XVII.

Er komt iemand opdagen.

Het is niet in mij opgekomen melding te maken van Peggotty in de

laatste bladzijden; natuurlijk schreef ik haar een brief, zoodra ik te

Dover was aangeland en een tweeden, langeren, met alle bijzonderheden,

toen tante Betsey mij voor goed onder hare veilige vleugelen had

genomen. Op den eersten dag van mijn verblijf bij doctor Strong

schreef ik haar nogmaals en deelde haar mede hoe gelukkig ik was en

hoe heerlijk nu mijne vooruitzichten waren. Zeker had ik van het geld,

dat mijnheer Dick mij bij het afscheid in de hand had gestopt, niet

meer genoegen kunnen hebben dan hetgeen ik smaakte, toen ik in mijn

laatsten brief aan Peggotty de halve gouden guinje terugzond, die zij

mij geleend had; in dezen brief, niet eerder, vertelde ik haar tevens

de geschiedenis met den jongen en de ezelkar.

Op al deze mededeelingen antwoordde Peggotty even spoedig, zij het

dan ook al niet even beknopt als een kantoorklerk. Zij putte al hare

zeggingskracht—die in inkt niet heel groot was—uit in pogingen

om mij te doen gevoelen wat zij geleden had bij het lezen van mijn

reisverhaal. Vier zijdjes vol afgebroken volzinnen en tusschenwerpsels,

zonder punten, hier en daar gevlekt, waren ontoereikend om lucht te

verschaffen aan haar opgekropt gemoed. Deze vlekken zeiden mij echter

meer dan de best gestelde brief had kunnen doen; ze zeiden mij dat

Peggotty boven het papier had zitten schreien; kon ik meer verlangen?

Ik begreep zonder veel moeite dat zij zich tante Betsey nog maar

niet kon voorstellen als eene vriendelijke dame. Zij had te lang

een vooroordeel tegen haar gekoesterd om zoo plotseling te kunnen

veranderen. „Wij kennen de menschen eigenlijk nooit,” schreef zij,

„maar te denken dat tante Betsey zoo geheel anders was dan zij

gemeend had, dat ging haar te hoog”—dit waren hare eigen woorden.

Blijkbaar was zij nog bang voor tante, want zij verzocht heel

schroomvallig hare groeten; en vermoedelijk was zij ook bang voor

mij en op de waarschijnlijkheid bedacht, dat ik spoedig weer zou

wegloopen—tenminste ik moest dat wel opmaken uit de meer dan eenmaal

herhaalde verklaring, dat het geld voor de vracht per diligence naar

Yarmouth altijd voor mij gereed lag.

Eén bericht in haar brief trof mij zeer; zij schreef dat er aan onze

oude woning eene verkooping van meubelen had plaats gehad; dat mijnheer

en juffrouw Murdstone naar elders vertrokken waren en mijn ouderlijk

huis te koop of te huur stond. De Hemel weet dat ik er volstrekt geen

belang bij had of zij daar bleven of niet, maar de gedachte dat het

lieve, oude huis nu zoo eenzaam en verlaten daar stond, dat het onkruid

welig tieren zou op de paden en de dorre bladeren in den tuin en op het

graf van mijn vader en mijne moeder zouden blijven liggen—die gedachte

pijnigde mij meer dan ik hier kan beschrijven. Ik stelde mij voor hoe

de wind des winters om het huis zou huilen, hoe de koude regen tegen de

vensters zou kletteren en hoe de maan haar spookachtig wit licht zou

laten schijnen op de kale muren van de ledige kamers. Ik dacht aan het

graf mijner ouders onder den grooten boom en het scheen mij toe of het

huis nu ook dood was, alsof alle banden, waarmede ik aan mijn vader en

mijne moeder gehecht was, verbroken waren.

Ander nieuws bevatten Peggotty's brieven niet. Barkis was een

voorbeeldig echtgenoot, schreef zij, alleen een beetje schriel; maar

wij hebben allen onze gebreken en zij zelve had er in overvloed—het

zou mij onmogelijk geweest zijn er een op te noemen—; Barkis zond mij

zijne groeten en had gezegd dat mijn kleine kamertje altijd gereed was

om mij ontvangen. Baas Peggotty was heel gezond en Ham was heel gezond

en juffrouw Gummidge was maar zoo zoo en de kleine Emily wilde geen kus

voor mij in den brief sluiten en had gezegd dat Peggotty zelve het maar

doen moest als zij er lust in had.

Van al deze berichten deed ik trouw verslag aan mijne tante; alleen

hield ik dat van de kleine Emily voor mij zelven, wel wetende dat tante

dit niet heel vriendelijk zou opnemen. Toen ik pas bij doctor Strong

was, kwam zij mij meermalen bezoeken, maar altijd onverwachts—ten

einde mij te verrassen, denk ik. Maar zij vond mij altijd nuttig bezig

en aangezien ik mij een goeden naam maakte en zij van alle kanten

vernam, dat ik heel vlijtig was, staakte zij deze bezoeken al heel

spoedig. Ik zag haar des Zaterdags om de drie of vier weken, als ik

voor pleizier naar Dover ging, en ik zag mijnheer Dick des Woensdags

om de veertien dagen; hij kwam dan tegen den avond met de diligence en

bleef tot den volgenden morgen.

Bij dergelijke gelegenheden reisde mijnheer Dick nooit zonder zijne

lederen schrijfportefeuille, waarin zich het noodige schrijfgereedschap

en de memorie bevonden; ten opzichte van deze laatste begon het hem nu

duidelijk te worden, dat het tijd werd om zich wat te haasten en dat

het nu werkelijk eens tot eene uitgave komen moest.

Mijnheer Dick was een hartstochtelijk liefhebber van peperkoek, en ten

einde hem zijn bezoeken zoo aangenaam mogelijk te maken, had tante mij

last gegeven een crediet voor hem te openen in een koekwinkel, echter

onder de beperkende voorwaarde, dat ik op een en denzelfden dag niet

meer dan een shilling mocht besteden. Dit en de omstandigheid, dat al

de kleine rekeningetjes van de herberg, waar hij sliep, aan mijne tante

moesten gezonden worden eer zij betaald werden, wekte het vermoeden

bij mij op dat mijnheer Dick wel met zijn geld mocht rammelen, maar

het niet mocht uitgeven naar believen. Bij een nader onderzoek bleek

mij dat mijn vermoeden juist was, tenminste dat er eene overeenkomst

bestond tusschen tante en hem, en hij al zijne uitgaven aan haar

verantwoordde. Aangezien het niet in hem opkwam haar te bedriegen

en hij niets liever wenschte dan haar genoegen te doen, was op deze

eenvoudige wijze alle verkwisting buitengesloten. Mijnheer Dick was

op dit punt, zoowel als op alle andere punten, overtuigd dat tante de

verstandigste en bewonderenswaardigste aller vrouwen was; zooals hij

mij menigmaal in diep geheim en op fluisterenden toon verzekerde.

