenaardige aardlucht, de bewolkte hemel,
het gevoel van de wereld afgezonderd te zijn, de galmende orgeltoonen
tusschen de zwarte en witte, overwelfde galerijen en zijgangen, dat
alles staat mij nog zoo levendig voor den geest, dat ik, er aan
denkende, telkens weder in een half wakenden, half droomerigen toestand
geraak.
Ik ben niet de laagste van de school. Binnen eenige maanden ben ik
verscheidene jongens over het hoofd gesprongen. De eerste jongen van de
school is echter in mijn oogen een wezen, dat op eene duizelingwekkende
hoogte geplaatst en voor mij onbereikbaar is. Agnes zegt: „Neen,” maar
ik zeg „Ja” en vertel haar, dat zij zich niet kan voorstellen, welk
een schat van kennis dat wonder van knapheid reeds heeft vergaderd,
wiens plaats zij meent, dat ik, zwakke beginner, eenmaal zou kunnen
innemen. Hij is niet, zooals Steerforth was, mijn persoonlijke vriend
of beschermer, maar ik draag hem grooten eerbied en onverdeelde
achting toe. Ik ben ten hoogste benieuwd naar hetgeen hij worden zal,
wanneer hij de school van mijnheer Strong verlaat, en naar hetgeen de
menschheid doen zal om zich tegenover hem staande te houden.
Maar wie stoort mij daar in mijne overpeinzingen? Het is de
jongejuffrouw Shepherd, op wie ik verliefd ben.
De jongejuffrouw Shepherd is een kostleerlinge op het instituut van
de dames Nettingall. Ik aanbid de jongejuffrouw Shepherd. Zij is een
klein meisje, dat een spencer draagt, een rond gezichtje en vlasblond,
krullend haar heeft. De jongejuffrouwen van het instituut komen
Zondags ook in de domkerk; ik kan onmogelijk in mijn boek zien, doch
moet altijd naar de kleine Shepherd kijken. Wanneer het koor zingt,
hoor ik haar stem; de preek schijnt mij toe voor haar bestemd en het
gebed voor de koninklijke familie betreft ook haar. Thuis, op mijn
eigen kamer, kan ik somtijds niet nalaten uit te roepen: „O, lieve
jongejuffrouw Shepherd!” zoo verliefd ben ik op haar.
Langen tijd moet ik in duister rondtasten en blijf ik in twijfel
omtrent hare gevoelens voor mij; maar eindelijk is het lot mij gunstig
en ontmoeten wij elkander op de dansles. Zij is zelfs mijn danseuse.
Ik raak even haar handschoen aan en voel eene trilling door mijn
rechterarm tot in mijne haren. Ik zeg haar geen enkele lievigheid, maar
wij begrijpen elkander. Wij weten, dat wij niet zonder elkander meer
kunnen leven.
Ik zou wel eens willen weten, hoe dikwijls ik haar in het geheim twaalf
Braziliaansche noten in de hand heb gestopt. Waarom deed ik dat toch?
Ze zijn geen zinnebeelden van de liefde; ze zijn moeilijk bijeen te
voegen tot een eenigszins regelmatig pakje; ze zijn zoo hard, dat men
ze bijna niet kan kraken, zelfs niet tusschen een deur, en zijn ze
gekraakt, dan smaken ze olieachtig; en toch voel ik, dat ze een zeer
toepasselijk geschenk zijn voor de jongejuffrouw Shepherd. Ook koop ik
zachte anijsbeschuitjes en ontelbare sinaasappels voor haar. Eens heb
ik haar in de kleedkamer een kus gegeven. O, zaligheid! Wie beschrijft
mijne verontwaardiging, wie mijn angst toen den volgenden morgen het
gerucht tot mij doordrong, dat de dames Nettingall haar voeten tusschen
twee plankjes hadden gezet, omdat hare teenen binnenwaards groeiden!
De kleine Shepherd, zooals ik haar noem, is het onderwerp van al mijne
droomen, zoodat ik niet begrijp hoe er ooit eene klove tusschen ons is
ontstaan! Er wordt gefluisterd, dat de kleine Shepherd liever heeft,
dat ik haar niet altijd zoo aankijk, dat zij jongeheer Jones boven
mij verkiest.... Jones, een jongen zonder eenige verdienste! De klove
tusschen jongejuffrouw Shepherd en mij wordt hoe langer hoe dieper.