„Trotwood,” vroeg hij met eene geheimzinnige uitdrukking op zijn

gelaat, na mij op zekeren Woensdag deze vertrouwelijke mededeeling

weder gedaan te hebben, „weet gij wie die man is, die zich in de buurt

van ons huis schuil houdt en haar telkens angst aanjaagt?”

„Tante angst aanjaagt, mijnheer?”

Hij knikte bevestigend. „Ik meende,” zei hij, „dat niets haar angst zou

kunnen aanjagen, want zij is,”—hij begon weder te fluisteren—„vertel

dat aan niemand, de verstandigste en bewonderenswaardigste aller

vrouwen.” Toen hij dit gezegd had, deed hij een stap achteruit, ten

einde de uitwerking van zijne woorden beter te kunnen gadeslaan.

„De eerste keer dat hij kwam,” ging hij voort, „was... laat mij eens

zien... zestienhonderd negen-en-veertig werd koning Karel onthoofd....

gij zeidet immers zestienhonderd negen-en-veertig?”

„Ja, mijnheer.”

„Ik begrijp niet hoe het mogelijk is,” antwoordde hij, erg in de war en

voortdurend het hoofd schuddende. „Ik ben toch nog niet zoo oud?”

„Maar was het dan in dat jaar, dat die man voor het eerst verscheen?”

vroeg ik.

„Maar hoe is dat mogelijk!” riep mijnheer Dick. „Ik begrijp volstrekt

niet hoe het in dat jaar kan geweest zijn, Trotwood. Hebt gij dien

datum uit de geschiedenisboeken geleerd?”

„Ja, mijnheer.”

„Kunnen geschiedenisboeken wel eens onwaarheid vermelden?” vroeg hij op

een toon, die nog een zweempje hoop verried.

„Wel neen, mijnheer,” antwoordde ik zoo beslist mogelijk. Ik was nog

jong en naïef, en meende werkelijk dat het zoo was.

„Ik kan het niet uitmaken,” hernam hij hoofdschuddende. „Er moet iets

in de war zijn, wat het is weet ik niet. Hoe het zij, het moet spoedig

nadat men zich zoo vergist en het geharrewar uit koning Karel's hoofd

in het mijne gebracht heeft, geweest zijn. Toen is die man voor de

eerste maal verschenen. Ik maakte na de thee een wandeling met juffrouw

Trotwood, en toen wij tegen het donker thuiskwamen, stond hij vlak bij

de deur.”

„Gingt gij wandelen?” vroeg ik.

„Wandelen?” herhaalde mijnheer Dick. „Laat eens zien. Ik moet het mij

eens goed herinneren. N..ee..een, hij ging niet wandelen.”

Als de kortste manier om er achter te komen, vroeg ik: „Wat deed hij

dan?”

„Wel, hij was er niet,” antwoordde hij, „hij kwam achter ons aan en

fluisterde iets. Toen keerde juffrouw Trotwood zich om en viel flauw

en ik bleef staan en keek hem aan en toen ging hij heen; maar het

zonderlinge van het geval is dat hij sinds dien avond ergens, in den

grond geloof ik, verborgen is.”

„Is hij sinds dien tijd ergens verborgen geweest?”

„Zeker, _is_ hij dat,” antwoordde mijnheer Dick. „Hij kwam nooit te

voorschijn vóór gisteren avond! Wij gingen weer wandelen en hij kwam

ons weer achterop en ik herkende hem terstond!”

„En schrikte tante ook weer?”

„Zij beefde over haar gansche lichaam,” antwoordde hij, de aandoening

nabootsend en met de tanden klapperend; „zij hield zich aan het

tuinhek vast... zij schreeuwde. Maar, Trotwood, kom eens hier,”—hij

trok mij dicht tegen zich aan en vroeg op fluisterenden toon: „waarom

gaf zij dien man geld? Ik heb het bij het maanlicht duidelijk gezien.”

„Misschien was hij een bedelaar?”

Mijnheer Dick schudde hevig met het hoofd, alsof hij deze oplossing van

het raadsel met alle kracht wilde ontkennen, en na een aantal malen

met de innigste overtuiging gezegd te hebben: „Neen, geen bedelaar,

geen bedelaar, geen bedelaar, jongeheer!” ging hij voort: „uit mijn

venster heb ik laat op den avond gezien, dat uwe tante dien man buiten

het tuinhek geld gaf en dat hij toen weder wegzonk”—hij meende zeker

in den grond—„en niet meer werd teruggezien. Uwe tante kwam daarna

haastig en zoo geheimzinnig mogelijk aan de achterzijde het huis

weder binnen en was den volgenden morgen heel anders dan gewoonlijk.”

Blijkbaar verontrustte deze geschiedenis mijnheer Dick; maar ik

twijfelde geen oogenblik of die onbekende bestond alleen in zijne

verbeelding en moest op één lijn geplaatst worden met den ongelukkigen

vorst, die hem zooveel hoofdbreken kostte; maar na eenig nadenken begon

ik de vraag te overwegen of er niet twee malen eene poging kon zijn

gedaan om den ongelukkigen mijnheer Dick zelf aan tante's bescherming

te onttrekken en of wellicht tante, wier genegenheid voor hem mij

bekend was—ik wist uit haar eigen mond immers hoe zij hem genegen

was—zich genoopt had gevoeld eene som gelds te geven, ten einde hem

vrede en rust te verschaffen. Ik was zelf ook zeer aan mijnheer Dick

gehecht en zijn welzijn ging mij zeer ter harte, zoodat de vrees mij

sterkte in mijn eenmaal opgevat vermoeden. Langen tijd nog daarna

bekroop mij elken Woensdag weder de angst, dat ik hem niet in de

diligence zou zien zitten. Telkens was die angst echter ongegrond,

want op de vastgestelde dagen zat hij altijd met zijn grijze hoofd en

denzelfden tevreden glimlach om den mond op dezelfde plaats en nooit

had hij iets meer te vertellen van den man, die mijne tante zulk een

schrik had aangejaagd.