Eindelijk kom ik de kostschool van de dames Nettingall op de wandeling
tegen en.... de kleine Shepherd steekt de tong tegen mij uit en lacht
mij uit. Nu is alles voorbij. De toewijding van een geheel leven—het
schijnt mij zoo toe, maar het is hetzelfde—is ten einde; jongejuffrouw
Shepherd behoort des Zondags niet meer tot de koninklijke familie.
Ik ben opgeklommen in de school en mijne rust wordt niet meer gestoord.
Ik ben nu niet meer zoo beleefd voor de jongejuffrouwen van het
instituut en word niet meer verliefd, al waren er nog twintigmaal meer
en al waren zij nog tienmaal mooier. Ik vind de dansles vermoeiend
en begrijp niet, waarom de meisjes niet met elkaar kunnen dansen en
ons ongemoeid laten. Ik begin Latijnsche verzen te leeren en verzuim
telkens mijn laarzen dicht te rijgen. Doctor Strong roemt mij in het
openbaar als een veelbelovend leerling; mijnheer Dick is bijna woest
van blijdschap en tante zendt mij met de eerstvolgende post een guinje.
De schim van een slagersjongen rijst bij mij op evenals het gewapende
hoofd in Macbeth. Wie is die slagersjongen? Hij is de schrik van de
geheele Canterburysche jeugd. Een duister verhaal doet de ronde,
als zou het rundervet, waarmede hij zijne haren insmeert, hem
bovennatuurlijke kracht geven, zoodat hij zelfs niet bang is voor
een volwassen man. Hij heeft een breed gezicht en een korten, dikken
nek, ruwe, roode wangen, een leelijk karakter en eene tong, waarmede
hij altijd kwaad spreekt. Vooral op de jonge heeren van de school van
doctor Strong heeft hij het gemunt. Hij zegt aan iedereen, dat, indien
zij iets van hem hebben moeten, hij het hun geven zal. Hij noemt er bij
name—mij ook—die hij met ééne hand een pak slaag wil geven, terwijl
de andere op den rug is vastgebonden. De kleinste jongens wacht hij
telkens af om hen, onbeschermd als zij zijn, af te ranselen en mij
schreeuwt hij op de openbare straat na voor al wat leelijk is. Om al
deze redenen besluit ik mij met hem te meten.
Volgens afspraak wacht ik hem op een zomeravond in een hoekje van den
wal op en ben vergezeld van de keurbende van de school. De slager heeft
twee andere slagers, een jongen herbergier en een schoorsteenveger bij
zich. De toebereidselen worden gemaakt en daar staan de slager en ik
tegenover elkander. In een oogenblik heeft hij tienduizend vonken doen
spatten uit mijn linkeroog; in het volgende oogenblik weet ik niet,
waar de wal is en waar ik zelf ben. Ik weet nauwelijks meer, wie ik
ben en wie de slager is, zoo verwoed hebben wij elkander vast en zoo
ineengestrengeld rollen wij over het platgetrapte gras. Soms zie ik den
slager, bebloed doch vol zelfvertrouwen; somtijds zie ik niets, terwijl
ik zit te hijgen op de knie van mijn secondant; een volgend oogenblik
loop ik moedig op mijn vijand in en sla mijn knokkels kapot op zijn
gezicht, zonder dat het hem iets schijnt te deren. Eindelijk ontwaak
ik, met een wonderlijk gevoel in het hoofd, als uit een vasten slaap en
zie den slager heengaan, gelukgewenscht door de beide andere slagers,
den herbergier en den schoorsteenveger, terwijl hij loopende zijn buis
aantrekt; ik besluit daaruit, dat de overwinning aan zijn kant is
geweest.
Ik word in een jammerlijken toestand thuis gebracht; men legt rauw
vleesch op mijn oogen, wascht mijn gezicht met azijn en brandewijn
en op mijn bovenlip ontstaat een groote, witte plek, die ontzettend
opzwelt. Gedurende de eerste drie of vier dagen moet ik thuis blijven,
zie er ontoonbaar uit en moet eene groene kap boven de oogen dragen;
ware Agnes geen zuster voor mij, dan zou ik zeker zeer ontmoedigd zijn;
maar zij troost mij en leest mij voor en zorgt, dat de tijd mij niet
lang valt. Ik vertel altijd alles aan Agnes en zoo krijgt zij nu ook
het geheele verhaal van den slager en, al huivert zij, zij meent toch
ook, dat ik het niet heb kunnen laten.
Ongemerkt gaat de tijd voorbij, want Adams is niet meer de eerste van
de school, al is hij dit menig jaar geweest. Adams heeft de school al
lang geleden verlaten, zoodat niemand behalve ik hem kent, toen hij op
zekeren dag doctor Strong een bezoek komt brengen. Adams zal eerstdaags
door de balie worden opgeroepen, hij wordt dan advocaat en moet een
pruik dragen. Het verbaast mij hem veel nederiger te vinden dan ik
gedacht heb; hij maakt volstrekt niet meer den indruk van vroeger. Ook
heeft hij de wereld nog niet doen ontstellen, want alles gaat—voor
zoover ik kan nagaan—nog evenals vroeger en alsof hij er zich nooit in
begeven had.
Een tijdruimte, waarin de helden in de dichtkunst en de helden uit de
geschiedenis in onafzienbare rijen, statig langs mij heentrokken—en
wat volgt dan? Nu ben ik de eerste van de school; nu kijk ik neer op
de geheele reeks jongens, die onder mij staan, en verwaardig mij wel
belang te stellen in degenen, die mij mij zelven in herinnering brengen
uit den tijd toen ik pas hier kwam. Dat kleine jongentje ben ik zelf
niet meer, ik denk er aan als aan iets, dat ik op mijn levensweg heb
achtergelaten, als aan iets dat ik heb beleefd, zonder dat ik het zelf
geweest ben, meestal denk ik aan hem alsof hij iemand anders geweest is.
En waar is het jonge meisje gebleven, dat ik ontmoette bij mijn eerste
bezoek aan mijnheer Wickfield? Eveneens verdwenen! In hare plaats
beweegt zich nu eene sprekende, geen kinderlijke gelijkenis meer door
het huis en Agnes, mijne lieve zuster, zooals ik haar beschouw, mijn
raadgeefster en vriendin, de goede engel van allen, die onder haar
kalmeerenden, weldadigen, zelfverloochenden invloed komen, is bijna
volwassen.
Welke veranderingen hebben nog met mij plaats gehad behalve dat ik
grooter en breeder ben geworden en in kennis ben vooruitgegaan? Ik
draag een gouden horloge en een gouden ketting, een ring aan mijn pink,
en een lange jas; ik gebruik veel berenvet, hetgeen een slecht teeken
is in verband met den ring. Ben ik dan weer verliefd? Ja, ik maak het
hof aan juffrouw Larkins.
De oudste juffrouw Larkins is geen klein meisje meer. Zij is volwassen,
al heeft zij een slank figuur, en boogt op een paar donker zwarte
oogen. De oudste juffrouw Larkins is volstrekt geen piepkuiken meer,
want de jongste is het zelfs niet meer en de oudste is ongeveer drie of
vier jaar ouder. De oudste juffrouw Larkins zal ongeveer dertig zijn;
doch ik ben smoorlijk op haar verliefd.
De oudste juffrouw Larkins heeft kennissen onder de officieren; ik vind
dat minder aangenaam, want zij spreken haar op straat aan en loopen
straatjes om, ten einde haar tegen te komen als zij maar een puntje
ontwaren van haar hoed—zij maakt heel veel werk van haar hoeden. En
dan lacht zij en praat met hen en schijnt het erg aardig te vinden.
Een groot gedeelte van mijn vrijen tijd breng ik door met op en neer
wandelen, ten einde haar te ontmoeten. Als ik maar eens per dag eene
buiging voor haar maken kan—ik ken mijnheer Larkins genoeg om dat
te mogen doen—voel ik mij veel gelukkiger. Ik verdien ook wel nu
en dan een buiging, want de zielsangst, dien ik uitsta, wanneer zij
het bal na de wedrennen bijwoont en daar danst met de officieren, is
onbeschrijfelijk en mag wel vergoed worden, indien de rechtvaardigheid
nog niet uit de wereld verdwenen is.
Mijne verliefdheid jaagt mijn eetlust op de vlucht en is oorzaak,
dat ik elken dag mijn nieuwe zijden das draag. Ik kan niets doen om
mij zelven wat te verheffen dan mijn beste kleederen aantrekken en
zorgen, dat mijne schoenen goed blinken. Ik heb dan een gevoel of
ik der oudste juffrouw Larkins meer waardig ben. Alles wat met haar
in verband staat of haar toebehoort, wekt mijne belangstelling op.