Deze Woensdagen waren de gelukkigste dagen in mijnheer Dick's

tegenwoordig leven en zeker waren ze niet de minst gelukkige van het

mijne. Weldra kenden al de jongens mijnheer Dick; en hoewel hij nooit

aan eenige andere uitspanning deelnam dan aan het oplaten van vliegers,

stelde hij toch groot belang in al onze spelen. Hoe menigmaal heb ik

hem niet met de grootste belangstelling zien turen naar onze knikkers

en tollen, zóó vol aandacht, dat hij op het beslissende oogenblik

nauwelijks ademhaalde. Hoe menigmaal heb ik hem bij het krijgertje

spelen niet op een heuveltje zien staan; allen aanmoedigend en met

den hoed boven het hoofd zwaaiend, Koning Karel's hoofd en alles wat

daarmede in betrekking stond vergetend! Hoe menig uurtje—voor hem

slechts eenige zalige oogenblikken—bracht hij des zomers door op het

cricketveld! Hoe menigen kouden winterdag heb ik hem met een blauwen

neus in den Oostenwind zien staan kijken naar de jongens, als zij in

langen rijen de zelf gemaakte glijbanen afgleden! Hoe vergenoegd kon

hij dan in zijne dikke handschoenen klappen!

Hij was aller vriend en zijne schranderheid in kleinigheden ging ieders

verstand te boven. Hij kon uit sinaasappelen de vreemdsoortigste dingen

snijden, waarover iedereen verbaasd was; van een vleeschpen, ja, van

alles maakte hij bootjes, van beenderen uit het vleesch vervaardigde

hij stukken voor het schaakbord; van oude kaarten Romeinsche

zegewagens, wielen met spaken van garenklosjes en vogelkooien van

oud ijzerdraad. Van bindtouw en stroo kon hij alles maken wat hij

wilde—daarvan waren wij allen overtuigd. Zijne vermaardheid drong

spoedig door tot buiten de school. Nadat hij eenige malen te

Canterbury geweest was, informeerde doctor Strong bij mij naar mijnheer

Dick en ik vertelde hem alles wat mijne tante mij verteld had. Doctor

Strong's nieuwsgierigheid werd daardoor opgewekt en den eerstvolgenden

Woensdag verzocht hij mij hem de gelegenheid te verschaffen kennis

met hem te maken. Ik stelde de heeren aan elkander voor en toen de

doctor mijnheer Dick uitnoodigde, om, wanneer ik eens niet aan het

diligencekantoor of de ochtendles nog niet geëindigd mocht zijn, bij

hem te komen wachten, werd het spoedig eene gewoonte, dat mijnheer

Dick op het voorplein heen en weer bleef wandelen, tot ik met mijn

werk gereed was, hetgeen 's Woensdags gewoonlijk vrij lang duurde.

Hier maakte hij kennis met de mooie, jonge doctorsvrouw—die er

den laatsten tijd bleeker uitzag dan vroeger en zich ook aan mij

zeldzamer vertoonde, niet meer zoo vroolijk was als voorheen maar

niet minder mooi—en zoo werd hij langzamerhand gemeenzamer met

allen en kwam eindelijk in de school om daar te wachten. Hij zat

altijd in een bijzonder hoekje en op een bijzonder bankje, dat „Dick”

genoemd werd naar hem; hier bleef hij dan zitten met het grijze hoofd

voorovergebogen, luisterende naar alles, dat om hem heen voorviel, en

met den diepsten eerbied voor al de geleerdheid, die hij zelf nooit had

kunnen machtig worden.

Deze vereering strekte zich ook uit tot den doctor, die in zijn

oogen de geleerdste en diepzinnigste wijsgeer was, waarvan de wereld

ooit gewaagde. Het duurde lang eer mijnheer Dick hem ooit anders dan

blootshoofds durfde naderen en zelfs toen de doctor en hij reeds

vriendschap hadden gesloten en zij te zamen op dat gedeelte van het

voorplein wandelden, dat onder ons het „doctorspad” genoemd werd, nam

mijnheer Dick telkens nog zijn hoed af, om zijn eerbied te toonen voor

wijsheid en kennis. Hoe het kwam dat de doctor op deze wandelingen uit

brokstukken van zijn woordenboek begon te lezen, heb ik nooit begrepen;

vermoedelijk was dit voor hem hetzelfde alsof hij het voor zich alleen

las. Hoe het zij, het werd eene gewoonte en mijnheer Dick luisterde met

een gelaat, dat glom van blijden trots, en scheen te gelooven dat het

Grieksche woordenboek van den doctor de heerlijkste lectuur was van de

wereld.

Als ik nu nog denk aan die wandelingen langs de schoolramen—de

doctor met een vergenoegden glimlach om den mond, lezende en nu en

dan zwaaiende met het manuscript of deftig met het hoofd knikkende;

en mijnheer Dick met de grootste aandacht luisterend, terwijl zijne

gedachten op de vleugelen dier bijna niet uit te spreken woorden, de

Hemel weet waarheen, vlogen—komen zij mij nog voor als een van de

grappigste dingen, die ik ooit gezien heb. Ik krijg dan een gevoel

alsof zij daar eeuwig hadden kunnen heen- en weerwandelen en de wereld

daardoor beter zou zijn geworden; alsof duizend dingen, waarover de

wereld zich druk maakt, niet half zoo goed zijn geweest voor haar en

voor mij.

Agnes was spoedig op een goeden voet met mijnheer Dick en zoo maakte

deze ook spoedig kennis met Uriah Heep. De vriendschap tusschen

mijnheer Dick en mij nam voortdurend toe en terwijl het heette, dat hij

naar mij kwam zien als voogd, raadpleegde hij mij bij elk gevoel van

twijfel dat in hem oprees; hij koesterde niet alleen grooten eerbied

voor mijne aangeboren schranderheid, maar was overtuigd dat ik ook een

goede dosis van mijne tante geërfd had.

Op zekeren Donderdagmorgen, terwijl ik, alvorens weder naar school te

gaan—wij hadden een uur les voor het ontbijt—mijnheer Dick van het

hôtel naar het diligencekantoor bracht, ontmoette ik Uriah, die mij

aan mijne belofte herinnerde om bij hem en zijne moeder thee te komen

drinken, terwijl hij, zich in allerlei bochten draaiend, er bijvoegde:

„Maar ik had niet verwacht dat gij het doen zoudt, jongeheer

Copperfield; wij zijn al te nederig.”

Ik was het werkelijk tot nu toe nog niet met mij zelven eens kunnen

worden, of ik van Uriah hield dan wel of ik een afschuw van hem had en

toen ik daar op straat tegenover hem stond en hem vlak in het gezicht

keek, verkeerde ik nog steeds in denzelfden twijfel. Ik wilde echter in

geen geval voor trotsch doorgaan en zei daarom dat ik wachtte op eene

uitnoodiging.

„O, als dat zoo is, jongeheer Copperfield,” zei Uriah, „en het waarlijk

niet onze nederigheid is, die u terughoudt, kom dan van avond? Maar als

wij te nederig zijn, hoop ik dat gij niet aarzelen zult het te zeggen,

jongeheer Copperfield; want wij zijn onze nederigheid volkomen bewust.”

Ik antwoordde dat ik het mijnheer Wickfield zou vragen, en als deze

er niets tegen had, waaraan ik geen oogenblik twijfelde, zou ik met

genoegen komen. Het was een avond, waarop het kantoor vroeg gesloten

werd, en zoo deelde ik te zes uur aan Uriah mede, dat ik gereed was om

hem naar zijne moeder te vergezellen.

„Moeder zal er zeker trotsch op zijn,” zei hij, terwijl wij samen

voortwandelden. „O, zij zou er zeker trotsch op zijn, als dat geen

zonde was, jongeheer Copperfield.”

„En toch maaktet gij dezen morgen geen oogenblik bezwaar om te

onderstellen dat ik trotsch was,” antwoordde ik.

„O, Hemel, neen, jongeheer Copperfield!” riep Uriah. „O, geloof mij,

neen! Eene dergelijke gedachte is niet in mij opgekomen! Ik zou het

volstrekt niet trotsch van u gevonden hebben, als gij ons te nederig

hadt gevonden voor u. Want wij zijn zoo heel nederig.”

„Hebt gij in den laatsten tijd veel gestudeerd?” vroeg ik, om van dit

onderwerp af te stappen.

„O, jongeheer Copperfield,” antwoordde hij op den meest bescheiden

toon, „het weinige dat ik lees kan geen studeeren genoemd worden. Ik

heb eenige avonden een uur of twee met Mr. Tidd doorgebracht.”

„Zeker moeilijk te begrijpen?” vroeg ik.

„Voor mij is hij dikwijls moeilijk te begrijpen,” antwoordde hij, „maar

ik weet niet of hij voor meer begaafden dan ik ben ook zoo moeilijk te

begrijpen zal zijn.”

Na al wandelende eenigen tijd met de voorste vingers van zijn beenige

hand op zijne kin getrommeld te hebben, ging hij voort: „Daar zijne

uitdrukkingen in Mr. Tidd's werk, jongeheer Copperfield, die voor

iemand met mijne nederige talenten moeilijk te begrijpen zijn, vooral

het Latijn en Grieksch.”

„Zoudt gij gaarne Latijn leeren?” vroeg ik. „Ik wil er u gaarne les in

geven”, voegde ik er bereidwillig bij.

„O, dank u, jongeheer Copperfield”, antwoordde hij hoofdschuddend. „Het

is wel vriendelijk van u mij zulk een aanbod te doen, maar ik ben veel

te nederig om het te durven aannemen.”

„Hoe dwaas, Uriah!”

„Neen, waarlijk niet, jongeheer Copperfield; ik ben u zeer verplicht

en ik zou niets liever wenschen, dat verzeker ik u; maar ik ben al te

nederig. Er zijn menschen genoeg, die mij in mijn nederigen staat wel

zouden willen vertrappen, al geef ik hun geen oogenblik aanstoot door

mijne geleerdheid. Want ik ben niet geleerd en zal het nimmer worden.

Iemand als ik moet laag bij den grond blijven; wil ik vooruitkomen in

de wereld dan moet ik nederig zijn, jongeheer Copperfield.”

Nooit zag ik zijn mond zoo wijd geopend, noch de plooien in zijne

wangen zoo diep dan bij deze ontboezeming; hij schudde voortdurend

met het hoofd en wrong zich uit bescheidenheid in de vreemdsoortigste

bochten.

„Ik kan u geen gelijk geven, Uriah,” zei ik. „Ik geloof dat ik u veel

dingen zou kunnen leeren, indien gij lust daarin hadt.”

„O, ik twijfel daar niet aan, jongeheer Copperfield,” antwoordde hij,

„niet het minst. Maar omdat gij zelf niet tot zulk een nederigen stand

behoort, kunt gij misschien niet goed oordeelen over hen, die wel

nederig zijn. Ik wil mijn meerderen niet lastig vallen met geleerdheid,

dank u wel. Ik ben veel te nederig. Hier is onze nederige woning,

jongeheer Copperfield!”

Wij traden zoo van de straat eene lage, ouderwetsche kamer binnen

en vonden daar juffrouw Heep, het sprekend evenbeeld van haar zoon,

maar verkleind. Zij ontving mij met eene onderdanige buiging en

verzocht verschooning, omdat zij haar zoon een kus gaf, waarbij zij de

opmerking maakte, dat al waren zij nederig, zij toch hun natuurlijk

gevoel hadden, hetgeen naar zij hoopte, niemand aanstoot zou geven.

Het was een heel zindelijke kamer, half zitkamer half keuken, maar

geen prettige kamer. Het theeblad stond op de tafel gereed en boven

het vuur hing een ketel water. Er stond een laag bureautje met drie

laden, waaraan Uriah des avonds zat te lezen of te schrijven; verder

lag er Uriah's blauwe portefeuille vol papieren; dan stonden er Uriah's

boeken allen op een rij, met Mr. Tidd aan het hoofd, een hoekkastje

met allerlei huisraad en verder de gewone meubelen. Ik herinner mij

niet dat er één voorwerp in die kamer was, dat er bepaald armoedig of

kaal uitzag, maar ik herinner mij wel dat het geheel dien indruk op mij

maakte.

Het scheen bij juffrouw Heep's nederigheid te behooren, dat zij nog in

den rouw was. Niettegenstaande er reeds een zeer lange tijd verloopen

was sinds den dood van haar man, droeg zij nog steeds weduwenrouw.

Als ik het mij goed herinner, was het fatsoen van den kap eenigszins

gewijzigd, maar overigens was zij nog in even zwaren rouw als in de

eerste dagen.

„Dit is een dag, die ons lang zal heugen, Uriah, dat is zeker,” zei

juffrouw Heep, terwijl zij thee zette, „wij zullen het niet gemakkelijk

vergeten dat jongeheer Copperfield ons wel een visite heeft willen

brengen.”

„Ik heb al gezegd dat gij er zoo over zoudt denken, moeder,” antwoordde

Uriah.

„Als ik ooit gewenscht heb dat vader bij ons mocht gebleven zijn,” ging

juffrouw Heep voort, „zou het zijn om met ons gezelschap van heden

avond kennis te maken.”

Ik werd verlegen onder al deze complimenten; maar ik vond het ook wel

aardig zoo geëerd te worden als gast en juffrouw Heep was in mijne

oogen een allerliefste vrouw.