Mijnheer Larkins, een norsche, oude heer met een onderkin en één oog,
dat onbewegelijk in zijn hoofd staat, geniet eveneens de eer van mijne
belangstelling. Kan ik zijne dochter niet ontmoeten dan ga ik ergens
heen, waar ik zeker weet hem te zullen zien. Te zeggen „Goeden middag,
mijnheer Larkins. Hoe vaart u? Zijn de jonge dames en is uwe familie
wel?” komt mij zoo brutaal voor, dat ik er bij bloos.
Ik moet telkens aan mijn leeftijd denken. Waarom zou ik vertellen,
dat ik pas zeventien ben en dat zeventien jaar wel wat jong is voor
de oudste juffrouw Larkins? Ik zal wel maken, dat ik in een ommezien
een en twintig ben. Des avonds wandel ik geregeld voor het huis van
mijnheer Larkins op en neer al snijdt het mij door de ziel, wanneer
ik er de officieren zie uit- en ingaan en de oudste juffrouw Larkins
in het salon op de harp hoor spelen. Zelfs loop ik nu en dan als
een dief het huis rond, nadat de familie reeds te bed is, hopende
te kunnen ontdekken, welke kamer die van de oudste juffrouw Larkins
is,—ik durf het nu wel zeggen dat ik die van mijnheer Larkins er
voor hield—; somtijds komt de wensch in mij op dat er brand zal
uitbarsten, dat niemand van ontsteltenis het huis durft binnengaan en
dat ik met een ladder door de menigte heendring, die tegen het raam
plaats en de oudste juffrouw Larkins in mijne armen opvang, terugga
om iets te halen, dat zij vergeten heeft, en in de vlammen omkom.
Meestal is mijne liefde geheel belangeloos en meen ik mij tevreden
te kunnen stellen met de eene of andere heldendaad te verrichten en
dan onder juffrouw Larkins' oogen den laatsten adem uit te blazen.
Meestal—niet altijd. Er rijzen ook wel eens schitterender visioenen
voor mij op. Terwijl ik mij kleed—eene bezigheid, die ruim twee uur
duurt—om naar een bal te gaan bij de familie Larkins, waarop ik mij
reeds drie weken lang heb verheugd, rijzen de schoonste tafereelen voor
mijne oogen op. Ik stel mij voor, dat ik den moed zal hebben om aan
de oudste juffrouw Larkins eene liefdesverklaring te doen. Ik stel
mij haar voor met het hoofd op mijn schouder, zeggende: „O, mijnheer
Copperfield, mag ik mijne ooren gelooven?” Ik stel mij mijnheer Larkins
voor, zooals hij den volgenden morgen op mij zal zitten te wachten en
zeggen: „Mijn waarde Copperfield, mijn dochter heeft mij alles verteld.
Jeugd is geen hinderpaal. Hier hebt gij twintig duizend pond. Maak haar
gelukkig!” Ik stel mij mijne tante voor, hoe zij ons met tranen in de
oogen haar zegen geeft, en zie reeds de gezichten van mijnheer Dick en
doctor Strong op onze bruiloft. Ik ben een verstandige jongen—ik meen
dat ik geloofde het te zijn—en heb geen hoog denkbeeld van mij zelven,
maar toch komen al deze gedachten in mij op.
Ik maak mij op naar het tooverpaleis en kom er binnen. Daar staat de
oudste juffrouw Larkins, schooner dan ooit, te midden van een zee van
licht, van bloemen, muziek, officieren—tot mijn leedwezen—in een
hemelsblauw toilet, met blauwe bloemen in het haar. Ik meen, dat het
vergeet-mij-nietjes waren. Alsof zij die noodig heeft! Het is de eerste
groote-menschenpartij, waarop ik genoodigd ben, en ik voel mij niet zoo
erg op mijn gemak, want ik heb het gevoel van bij niemand te behooren,
en niemand schijnt iets tegen mij te zeggen te hebben, behalve mijnheer
Larkins, die mij vraagt hoe de schoolkameraden het maken, dat hij wel
had kunnen nalaten, want ik was niet gekomen om beleedigd te worden.
Nadat ik eenigen tijd bij de deur heb gestaan, den blik onafgewend
gevestigd op de godin van mijn hart, nadert zij mij... zij, de oudste
juffrouw Larkins!—en vraagt mij op vriendelijken toon of ik dans.
Ik stamel met een buiging: „Met u, juffrouw Larkins?”
„Met niemand anders?” vraagt zij.
„Ik heb geen lust om met iemand anders te dansen.”
Juffrouw Larkins glimlacht en bloost—ik meen dat zij bloost—en zegt:
„Het zal mij heel aangenaam zijn.... den volgenden dans.”