„Mijn Uriah,” zei juffrouw Heep, „heeft langen tijd naar dezen avond

gewenscht, jongeheer. Hij vreesde dat onze nederigheid een beletsel

zijn zou en ik deelde die vrees met hem. Wij zijn nu eenmaal nederig,

wij zijn altijd nederig geweest en zullen nederig blijven; daarbij

bevinden wij ons het best.”

„Ik meen toch wel te mogen zeggen dat gij niet zoo nederig behoeft te

zijn,” gaf ik ten antwoord, „tenzij gij het zelve wenscht.”

„Ik dank u wel, jongeheer,” antwoordde juffrouw Heep, „wij weten waar

wij moeten staan en zijn dankbaar voor hetgeen wij hebben.”

Ik merkte op dat juffrouw Heep hoe langer hoe dichter naar mij

toeschoof, en dat Uriah vlak tegenover mij had plaats genomen, terwijl

zij mij als om strijd bedienden van het lekkerste, dat op tafel

stond. Er was wel niet veel keus, maar ik nam den wil voor de daad

en was erkentelijk voor hunne oplettendheden. Weldra begonnen zij te

vertellen van tantes en ik vertelde van de mijne; en van vaders en

moeders en ik vertelde van de mijne; en toen bracht Uriah het gesprek

op stiefvaders en ik vertelde weer van den mijnen,—maar ik brak mijn

verhaal spoedig af, want tante had mij den raad gegeven over dit punt

liever te zwijgen. Een zacht klein kurkje zou echter niet beter bestand

geweest zijn tegen een flinken kurketrekker, een melktandje tegen

een kiezentrekker of een volant tegen een palet dan ik tegen Uriah

en juffrouw Heep. Zij deden met mij wat ze wilden en ontwrongen mij

dingen, die ik volstrekt niet had willen vertellen; en zij deden dit

met een gemak en een zekerheid, dat ik er nu nog over bloos, als ik er

aan denk, te meer wijl ik het deed met eene openhartigheid, die alleen

haar oorzaak vond in mijn jeugdigen trots; ja, ik was er trotsch op,

dat men mij zoo in het vertrouwen nam en voelde, dat ik daar zat als de

meerdere van de beide aandachtige luisteraars.

Eén ding was zeker; zij hielden veel van elkander. Ik onderstel dat dit

indruk op mij maakte omdat het zoo natuurlijk was; maar de handigheid,

waarmede de een doorging op hetgeen de ander gezegd had, was niet

natuurlijk—dat was kunstmatig en daartegen was ik in het geheel niet

bestand. Toen ik niets meer over mij zelven te vertellen had—over mijn

verblijf bij Murdstone en Grinby bewaarde ik het stilzwijgen—begonnen

zij over mijnheer Wickfield en Agnes te spreken. Uriah wierp den bal

naar zijne moeder en deze ving hem handig op en wierp hem terug naar

Uriah; Uriah hield hem een oogenblik vast en wierp hem toen terug naar

juffrouw Heep en zoo ging het voort, tot ik volstrekt niet meer wist

wie hem had en geheel in de war was. Ook was er telkens een andere

bal. Nu eens was mijnheer Wickfield, dan weder Agnes aan de beurt; nu

eens was de voortreffelijkheid van mijnheer Wickfield, dan weder mijne

bewondering voor Agnes het onderwerp van het gesprek; nu eens spraken

wij over mijnheer Wickfield's zaken en inkomsten, dan weder over ons

samenzijn aan tafel of over den wijn, dien mijnheer Wickfield dronk,

over de reden waarom hij dien dronk, of betreurden wij het, dat hij

zooveel wijn dronk; nu het een dan het ander, dan weder alles tegelijk.

Gedurende al dien tijd en niet tegenstaande ik weinig sprak, maar hen

alleen nu en dan eens aanmoedigde opdat zij niet al te zeer onder

den indruk zouden geraken van hunne eigen nederigheid en van de eer

van mijn gezelschap—gedurende al dien tijd betrapte ik er mij zelven

telkens op, het een of ander los te laten, dat ik niet had moeten

loslaten en zag ik de uitwerking daarvan in de trillende neusvleugels

van Uriah. Ik begon mij reeds minder op mijn gemak te gevoelen en mij

ver weg te wenschen, toen er iemand de straat afkwam—het was warm

zoodat de deur open stond—nog eens terugliep en eindelijk binnenkwam,

uitroepende: „Copperfield! Zijt gij het waarlijk?”

Het was mijnheer Micawber! Het was mijnheer Micawber in eigen persoon,

met zijn lorgnet en zijn wandelstok en zijn overhemdje en zijn

vriendelijk gezicht en zijne galmende stem.... mijnheer Micawber—niets

veranderd!

„Mijn waarde Copperfield,” sprak hij, zijne hand uitstekende, „dit is

inderdaad eene ontmoeting, die wel geschikt is om ons al de onzekerheid

en de onstandvastigheid van het aardsche te doen beseffen—kortom, het

is eene buitengewone ontmoeting. Terwijl ik de straat doorliep om te

zien of zich ook iets zou opdoen—waarop ik tegenwoordig zeer veel hoop

heb—vind ik daar een jongen, maar zeer gewaardeerden vriend terug, die

verbonden is aan een der merkwaardigste tijdperken in mijn leven, ja,

ik mag wel zeggen aan een keerpunt in mijn leven. Copperfield beste

jongen, hoe maak je 't?”

Ik kan niet zeggen .... ik kan werkelijk niet zeggen—dat ik blijde was

mijnheer Micawber _daar_ te zien; maar toch was ik blijde hem te zien

en schudde hem hartelijk de hand, terwijl ik hem vroeg, hoe mevrouw

Micawber het maakte.

„Dank u,” zei hij, als van ouds met de hand wuivend en zijne kin

in zijn halsboord drukkend. „Mevrouw Micawber is vrij wel. De

tweelingen putten niet langer de noodzakelijke bestanddeelen voor hun

levensonderhoud uit de bronnen der Natuur,.... Kortom,” voedde hij er

in eene uitbarsting van vertrouwelijkheid bij, „zij zijn gespeend en

mevrouw Micawber heeft mij hierheen vergezeld. Zij zal blijde zijn,

Copperfield, de kennismaking te hernieuwen met iemand, die altijd

getoond heeft een waardig priester te zijn aan het altaar der

vriendschap.”

Ik zeide, dat het mij ook zeer aangenaam zou zijn haar te zien.

„Gij zijt wel goed,” antwoordde mijnheer Micawber met een glimlach,

waarna hij opnieuw zijne kin in de plooi zette en het vertrek rondkeek.