Het oogenblik nadert. „Ik meen, dat het een wals is,” merkt juffrouw
Larkins op, als ik mij kom aanmelden. „Walst gij? Anders zal kapitein
Bailey...”
Maar ik wals, en vrij goed ook, gelukkig, en voer de oudste juffrouw
Larkins in den kring. Zonder eenig mededoogen beroof ik kapitein Bailey
van haar gezelschap. Hij voelt zich ongelukkig, daaraan twijfel ik geen
oogenblik, maar ik heb mij immers ook ongelukkig gevoeld! Ik wals met
de oudste juffrouw Larkins! Ik weet niet waar ik ben, tusschen welke
paren, en hoe lang ik met haar wals? Ik weet alleen, dat ik door het
luchtruim zweef met een blauwe engel in mijne armen in een staat van
zalige bedwelming, tot ik weder tot mij zelven kom en mij terugvind
in een klein kamertje, naast haar op de sofa. Zij zit een bloem te
bewonderen—een roode camelia japonnica, dit mij een halve kroon heeft
gekost—in mijn knoopsgat; ik geef haar die en zeg:
„Ik vraag er een hoogen prijs voor, juffrouw Larkins.”
„Ja, waarlijk?” zegt juffrouw Larkins.
„Een takje van uw bouquet om als goud te bewaren.”
„Gij zijt een vermetele jongen,” antwoordt juffrouw Larkins. „Ziedaar.”
Zij is volstrekt niet onvriendelijk als zij me het takje geeft, waarop
ik een kus druk om het daarna in mijn vest te verbergen. Juffrouw
Larkins lacht, trekt mijn hand door haar arm en zegt: „Wilt gij mij nu
weder bij kapitein Bailey brengen?”
Ik ben nog geheel onder den indruk van dit heerlijk gesprek en van de
wals, als zij bij mij terugkomt met een leelijk, oudachtig heer, die
den geheelen avond aan de whisttafel gezeten heeft, en zegt: „O, daar
is mijn vermetel vriendje! Mijnheer Chestle wenscht kennis met u te
maken, mijnheer Copperfield.”
Ik voel, dat hij een vriend des huizes moet zijn en ben zeer vereerd
met de kennismaking.
„Ik bewonder uwe keus, mijnheer,” zegt mijnheer Chestle. „Doet u eer
aan. Ik onderstel, dat gij weinig belang stelt in hop, maar ik kweek
die in het groot en zoo gij ooit in de buurt komt—in de buurt van
Ashford—en onze kweekerij eens wilt bezichtigen, zult gij ons veel
genoegen doen.”
Ik bedank mijnheer Chestle en wij schudden elkander de hand. Ik meen
een gelukkigen droom te hebben. Nogmaals wals ik met de oudste juffrouw
Larkins—zij zegt, dat ik heel goed dans—en ik ga naar huis in de
zaligste stemming en blijf in mijne verbeelding den geheelen nacht
walsen met den arm om de blauwe leest van mijne godin. Eenige dagen
lang geniet ik van de onuitsprekelijk zalige herinnering, maar ik zie
haar niet op straat en krijg belet. Het half vergane takje kan mij
slechts matig troosten over deze teleurstelling.
„Trotwood,” zei Agnes op zekeren dag na het eten. „Wie denkt gij wel,
dat morgen trouwt? Iemand, die gij aanbidt!”
„Gij toch niet, Agnes?”
„Neen, ik niet!” riep zij, terwijl zij met haar lief gezichtje opkeek
van de muziek, die zij copieerde. „Hoort gij wat hij zegt, papa?—De
oudste juffrouw Larkins.”
„Met..... met kapitein Bailey?” Ik had nog juist de kracht om deze
vraag te stamelen.
„Neen, niet met een kapitein. Met mijnheer Chestle, hopkweeker.”
Gedurende een of twee weken ben ik ziek van neerslachtigheid. Ik doe
mijn ring af, draag mijne oudste kleeren, heb geen berenvet noodig en
jammer telkens over de vergane bloem van wijlen juffrouw Larkins.
Aangezien mij deze wijze van leven begint te vervelen en ik eene
nieuwe uitdaging van den slager gekregen heb, werp ik het takje weg,
neem de uitdaging aan en behaal een glansrijke overwinning.
Dit, de verzoening met mijn ring en een matig gebruik van berenvet zijn
de laatste herinneringen uit den tijd vóór mijn zeventiende jaar.