„Ik heb mijn jongen vriend Copperfield gevonden,” hernam mijnheer

Micawber op hoffelijken toon, doch zonder zich bepaald tot iemand te

wenden, „niet in de eenzaamheid, maar deelnemende aan een huiselijken

maaltijd met eene weduwe en nog een persoon, die vermoedelijk tot haar

kroost behoort—kortom, haar zoon. Het zal mij eene groote eer zijn aan

beiden voorgesteld te worden.”

Onder deze omstandigheden kon ik niet minder doen dan mijnheer Micawber

in kennis te brengen met Uriah Heep en zijne moeder, hetgeen ik dan ook

deed. Toen zij eene buiging voor hem maakten, nam mijnheer Micawber een

stoel, ging zitten en wuifde op de hoffelijkste wijze zeer genadig met

zijne hand.

„De vrienden van mijn vriend Copperfield,” zei hij, „kunnen ook

aanspraak maken op mijne vriendschap.”

„Wij zijn veel te nederig, mijnheer,” zei juffrouw Heep, „mijn zoon

en ik zijn veel te nederig om ons vrienden te noemen van jongeheer

Copperfield. Hij is wel zoo goed geweest bij ons te komen theedrinken

en wij zijn hem dankbaar voor zijn gezelschap.... evenals u voor uwe

woorden van zoo even.”

„Mejuffrouw,” antwoordde mijnheer Micawber met eene buiging, „gij zijt

wel beleefd; en wat doet gij tegenwoordig, Copperfield? Nog altijd in

den wijnhandel?”

Ik verlangde vreeselijk mijnheer Micawber weg te krijgen en antwoordde

met mijn hoed in de hand en zonder twijfel met een kleur als vuur, dat

ik op school was bij doctor Strong.

„Op school?” vroeg mijnheer Micawber, zijne wenkbrauwen optrekkende.

„Het verheugt mij zeer dat te hooren. Evenwel, een geest als die van

mijn jongen vriend”—hierbij wendde hij zich tot Uriah en juffrouw

Heep—„heeft niet zulk een leerschool noodig als het geval zou wezen

zonder zijne voortreffelijke kennis van menschen en dingen; zijn geest

is als een vruchtbare bodem, waarin elk zaadje welig ontkiemt...

kortom”—weder zulk eene uitbarsting van vertrouwelijkheid—„kortom

niemand zal het zoo ver in de klassieken brengen als hij.”

Uriah wreef zijne lange, magere handen langzaam over elkander en, om

zijne instemming met deze lofspraak op mij te betuigen, wrong hij zijn

bovenlijf als een kurketrekker.

„Mag ik met u meegaan en mevrouw Micawber een bezoek brengen?” vroeg

ik, ten einde hem maar weg te krijgen.

„Indien gij haar deze eer wilt aandoen, Copperfield,” antwoordde

mijnheer Micawber opstaande. „Ik aarzel niet in tegenwoordigheid

van onze vrienden hier te verklaren, dat ik gedurende eenige jaren

met geldelijke moeilijkheden heb te kampen gehad, kortom, dat

ik in ongelegenheden ben geraakt.”—Ik wist zeker, dat hij iets

dergelijks zeggen zou, want hij liep altijd te koop met zijne

ongelegenheden.—„Somtijds heb ik mij boven mijne ongelegenheden

kunnen verheffen; somtijds hebben de ongelegenheden mij—kortom, zijn

ze mij te machtig geweest. Er zijn tijden geweest, dat ik ze van mij

af heb weten te houden; er zijn ook tijden geweest, dat ze in te

grooten getale kwamen opdagen en ik het onderspit moest delven en tot

mevrouw Micawber de woorden van Cato herhalen: ‚Plato, gij spreekt

goed. Het is gedaan, ik geef den strijd op.’ Maar nooit heb ik

grooter vreugde gekend dan in den tijd, toen ik mijn verdriet—als ik

ongelegenheden, voorspruitende uit dagvaardingen van deurwaarders en

wissels op twee en drie dagen, zoo noemen mag—aan mijn jongen vriend

Copperfield mocht toevertrouwen.”

Mijnheer Micawber besloot deze openhartige bekentenis met te zeggen:

„Mijnheer Heep! Goeden avond. Mejuffrouw Heep! Uw dienaar!” en stapte

toen met den zwier van een millionair de deur uit, terwijl hij een

vroolijk deuntje floot en een ontzettend leven maakte met zijn schoenen

op de straatsteenen.

Mevrouw Micawber had haar intrek genomen in eene kleine herberg, waar

men hun eene kamer gegeven had, die van de gelagkamer afgeschoten

en doortrokken was van tabaksrook. Ik vermoed, dat dit hokje boven

de keuken gelegen was, want er drong eene warme vetlucht door de

reten in den vloer naar boven en de muren waren met eene glibberige

zelfstandigheid bedekt. Het buffet scheen tegen het beschot te staan

want er heerschte eene doordringende lucht van spiritus. Uitgestrekt

op eene kleine sofa onder eene schilderij, die een wedren voorstelde,

vond ik daar mevrouw Micawber, met het hoofd dicht bij het vuur,

terwijl haar eene voet op het punt was om een mosterdpotje van een

dientafeltje aan het andere einde van de kamer af te schoppen. Toen wij

binnentraden, zei mijnheer Micawber, die vooruitging: „Lieve, vergun

mij u voorstellen een leerling van de school van doctor Strong.”

Het trok mijne aandacht, dat, hoewel mijnheer Micawber, evenals vroeger

in de war scheen ten aanzien van mijn leeftijd en mijn stand, zich nu

toch herinnerde, dat ik een scholier was van doctor Strong. Mevrouw

Micawber was even verbaasd als verheugd, toen zij mij zag. Ik was

ook blijde haar terug te zien en na eene hartelijke begroeting van

weêrzijden, nam ik naast haar op de sofa plaats.

„Lieve,” zei mijnheer Micawber, „als gij Copperfield eens wildet

meedeelen, hoe onze tegenwoordige omstandigheden zijn, waarin hij

zonder twijfel zeer veel belang zal stellen, dan zal ik de couranten

eens gaan inkijken; wellicht doet zich onder de advertentiën iets op.”

„Ik meende, dat gij te Plymouth waart, mevrouw,” zei ik toen mijnheer

Micawber weg was.

„Mijn beste Copperfield,” antwoordde zij, „wij zijn ook naar Plymouth

geweest.”

„Om bij de hand te zijn,” voegde ik er bij.

„Juist,” hernam zij, „om bij de hand te zijn. Maar, om u de waarheid

te zeggen, een man van mijnheer Micawber's talenten kon men aan

het tolkantoor niet gebruiken. De invloed van mijne familie daar

ter plaatse was geheel ontoereikend om mijnheer Micawber aan eene

betrekking te helpen. Zij wilden iemand als mijnheer Micawber juist

_niet_ hebben. Hij zou de anderen te veel in de schaduw stellen.

Bovendien, ik wil dat voor u niet verhelen, jongeheer Copperfield, toen

de tak van mijne familie, die te Plymouth woont, vernam, dat mijnheer

Micawber in gezelschap was van mij, den kleinen Wilkins, diens zuster

en de tweelingen, hebben zij hem niet zulk eene warme ontvangst bereid,

als ik na zijn ontslag uit de gevangenis wel verwacht had. Inderdaad,”

vervolgde zij en liet hare stem een weinig dalen,—„maar dit blijft

tusschen ons—de ontvangst was koel.”

„Waarlijk!” zei ik.

„Ja,” hernam zij. „Het is wel pijnlijk de menschheid van zulk eene

zijde te leeren kennen, jongeheer Copperfield, maar onze ontvangst

was inderdaad zeer koel. Daaromtrent kan geen twijfel bestaan. De tak

mijner familie, die te Plymouth woont, werd zelf onaangenaam tegen

mijnheer Micawber, nog eer wij eene week daar woonden.”

Ik zei en ik meende het ook, dat zij zich schamen moesten.

„Ja en toch was het zoo,” vervolgde mevrouw Micawber. „En wat zou

een man van mijnheer Micawber's karakter onder zulke omstandigheden

beginnen? De eenige weg, die voor hem openstond, was: van dien tak

mijner familie het geld te leenen om naar Londen terug te keeren, wat

het ook mocht kosten.”

„En keerdet gij toen allen terug mevrouw?” vroeg ik.

„Wij keerden allen terug,” antwoordde mevrouw Micawber. „Ik heb toen

den raad ingewonnen van andere takken mijner familie, om den weg te

leeren, dien mijnheer Micawber te volgen had—want ik houd vol, dat hij

den een of anderen weg moet inslaan, jongeheer Copperfield,” voegde zij

er op haar gewonen betoogtrant bij. „Het is duidelijk, nietwaar, dat

eene familie van zes personen, behalve de dienstmeid, niet van den wind

kan leven.”

„Zeker, mevrouw,” antwoordde ik.

„De raad, dien wij van deze andere takken der familie kregen,”

vervolgde mevrouw Micawber, „was dat mijnheer Micawber onmiddellijk

zijne aandacht moest vestigen op de kolen.”

„Op wat, mevrouw?”

„Op de kolen,” was mevrouw Micawber's antwoord. „Op den handel in

steenkolen. Na een gehouden onderzoek is mijnheer Micawber dan ook tot

het besluit gekomen, dat er voor iemand van zijne talenten wellicht

eene plaatsing zou zijn te bekomen bij den kolenhandel op de Medway.

Toen was het—mijnheer Micawber zag dit, als gewoonlijk, weder zeer

juist in—een eerste vereischte de Medway te _zien_. Wij gingen er dus

heen en zagen de Medway. Ik zeg, ‚wij’, jongeheer Copperfield, omdat ik

nimmer, nimmer mijnheer Micawber zal verlaten.” Zij zei dit met eene

stem, die trilde van aandoening.

Ik liet een goedkeurend gemompel hooren en zij ging voort: „Wij kwamen

aan de Medway en zagen de Medway. Mijne opinie omtrent den kolenhandel

op die rivier is, dat er zeker talent toe behoort om dien met voordeel

te drijven, maar ook.... kapitaal. Talent.... heeft mijnheer Micawber

te over; maar kapitaal heeft mijnheer Micawber niet. Wij zagen,

vermoed ik, het grootste gedeelte van de Medway en hetgeen ik zoo even

zei, is mijne vaste overtuiging. Nu wij zoo dicht bij Canterbury waren,

kwam het mijnheer Micawber bijna zondig voor den kathedraal niet eens

te gaan bekijken, eerstens omdat de kathedraal van Canterbury zeer

bezienswaardig is en wij dien nooit gezien hadden; ten tweede, omdat

de mogelijkheid niet was uitgesloten, dat er zich in eene stad met

een kathedraal iets voor hem zou opdoen. Wij zijn hier nu drie dagen

en tot op dit oogenblik heeft zich nog niets opgedaan en het zal u

niets verbazen, jongeheer Copperfield,—omdat wij geen vreemden voor u

zijn—als ik u vertel, dat wij op dit oogenblik een wissel wachtende

zijn uit Londen, ten einde de vertering in dit hôtel te betalen. Tot de

aankomst van dien wissel,” sprak zij aangedaan, „ben ik gescheiden van

mijn huis—ik bedoel onze kamers te Pentonville—van mijne kinderen....

van mijne tweelingen.”

Ik voelde diep medelijden met mijnheer en mevrouw Micawber in deze

netelige omstandigheden en sprak dit ook uit, er bijvoegende, dat

ik niets liever wenschte dan geld genoeg te hebben om hen van het

noodige te voorzien. Het antwoord van mijnheer Micawber gaf mij het

duidelijkste bewijs van de onrust, die zich van zijn gemoed had meester

gemaakt. Hij schudde mij de hand en zei: „Copperfield, gij zijt een

trouw vriend, maar als de nood op het hoogst is heeft elk man een

trouwen vriend in zijn scheerkistje.” Bij deze droevige toespeling

sloeg mevrouw Micawber de armen om den hals van haar echtvriend en

smeekte hem moed te houden. Hij schreide; maar in het volgend oogenblik

had hij zich reeds genoegzaam hersteld, om te schellen en den knecht

twee warme nierbroodjes en een schaaltje garnalen te bestellen als

ontbijt voor den volgenden morgen.

Toen ik afscheid van hem nam, drongen zij er beiden zoo op aan, dat

ik dikwijls moest komen en ook eens bij hen het middagmaal moest

gebruiken, dat ik het niet kon weigeren. Ik wist echter, dat ik den

volgenden dag veel te werken zou hebben en dus niet kon komen, waarop

mijnheer Micawber afsprak, dat hij doctor Strong een bezoek zou

brengen—de wissel zou den volgenden morgen zeker komen—en mij voor

den volgenden dag uitnoodigen, indien dit beter met mijne werkzaamheden

was overeen te brengen. Den volgenden voormiddag werd ik dan ook uit

de school geroepen en vond ik mijnheer Micawber in de spreekkamer; hij

vertelde mij, dat het diner den volgenden dag zou plaats hebben en op

mijne vraag of de wissel was aangekomen, drukte hij mij de hand en ging

zwijgend heen.

Toen ik dien avond uit het raam keek, was ik hoogst verbaasd en

verontrustte het mij, mijnheer Micawber met Uriah Heep, arm in arm

te zien voorbijkomen: Uriah hoogst gevoelig voor de eer, die hem

werd aangedaan; mijnheer Micawber innig vergenoegd, dat hij zijne

beschermende hand over Uriah mocht uitstrekken. Maar hoe steeg mijne

verbazing, toen ik den volgenden dag aan het „hôtel” kwam op het

vastgestelde uur—de familie dineerde te vier uur, had mijnheer

Micawber gezegd—en vernemen moest, dat mijnheer Micawber met Uriah

naar huis was gegaan en een glas cognacgrog gedronken had bij de Heeps.

„Ik zal u eens iets vertellen, beste Copperfield,” zei mijnheer

Micawber, „uw vriend Heep is een jongmensch die zeker eenmaal procureur

zal worden. Indien ik dat jonge mensch gekend had in het tijdperk,

waarin mijne ongelegenheden het toppunt hadden bereikt, dan, ja, ik

kan niet anders zeggen dan dat mijne schuldeischers veel handelbaarder

zouden zijn gemaakt dan zij nu waren.”

Ik begreep niet goed, hoe dit mogelijk zou geweest zijn, omdat ik

mijnheer Micawber nooit iets had zien afbetalen, maar ik vroeg er niet

verder naar. Ook wilde ik de hoop niet uitspreken, dat hij niet al te

mededeelzaam mocht geweest zijn tegenover Uriah, noch hem vragen of zij

veel over mij gesproken hadden. Ik was bang, mijnheer Micawber's gevoel

te kwetsen of misschien dat van mevrouw Micawber, die in eene bijzonder

weekhartige stemming verkeerde; maar toch maakte het mij ongerust en

moest ik er telkens aan denken.

Wij hadden een keurig middagmaal: een sierlijken schotel visch,

een gebraden lendestuk, sausijsjes, een koppel patrijzen en een

podding. Verder stond er wijn en ale op tafel en na afloop van het

diner maakte mijnheer Micawber eigenhandig een punchbowl. Mijnheer

Micawber was bijzonder opgeruimd; nooit had ik hem nog in zulk eene

stemming ontmoet. Zijn gezicht begon op het laatst te glimmen van de

punch, zoodat het scheen alsof het gevernist was. Hij werd aandoenlijk,

toen hij over de stad begon te praten, dronk een glas op haar welzijn

en gaf te kennen, dat mevrouw Micawber en hij er met groot genoegen

eenige dagen hadden doorgebracht. Later dronk hij een glas op mijne

gezondheid en met ons drieën bespraken wij nog eens den tijd, waarin

onze kennismaking had plaats gehad, en verkochten daarbij nog eens elk

stuk, dat ik had weggebracht. Daarna dronk ik op de gezondheid van

mevrouw Micawber; ten minste ik zei erg verlegen: „indien gij het mij

wilt toestaan, mevrouw Micawber, zal ik nu het genoegen hebben op uwe

gezondheid te drinken.” Hierin vond mijnheer Micawber aanleiding eene

lofrede te houden op mevrouw Micawber's deugden, „zij is altijd mijn

gids, mijn raadgeefster en mijne vriendin geweest,” zei hij, „en mocht

gij ooit voor u zelven huwelijksplannen smeden, tracht dan eene vrouw

te krijgen als zij—indien er namelijk een tweede zooals zij te vinden

is.”

Naarmate de punch verdween, werd mijnheer Micawber opgeruimder en

vertrouwelijker. Ook mevrouw Micawber werd een weinig geanimeerd en wij

zongen met ons drieën het bekende lied:

„_Auld Lang Syne_” en toen wij aan de regel kwamen: „_Geef mij de hand,

mijn trouwe broeder_”, gaven wij elkander ook om de tafel heen de hand,

zoodat wij een kring vormden en toen wij den laatsten regel zongen,

waarvan wij geen woord begrepen, waren wij werkelijk aangedaan.

In één woord, ik zag zelden guller en aangenamer gastheer dan mijnheer

Micawber en dat bleef hij tot het laatst van den avond, toen ik

afscheid nam van hem en zijne lieve vrouw. Het spreekt van zelf, dat ik

er volstrekt niet op voorbereid was den volgenden morgen te zeven uur

het volgende briefje te ontvangen, gedateerd van den vorigen avond half

tien, een kwartier nadat ik hem verlaten had.

„Mijn beste, jonge vriend!

De teerling is geworpen—alles is voorbij! Terwijl ik de knagende

zorgen achter een masker van vroolijkheid verborg, heb ik u heden

avond niet medegedeeld, dat alle hoop op een wissel vervlogen is.

Onder deze omstandigheden, vernederend om te dragen, vernederend om

aan te zien, vernederend om te verhalen, heb ik mij van de geldelijke

verplichtingen, die ik in dit hôtel op mij geladen heb, gekweten door

een wissel af te geven op mijn naam, te betalen over veertien dagen aan

mijne woonplaats, Pentonville, Londen. Die wissel zal niet gehonoreerd

worden op den vervaldag en dan is het met mij gedaan. Het onweder

steekt op, de boom wordt geveld!

De ongelukkige man, die thans aan u schrijft, beste Copperfield, zij

u ten waarschuwend voorbeeld. Hij schrijft u met die bedoeling en in

die hoop. Kon hij denken ooit tot iets nuttig te zijn, dan, wellicht,

zou er nog een straaltje zonlicht doorbreken in zijn troosteloos

bestaan—hoewel op dit oogenblik twijfel bij hem oprijst of dat bestaan

nog langer zal worden gerekt.

Dit is het laatste bericht, mijn waarde Copperfield, dat gij zult

ontvangen van

den balling-bedelaar

Wilkins Micawber.”

De inhoud van dit hartroerende schrijven deed mij zoo ontstellen, dat

ik terstond naar het kleine hotel liep met het voornemen mijnheer

Micawber een hart onder den riem te steken. Op weg daarheen ontmoette

ik echter de diligence naar Londen; mijnheer en mevrouw Micawber

zaten achterop; mijnheer als een toonbeeld van stille vergenoegdheid,

glimlachende tegen zijne eega en in druk gesprek, terwijl hij

voortdurend noten at uit een zakje en de hals van eene flesch uit zijn

borstzak kwam kijken. Aangezien zij mij niet opmerkten, meende ik, de

omstandigheden in aanmerking genomen, het best te doen hen ook maar

niet op te merken. Van een zwaren last bevrijd wandelde ik door een

zijstraatje naar school, en ik kan niet anders zeggen dan dat over

het geheel het vertrek van de familie Micawber mij eenige verademing

schonk; toch hield ik heel veel van hen.

Het leven en de lotgevallen van David Copperfield · 第 30 / 79 题